MAT 1:1 Overzicht van de afstamming van Jezus Christus, de Zoon van David, de Zoon van Abraham.
MAT 1:2 Abraham was de vader van Isaak, Isaak van Jakob, en Jakob van Juda en zijn broers.
MAT 1:3 Juda was de vader van Peres en Zerach; hun moeder was Tamar. Peres was de vader van Chesron, en Chesron van Aram.
MAT 1:4 Aram was de vader van Amminadab, Amminadab van Nachson, en Nachson van Salmon.
MAT 1:5 Salmon was de vader van Boaz; diens moeder was Rachab. Boaz was de vader van Obed; diens moeder was Ruth. Obed was de vader van Isaï.
MAT 1:6 Isaï was de vader van koning David. David was de vader van Salomo; diens moeder was de weduwe van Uria.
MAT 1:7 Salomo was de vader van Rechabeam, Rechabeam van Abia, Abia van Asaf.
MAT 1:8 Asaf was de vader van Josafat, Josafat van Joram, Joram van Uzzia,
MAT 1:9 Uzzia van Jotam, Jotam van Achaz, Achaz van Hizkia,
MAT 1:10 Hizkia van Manasse, Manasse van Amos, Amos van Josia,
MAT 1:11 en Josia was de vader van Jechonja en zijn broers, in de tijd van de ballingschap in Babylon.
MAT 1:12 Na de ballingschap in Babylon werd Jechonja vader van Sealtiël, Sealtiël van Zerubbabel,
MAT 1:13 Zerubbabel van Abiud, Abiud van Eljakim, Eljakim van Azor,
MAT 1:14 Azor van Sadok, Sadok van Achim, Achim van Eliud,
MAT 1:15 Eliud van Eleazar, Eleazar van Mattan, Mattan van Jakob,
MAT 1:16 en Jakob was de vader van Jozef, de man van Maria. Zij was de moeder van Jezus, die ook Christus wordt genoemd.
MAT 1:17 Er zijn dus veertien generaties van Abraham tot David, veertien generaties van David tot de ballingschap in Babylon, en ook veertien generaties van de ballingschap in Babylon tot de Messias.
MAT 1:18 De geboorte van Jezus Christus verliep als volgt: Toen zijn moeder Maria verloofd was met Jozef, nog voordat ze bij elkaar woonden, bleek dat ze zwanger was door toedoen van de Heilige Geest.
MAT 1:19 Omdat Jozef, haar man, integer was en haar niet te schande wilde maken, wilde hij in stilte van haar scheiden.
MAT 1:20 Terwijl hij dit overwoog, verscheen een engel van de Heer aan hem in een droom. De engel zei: “Jozef, zoon van David, wees niet bang om met Maria te trouwen, want het kind dat zij verwacht komt van de Heilige Geest.
MAT 1:21 Ze zal een zoon krijgen en je moet Hem de naam Jezus geven, want Hij zal zijn volk redden van hun zonden.”
MAT 1:22 Dit hele gebeuren vormde de vervulling van de belofte die de Heer bij monde van de profeet had gegeven:
MAT 1:23 “De maagd zal zwanger worden en een zoon baren, en men zal hem de naam Immanuël geven.” Die naam betekent “God is bij ons”.
MAT 1:24 Toen Jozef wakker werd, deed hij wat de engel van de Heer hem had opgedragen: hij trouwde met Maria,
MAT 1:25 maar hij sliep niet met haar totdat ze haar zoon had gebaard, en hij gaf Hem de naam Jezus.
MAT 2:1 Nadat Jezus in Betlehem in Judea was geboren, in de tijd van koning Herodes, kwamen er sterrenkundigen uit het oosten naar Jeruzalem.
MAT 2:2 Ze vroegen: “Waar is de koning van de Joden die onlangs is geboren? Wij hebben zijn ster zien opkomen en zijn gekomen om Hem te vereren.”
MAT 2:3 Toen koning Herodes dat hoorde, schrok hij hevig, en heel Jeruzalem met hem.
MAT 2:4 Herodes riep alle hoofdpriesters en Schriftgeleerden van het Joodse volk bijeen en vroeg hun waar de Messias zou worden geboren.
MAT 2:5 Zij zeiden tegen hem: “In Betlehem in Judea, want in de profetische geschriften staat:
MAT 2:6 ‘En jij, Betlehem in het land van Juda, jij bent zeker niet de geringste van de heersers van Juda, want uit jou zal een heerser voortkomen die mijn volk, Israël, zal leiden.’”
MAT 2:7 Toen ontbood Herodes de sterrenkundigen in het geheim en hij kwam van hen te weten op welk tijdstip de ster was verschenen.
MAT 2:8 Hij stuurde hen naar Betlehem en zei: “Ga nauwkeurig navraag doen naar het Kind en kom mij verslag uitbrengen wanneer jullie Hem hebben gevonden, opdat ook ik Hem kan gaan vereren.”
MAT 2:9 Nadat ze de koning hadden aangehoord, vertrokken de sterrenkundigen. Opeens ging de ster die ze eerder hadden zien opkomen voor hen uit, totdat ze boven de plaats was gekomen waar het Kind was; daar hield ze stil.
MAT 2:10 Ze waren onbeschrijflijk blij om de ster te zien.
MAT 2:11 Toen ze het huis binnengingen en het Kind met zijn moeder Maria zagen, vielen ze op hun knieën om Hem te vereren. Ze openden hun schatkisten en gaven Hem hun geschenken: goud, wierook en mirre.
MAT 2:12 En nadat ze in een droom waren gewaarschuwd om niet opnieuw naar Herodes te gaan, keerden ze naar hun land terug via een andere route.
MAT 2:13 Na hun vertrek verscheen een engel van de Heer in een droom aan Jozef. Hij zei: “Sta op en vlucht met het Kind en zijn moeder naar Egypte. Blijf daar totdat ik zeg dat je mag terugkomen, want Herodes zal binnenkort naar het Kind zoeken met de bedoeling het Kind om te brengen.”
MAT 2:14 Jozef stond op en week diezelfde nacht met het Kind en zijn moeder uit naar Egypte.
MAT 2:15 Daar bleven ze totdat Herodes stierf en zo ging de volgende profetie van de Heer in vervulling: “Uit Egypte heb Ik mijn Zoon geroepen.”
MAT 2:16 Toen Herodes merkte dat hij door de sterrenkundigen was misleid, werd hij ziedend van woede. Op basis van het tijdstip dat hij van de sterrenkundigen te weten was gekomen, liet hij alle kinderen van twee jaar en jonger in Betlehem en in de hele omgeving ervan ombrengen.
MAT 2:17 En zo ging de volgende profetie van Jeremia in vervulling:
MAT 2:18 “In Rama wordt een stem gehoord: geween en luid gekerm. Rachel weent om haar kinderen; ze wil niet worden getroost, want zij zijn er niet meer.”
MAT 2:19 Nadat Herodes was gestorven, verscheen in Egypte een engel van de Heer in een droom aan Jozef.
MAT 2:20 Hij zei: “Sta op en neem het Kind en zijn moeder mee terug naar het land Israël, want zij die het Kind wilden ombrengen zijn gestorven.”
MAT 2:21 Dus stond Jozef op en hij nam het Kind en zijn moeder mee terug naar het land Israël.
MAT 2:22 Maar toen hij hoorde dat Archelaüs als opvolger van zijn vader Herodes over Judea regeerde, was Jozef bang om daarheen te gaan. Hij werd in een droom gewaarschuwd en week uit naar het gebied Galilea.
MAT 2:23 Daar aangekomen ging hij in een stad wonen die Nazaret heet. En zo gingen de volgende woorden van de profeten in vervulling: “Hij zal een Man van Nazaret worden genoemd.”
MAT 3:1 In die periode verscheen Johannes de Doper in de wildernis van Judea. Hij verkondigde:
MAT 3:2 “Kom tot inkeer, want Gods rijk is in aantocht.”
MAT 3:3 Johannes was degene over wie de profeet Jesaja had voorspeld: “Er roept een stem in de wildernis: Maak de weg van de Heer gereed, maak paden voor Hem vrij!”
MAT 3:4 Johannes droeg kledij van kameelhaar en hij had een leren riem om zijn middel. Zijn eten bestond uit sprinkhanen en wilde honing.
MAT 3:5 De mensen kwamen uit Jeruzalem en heel Judea en het hele gebied rond de Jordaan naar hem toe
MAT 3:6 en werden door hem in de rivier de Jordaan gedoopt, waarbij ze hun zonden bekenden.
MAT 3:7 Toen hij zag dat veel van de farizeeën en de sadduceeën naar hem toe kwamen om zich te laten dopen, zei hij tegen hen: “Addergebroed, wie heeft jullie gewaarschuwd om te vluchten voor de naderende straf?
MAT 3:8 Zorg dat de gevolgen van jullie inkeer zichtbaar zijn
MAT 3:9 en denk niet dat jullie tegen jezelf kunnen zeggen: wij hebben Abraham als voorvader. Want ik zeg jullie: God is in staat om uit deze stenen nakomelingen voor Abraham voort te brengen.
MAT 3:10 De bijl ligt reeds klaar onderaan de bomen en elke boom die geen goede vruchten voortbrengt, wordt omgehakt en in het vuur gegooid.
MAT 3:11 Want ik doop jullie met water als teken van inkeer, maar na mij komt Iemand die machtiger is dan ik, en ik ben het niet waard om Hem zijn schoenen uit te trekken. Hij zal jullie dopen met de Heilige Geest en vuur.
MAT 3:12 Hij heeft de vork om het kaf van het koren te scheiden al in zijn hand. Daarmee zal Hij zijn dorsvloer leegmaken; zijn graan zal Hij in de schuur onderbrengen en het kaf zal Hij verbranden in onblusbaar vuur.”
MAT 3:13 Toen kwam Jezus vanuit Galilea naar de Jordaan om door Johannes te worden gedoopt.
MAT 3:14 Johannes probeerde Hem tegen te houden door te zeggen: “Ik zou door U moeten worden gedoopt en toch komt U bij mij?”
MAT 3:15 Maar Jezus antwoordde: “Laten we het nu maar doen, want alleen zo kunnen we alles doen wat God van ons verlangt.” Toen gaf Johannes toe.
MAT 3:16 Zodra Jezus was gedoopt en uit het water omhoogkwam, ging de hemel open en zag Hij Gods Geest neerdalen en op Hem plaatsnemen zoals een duif.
MAT 3:17 Toen klonk er een stem uit de hemel: “Dit is mijn dierbare Zoon, Ik verheug Mij over Hem.”
MAT 4:1 Jezus werd door de Geest naar de wildernis geleid om door de duivel op de proef te worden gesteld.
MAT 4:2 Jezus vastte veertig dagen en veertig nachten en kreeg uiteindelijk grote honger.
MAT 4:3 Toen kwam de duivel Hem op de proef stellen. Hij zei: “Als U de Zoon van God bent, zeg dan tegen deze stenen dat ze broden moeten worden.”
MAT 4:4 Maar Jezus antwoordde: “In de Schriften staat: ‘De mens leeft niet alleen van brood, maar van ieder woord dat uit Gods mond komt.’”
MAT 4:5 Vervolgens leidde de duivel Hem naar de heilige stad, naar de hoogste plaats op het tempelterrein.
MAT 4:6 Hij zei tegen Hem: “Als U de Zoon van God bent, spring dan naar beneden, want in de Schriften staat: ‘Hij zal zijn engelen bevelen jou te beschermen; dan zullen zij je op hun handen dragen, zodat je je voet niet aan een steen stoot.’”
MAT 4:7 Jezus antwoordde: “Er staat ook: ‘Stel de Heer, je God, niet op de proef.’”
MAT 4:8 Vervolgens leidde de duivel Hem naar een zeer hoge berg en toonde hij Hem alle koninkrijken van de wereld en hun pracht.
MAT 4:9 Hij zei tegen Hem: “Ik zal U dit alles geven als U voor mij neerknielt en mij aanbidt.”
MAT 4:10 Maar Jezus zei tegen hem: “Ga weg, Satan, want in de Schriften staat: ‘Aanbid de Heer, je God, en dien alleen Hem.’”
MAT 4:11 Toen liet de duivel Hem met rust en kwamen engelen Hem dienen.
MAT 4:12 Zodra Jezus hoorde dat Johannes was gevangengenomen, trok Hij zich terug naar Galilea.
MAT 4:13 Daar verhuisde Hij van Nazaret naar Kafarnaüm; dat ligt aan het meer in het gebied van Zebulon en Naftali.
MAT 4:14 Zo gingen de volgende woorden van de profeet Jesaja in vervulling:
MAT 4:15 “Land van Zebulon en land van Naftali, aan de weg naar zee voorbij de Jordaan, Galilea van de andere volken:
MAT 4:16 Het volk dat in het duister woonde, heeft een groot licht gezien, en voor hen die woonden waar de schaduw van de dood heerste, is een licht gaan schijnen.”
MAT 4:17 Vanaf toen begon Jezus te verkondigen: “Kom tot inkeer, want Gods rijk is in aantocht.”
MAT 4:18 Toen Jezus langs het Meer van Galilea wandelde, zag Hij twee broers: Simon, die Petrus wordt genoemd, en zijn broer Andreas. Ze waren bezig een net in het meer uit te werpen, want ze waren vissers.
MAT 4:19 Hij zei tegen hen: “Kom, volg Mij en Ik zal mensenvissers van jullie maken.”
MAT 4:20 Meteen lieten ze de netten achter en volgden ze Hem.
MAT 4:21 Iets verderop zag Hij nog twee broers: Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en zijn broer Johannes. Ze waren met hun vader Zebedeüs in de boot de netten aan het klaarmaken. Toen Jezus hen riep,
MAT 4:22 lieten ze meteen de boot en hun vader achter en volgden Hem.
MAT 4:23 Jezus trok door heel Galilea, waar Hij in de synagogen onderwees, het evangelie van Gods koninkrijk verkondigde en iedere ziekte en aandoening van de mensen genas.
MAT 4:24 Het nieuws over Hem verspreidde zich door heel Syrië en men bracht alle mensen bij Hem die aan allerlei aandoeningen, ziekten en pijnlijke kwalen leden, die bezeten waren, epilepsie hadden of verlamd waren, en Hij genas hen.
MAT 4:25 Een grote mensenmassa volgde Hem uit Galilea, Dekapolis, Jeruzalem, Judea en het gebied aan de overkant van de Jordaan.
MAT 5:1 Toen Jezus de mensenmassa zag, ging Hij de berg op. Hij ging zitten, zijn leerlingen kwamen bij Hem,
MAT 5:2 en Hij begon hun te onderwijzen. Hij zei:
MAT 5:3 “Zij die geestelijk arm zijn, zijn gezegend, want Gods rijk behoort hen toe.
MAT 5:4 Zij die rouwen, zijn gezegend, want ze zullen worden getroost.
MAT 5:5 Zij die zachtmoedig zijn, zijn gezegend, want de aarde zal van hen zijn.
MAT 5:6 Zij die honger en dorst hebben naar gerechtigheid, zijn gezegend, want ze zullen verzadigd worden.
MAT 5:7 Zij die mededogen betonen, zijn gezegend, want ze zullen mededogen ontvangen.
MAT 5:8 Zij die een zuiver hart hebben, zijn gezegend, want ze zullen God zien.
MAT 5:9 Zij die zich voor de vrede inzetten, zijn gezegend, want ze zullen kinderen van God worden genoemd.
MAT 5:10 Zij die worden vervolgd omdat ze doen wat God van hen verlangt, zijn gezegend, want Gods rijk behoort hen toe.
MAT 5:11 Je bent gezegend als de mensen je bespotten en vervolgen en valselijk van allerlei kwaad beschuldigen omwille van Mij.
MAT 5:12 Wees blij en verheugd, want jullie beloning in de hemel zal groot zijn. Voorheen werden de profeten namelijk op dezelfde wijze vervolgd.
MAT 5:13 Jullie zijn het zout van de aarde, maar als het zout zijn smaak verliest, hoe kan het dan worden gezouten? Het deugt nergens meer voor, behalve om te worden weggegooid en door de mensen te worden vertrappeld.
MAT 5:14 Jullie zijn het licht van de wereld. Een stad die boven op een berg ligt, kan niet verborgen blijven.
MAT 5:15 En wanneer een olielamp wordt aangestoken, wordt ze niet onder een bak gezet maar op een standaard, waar ze schijnt voor iedereen in huis.
MAT 5:16 Laat op dezelfde manier jullie licht schijnen voor de mensen, opdat ze je goede daden zien en er je hemelse Vader voor verheerlijken.
MAT 5:17 Denk niet dat Ik ben gekomen om de Wet of de Profeten af te schaffen. Ik ben niet gekomen om af te schaffen, maar om te vervullen.
MAT 5:18 Want Ik verzeker jullie, zolang de hemel en de aarde bestaan, zal geen letter of streepje in de Wet vervallen voordat alles wat erin staat is gebeurd.
MAT 5:19 Dus wie een van de geringste geboden naast zich neerlegt en anderen leert dat ook te doen, zal in Gods rijk de geringste zijn. Maar wie ze naleeft en aan anderen leert, zal in Gods rijk belangrijk zijn.
MAT 5:20 Maar Ik zeg jullie: tenzij jullie een deugdzamer leven leiden dan de Schriftgeleerden en farizeeën, komen jullie Gods rijk in geen geval binnen.
MAT 5:21 Jullie hebben gehoord dat vroeger tegen de mensen is gezegd: ‘Pleeg geen moord’, en: ‘Wie moord pleegt, verdient het Oordeel’.
MAT 5:22 Maar Ik zeg jullie: ieder die kwaad op zijn broeder of zuster blijft, verdient het Oordeel, wie ‘nietsnut’ tegen zijn broeder of zuster zegt, verdient het hoogste gerechtshof, en wie ‘dwaas’ tegen hem of haar zegt, verdient het vuur van de hel.
MAT 5:23 Dus als je je offer naar het altaar brengt en je daar herinnert dat je broeder of zuster iets tegen je heeft,
MAT 5:24 laat je offer dan bij het altaar liggen, ga je eerst met je broeder of zuster verzoenen, en kom dan terug om je offer te brengen.
MAT 5:25 Leg het tijdig bij met je tegenstander, wanneer je nog met hem onderweg naar het gerecht bent; anders kan je tegenstander jou aan de rechter uitleveren, en de rechter kan je uitleveren aan de bewaker, zodat je in de gevangenis wordt gegooid.
MAT 5:26 Ik verzeker je, je zal daar in geen geval uitkomen voordat je de laatste cent hebt betaald.
MAT 5:27 Jullie hebben gehoord dat er is gezegd: ‘Pleeg geen echtbreuk.’
MAT 5:28 Maar Ik zeg jullie dat ieder die een vrouw begerig bekijkt, in zijn hart al echtbreuk met haar heeft gepleegd.
MAT 5:29 Als je rechteroog jou tot zonde aanzet, verwijder het dan en gooi het weg, want je kan beter een van je lichaamsdelen verliezen dan dat je hele lichaam in de hel wordt gegooid.
MAT 5:30 En als je rechterhand jou tot zonde aanzet, hak haar dan maar af en gooi haar weg, want je kan beter een van je lichaamsdelen verliezen dan dat je hele lichaam naar de hel gaat.
MAT 5:31 Er is ook gezegd: ‘Wie zijn vrouw wegstuurt, moet haar een echtscheidingsakte geven.’
MAT 5:32 Maar Ik zeg jullie dat ieder die zijn vrouw wegstuurt om een andere reden dan seksueel wangedrag, zorgt dat er echtbreuk met haar wordt gepleegd. En ieder die met een weggestuurde vrouw trouwt, pleegt echtbreuk.
MAT 5:33 Verder hebben jullie gehoord dat vroeger tegen de mensen is gezegd: ‘Houd je aan de geloften die je tegenover je Heer aflegt en breek ze niet.’
MAT 5:34 Maar Ik zeg jullie: zweer helemaal niet. Niet bij de hemel, want die is Gods troon.
MAT 5:35 Niet bij de aarde, want dat is zijn voetenbank, en niet bij Jeruzalem, want dat is de stad van de grote Koning.
MAT 5:36 Zweer ook niet bij je eigen hoofd, want je bent zelfs niet in staat om één haar wit of zwart te maken.
MAT 5:37 Laat je ‘ja’ gewoon ‘ja’ betekenen en je ‘nee’ ‘nee’. Alles wat verder gaat dan dat, komt van de duivel.
MAT 5:38 Jullie hebben gehoord dat er is gezegd: ‘Oog om oog, tand om tand.’
MAT 5:39 Maar Ik zeg jullie: vecht niet terug wanneer iemand je kwaad doet. Als iemand jou een klap op je rechterwang geeft, keer dan ook je andere wang naar hem toe.
MAT 5:40 Als iemand je via het gerecht je hemd wil afnemen, geef hem dan ook je mantel.
MAT 5:41 En als iemand je beveelt een mijl met hem mee te gaan, ga dan twee mijl mee.
MAT 5:42 Als iemand jou om iets vraagt, geef het dan en als iemand iets van je wil lenen, weiger het hem dan niet.
MAT 5:43 Jullie hebben gehoord dat er is gezegd: ‘Heb je naaste lief en haat je vijand.’
MAT 5:44 Maar Ik zeg jullie: heb je vijanden lief en bid voor de mensen die jullie vervolgen,
MAT 5:45 opdat jullie kinderen van jullie hemelse Vader mogen zijn, want Hij laat zijn zon schijnen op zowel de slechte als de goede mensen en geeft regen aan zowel de rechtvaardigen als de onrechtvaardigen.
MAT 5:46 Want als jullie liefdevol behandelen wie jullie liefdevol behandelt, welke beloning krijg je dan? Dat doen de belastinginners toch ook?
MAT 5:47 En als jullie alleen je eigen mensen begroeten, wat doen jullie dan voor speciaals? Dat doen zij die niet bij Gods volk horen toch ook?
MAT 5:48 Jullie moeten dus volmaakt zijn, zoals jullie hemelse Vader volmaakt is.
MAT 6:1 Zorg dat jullie de dingen die God van je verlangt niet doen in het bijzijn van de mensen, om door hen te worden gezien; anders krijgen jullie geen beloning van jullie Vader in de hemel.
MAT 6:2 Dus wanneer jullie aan de armen geven, bazuin het dan niet rond zoals de hypocriete mensen doen, in de synagogen en op straat, om door de mensen geprezen te worden. Ik verzeker jullie: zij hebben hun beloning al.
MAT 6:3 Wanneer je aan de armen geeft, zorg dan dat je linkerhand niet weet wat je rechterhand doet,
MAT 6:4 zodat je gift in het geheim wordt gegeven. Dan zal je Vader, die ziet wat er in het geheim gebeurt, je belonen.
MAT 6:5 Ook wanneer jullie bidden, moeten jullie dat niet doen zoals de hypocriete mensen, want zij houden ervan om in de synagogen en op straathoeken te staan bidden om door de mensen gezien te worden. Ik verzeker jullie: zij hebben hun beloning al.
MAT 6:6 Maar wanneer jij bidt, ga dan naar je binnenkamer, sluit de deur en bid tot je Vader in het geheim. Dan zal je Vader, die ziet wat er in het geheim gebeurt, je belonen.
MAT 6:7 Herhaal bij het bidden niet steeds gedachteloos dezelfde woorden zoals zij die niet bij Gods volk horen, want zij denken dat ze worden gehoord omdat ze veel woorden gebruiken.
MAT 6:8 Wees dus niet zoals zij. Jullie Vader weet immers al wat jullie nodig hebben voordat jullie Hem erom vragen.
MAT 6:9 Bid dus als volgt: Onze Vader in de hemel, laat de heiligheid van uw naam worden geëerd.
MAT 6:10 Laat uw koninkrijk komen, laat gebeuren wat U wil, niet alleen in de hemel maar ook op aarde.
MAT 6:11 Geef ons voldoende eten voor vandaag
MAT 6:12 en vergeef ons onze schulden, zoals ook wij vergeven wie zich tegenover ons heeft schuldig gemaakt.
MAT 6:13 En laat niet toe dat we in verzoeking komen, maar verlos ons van de duivel.
MAT 6:14 Want als jullie de mensen het kwaad vergeven dat zij je aandoen, zal je hemelse Vader ook jullie vergeven.
MAT 6:15 Maar als je de mensen niet vergeeft, zal jullie Vader je zonden ook niet vergeven.
MAT 6:16 Ook wanneer jullie vasten, moeten jullie dat niet doen zoals de hypocriete mensen, die triest kijken en hun uiterlijk niet verzorgen, zodat de mensen kunnen zien dat ze aan het vasten zijn. Ik verzeker jullie: zij hebben hun beloning al.
MAT 6:17 Maar wanneer jij vast, doe dan olie op je hoofd en was je gezicht,
MAT 6:18 zodat het bij de mensen niet opvalt dat je aan het vasten bent, maar wel bij je Vader, die door niemand wordt gezien. Dan zal je Vader, die ziet wat er in het geheim gebeurt, je belonen.
MAT 6:19 Verzamel geen schatten voor jezelf op aarde, waar motten en roest vernieling aanrichten en waar dieven inbreken en stelen.
MAT 6:20 Verzamel schatten voor jezelf in de hemel, waar geen motten of roest vernieling aanrichten en waar geen dieven inbreken en stelen.
MAT 6:21 Want waar je schat is, daar zal ook je hart zijn.
MAT 6:22 Het oog is de lamp van het lichaam, dus als je ogen in goede staat zijn, is je hele lichaam verlicht.
MAT 6:23 Maar als je ogen in slechte staat zijn, is je hele lichaam vol duisternis. En als het licht in jou eigenlijk duisternis is, dan is het wegens die duisternis slecht met je gesteld.
MAT 6:24 Niemand kan twee meesters dienen, want hij zal ofwel een hekel aan de ene hebben en van de andere houden, of toegewijd zijn aan de ene en de andere verachten. Jullie kunnen niet God én het geld dienen.
MAT 6:25 Daarom zeg Ik jullie: wees niet ongerust over je leven, over wat je zal eten of drinken, of over je lichaam, over hoe je je zal kleden. Het leven is toch meer dan eten en het lichaam is toch meer dan kledij?
MAT 6:26 Kijk eens naar de vogels: zij zaaien niet, oogsten niet en slaan geen eten op in schuren, en toch geeft jullie hemelse Vader hun te eten. Jullie zijn toch meer waard dan zij?
MAT 6:27 Wie van jullie kan, door ongerust te zijn, een uur aan zijn leven toevoegen?
MAT 6:28 En waarom zou je ongerust zijn over kledij? Kijk eens hoe de wilde bloemen groeien: ze doen geen inspanningen om kledij te maken.
MAT 6:29 Ik zeg jullie: zelfs Salomo in al zijn pracht was niet zo mooi gekleed als zij.
MAT 6:30 En als God het gras dat vandaag op het veld staat en morgen in de oven wordt gegooid, zo mooi kleedt, zal Hij jullie, kleingelovigen, dan niet nog beter kleden?
MAT 6:31 Maak je dus geen zorgen en zeg niet: wat zullen we eten? Of: wat zullen we drinken? Of: waarmee zullen we ons kleden?
MAT 6:32 Want dat zijn allemaal zaken die de ongelovigen najagen. Je hemelse Vader weet dat je dat alles nodig hebt.
MAT 6:33 Jullie moeten echter prioriteit geven aan Gods koninkrijk en doen wat Hij van je vraagt; dan zullen ook al die dingen aan jullie worden gegeven.
MAT 6:34 Maak je geen zorgen over de dag van morgen, want die heeft zijn eigen zorgen. Elke dag bevat al voldoende kwaad.
MAT 7:1 Oordeel niet over anderen, anders zal er over jou worden geoordeeld.
MAT 7:2 Want het oordeel dat jij velt, zal aan jou worden voltrokken en de maat die jij hanteert, zal op jou worden toegepast.
MAT 7:3 Hoe is het mogelijk dat je wel de splinter in het oog van je naaste ziet, maar de balk in je eigen oog niet opmerkt?
MAT 7:4 En hoe kan je tegen je naaste zeggen: ‘Laat mij de splinter uit je oog verwijderen’, terwijl de balk nog in jouw oog zit?
MAT 7:5 Hypocriet, verwijder eerst de balk uit je eigen oog. Dan zal je goed genoeg zien om de splinter uit het oog van je naaste te verwijderen.
MAT 7:6 Geef het heilige niet aan de honden en werp je parels niet voor de zwijnen, anders vertrappelen die zwijnen de parels en keren die honden zich tegen je om je te verscheuren.
MAT 7:7 Vraag en het zal je gegeven worden, zoek en je zal vinden, klop en er zal voor je worden opengedaan.
MAT 7:8 Want ieder die vraagt, zal ontvangen, en wie zoekt zal vinden en voor wie klopt, zal worden opengedaan.
MAT 7:9 Of is er onder jullie iemand die, als zijn zoon hem om brood vraagt, hem een steen geeft?
MAT 7:10 En als hij om vis vraagt, geeft hij hem toch geen slang?
MAT 7:11 Als jullie, die slecht zijn, goede geschenken weten te geven aan je kinderen, is het toch veel zekerder dat jullie Vader in de hemel goede dingen geeft aan wie erom vraagt?
MAT 7:12 Doe dus alles voor de mensen wat je wil dat zij voor jou zouden doen, want dat is wat de Wet en de Profeten voorschrijven.
MAT 7:13 Ga naar binnen door de nauwe poort, want wijd is de poort – en breed de weg – die naar de ondergang leidt.
MAT 7:14 En nauw is de poort – en smal de weg – die naar het leven leidt; er zijn er maar weinig die hem vinden!
MAT 7:15 Pas op voor de valse profeten; zij doen zich aan jullie voor als schapen, maar zijn in wezen roofzuchtige wolven.
MAT 7:16 Je kan ze herkennen aan hun vruchten. Van een doornstruik worden toch geen druiven geoogst, of vijgen van distels?
MAT 7:17 Op dezelfde manier levert iedere goede boom goede vruchten op, en een slechte boom slechte vruchten.
MAT 7:18 Een goede boom kan toch geen slechte vruchten opleveren, of een slechte boom goede vruchten?
MAT 7:19 Elke boom die geen goede vruchten oplevert, wordt omgehakt en in het vuur gegooid.
MAT 7:20 Je kan ze dus herkennen aan hun vruchten.
MAT 7:21 Niet iedereen die almaar ‘Heer, Heer’ tegen Mij zegt, zal Gods rijk binnengaan, maar wel wie doet wat mijn Vader in de hemel wil.
MAT 7:22 Op de Grote Dag zullen veel mensen Mij vragen: ‘Heer, Heer, we hebben toch in uw naam geprofeteerd, in uw naam demonen uitgedreven en in uw naam veel wonderen verricht?’
MAT 7:23 En dan zal Ik ronduit tegen hen zeggen: ‘Ik heb jullie nooit gekend! Ga weg, jullie zondaars!’
MAT 7:24 Dus ieder die mijn woorden hoort en in praktijk brengt, is als een verstandig man, die zijn huis op een stevige ondergrond bouwde.
MAT 7:25 Toen het begon te regenen, er een overstroming kwam, het ging stormen en de wind tegen dat huis beukte, stortte het niet in, want het stond op een stevige ondergrond.
MAT 7:26 Maar ieder die mijn woorden hoort en ze niet in praktijk brengt, is als een dwaze man die zijn huis op los zand bouwde.
MAT 7:27 Toen het begon te regenen, er een overstroming kwam, het ging stormen en de wind tegen dat huis beukte, stortte het in en was het volledig verwoest.”
MAT 7:28 Toen Jezus was uitgesproken, was de mensenmassa diep onder de indruk van zijn onderwijs,
MAT 7:29 want Hij onderwees hen als een gezaghebbende en niet zoals hun Schriftgeleerden.
MAT 8:1 Nadat Jezus van de berg was afgedaald, werd Hij gevolgd door grote groepen mensen.
MAT 8:2 Er was iemand met een huidziekte die hem onrein maakte. Hij kwam naar Jezus toe, knielde voor Hem en zei: “Heer, als U wil, kan U mij rein maken.”
MAT 8:3 Jezus stak zijn hand uit, raakte hem aan en zei: “Ik wil het, word rein!” De man werd meteen van zijn huidziekte genezen.
MAT 8:4 Toen zei Jezus tegen hem: “Zorg dat je dit aan niemand vertelt, maar ga jezelf aan de priester tonen en breng het offer dat Mozes heeft opgelegd, bij wijze van getuigenis voor de mensen.”
MAT 8:5 Toen Jezus Kafarnaüm binnenging, kwam er een centurio naar Hem toe. Hij smeekte Jezus:
MAT 8:6 “Heer, mijn knecht ligt thuis verlamd in bed met hevige pijn.”
MAT 8:7 Jezus vroeg hem: “Zal Ik hem komen genezen?”
MAT 8:8 De centurio antwoordde: “Heer, ik ben het niet waard dat U mijn huis binnengaat. Maar als U het bevel geeft, zal mijn knecht genezen.
MAT 8:9 Want ik ben ook iemand die onder gezag staat en zelf soldaten heeft. En als ik tegen de ene zeg: ‘ga’, dan gaat hij, en tegen een andere: ‘kom’, dan komt hij, en als ik tegen mijn slaaf zeg: ‘doe dit’, dan doet hij het.”
MAT 8:10 Jezus verbaasde zich over dat antwoord en zei tegen de mensen die Hem waren gevolgd: “Ik verzeker jullie: bij niemand in Israël heb Ik zo'n groot geloof gevonden!
MAT 8:11 En Ik zeg jullie: er zullen veel mensen uit het oosten en het westen komen en in Gods rijk met Abraham en Isaak en Jakob aan tafel plaatsnemen.
MAT 8:12 Maar de ‘onderdanen van het koninkrijk’ zullen worden buitengegooid, de verste duisternis in, en daar zal worden geweend en met de tanden geknarst.”
MAT 8:13 En tegen de centurio zei Jezus: “Ga maar naar huis; datgene waarvoor u het geloof heeft, zal gebeuren.” Op dat moment werd de knecht van de centurio genezen.
MAT 8:14 Jezus kwam bij Petrus thuis en zag dat diens schoonmoeder met koorts in bed lag.
MAT 8:15 Jezus nam haar hand vast en de koorts verdween. Ze stond op en bediende Hem.
MAT 8:16 Die avond bracht men veel mensen bij Hem die bezeten waren. Hij dreef de geesten uit met een enkel woord en genas iedereen die een aandoening had.
MAT 8:17 Zo gingen de volgende woorden van de profeet Jesaja in vervulling: “Hij was het die onze ziekten wegnam en ons lijden droeg.”
MAT 8:18 Toen Jezus zag dat er een menigte om Hem heen stond, gaf Hij de opdracht om het meer over te steken.
MAT 8:19 Er kwam een Schriftgeleerde naar Hem toe, die zei: “Leraar, ik zal U volgen, waarheen U ook gaat.”
MAT 8:20 Jezus zei tegen hem: “De vossen hebben holen en de vogels hebben nesten, maar de Mensenzoon heeft geen plaats om zijn hoofd te laten rusten.”
MAT 8:21 Iemand anders, een van zijn leerlingen, zei tegen Hem: “Heer, laat mij eerst gaan om mijn vader te begraven.”
MAT 8:22 Maar Jezus zei tegen hem: “Volg Mij en laat de doden hun doden begraven.”
MAT 8:23 Jezus stapte in een boot en zijn leerlingen gingen mee.
MAT 8:24 Op het meer stak plots een hevige storm op, zodat de golven over de rand van de boot sloegen. Maar Jezus sliep.
MAT 8:25 De leerlingen kwamen Hem wakker maken en zeiden: “Heer, red ons, we vergaan!”
MAT 8:26 Jezus antwoordde: “Waarom zijn jullie bang? Wat hebben jullie weinig geloof!” Toen stond Hij op en Hij berispte de wind en het meer. Het werd heel stil.
MAT 8:27 Iedereen was verbaasd en vroeg: “Wat voor iemand is Hij toch, dat zelfs de wind en het meer Hem gehoorzamen?”
MAT 8:28 Toen Hij aan de overkant was gekomen, in het gebied van de Gadarenen, kwamen twee bezeten mensen van tussen de graven naar Hem toe. Ze waren zo gevaarlijk dat niemand daar langs kon gaan.
MAT 8:29 Ze schreeuwden tegen Hem: “Wat wilt U van ons, Zoon van God? Bent U hier gekomen om ons voortijdig te folteren?”
MAT 8:30 Nu was er op enige afstand van hen een grote kudde varkens aan het grazen.
MAT 8:31 De demonen smeekten Jezus: “Als U ons uitdrijft, stuur ons dan alstublieft die kudde varkens in!”
MAT 8:32 Hij zei tegen hen: “Ga!” En dus kwamen ze naar buiten en drongen ze de varkens binnen. De hele kudde stormde de helling af, het meer in, en ze verdronken in het water.
MAT 8:33 De varkenshoeders renden weg, naar de stad, en maakten bekend wat er allemaal was gebeurd, ook met de mensen die bezeten waren geweest.
MAT 8:34 Toen kwamen alle mensen de stad uit, naar Jezus toe, en toen ze Hem zagen, smeekten ze Hem uit hun streek te vertrekken.
MAT 9:1 Jezus stapte in een boot, stak het meer over en ging naar zijn thuisstad.
MAT 9:2 Enkele mensen brachten iemand bij Hem die verlamd was en op een draagbed lag. Toen Jezus zag hoeveel geloof ze hadden, zei Hij tegen de verlamde man: “Wees gerust, mijn kind, je zonden zijn je vergeven.”
MAT 9:3 Toen zeiden enkele van de Schriftgeleerden tegen elkaar: “Die Man lastert God.”
MAT 9:4 Jezus merkte wat ze dachten en zei: “Waarom denken jullie zulke slechte dingen?
MAT 9:5 Wat is gemakkelijker, zeggen: je zonden zijn vergeven, of zeggen: sta op en wandel?
MAT 9:6 Maar om te zorgen dat jullie beseffen dat de Mensenzoon het gezag heeft om op aarde zonden te vergeven …” Toen zei Hij tegen de verlamde man: “Sta op, neem je draagbed op en ga naar huis.”
MAT 9:7 De man stond op en ging naar huis.
MAT 9:8 Toen de mensen dat zagen, waren ze diep onder de indruk en ze verheerlijkten God, omdat Hij dergelijk gezag aan mensen had gegeven.
MAT 9:9 Toen Jezus daarvandaan verder ging, zag Hij iemand die Matteüs heette bij het tolhuis zitten. Jezus zei tegen hem: “Volg Mij.” En Matteüs stond op en volgde Hem.
MAT 9:10 Toen Jezus op een dag bij Matteüs thuis was voor een maaltijd, kwamen er veel belastinginners en zondaars met Hem en zijn leerlingen mee-eten.
MAT 9:11 Enkele farizeeën zagen dat en vroegen aan zijn leerlingen: “Waarom eet jullie Leraar samen met belastinginners en zondaars?”
MAT 9:12 Jezus hoorde dat en zei: “Het zijn niet de gezonde mensen die een dokter nodig hebben, maar de zieken.
MAT 9:13 Jullie moeten leren wat ‘Ik verlang mededogen, geen offers’ betekent. Ik ben namelijk niet gekomen om rechtvaardige mensen te roepen, maar zondaars.”
MAT 9:14 Toen kwamen de leerlingen van Johannes Hem vragen: “Wij en de farizeeën vasten dikwijls; waarom vasten uw leerlingen niet?”
MAT 9:15 Jezus antwoordde: “De gasten van de bruidegom kunnen toch niet rouwen terwijl de bruidegom bij hen is? Er komt echter een tijd dat de bruidegom bij hen wordt weggehaald en dan zullen ze vasten.
MAT 9:16 Niemand verstelt een oud kledingstuk met een stuk stof dat nog niet gekrompen is, want dan trekt het verstelstuk de stof kapot en ontstaat er een grotere scheur.
MAT 9:17 Ook giet men geen nieuwe wijn in oude wijnzakken, want dan barsten de zakken open, stroomt de wijn eruit en zijn de zakken kapot. Nee, men giet nieuwe wijn in nieuwe wijnzakken; dan blijven de twee samen behouden.”
MAT 9:18 Terwijl Jezus deze dingen tegen hen zei, kwam een vooraanstaand man naar Jezus toe. Hij knielde voor Hem en zei: “Mijn dochter is pas gestorven. Maar kom uw hand op haar leggen; dan zal ze weer leven.”
MAT 9:19 Jezus stond op en ging, samen met zijn leerlingen, met de man mee.
MAT 9:20 Er was echter een vrouw die al twaalf jaar aan bloedingen leed, en die Jezus van achteren benaderde en de kwast onderaan zijn mantel aanraakte.
MAT 9:21 Ze dacht namelijk: “Als ik slechts zijn mantel aanraak, zal ik genezen.”
MAT 9:22 Jezus draaide zich om, zag haar en zei: “Wees gerust, mijn dochter, je geloof heeft je genezen.” De vrouw werd genezen op datzelfde moment.
MAT 9:23 Daarna ging Jezus het huis van de vooraanstaande man binnen. Hij zag de fluitspelers en de luid wenende menigte
MAT 9:24 en zei: “Gaan jullie maar weg; het meisje is niet dood, ze slaapt alleen maar.” Ze lachten Hem echter uit.
MAT 9:25 Toen de menigte naar buiten was gestuurd, ging Hij naar binnen, nam haar hand vast en het meisje stond op.
MAT 9:26 Het nieuws hierover verspreidde zich over die hele streek.
MAT 9:27 Toen Jezus daarvandaan verderging, werd Hij gevolgd door twee mensen die blind waren. Ze riepen: “Heb medelijden met ons, Zoon van David!”
MAT 9:28 Toen Hij thuisgekomen was, kwamen de twee bij Hem. Jezus vroeg hen: “Geloven jullie dat Ik dit kan doen?” Ze antwoordden: “Ja, Heer.”
MAT 9:29 Toen raakte Hij hun ogen aan en zei Hij: “Laat nu gebeuren wat jullie geloven!”
MAT 9:30 Toen konden ze zien. Jezus waarschuwde hen: “Pas op, niemand mag hiervan weten.”
MAT 9:31 Maar zij gingen eropuit en maakten het bekend in de hele streek.
MAT 9:32 Nadat ze waren vertrokken, werd iemand bij Jezus gebracht die niet kon spreken omdat hij bezeten was.
MAT 9:33 Toen de demon was uitgedreven, begon de man te spreken. De mensenmassa stond er versteld van en zei: “Dit is nog nooit vertoond in Israël.”
MAT 9:34 Maar de farizeeën zeiden: “Hij drijft demonen uit door de kracht van de heerser over de demonen.”
MAT 9:35 Jezus trok rond langs alle steden en dorpen, waar Hij in de synagogen onderwees, het evangelie van Gods koninkrijk verkondigde en iedere ziekte en aandoening van de mensen genas.
MAT 9:36 Toen Hij de vele mensen zag, kreeg Hij medelijden met hen, omdat ze verward en uitgeput waren, als schapen zonder herder.
MAT 9:37 Hij zei tegen zijn leerlingen: “De oogst is wel groot, maar er zijn weinig arbeiders.
MAT 9:38 Smeek daarom de Heer van de oogst om arbeiders naar zijn oogst te zenden.”
MAT 10:1 Jezus riep zijn twaalf leerlingen bij zich en gaf hun het gezag om onreine geesten uit te drijven en elke ziekte en aandoening te genezen.
MAT 10:2 De namen van de twaalf apostelen zijn: vooreerst Simon die Petrus wordt genoemd, en zijn broer Andreas, verder Jakobus, de zoon van Zebedeüs, zijn broer Johannes,
MAT 10:3 Filippus, Bartolomeüs, Tomas, Matteüs de belastinginner, Jakobus, de zoon van Alfeüs, Taddeüs,
MAT 10:4 Simon de Zeloot en Judas Iskariot, die Jezus heeft verraden.
MAT 10:5 Deze twaalf stuurde Jezus op pad met de volgende instructies: “Begeef je niet onder de niet-Joden en ga geen Samaritaanse stad binnen.
MAT 10:6 Ga daarentegen naar het volk Israël, de verloren schapen,
MAT 10:7 en verkondig onderweg dat Gods rijk in aantocht is.
MAT 10:8 Genees zieken, wek doden tot leven, maak mensen met huidziekten rein, en drijf demonen uit. Jullie hebben gratis gekregen en moeten zelf ook gratis geven.
MAT 10:9 Ga zonder gouden, zilveren of koperen munten in je geldriem
MAT 10:10 en zonder reistas, zonder extra kledij of schoenen en zonder wandelstok, want de arbeider is zijn levensonderhoud waard.
MAT 10:11 Wanneer jullie een stad of dorp bezoeken, ontdek dan wie het waard is jullie te ontvangen en blijf bij die persoon logeren totdat je vertrekt.
MAT 10:12 Wens bij het binnengaan van het huis de mensen daar vrede toe.
MAT 10:13 Als ze het waard zijn, zal je vredeswens op hen rusten. Maar als ze het niet waard zijn, zal je vredeswens geen effect op hen hebben.
MAT 10:14 Als iemand je niet verwelkomt of niet naar je woorden luistert, vertrek dan uit dat huis of die stad en schud het stof van je voeten.
MAT 10:15 Ik verzeker jullie: op de Oordeelsdag zal het draaglijker zijn voor de mensen van Sodom en Gomorra dan voor de mensen van die stad.
MAT 10:16 Ik stuur jullie eropuit als schapen tussen de wolven. Wees dus zo behoedzaam als slangen en zo onschuldig als duiven.
MAT 10:17 En pas op voor de mensen, want ze zullen jullie aan stadsraden uitleveren en jullie geselen in hun synagogen.
MAT 10:18 Omwille van Mij zullen jullie voor heersers en koningen worden geleid, om te getuigen tegenover hen en de volken.
MAT 10:19 Wanneer je wordt overgeleverd, wees dan niet ongerust over wat je precies zal zeggen, want de woorden zullen je op dat moment worden ingegeven.
MAT 10:20 Dan ben je het namelijk niet zelf die spreekt, maar dan spreekt in jullie de Geest van jullie Vader.
MAT 10:21 De ene broer zal de andere uitleveren om te worden omgebracht, en een vader zijn kind; kinderen zullen tegen hun ouders in opstand komen en hen laten ombrengen.
MAT 10:22 Jullie zullen door iedereen worden gehaat omwille van mijn naam, maar wie standhoudt tot het einde, zal worden gered.
MAT 10:23 Wanneer men jullie in de ene stad vervolgt, vlucht dan naar de andere. Want Ik verzeker jullie: jullie zullen niet in alle steden van Israël zijn geweest voordat de Mensenzoon komt.
MAT 10:24 Een leerling staat niet boven zijn leraar en een slaaf niet boven zijn meester.
MAT 10:25 Het is voor de leerling voldoende om te zijn als zijn leraar en voor de slaaf om te zijn als zijn meester. Als de mensen de huiseigenaar Beëlzebul hebben genoemd, waarvoor zullen ze dan zijn huisgenoten uitmaken?
MAT 10:26 Wees dus niet bang voor de mensen, want er is niets verborgen dat niet zal worden onthuld en er is niets geheim dat niet zal worden bekendgemaakt.
MAT 10:27 Wat Ik in het geheim tegen jullie zeg, moeten jullie in het openbaar doorvertellen en wat Ik jullie in het oor fluister, moeten jullie van de daken verkondigen.
MAT 10:28 Wees niet bang voor wie wel het lichaam maar niet de ziel kunnen doden; je zou beter bang zijn voor Hem die zowel de ziel als het lichaam kan vernietigen in de hel.
MAT 10:29 Worden mussen niet per twee verkocht voor een kopermuntje? Toch valt niet één mus op de grond buiten jullie Vader om.
MAT 10:30 En alle haren op je hoofd zijn geteld.
MAT 10:31 Jullie zijn veel meer waard dan mussen; wees dus niet bang.
MAT 10:32 Ieder die Mij erkent bij de mensen, zal Ik erkennen bij mijn Vader in de hemel.
MAT 10:33 En wie Mij verloochent bij de mensen, zal Ik verloochenen bij mijn Vader in de hemel.
MAT 10:34 Denk niet dat Ik ben gekomen om vrede op aarde te brengen. Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard.
MAT 10:35 Ik ben gekomen om vijandschap te brengen tussen mannen en hun vaders, tussen dochters en hun moeders, en tussen schoondochters en hun schoonmoeders.
MAT 10:36 En huisgenoten zullen elkaars vijanden worden.
MAT 10:37 Wie meer van zijn vader of moeder houdt dan van Mij, is Mij niet waard, en wie meer van zijn zoon of dochter houdt dan van Mij, is Mij niet waard.
MAT 10:38 En wie niet zijn kruis op zich neemt en Mij volgt, is Mij niet waard.
MAT 10:39 Wie het ware leven denkt te hebben gevonden, zal het verliezen, maar wie zijn leven loslaat voor Mij, zal het ware leven vinden.
MAT 10:40 Wie jullie verwelkomt, verwelkomt Mij en wie Mij verwelkomt, verwelkomt Degene die Mij heeft gezonden.
MAT 10:41 Wie een profeet verwelkomt als een profeet, zal als een profeet worden beloond en wie een rechtvaardig mens verwelkomt als een rechtvaardig mens, zal als een rechtvaardig mens worden beloond.
MAT 10:42 En wie een van deze eenvoudige mensen een beker koud water geeft, enkel en alleen omdat hij mijn volgeling is, Ik verzeker jullie dat hij zijn beloning zeker niet zal mislopen.”
MAT 11:1 Nadat Jezus zijn instructies aan zijn twaalf leerlingen had afgerond, vertrok Hij om in de steden in dat gebied te onderwijzen en te preken.
MAT 11:2 Toen Johannes de Doper in de gevangenis hoorde wat de Messias aan het doen was, stuurde hij enkele van zijn leerlingen naar Jezus toe
MAT 11:3 met de vraag: “Bent U degene die zou komen, of moeten we iemand anders verwachten?”
MAT 11:4 Jezus antwoordde: “Ga Johannes verslag uitbrengen van wat jullie horen en zien:
MAT 11:5 blinde mensen kunnen weer zien, verlamde mensen beginnen te stappen, mensen met een huidziekte worden rein, dove mensen kunnen weer horen, dode mensen verrijzen, en aan arme mensen wordt het evangelie verkondigd.
MAT 11:6 Wie zich niet aan Mij ergert, is gezegend.”
MAT 11:7 Toen de leerlingen van Johannes vertrokken, zei Jezus over hem tegen de mensenmassa: “Wat zijn jullie gaan bekijken in de wildernis? Riet dat wuift in de wind?
MAT 11:8 Nee! Wat gingen jullie bekijken: een man in mooie kleren? Nee, de mensen in mooie kleren bevinden zich in paleizen.
MAT 11:9 Wat gingen jullie dan wel bekijken? Een profeet? Jazeker, zeg Ik jullie, iemand die meer is dan een profeet.
MAT 11:10 Hij is het over wie werd geschreven: ‘Ik stuur mijn boodschapper voor Je uit, die de weg voor Je zal banen.’
MAT 11:11 Ik verzeker jullie: onder hen die uit een vrouw zijn geboren, is er niemand opgestaan die belangrijker is dan Johannes de Doper, maar in Gods rijk is de geringste belangrijker dan hij.
MAT 11:12 En vanaf de periode dat Johannes de Doper optrad tot nu toe wordt Gods rijk bestormd en de bestormers proberen het binnen te dringen.
MAT 11:13 Want alle Profeten en de Wet hebben erover geprofeteerd totdat Johannes kwam.
MAT 11:14 En als jullie bereid zijn om het te aanvaarden: Johannes is Elia, die zou komen.
MAT 11:15 Als je oren hebt, luister dan!
MAT 11:16 Waarmee zal ik dit soort mensen vergelijken? Ze zijn als kinderen die op de marktpleinen zitten en naar anderen roepen:
MAT 11:17 ‘Wij hebben voor jullie op de fluit gespeeld en jullie hebben niet gedanst, we hebben een klaaglied gezongen en jullie hebben niet gerouwd.’
MAT 11:18 Want toen Johannes kwam en niet at of dronk, zeiden ze: ‘Hij heeft een demon in zich.’
MAT 11:19 Maar toen de Mensenzoon kwam en wel at en dronk, zeiden ze: ‘Kijk, een veelvraat en een dronkaard, een vriend van belastinginners en zondaars!’ De juistheid van wijsheid wordt aangetoond door de daden die erop gebaseerd zijn.”
MAT 11:20 Toen begon Jezus de steden waar de meeste van zijn wonderen waren gebeurd, te verwijten dat ze niet tot inkeer waren gekomen:
MAT 11:21 “Wee jou, Chorazin, wee jou, Betsaïda, want als de wonderen die bij jullie zijn gebeurd, in Tyrus en Sidon hadden plaatsgevonden, dan zou men daar allang in zak en as hebben gezeten en tot inkeer zijn gekomen.
MAT 11:22 Maar Ik zeg jullie: op de Oordeelsdag zal het draaglijker zijn voor de mensen van Tyrus en Sidon dan voor jullie.
MAT 11:23 En jij, Kafarnaüm, zal jij worden verheven naar de hemel? Nee, je zal worden verlaagd naar het dodenrijk. Want als de wonderen die bij jou zijn gebeurd, in Sodom hadden plaatsgevonden, dan zou het vandaag nog bestaan.
MAT 11:24 Maar Ik zeg jullie: op de Oordeelsdag zal het draaglijker zijn voor het land Sodom dan voor jou.”
MAT 11:25 In die tijd zei Jezus ook: “Ik dank U, Vader, Heer van hemel en aarde, dat U deze dingen hebt verborgen voor wijzen en verstandigen, maar ze hebt onthuld aan eenvoudigen.
MAT 11:26 Ja, Vader, want zo is het goed in uw ogen.
MAT 11:27 Alles is door mijn Vader aan Mij toevertrouwd. Niemand kent de Zoon behalve de Vader, en niemand kent de Vader behalve de Zoon en zij aan wie de Zoon Hem wenst bekend te maken.
MAT 11:28 Kom bij Mij, iedereen die afgemat en zwaar beladen is, en Ik zal jullie rust geven.
MAT 11:29 Draag mijn juk en leer van Mij, want Ik heb een zachtmoedig en nederig hart. Dan zullen jullie innerlijke rust vinden.
MAT 11:30 Want mijn juk is zacht en mijn last is licht.”
MAT 12:1 In die periode wandelde Jezus op een sabbat tussen de graanvelden door. Zijn leerlingen kregen honger en begonnen aren te plukken en op te eten.
MAT 12:2 Toen de farizeeën dat zagen, zeiden ze tegen Jezus: “Uw leerlingen doen iets dat op de sabbat niet is toegestaan.”
MAT 12:3 Maar Hij antwoordde: “Hebben jullie niet gelezen wat David deed toen hij en zijn mannen honger hadden?
MAT 12:4 Hij ging het huis van God binnen en hij en zijn mannen aten van de gewijde broden, hoewel hun dat niet was toegestaan; enkel de priesters mochten dat.
MAT 12:5 En hebben jullie niet in de Wet gelezen dat de priesters die op de sabbat in de tempel zijn, de sabbat ontwijden maar toch onschuldig zijn?
MAT 12:6 Maar Ik zeg jullie dat hier iets belangrijkers is dan de tempel.
MAT 12:7 En als jullie hadden geweten wat ‘Ik verlang mededogen, geen offers’ betekent, dan hadden jullie de onschuldigen niet veroordeeld.
MAT 12:8 Want de Mensenzoon is baas over de sabbat.”
MAT 12:9 Toen vertrok Hij daarvandaan en ging Hij hun synagoge binnen.
MAT 12:10 Daar was iemand met een verlamde hand. Om Jezus te kunnen beschuldigen, vroegen ze Hem: “Is het toegestaan om op de sabbat te genezen?”
MAT 12:11 Jezus antwoordde: “Wie van jullie die een schaap heeft zou dat, als het op de sabbat in een kuil zou vallen, niet vastgrijpen en eruit halen?
MAT 12:12 En een mens is toch veel meer waard dan een schaap? Daarom is het toegestaan om goed te doen op de sabbat.”
MAT 12:13 Vervolgens zei Hij tegen de man: “Steek je hand uit.” De man stak zijn hand uit en die genas; hij was nu even gezond als de andere.
MAT 12:14 De farizeeën gingen naar buiten en beraamden een plan om Hem om te brengen.
MAT 12:15 Maar Jezus wist ervan en vertrok daarvandaan. Grote aantallen mensen volgden Hem en Hij genas hen allen.
MAT 12:16 Hij verbood hun echter bekend te maken wie Hij was.
MAT 12:17 Zo gingen de volgende woorden van de profeet Jesaja in vervulling:
MAT 12:18 “Dit is mijn dienaar die Ik heb uitverkoren, mijn dierbare, over Wie Ik Mij verheug. Ik zal mijn Geest op Hem leggen en Hij zal gerechtigheid aankondigen aan de volken.
MAT 12:19 Hij zal niet ruziën of schreeuwen en op straat zal niemand zijn stem horen.
MAT 12:20 Het geknakte riet zal Hij niet afbreken en een smeulende wiek zal Hij niet uitdoven, totdat Hij de gerechtigheid doet overwinnen.
MAT 12:21 Op Hem zullen de volken hun hoop vestigen.”
MAT 12:22 Er werd iemand bij Jezus gebracht die bezeten was en niet kon zien of spreken. Jezus genas hem, zodat de man kon spreken en zien.
MAT 12:23 Alle mensen waren verbaasd; ze zeiden: “Zou Hij de Zoon van David zijn?”
MAT 12:24 De farizeeën hoorden dat en zeiden: “Hij kan de demonen alleen maar uitdrijven omdat Beëlzebul, de heerser over de demonen, Hem daartoe in staat stelt.”
MAT 12:25 Jezus wist echter wat ze dachten en zei: “Ieder koninkrijk dat innerlijk verdeeld is, gaat te gronde, en geen enkele stad of familie die innerlijk verdeeld is, zal standhouden.
MAT 12:26 En als Satan Satan uitdrijft, is hij innerlijk verdeeld. Dus hoe kan zijn koninkrijk dan standhouden?
MAT 12:27 En als Ik de demonen uitdrijf doordat Beëlzebul Mij daartoe in staat stelt, wie stelt jullie aanhangers dan in staat om ze uit te drijven? Zij tonen aan dat jullie ongelijk hebben.
MAT 12:28 Maar als het Gods Geest is die Mij in staat stelt om demonen uit te drijven, dan blijkt daaruit dat Gods koninkrijk bij jullie is gekomen.
MAT 12:29 Of hoe zou iemand het huis van een sterk persoon kunnen binnendringen en diens bezittingen kunnen roven? Hij zal toch eerst de sterke persoon vastbinden en pas daarna het huis leegroven?
MAT 12:30 Wie niet voor Mij is, is tegen Mij en wie niet met Mij bijeenbrengt, drijft uiteen.
MAT 12:31 Daarom zeg Ik jullie: elke zonde en elke godslastering kan de mensen worden vergeven, maar lastering tegen de Geest zal niet worden vergeven
MAT 12:32 en wie kwaadspreekt over de Mensenzoon, kan worden vergeven, maar wie kwaadspreekt over de Heilige Geest, zal niet worden vergeven, noch in dit tijdperk, noch in het toekomstige.
MAT 12:33 Van een boom moet je ofwel zeggen dat hij goed is, en dan zijn de vruchten ervan ook goed, ofwel moet je zeggen dat hij slecht is, en dan zijn ook de vruchten ervan slecht, want de boom is te herkennen aan zijn vruchten.
MAT 12:34 Addergebroed, jullie kunnen toch geen goede woorden spreken terwijl jullie slecht zijn? Want waar het hart vol van is, daarvan spreekt de mond.
MAT 12:35 Een goed mens haalt uit zijn voorraad goedheid goede dingen tevoorschijn, en een slecht mens haalt uit zijn voorraad slechtheid slechte dingen tevoorschijn.
MAT 12:36 Maar Ik zeg jullie: op de Oordeelsdag zullen de mensen verantwoording moeten afleggen voor iedere lichtzinnige opmerking die ze hebben gemaakt.
MAT 12:37 Want op basis van je woorden zal je worden vrijgesproken en op basis van je woorden zal je worden veroordeeld.”
MAT 12:38 Toen vroegen enkele Schriftgeleerden en farizeeën Hem: “Leraar, wij willen U graag een teken zien doen.”
MAT 12:39 Jezus antwoordde: “Slechte en overspelige mensen eisen een teken, maar er zal hun geen teken worden gegeven, behalve het teken van de profeet Jona.
MAT 12:40 Want zoals Jona zich drie dagen en drie nachten in de buik van het grote zeedier bevond, zal de Mensenzoon zich drie dagen en drie nachten in het hart van de aarde bevinden.
MAT 12:41 Bij het Oordeel zullen tegelijk met jullie soort de inwoners van Nineve verrijzen en zij zullen jullie veroordelen, want zij kwamen tot inkeer door Jona's verkondiging, en hier is Iemand die groter is dan Jona.
MAT 12:42 Bij het Oordeel zal tegelijk met jullie soort de koningin van het Zuiden verrijzen en zij zal jullie veroordelen, want zij kwam van de uithoeken van de aarde naar Salomo's wijsheid luisteren en hier is Iemand die groter is dan Salomo.
MAT 12:43 Wanneer een onreine geest uit een mens is gekomen, trekt hij door dorre plaatsen op zoek naar een rustplaats, zonder die te vinden.
MAT 12:44 Dan zegt hij: ‘Ik ga terug naar het huis waar ik vandaan kom.’ En wanneer hij aankomt, treft hij het huis onbewoond, geveegd en opgeruimd aan.
MAT 12:45 Dan gaat hij weg om zeven andere geesten op te halen die nog slechter zijn dan hijzelf, en ze nemen er hun intrek. Dan is die persoon er slechter aan toe dan eerst. Zo zal het ook zijn met jullie soort slechte mensen.”
MAT 12:46 Terwijl Hij de mensenmassa nog toesprak, stonden onverwachts zijn moeder en broers buiten. Ze wilden Hem spreken.
MAT 12:47 Iemand zei tegen Jezus: “Uw moeder en broers staan buiten en ze willen met U spreken.”
MAT 12:48 Jezus antwoordde de persoon die het Hem had verteld: “Wie is mijn moeder en wie zijn mijn broers?”
MAT 12:49 Hij wees naar zijn leerlingen en zei: “Dit zijn mijn moeder en mijn broers.
MAT 12:50 Want wie doet wat mijn Vader in de hemel wil, die is mijn broer, zus of moeder.”
MAT 13:1 Diezelfde dag verliet Jezus het huis en ging Hij bij het meer zitten.
MAT 13:2 Er verzamelde zich zo'n grote mensenmassa om Hem heen, dat Hij in een boot plaatsnam, terwijl alle mensen op de oever bleven staan.
MAT 13:3 Hij vertelde hun van alles in de vorm van parabels. Hij zei: “Er was eens een zaaier die ging zaaien.
MAT 13:4 Tijdens het zaaien vielen er wat zaadjes langs het pad en de vogels kwamen ze oppikken.
MAT 13:5 Andere zaadjes vielen in ondiepe laagjes aarde op rotsgrond. De plantjes schoten meteen op, omdat de aarde ondiep was.
MAT 13:6 Maar toen de zon hoog kwam te staan, verschroeiden de plantjes; en omdat ze geen wortels hadden, gingen ze dood.
MAT 13:7 Nog andere zaadjes vielen tussen het onkruid en het onkruid kwam op en verstikte hen.
MAT 13:8 Weer andere zaadjes vielen in goede aarde en leverden een goede oogst op, wel honderd-, zestig- of dertigmaal zoveel als er was gezaaid.
MAT 13:9 Als je oren hebt, luister dan!”
MAT 13:10 Later kwamen Jezus' leerlingen Hem vragen: “Waarom spreekt U de mensen toe in de vorm van parabels?”
MAT 13:11 Hij antwoordde: “Omdat het jullie is gegeven de geheimen van Gods rijk te kennen, maar hun is dat niet gegeven.
MAT 13:12 Want aan wie heeft, zal nog meer worden gegeven, zodat hij overvloed zal hebben. Maar van wie niets heeft, zal zelfs hetgeen hij heeft worden afgenomen.
MAT 13:13 Daarom spreek Ik hen toe in parabels, zodat ze wel zien maar niet begrijpen, en wel horen maar niet verstaan.
MAT 13:14 Voor hen is de volgende profetie van Jesaja in vervulling gegaan: ‘Jullie zullen wel horen maar niet verstaan, en wel zien maar niet begrijpen.
MAT 13:15 Want het hart van dit volk is gevoelloos geworden, hun oren kunnen nauwelijks horen en hun ogen hebben ze gesloten. Anders zouden ze met hun ogen kunnen zien en met hun oren kunnen horen en met hun hart verstaan en zich bekeren en dan zou Ik hen gezond maken.’
MAT 13:16 Maar omdat jullie ogen zien en jullie oren horen, zijn ze gezegend.
MAT 13:17 Want Ik verzeker jullie: veel profeten en rechtvaardige mensen wilden graag zien wat jullie zien, maar ze hebben het niet gezien. En ze wilden graag horen wat jullie horen, maar ze hebben het niet gehoord.
MAT 13:18 Luister dus naar de uitleg van de parabel van de zaaier:
MAT 13:19 Telkens wanneer iemand de boodschap van het koninkrijk hoort en deze niet begrijpt, komt de duivel weggrissen wat in het hart van die persoon was gezaaid. Dit is wat langs het pad is gezaaid.
MAT 13:20 Wat op de rotsgrond is gezaaid, is als de persoon die de boodschap hoort en haar meteen vol vreugde aanvaardt.
MAT 13:21 Maar hij is oppervlakkig en het raakt niet diep in hem geworteld. Zodra er verdrukking of vervolging komt omwille van het evangelie, komt hij ten val.
MAT 13:22 En wat tussen het onkruid is gezaaid, is als de persoon die de boodschap hoort, maar de zorgen van dit leven en de misleiding van de rijkdom verstikken de boodschap, zodat deze niets oplevert.
MAT 13:23 Wat in goede aarde is gezaaid, is als de persoon die het evangelie hoort, het begrijpt en vruchten voortbrengt; in het ene geval honderd-, in het andere zestig- en in nog een ander geval dertigmaal zoveel als er was gezaaid.”
MAT 13:24 Jezus vertelde hun nog een parabel: “Het is met Gods rijk als met iemand die goed zaad in zijn akker zaaide.
MAT 13:25 Maar terwijl iedereen sliep, kwam zijn vijand schadelijk onkruid tussen het graan zaaien en ging hij weer weg.
MAT 13:26 Toen de plantjes opkwamen en aren vormden, verscheen ook het schadelijk onkruid.
MAT 13:27 De knechten van de landeigenaar vroegen hem: ‘Meneer, u had toch goed zaad in uw akker gezaaid? Waar komt dat schadelijk onkruid dan vandaan?’
MAT 13:28 Hij antwoordde: ‘Dat heeft een vijand gedaan.’ De knechten vroegen hem: ‘Wilt u dat we gaan wieden?’
MAT 13:29 Maar hij antwoordde: ‘Nee, want als jullie het onkruid zouden wieden, zouden jullie ook de wortels van het graan lostrekken.
MAT 13:30 Laat het allemaal samen opgroeien tot de oogsttijd. Dan zal ik tegen de maaiers zeggen: Breng eerst het onkruid bijeen en maak er bundels van om te verbranden, en oogst dan het graan en breng het naar mijn schuur.’”
MAT 13:31 Jezus vertelde hun nog een parabel: “Het is met Gods rijk als met een mosterdzaadje dat iemand in zijn akker zaaide.
MAT 13:32 Het is kleiner dan alle andere zaden, maar wanneer het uitgroeit, is het de grootste van de moestuinplanten en wordt het een boom, zodat de vogels in zijn takken komen nestelen.”
MAT 13:33 Hij vertelde hun nog een parabel: “Het is met Gods rijk als met desem die door een vrouw vermengd werd met drie porties meel, totdat het deeg volledig doordesemd was.”
MAT 13:34 Jezus vertelde dat alles aan de mensenmassa in de vorm van parabels; Hij vertelde hun niets zonder parabels te gebruiken.
MAT 13:35 Zo gingen de volgende woorden van de profeet Jesaja in vervulling: “Ik open mijn mond om in parabels te spreken, ik maak bekend wat vanaf de schepping van de wereld verborgen is geweest.”
MAT 13:36 Nadat Hij afscheid had genomen van de mensenmassa, ging Hij naar huis. Zijn leerlingen kwamen bij Hem en vroegen: “Wilt U de parabel van het schadelijk onkruid op de akker aan ons uitleggen?”
MAT 13:37 Jezus antwoordde: “De zaaier van het goede zaad is de Mensenzoon.
MAT 13:38 De akker is de wereld en het goede zaad zijn de onderdanen van het koninkrijk. Het schadelijk onkruid, dat zijn de onderdanen van de duivel.
MAT 13:39 De vijand die hen zaaide is de duivel, de oogst is het einde van de wereld en zij die de oogst binnenhalen zijn engelen.
MAT 13:40 En zoals het schadelijk onkruid bijeengebracht en verbrand wordt, zo zal het ook zijn bij het einde van de wereld.
MAT 13:41 De Mensenzoon zal zijn engelen uitzenden en zij zullen alles uit zijn koninkrijk dat tot zonde aanzet en ieder die het slechte doet bijeenbrengen.
MAT 13:42 Die zullen in de brandende oven worden gegooid en daar zal worden geweend en met de tanden geknarst.
MAT 13:43 Dan zullen de rechtvaardigen in het koninkrijk van hun Vader stralen als de zon. Als je oren hebt, luister dan!
MAT 13:44 Het is met Gods rijk als met een schat die in een akker is verborgen, en die door iemand wordt gevonden en weer toegedekt. Hij is er zo blij over dat hij weggaat, alles verkoopt wat hij heeft en die akker koopt.
MAT 13:45 Het is met Gods rijk ook als met een zakenman die op zoek was naar mooie parels.
MAT 13:46 Hij vond een parel die zo kostbaar was, dat hij al zijn bezittingen verkocht om die parel te kopen.
MAT 13:47 Het is met Gods rijk ook als met een lang visnet dat in het meer werd gegooid en waarin allerlei vissen werden gevangen.
MAT 13:48 Toen het vol was, werd het aan wal getrokken en men ging zitten om de goede vissen in emmers te doen en de slechte weg te gooien.
MAT 13:49 Zo zal het zijn bij het einde van de wereld. De engelen zullen eropuit gaan en de slechte mensen scheiden van de rechtvaardige.
MAT 13:50 Ze zullen de slechte mensen in de brandende oven gooien en daar zal worden geweend en met de tanden geknarst.
MAT 13:51 Hebben jullie dit alles begrepen?” De leerlingen antwoordden: “Ja.”
MAT 13:52 Jezus zei tegen hen: “Daarom is iedere Schriftgeleerde die een leerling in Gods rijk is geworden, als een huiseigenaar die uit zijn voorraadkamer nieuwe en oude dingen tevoorschijn haalt.”
MAT 13:53 Toen Jezus deze parabels had afgerond, vertrok Hij daarvandaan.
MAT 13:54 Hij kwam in zijn thuisstad en onderwees de mensen daar in hun synagoge, zodat ze diep onder de indruk waren en vroegen: “Vanwaar haalt Hij die wijsheid en die wonderen?
MAT 13:55 Is dit niet de zoon van de bouwer? Heet zijn moeder niet Maria en zijn broers Jakobus, Jozef, Simon en Judas?
MAT 13:56 En wonen niet al zijn zussen bij ons? Waar haalt Hij dat alles dan vandaan?”
MAT 13:57 Ze ergerden zich aan Hem, maar Jezus zei tegen hen: “Het is alleen in zijn thuisstad en in zijn eigen huis dat een profeet geen eer ontvangt.”
MAT 13:58 En wegens hun ongeloof deed Hij daar slechts weinig wonderen.
MAT 14:1 In die tijd hoorde de tetrarch Herodes de berichten over Jezus.
MAT 14:2 Hij zei tegen zijn dienaren: “Dit is Johannes de Doper; hij is uit de dood verrezen en daarom beschikt hij over deze bijzondere krachten.”
MAT 14:3 Herodes had Johannes namelijk laten arresteren, boeien en gevangenzetten wegens Herodias, de vrouw van zijn broer Filippus.
MAT 14:4 Dat was omdat Johannes tegen hem had gezegd: “U mag niet met haar trouwen.”
MAT 14:5 Herodes wilde Johannes doden, maar hij was bang voor de mensen, omdat die Johannes als een profeet beschouwden.
MAT 14:6 Op de verjaardag van Herodes danste de dochter van Herodias voor de gasten en Herodes beleefde daar zoveel plezier aan,
MAT 14:7 dat hij zwoer dat hij haar zou geven wat ze maar zou vragen.
MAT 14:8 Daarom zei ze, opgestookt door haar moeder: “Geef mij hier, op een schaal, het hoofd van Johannes de Doper.”
MAT 14:9 Hoewel de koning ontsteld was, beval hij, omwille van wat hij had gezworen in het bijzijn van zijn gasten, dat haar verzoek moest worden ingewilligd.
MAT 14:10 Hij stuurde iemand om Johannes in de gevangenis te onthoofden.
MAT 14:11 Johannes' hoofd werd op een schaal naar binnen gebracht en aan het meisje gegeven, en zij bracht het naar haar moeder.
MAT 14:12 Toen kwamen Johannes' leerlingen zijn lichaam ophalen. Ze begroeven het en gingen dat aan Jezus vertellen.
MAT 14:13 Toen Jezus hun verslag gehoord had, vertrok Hij in een boot naar een afgelegen plaats om alleen te zijn. De mensenmassa hoorde dat en volgde Hem te voet vanuit de steden.
MAT 14:14 Toen Jezus uit de boot stapte, zag Hij een grote menigte. Hij kreeg medelijden met de mensen en genas hun zieken.
MAT 14:15 Toen het avond werd, kwamen zijn leerlingen Hem zeggen: “Dit is een afgelegen plaats en het is al laat geworden. Stuur de mensen toch weg, zodat ze naar de dorpen kunnen gaan om eten voor zichzelf te kopen.”
MAT 14:16 Jezus antwoordde: “Ze hoeven niet weg te gaan; geven jullie hun maar te eten.”
MAT 14:17 Maar zij zeiden tegen Hem: “Wij hebben hier slechts vijf broden en twee vissen.”
MAT 14:18 Jezus zei: “Breng ze hier.”
MAT 14:19 Hij droeg de mensen op om plaats te nemen op het gras, nam de vijf broden en de twee vissen, keek omhoog naar de hemel, sprak een zegengebed uit, brak de broden in stukken en gaf die aan zijn leerlingen. Zij gaven ze door aan de mensen,
MAT 14:20 en ze aten allen totdat ze voldaan waren. De overgebleven brokken werden verzameld, wel twaalf manden vol.
MAT 14:21 Het aantal mannen die hadden gegeten, dus zonder de vrouwen en kinderen te tellen, bedroeg ongeveer vijfduizend.
MAT 14:22 Meteen daarna droeg Jezus zijn leerlingen op om in de boot te stappen en voor Hem uit het meer over te steken, terwijl Hij de mensenmassa naar huis stuurde.
MAT 14:23 Nadat Hij de mensenmassa naar huis had gestuurd, ging Hij alleen de berg op om te bidden. Toen het avond werd, was Hij daar alleen.
MAT 14:24 De boot bevond zich op dat moment reeds op een grote afstand van de kust en werd door de golven heen en weer geslingerd, omdat ze de wind tegen hadden.
MAT 14:25 Tegen het einde van de nacht kwam Hij over het meer naar hen toe gewandeld.
MAT 14:26 Toen zijn leerlingen Hem over het meer zagen wandelen, werden ze doodsbang en zeiden ze: “Het is een spook!” Ze schreeuwden het uit van angst.
MAT 14:27 Meteen zei Jezus tegen hen: “Wees gerust, Ik ben het. Wees niet bang.”
MAT 14:28 Toen vroeg Petrus Hem: “Heer, als U het bent, zeg dan dat ik bij U moet komen over het water!”
MAT 14:29 Jezus zei: “Kom maar!” Petrus stapte uit de boot en wandelde over het water naar Jezus toe.
MAT 14:30 Maar toen Petrus merkte hoe hard het waaide, werd hij bang en begon hij te zinken. Hij riep: “Heer, red mij!”
MAT 14:31 Jezus stak meteen zijn hand uit, greep hem vast en zei tegen hem: “Jij kleingelovige, waarom twijfelde je?”
MAT 14:32 En toen ze in de boot stapten, ging de wind liggen.
MAT 14:33 De anderen in de boot vielen voor Jezus op hun knieën en zeiden: “U bent werkelijk de Zoon van God!”
MAT 14:34 Eenmaal overgestoken, kwamen ze bij Gennesaret aan land.
MAT 14:35 De mannen van die plaats herkenden Hem en lieten zijn komst in de gehele streek bekendmaken, zodat alle mensen hun zieken kwamen brengen.
MAT 14:36 Zij smeekten dat die slechts de kwast onderaan zijn mantel zouden mogen aanraken. En iedereen die Hem aanraakte, werd genezen.
MAT 15:1 De farizeeën en Schriftgeleerden uit Jeruzalem kwamen Jezus vragen:
MAT 15:2 “Waarom overtreden uw leerlingen de traditie van de voorouders? Ze wassen hun handen niet voor het eten!”
MAT 15:3 Jezus antwoordde: “En waarom overtreden jullie Gods gebod omwille van jullie traditie?
MAT 15:4 God heeft immers gezegd: ‘Eer je vader en moeder’ en ‘Wie kwaadspreekt van zijn vader of moeder, moet ter dood worden gebracht.’
MAT 15:5 Maar jullie beweren dat wie tegen zijn vader of moeder zegt: ‘Wat ik aan jullie had kunnen geven, heb ik aan God gewijd’,
MAT 15:6 zijn vader of moeder niet langer moet eren. Zo verklaren jullie Gods gebod ongeldig omwille van jullie traditie.
MAT 15:7 Hypocrieten! Jesaja had gelijk toen hij het volgende over jullie profeteerde:
MAT 15:8 ‘Dit volk bewijst Mij lippendienst, hun hart is ver van Mij.
MAT 15:9 Zij vereren Mij tevergeefs, en ze onderwijzen menselijke voorschriften.’”
MAT 15:10 Jezus riep de mensen bij zich en zei tegen hen: “Luister en begrijp het volgende:
MAT 15:11 Het is niet wat de mond binnengaat dat de mens verontreinigt, maar wat uit de mond naar buiten komt.”
MAT 15:12 Toen kwamen zijn leerlingen Hem vragen: “Weet U dat de farizeeën uw woorden hebben gehoord en zich eraan ergeren?”
MAT 15:13 Jezus antwoordde: “Iedere plant die niet door mijn Hemelse Vader is geplant, zal worden uitgetrokken.
MAT 15:14 Laat ze maar. Het zijn blindenbegeleiders die zelf blind zijn. En als een blinde een blinde leidt, vallen ze beiden in een kuil.”
MAT 15:15 Petrus vroeg Jezus: “Wilt U die vergelijking aan ons uitleggen?”
MAT 15:16 Jezus zei: “Hebben ook jullie nog altijd geen inzicht?
MAT 15:17 Beseffen jullie niet dat alles wat de mond binnengaat, naar de maag gaat en uiteindelijk weer naar buiten komt?
MAT 15:18 Maar hetgeen door de mond naar buiten gaat, komt uit het hart en verontreinigt de mens.
MAT 15:19 Uit het hart komen immers slechte gedachten voort, en moord, overspel, seksueel wangedrag, diefstal, leugenachtige verklaringen en godslastering.
MAT 15:20 Dat zijn de zaken die de mens verontreinigen, maar de mens raakt niet verontreinigd door met ongewassen handen te eten.”
MAT 15:21 Jezus verliet die plaats en trok zich terug in het gebied van Tyrus en Sidon.
MAT 15:22 Een Kanaänitische vrouw uit die omgeving kwam naar Hem toe en riep: “Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David! Mijn dochter is ernstig bezeten!”
MAT 15:23 Jezus gaf geen antwoord. Zijn leerlingen kwamen bij Hem met het verzoek: “Stuur haar toch weg; ze blijft ons maar naroepen.”
MAT 15:24 Jezus antwoordde: “Ik ben enkel gezonden naar de verloren schapen van het volk Israël.”
MAT 15:25 Maar zij kwam naar Hem toe, viel op haar knieën en vroeg: “Heer, help mij!”
MAT 15:26 Jezus antwoordde: “Het is niet goed om de kinderen het brood af te nemen en dat aan de hondjes te geven.”
MAT 15:27 Maar zij zei: “Ja Heer, maar zelfs de hondjes eten van de kruimels die van de tafel van hun eigenaars vallen!”
MAT 15:28 Jezus antwoordde: “Mevrouw, je hebt een groot geloof; moge je wens in vervulling gaan.” Op dat moment was haar dochter genezen.
MAT 15:29 Nadat Jezus van daar was verder getrokken, kwam Hij bij het Meer van Galilea. Hij ging de berg op en zette zich daar neer.
MAT 15:30 Er kwam een grote mensenmassa naar Hem toe met mensen die verlamd of blind waren, hun arm of been niet goed konden gebruiken of die niet konden spreken, en veel anderen. Ze legden hen aan Jezus' voeten en Hij genas hen.
MAT 15:31 De menigte was verbaasd om te zien dat mensen die niet konden spreken begonnen te praten, mensen die hun arm of been niet goed konden gebruiken gezond werden, verlamden begonnen te stappen en blinden konden zien. En ze verheerlijkten de God van Israël.
MAT 15:32 Jezus riep zijn leerlingen bij zich en zei: “Ik heb medelijden met al die mensen, want ze zijn al drie dagen bij Me en nu hebben ze niets te eten. Ik wil hen niet met een lege maag wegsturen, want dan zullen ze onderweg bezwijken.”
MAT 15:33 De leerlingen zeiden tegen Hem: “Waar in dit afgelegen gebied kan voldoende brood worden gevonden om zoveel mensen te eten te geven?”
MAT 15:34 Jezus vroeg hen: “Hoeveel broden hebben jullie?” Ze zeiden: “Zeven, en enkele visjes.”
MAT 15:35 Hij droeg de menigte op om op de grond plaats te nemen,
MAT 15:36 nam de zeven broden en de visjes, sprak een dankgebed uit, brak ze in stukken, en gaf die aan zijn leerlingen. De leerlingen gaven ze door aan de mensen.
MAT 15:37 Ze aten allen tot ze voldaan waren. De overgebleven brokken werden verzameld, wel zeven korven vol.
MAT 15:38 Het waren ongeveer vierduizend mannen die hadden gegeten, vrouwen en kinderen niet meegeteld.
MAT 15:39 Jezus stuurde de mensen naar huis, stapte in de boot en ging naar het gebied Magadan.
MAT 16:1 De farizeeën en de sadduceeën kwamen bij Jezus en stelden Hem op de proef met de vraag om een teken uit de hemel aan hen te tonen.
MAT 16:2 Hij antwoordde echter: “Soms zeggen jullie tijdens de avond: het wordt mooi weer, want de lucht is rood.
MAT 16:3 Of in de ochtend: vandaag krijgen we storm, want de lucht is rood en dreigend. Jullie weten wat het betekent als de lucht er op een bepaalde manier uitziet, maar jullie begrijpen niet waarop de huidige gebeurtenissen wijzen.
MAT 16:4 Jullie soort slechte en overspelige mensen eist een teken, maar er zal hun geen teken worden gegeven, behalve het teken van Jona.” Hij draaide zich om en vertrok.
MAT 16:5 De leerlingen van Jezus staken het meer over, maar ze vergaten brood mee te nemen.
MAT 16:6 Hij zei tegen hen: “Pas op en wees op je hoede voor de desem van de farizeeën en de sadduceeën.”
MAT 16:7 Ze bespraken onder elkaar of Hij dat had gezegd omdat ze geen brood hadden meegenomen.
MAT 16:8 Jezus merkte het en zei: “Kleingelovigen, waarom zijn jullie met elkaar aan het bespreken dat jullie geen brood hebben?
MAT 16:9 Begrijpen jullie het nog niet? Weten jullie niet meer van de vijf broden voor de vijfduizend en hoeveel manden vol jullie verzamelden?
MAT 16:10 Of van de zeven broden voor de vierduizend en hoeveel korven vol jullie toen verzamelden?
MAT 16:11 Hoe bestaat het dat jullie niet beseffen dat Ik het niet over brood had? Pas op voor de desem van de farizeeën en de sadduceeën.”
MAT 16:12 Toen begrepen ze dat ze niet op hun hoede moesten zijn voor de desem in het brood, maar voor het onderwijs van de farizeeën en de sadduceeën.
MAT 16:13 Toen Jezus in het gebied van Caesarea Filippi kwam, vroeg Hij zijn leerlingen: “Wie zeggen de mensen dat de Mensenzoon is?”
MAT 16:14 Ze zeiden: “Sommigen zeggen: Johannes de Doper, anderen: Elia, nog anderen: Jeremia of een van de profeten.”
MAT 16:15 Jezus vroeg: “En jullie, wie zeggen jullie dat Ik ben?”
MAT 16:16 Simon Petrus antwoordde: “U bent de Messias, de Zoon van de levende God.”
MAT 16:17 Toen zei Jezus tegen hem: “Simon Bar-Jona, jij bent gezegend, want dit is jou niet onthuld door mensen van vlees en bloed, maar door mijn Vader in de hemel.
MAT 16:18 Ik zeg je: jij bent Petrus, de rots. Op deze rots zal Ik mijn kerk bouwen en zelfs de dood zal haar niet kunnen overwinnen.
MAT 16:19 Ik zal jou de sleutels van Gods rijk geven, en wat jij op aarde bindend verklaart, zal in de hemel bindend zijn en wat jij op aarde ontbonden verklaart zal in de hemel ontbonden zijn.”
MAT 16:20 Toen droeg Hij zijn leerlingen op aan niemand te vertellen dat Hij de Messias was.
MAT 16:21 Vanaf toen begon Jezus aan zijn leerlingen uit te leggen dat Hij naar Jeruzalem moest gaan, dat de oudsten, hoofdpriesters en Schriftgeleerden Hem veel leed zouden aandoen, dat Hij zou worden gedood en dat Hij op de derde dag weer tot leven zou worden gewekt.
MAT 16:22 Petrus nam Hem apart en begon Hem te berispen door te zeggen: “Dat nooit, Heer! Dat mag U in geen geval overkomen!”
MAT 16:23 Maar Jezus draaide zich om en zei tegen Petrus: “Ga weg, uit mijn ogen, jij satan! Je vormt een hinderpaal voor Me, omdat het jou niet om Gods belangen gaat, maar om die van de mensen.”
MAT 16:24 Toen zei Jezus tegen zijn leerlingen: “Als iemand met Mij wil meekomen, moet hij zichzelf verloochenen, zijn kruis opnemen en Mij volgen.
MAT 16:25 Wie zijn leven wil redden, zal het verliezen, maar wie zijn leven loslaat voor Mij, zal het vinden.
MAT 16:26 Wat heeft een mens eraan als hij de hele wereld wint maar zijn leven verliest? Wat zou een mens geven in ruil voor zijn leven?
MAT 16:27 De Mensenzoon zal komen, gehuld in de hemelse pracht van zijn Vader en vergezeld door zijn engelen. Dan zal Hij iedereen geven wat hij verdiend heeft met zijn daden.
MAT 16:28 Ik verzeker jullie: sommigen die hier staan, zullen niet sterven voordat zij de Mensenzoon in zijn koninklijke glorie hebben zien komen.”
MAT 17:1 Zes dagen later nam Jezus Petrus, Jakobus en diens broer Johannes mee een hoge berg op, waar ze alleen waren.
MAT 17:2 Daar veranderde Hij voor hun ogen; zijn gezicht straalde als de zon en zijn kleren werden zo wit als het licht.
MAT 17:3 Plots verschenen Elia en Mozes aan hen; ze waren met Jezus in gesprek.
MAT 17:4 Petrus onderbrak hen en zei tegen Jezus: “Heer, het is goed dat wij hier zijn. Als U wil, zal ik hier drie hutten bouwen: een voor U, een voor Mozes en een voor Elia.”
MAT 17:5 Terwijl hij nog sprak, kwam er een wolk vol licht boven hen hangen. Vanuit de wolk sprak een stem: “Dit is mijn dierbare Zoon; Ik verheug Mij over Hem. Luister naar Hem!”
MAT 17:6 Toen ze dat hoorden, vielen zijn leerlingen voorover. Ze waren verschrikkelijk bang.
MAT 17:7 Jezus kwam naar hen toe, raakte hen aan en zei: “Sta op; wees niet bang.”
MAT 17:8 Toen ze opkeken, zagen ze enkel nog Jezus.
MAT 17:9 Tijdens hun afdaling van de berg beval Jezus hun: “Vertel niemand wat jullie hebben gezien zolang de Mensenzoon nog niet uit de dood is opgewekt.”
MAT 17:10 De leerlingen vroegen Hem: “Waarom zeggen de Schriftgeleerden dat Elia eerst moet komen?”
MAT 17:11 Hij antwoordde: “Elia komt inderdaad eerst alles in orde maken.
MAT 17:12 Maar Ik zeg jullie: Elia is reeds gekomen. Ze hebben hem echter niet herkend, maar met hem gedaan wat ze wilden. Op dezelfde wijze zullen ze de Mensenzoon mishandelen.”
MAT 17:13 Toen begrepen de leerlingen dat Hij het over Johannes de Doper had.
MAT 17:14 Toen ze bij de menigte terugkwamen, kwam er iemand naar Jezus toe. Hij knielde voor Hem
MAT 17:15 en zei: “Heer, heb medelijden met mijn zoon. Hij krijgt toevallen en valt dan dikwijls in het vuur of het water, zodat hij er ellendig aan toe is.
MAT 17:16 Ik heb hem bij uw leerlingen gebracht, maar zij konden hem niet genezen.”
MAT 17:17 Jezus antwoordde: “O, ongelovige en tegendraadse mensen, hoelang zal Ik nog bij jullie zijn? Hoelang zal Ik jullie nog verdragen? Breng hem hier, bij Mij.”
MAT 17:18 Jezus sprak de demon bestraffend toe en die ging uit het kind weg; het was onmiddellijk genezen.
MAT 17:19 Later, toen Jezus alleen was, kwamen zijn leerlingen Hem vragen: “Waarom konden wij die geest niet uitdrijven?”
MAT 17:20 Jezus antwoordde: “Omdat jullie geloof zo klein is! Ik verzeker jullie: Als jullie een geloof hebben ter grootte van een mosterdzaadje en tegen deze berg zeggen: verplaats je van hier naar daar, dan zal hij zich verplaatsen. Niets zal dan onmogelijk voor jullie zijn.”
MAT 17:22 Toen ze bijeenkwamen in Galilea, zei Jezus tegen hen: “Binnenkort zal de Mensenzoon aan de mensen worden uitgeleverd.
MAT 17:23 Zij zullen Hem doden en op de derde dag zal Hij verrijzen.” Ze werden diep bedroefd.
MAT 17:24 Toen ze Kafarnaüm binnenkwamen, werd Petrus benaderd door de inners van de tempelbelasting, die twee drachma per man bedroeg. Ze vroegen: “Betaalt jullie Leraar geen tempelbelasting?”
MAT 17:25 Petrus zei: “Toch wel!” Toen hij thuiskwam, vroeg Jezus hem, voordat hij iets kon zeggen: “Wat denk je, Simon, van wie ontvangen de koningen op aarde tolgeld of belasting, van hun eigen kinderen of van vreemdelingen?”
MAT 17:26 Petrus zei: “Van de vreemdelingen.” En Jezus zei: “Dan zijn de kinderen dus vrijgesteld.
MAT 17:27 Maar, om te zorgen dat we die mensen niet ergeren: ga naar het meer, werp een hengel uit en neem de eerste vis die bijt. Als je zijn bek opent, zal je een muntstuk van vier drachma vinden. Geef die aan de inners van de tempelbelasting, voor jou en Mij.”
MAT 18:1 Op dat moment kwamen Jezus' leerlingen Hem vragen: “Wie is de belangrijkste in Gods rijk?”
MAT 18:2 Jezus riep een kind, zette het tussen hen in
MAT 18:3 en zei: “Ik verzeker jullie, als jullie niet veranderen en als kinderen worden, zullen jullie Gods rijk in geen geval binnengaan.
MAT 18:4 Wie zo nederig wordt als dit kind, is de belangrijkste in Gods rijk,
MAT 18:5 en wie zo'n kind verwelkomt in mijn naam, verwelkomt Mij.
MAT 18:6 Wie een van deze eenvoudige mensen die in Mij geloven tot zonde aanzet, zou beter af zijn als men een zware molensteen om zijn nek zou hangen om hem diep in zee te verdrinken.
MAT 18:7 Wee de wereld, wegens de struikelblokken. Die aansporingen tot zonde moeten er wel komen, maar wee de persoon door wie ze komen.
MAT 18:8 Als je hand of je voet jou tot zonde aanzet, hak hem dan maar af en gooi hem weg. Je kan beter verminkt of gehandicapt het leven binnengaan dan in het bezit van twee handen of twee voeten in het eeuwig vuur gegooid worden.
MAT 18:9 En als je oog jou tot zonde aanzet, verwijder het dan en gooi het weg. Je kan beter met één oog het leven binnengaan dan in het bezit van twee ogen in de brandende hel worden gegooid.
MAT 18:10 Zorg dat je op geen van deze eenvoudige mensen neerkijkt, want Ik zeg jullie dat hun engelen in de hemel vrije toegang hebben tot mijn Vader in de hemel.
MAT 18:12 Wat denken jullie: stel dat iemand honderd schapen heeft en een ervan dwaalt af. Zou hij dan niet de negenennegentig in de heuvels achterlaten en op zoek gaan naar het afgedwaalde schaap?
MAT 18:13 Ik verzeker jullie, als hij het vindt, verheugt hij zich er meer over dan over de negenennegentig die niet waren afgedwaald.
MAT 18:14 Net zomin wil jullie Vader in de hemel dat een van deze eenvoudige mensen verloren gaat.
MAT 18:15 Als je broeder of zuster je iets misdoet, ga dan naar die persoon toe en wijs hem onder vier ogen terecht. Als hij naar je luistert, heb je hem teruggewonnen.
MAT 18:16 Als de persoon echter niet luistert, neem dan een of twee anderen mee, zodat ‘iedere aanklacht door twee of drie getuigen kan worden bevestigd.’
MAT 18:17 Als hij echter weigert naar hen te luisteren, stel dan je kerkgemeenschap op de hoogte. En als hij zelfs niet naar de kerkgemeenschap luistert, mag je hem behandelen als een ongelovige of een belastinginner.
MAT 18:18 Ik verzeker jullie: wat jullie op aarde bindend verklaren, zal in de hemel bindend zijn en wat jullie op aarde ontbonden verklaren, zal in de hemel ontbonden zijn.
MAT 18:19 Bovendien verzeker Ik jullie: als twee van jullie op aarde overeenkomen om iets te vragen, eender wat, dan zal mijn hemelse Vader hun wens vervullen.
MAT 18:20 Want waar twee of drie personen samenkomen in mijn naam, daar ben Ik bij hen.”
MAT 18:21 Toen kwam Petrus bij Jezus met de vraag: “Heer, hoe vaak zal ik mijn broeder vergeven als hij mij iets misdoet? Tot zevenmaal?”
MAT 18:22 Jezus zei tegen hem: “Ik zeg je: niet tot zevenmaal, maar tot zeven maal zeventigmaal.
MAT 18:23 Het is met Gods rijk namelijk als met een man, een koning, die afrekening wilde houden met zijn dienaren.
MAT 18:24 Hij was net met de afrekening begonnen, toen iemand bij hem werd gebracht die hem een bedrag schuldig was ter waarde van 60 miljoen daglonen.
MAT 18:25 En omdat hij het niet kon betalen, beval zijn heer dat hij, zijn vrouw en kinderen en al zijn bezittingen verkocht moesten worden om de schuld te betalen.
MAT 18:26 Daarop viel de dienaar voor hem op zijn knieën en smeekte: ‘Heb geduld met mij, ik zal u alles betalen!’
MAT 18:27 De heer van die dienaar kreeg medelijden, liet hem gaan en schold hem zijn schuld kwijt.
MAT 18:28 Nadat die dienaar was vertrokken, zag hij een van zijn mededienaren, die hem een bedrag ter waarde van honderd daglonen schuldig was. Hij greep hem bij de keel en zei: ‘Betaal wat je me schuldig bent!’
MAT 18:29 De mededienaar liet zich voor hem neervallen en smeekte: ‘Heb alsjeblieft geduld met mij, ik zal je betalen!’
MAT 18:30 Maar hij weigerde en liet hem in de gevangenis zetten totdat het verschuldigde bedrag zou zijn betaald.
MAT 18:31 Toen zijn mededienaren zagen wat er gebeurde, vonden ze dat zo verschrikkelijk dat ze naar hun heer gingen om te vertellen wat er allemaal was gebeurd.
MAT 18:32 Toen riep de koning de dienaar bij zich en hij zei tegen hem: ‘Jij slechte dienaar, ik had je al je schulden kwijtgescholden omdat je mij daarom had gesmeekt.
MAT 18:33 Had jij dan niet ook mededogen moeten hebben met je mededienaar, zoals ik mededogen had met jou?’
MAT 18:34 Zijn heer was zo kwaad dat hij hem liet gevangenzetten en straffen totdat hij zijn hele schuld zou hebben afbetaald.
MAT 18:35 Mijn hemelse Vader zal hetzelfde met jullie doen als je niet allemaal je broeder of zuster van harte vergeeft.”
MAT 19:1 Toen Jezus uitgesproken was, vertrok Hij uit Galilea en kwam Hij in het gebied van Judea aan de overkant van de Jordaan.
MAT 19:2 Een grote mensenmassa volgde Hem en Hij genas de zieken ter plekke.
MAT 19:3 Er kwamen farizeeën naar Hem toe om Hem op de proef te stellen. Ze vroegen: “Mag een man zijn vrouw wegsturen om eender welke reden?”
MAT 19:4 Jezus antwoordde: “Hebben jullie niet gelezen dat de Schepper hen vanaf het begin mannelijk en vrouwelijk heeft gemaakt?
MAT 19:5 En dat Hij zei: ‘Daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten en zich aan zijn vrouw verbinden, en ze zullen samen een nieuw lichaam vormen’?
MAT 19:6 Ze zijn dus niet langer twee lichamen, maar één. Daarom moet een mens niet scheiden wat God heeft samengevoegd.”
MAT 19:7 Ze vroegen Hem: “Waarom heeft Mozes dan geboden om een echtscheidingsakte mee te geven als iemand zijn vrouw wegstuurt?”
MAT 19:8 Jezus zei tegen hen: “Omdat jullie koppig zijn, gaf Mozes toestemming om je vrouw weg te sturen, maar aanvankelijk was dat niet de bedoeling.
MAT 19:9 Ik zeg jullie: wie zijn vrouw wegstuurt om een andere reden dan seksueel wangedrag en trouwt met een andere vrouw, pleegt echtbreuk.”
MAT 19:10 Jezus' leerlingen zeiden tegen Hem: “Als het zo zit tussen man en vrouw, is het beter om niet te trouwen.”
MAT 19:11 Maar Hij zei tegen hen: “Niet iedereen kan deze leer aanvaarden, alleen zij aan wie het gegeven is.
MAT 19:12 Want er zijn eunuchen die zo zijn vanaf hun geboorte, er zijn eunuchen die door mensen zijn gecastreerd, en er zijn mensen die als een eunuch leven omwille van Gods rijk. Laat wie dit kan aanvaarden, het aanvaarden!”
MAT 19:13 Toen werden er kinderen bij Jezus gebracht met de bedoeling dat Hij hun de handen zou opleggen en zou bidden. Maar zijn leerlingen berispten de mensen.
MAT 19:14 Jezus zei echter: “Laat de kinderen bij Mij komen en houd hen niet tegen, want Gods rijk is bestemd voor wie is zoals zij.”
MAT 19:15 Nadat Hij hun de handen had opgelegd, vertrok Hij.
MAT 19:16 Op dat moment kwam iemand aan Jezus vragen: “Leraar, welke goede daad moet ik doen om het eeuwig leven te krijgen?”
MAT 19:17 Jezus vroeg hem: “Waarom vraag je Mij over het goede? Er is er maar één die goed is. Maar als je het leven wil binnengaan, houd je dan aan de geboden.”
MAT 19:18 Hij vroeg Hem: “Welke?” Jezus zei: “Pleeg geen moord, pleeg geen echtbreuk, steel niet, leg geen leugenachtige verklaring af,
MAT 19:19 eer je vader en moeder, en heb je naaste lief zoals je jezelf liefhebt.”
MAT 19:20 De jongeman zei tegen Hem: “Aan al die dingen heb ik me gehouden. Wat ontbreekt mij nog?”
MAT 19:21 Jezus antwoordde: “Als je volmaakt wil zijn, ga dan je bezittingen verkopen en geef de opbrengst aan de armen; dan zal je een schat in de hemel hebben. Kom dan terug en volg Mij.”
MAT 19:22 Toen de man dat antwoord hoorde, ging hij aangeslagen weg, want hij had veel bezittingen.
MAT 19:23 Jezus zei tegen zijn leerlingen: “Ik verzeker jullie, voor een rijke is het moeilijk om Gods rijk binnen te gaan.
MAT 19:24 Nogmaals, Ik zeg jullie: het is gemakkelijker voor een kameel om door het oog van een naald te kruipen dan voor een rijke om Gods koninkrijk binnen te gaan.”
MAT 19:25 De leerlingen waren erg ontdaan toen ze dat hoorden. Ze zeiden: “Maar wie kan dan worden gered?”
MAT 19:26 Jezus keek hen aan en zei: “Bij de mensen is het onmogelijk, maar bij God is alles mogelijk.”
MAT 19:27 Petrus reageerde: “Wij hebben alles achtergelaten om U te volgen. Wat gebeurt er dan met ons?”
MAT 19:28 Jezus zei tegen hem: “Ik verzeker jullie: in de nieuwe wereld, wanneer de Mensenzoon op zijn verheven troon zit, zullen jullie die Mij zijn gevolgd op twaalf tronen zitten en over de twaalf stammen van Israël rechtspreken.
MAT 19:29 En ieder die huizen, broers, zussen, vader, moeder, kinderen of akkers heeft opgegeven omwille van mijn naam, zal honderdmaal zoveel ontvangen en deel krijgen aan het eeuwig leven.
MAT 19:30 Maar veel eersten zullen de laatsten zijn, en veel laatsten de eersten.
MAT 20:1 Het is met Gods rijk als met een man, een landeigenaar, die er 's ochtends op uitging om arbeiders in te huren voor het werk in zijn wijngaard.
MAT 20:2 Nadat hij met de arbeiders had afgesproken dat ze ieder een dagloon van een denarie zouden verdienen, stuurde hij hen zijn wijngaard in.
MAT 20:3 En toen hij er halverwege de ochtend weer op uitging, zag hij anderen werkloos op het marktplein staan.
MAT 20:4 Hij zei tegen hen: ‘Gaan jullie ook in de wijngaard werken, en ik zal jullie een rechtvaardig loon geven.’
MAT 20:5 Dus gingen zij aan de slag. En toen hij rond het middaguur en halverwege de middag nogmaals ging, deed hij hetzelfde.
MAT 20:6 Tegen het einde van de middag ging hij opnieuw en trof hij nog anderen aan die daar stonden. Hij vroeg hen: ‘Waarom hebben jullie hier de hele dag staan nietsdoen?’
MAT 20:7 Ze antwoordden: ‘Omdat niemand ons heeft ingehuurd.’ Hij zei tegen hen: ‘Gaan jullie ook maar in de wijngaard werken.’
MAT 20:8 Toen het avond werd, zei de eigenaar van de wijngaard tegen zijn opziener: ‘Roep de arbeiders en geef hun het loon, te beginnen met de laatsten, tot en met de eersten.’
MAT 20:9 Zij die tegen het einde van de dag waren gekomen, ontvingen ieder een denarie.
MAT 20:10 En toen de eersten aan de beurt waren, dachten ze dat zij meer zouden krijgen, maar ook zij kregen ieder een denarie.
MAT 20:11 Nadat ze die hadden ontvangen, begonnen ze tegen de landeigenaar te klagen:
MAT 20:12 ‘Zij die het laatst zijn ingehuurd, hebben slechts een uur gewerkt, en u stelt hen aan ons gelijk, terwijl wij de hele dag in de hitte hebben gezwoegd.’
MAT 20:13 Maar hij antwoordde: ‘Vriend, ik behandel je niet verkeerd. Je had toch een denarie met mij afgesproken?
MAT 20:14 Neem wat je toekomt en vertrek, maar ik wens deze arbeider die het laatst was ingehuurd hetzelfde bedrag te geven als aan jou.
MAT 20:15 Of mag ik soms niet met mijn geld doen wat ik wil? Of ben je jaloers geworden omdat ik vrijgevig ben?’
MAT 20:16 Zo zullen de laatsten de eersten zijn en de eersten de laatsten.”
MAT 20:17 Jezus ging naar Jeruzalem. Onderweg nam Hij zijn twaalf leerlingen apart en zei tegen hen:
MAT 20:18 “Luister, we gaan naar Jeruzalem. Daar zal de Mensenzoon worden uitgeleverd aan de hoofdpriesters en Schriftgeleerden. Zij zullen Hem ter dood veroordelen
MAT 20:19 en Hem aan de niet-Joden uitleveren om te worden bespot, gegeseld en gekruisigd, maar op de derde dag zal Hij verrijzen.”
MAT 20:20 Toen kwam de moeder van de zonen van Zebedeüs naar Jezus toe, samen met haar zonen. Ze knielde om iets van Hem te vragen.
MAT 20:21 Jezus vroeg haar: “Wat is je wens?” Zij antwoordde: “Zou mijn ene zoon rechts van U mogen zitten in uw koninkrijk, en mijn andere zoon links?”
MAT 20:22 Jezus antwoordde: “Jullie weten niet wat jullie vragen. Kunnen jullie dezelfde beker leegdrinken als Ik?” Ze zeiden: “Dat kunnen we.”
MAT 20:23 Jezus zei tegen hen: “Mijn beker zullen jullie wel leegdrinken, maar het is niet aan Mij om te bepalen wie rechts of links van Mij mag zitten. Die plaatsen zijn voor wie mijn Vader ze heeft bestemd.”
MAT 20:24 Toen de tien andere leerlingen van Jezus hiervan hoorden, waren ze kwaad op de twee broers.
MAT 20:25 Jezus riep hen bij zich en zei: “Jullie weten dat het bij de andere volken zo is dat hun leiders de baas over hen spelen en hun heersers hun gezag over hen laten gelden.
MAT 20:26 Bij jullie is dat niet zo. Integendeel, wie onder jullie belangrijk wil worden, moet jullie dienaar zijn
MAT 20:27 en wie onder jullie vooraanstaand wil zijn, moet jullie slaaf zijn,
MAT 20:28 net zoals de Mensenzoon niet is gekomen om te worden gediend, maar om te dienen en zijn leven te geven als losgeld voor velen.”
MAT 20:29 Toen ze Jericho verlieten, werd Jezus gevolgd door een grote menigte.
MAT 20:30 Er zaten twee blinde mensen aan de kant van de weg. Omdat ze hadden gehoord dat Jezus voorbijkwam, riepen ze: “Heb medelijden met ons, Heer, Zoon van David!”
MAT 20:31 De menigte snauwde hen toe dat ze moesten zwijgen. Maar ze riepen nog luider: “Heb medelijden met ons, Heer, Zoon van David!”
MAT 20:32 Jezus hield halt, riep hen bij zich en vroeg: “Wat willen jullie dat Ik voor jullie doe?”
MAT 20:33 Ze antwoordden: “Heer, we willen graag dat onze ogen worden genezen.”
MAT 20:34 Jezus kreeg medelijden met hen en raakte hun ogen aan. Meteen konden ze weer zien en volgden ze Hem.
MAT 21:1 Toen ze Jeruzalem naderden en bij Betfagé kwamen, bij de Olijfberg, stuurde Jezus twee van zijn leerlingen vooruit.
MAT 21:2 Hij zei tegen hen: “Ga het dorp in dat voor jullie ligt. Dan zullen jullie meteen een vastgebonden ezelin zien, met een veulen. Maak ze los en breng ze hier.
MAT 21:3 Als iemand bezwaar maakt, zeg dan: ‘De Heer heeft ze nodig; Hij zal ze meteen terugsturen.’”
MAT 21:4 Zo gebeurde wat de profeet had voorspeld:
MAT 21:5 “Vertel de dochter van Sion: Let op, je koning komt naar je toe, nederig en rijdend op een ezel, op het veulen van een ezelin.”
MAT 21:6 De leerlingen vertrokken en deden wat Jezus hun had opgedragen.
MAT 21:7 Toen ze de ezelin met het veulen hadden gebracht en hun mantels erop hadden gelegd, ging Jezus daarop zitten.
MAT 21:8 Een groot aantal mensen legden hun mantels op de weg, anderen sneden takken van de bomen en spreidden die uit op de weg.
MAT 21:9 De vele mensen die voor en achter Jezus wandelden, riepen: “Hosanna voor de zoon van David! Gezegend is Hij die komt in de naam van de Heer! Hosanna aan de Allerhoogste!”
MAT 21:10 Toen Jezus Jeruzalem binnenging, raakte de hele stad in opschudding over de vraag: “Wie is dit?”
MAT 21:11 De mensen bij Jezus zeiden: “Dit is Jezus, de profeet uit Nazaret in Galilea.”
MAT 21:12 Jezus ging het tempelterrein op, joeg iedereen weg die daar aan het kopen of verkopen was, gooide de tafels van de geldwisselaars en de zitbanken van de duivenverkopers omver
MAT 21:13 en zei tegen hen: “In de Schriften staat: ‘Mijn huis zal een gebedshuis worden genoemd’, maar jullie maken er een rovershol van.”
MAT 21:14 Op het tempelterrein kwamen er mensen naar Hem toe die blind of verlamd waren en Hij genas hen.
MAT 21:15 Maar toen de hoofdpriesters en de Schriftgeleerden de verbazingwekkende dingen zagen die Hij deed en toen ze hoorden dat de kinderen op het tempelterrein uitriepen: “Hosanna voor de zoon van David!”, waren ze verontwaardigd.
MAT 21:16 Ze vroegen Jezus: “Hoort U wat ze roepen?” Jezus zei tegen hen: “Jazeker. Hebben jullie nooit gelezen: ‘U heeft zich laten bejubelen door kleine kinderen en zuigelingen’?”
MAT 21:17 Hij liet hen achter en ging de stad uit, naar Betanië. Daar overnachtte Hij.
MAT 21:18 's Morgens vroeg, toen ze naar Jeruzalem teruggingen, kreeg Jezus honger.
MAT 21:19 Hij zag naast de weg een vijgenboom, ging ernaartoe en stelde vast dat er niets anders aan zat dan bladeren. Hij zei tegen de boom: “Van jou mogen nooit meer vruchten worden geplukt!” Onmiddellijk verdorde de boom.
MAT 21:20 Zijn leerlingen zagen het en vroegen verwonderd: “Hoe kan het dat die vijgenboom onmiddellijk is verdord?”
MAT 21:21 Jezus zei tegen hen: “Ik verzeker jullie, als jullie geloof hebben en niet twijfelen, zullen jullie niet alleen doen wat Ik met de vijgenboom heb gedaan, maar zelfs als jullie dan tegen deze berg zeggen: kom van je plaats en stort jezelf in zee, zal het gebeuren.
MAT 21:22 En alles wat jullie vol vertrouwen vragen in het gebed, zullen jullie ontvangen.”
MAT 21:23 Jezus ging het tempelterrein op. Terwijl Hij aan het onderwijzen was, kwamen de hoofdpriesters en de volksoudsten naar Hem toe. Ze vroegen: “Op grond van welke bevoegdheid doet U deze dingen? En wie heeft U die bevoegdheid gegeven?”
MAT 21:24 Jezus antwoordde: “Ik zal jullie ook één vraag stellen, en als jullie Mij antwoord geven, zal Ik jullie vertellen op grond van welke bevoegdheid Ik deze dingen doe.
MAT 21:25 De doop van Johannes, vanwaar kwam die? Van God of van de mensen?” Ze overlegden met elkaar: “Als we zeggen: van God, zal Hij zeggen: Waarom geloven jullie hem dan niet?
MAT 21:26 Maar als we zeggen: van de mensen ... We zijn bang voor de menigte, want iedereen beschouwt Johannes als een profeet.”
MAT 21:27 Daarom antwoordden ze: “Wij weten het niet.” Toen zei Hij tegen hen: “Dan vertel Ik jullie ook niet op grond van welke bevoegdheid Ik deze dingen doe.
MAT 21:28 Wat denken jullie? Een man had twee zonen. Hij ging naar de eerste toe en zei: ‘Mijn zoon, ga vandaag in de wijngaard werken.’
MAT 21:29 Hij antwoordde: ‘Ik wil niet.’ Maar later kreeg hij wroeging en ging hij toch.
MAT 21:30 Toen ging de vader naar de andere zoon en zei hetzelfde. Die zoon antwoordde: ‘Ja, vader’, maar hij ging niet.
MAT 21:31 Wie van de twee deed wat de vader wilde?” Ze zeiden: “De eerste.” Jezus zei tegen hen: “Ik verzeker jullie dat de belastinginners en de prostituees eerder dan jullie Gods koninkrijk zullen binnengaan.
MAT 21:32 Want Johannes kwam naar jullie toe en toonde jullie de juiste weg, maar jullie geloofden hem niet, terwijl de belastinginners en prostituees hem wel geloofden. En zelfs toen jullie dat zagen, kwamen jullie niet tot inkeer en geloofden jullie hem niet.
MAT 21:33 Luister ook naar deze parabel: Er was iemand, een landeigenaar, die een wijngaard aanplantte, een omheining plaatste, een perskuil groef, een wachttoren bouwde, de wijngaard aan wijnbouwers verhuurde en op reis ging.
MAT 21:34 Toen de oogsttijd was aangebroken, stuurde hij zijn knechten naar de wijnbouwers om zijn opbrengst op te halen.
MAT 21:35 Maar de wijnbouwers grepen zijn knechten; ze sloegen de ene in elkaar, doodden een andere en stenigden nog een andere.
MAT 21:36 Vervolgens stuurde hij andere knechten, meer dan de eerste keer, en die behandelden ze op dezelfde wijze.
MAT 21:37 Uiteindelijk stuurde hij zijn zoon naar hen toe. Hij zei: ‘Mijn zoon zullen ze wel respecteren.’
MAT 21:38 Maar toen de wijnbouwers de zoon zagen, zeiden ze tegen elkaar: ‘Dit is de erfgenaam. Kom, laten we hem doden en beslag leggen op zijn erfenis.’
MAT 21:39 Ze grepen hem, gooiden hem de wijngaard uit en doodden hem.
MAT 21:40 Wat zou de eigenaar van de wijngaard dus met die wijnbouwers doen, wanneer hij komt?”
MAT 21:41 Ze zeiden tegen Hem: “Hij zal die slechte mensen ombrengen en de wijngaard aan andere wijnbouwers verhuren. En die zullen hem steeds op tijd de opbrengst uitbetalen.”
MAT 21:42 Jezus zei tegen hen: “Hebben jullie nooit het volgende in de Schriften gelezen: ‘De steen die de bouwers hebben afgekeurd, is de hoeksteen geworden; de Heer heeft hiervoor gezorgd, het is verbazingwekkend om te zien’?
MAT 21:43 Daarom vertel Ik jullie: Gods koninkrijk zal van jullie worden afgenomen en aan een volk worden gegeven dat de vruchten ervan oplevert.
MAT 21:44 Wie over deze steen valt, raakt verbrijzeld, en degene op wie hij valt, wordt verpletterd.”
MAT 21:45 Toen de hoofdpriesters en farizeeën Jezus' parabels hoorden, begrepen ze dat Hij over hen sprak.
MAT 21:46 Ze wilden Jezus oppakken, maar waren bang van het volk, want dat beschouwde Hem als een profeet.
MAT 22:1 Jezus sprak hen nogmaals toe in parabels. Hij vertelde:
MAT 22:2 “Het is met Gods rijk als met een man, een koning, die een huwelijksfeest gaf voor zijn zoon.
MAT 22:3 Hij stuurde zijn dienaren eropuit om de genodigden bijeen te roepen voor het huwelijksfeest, maar die wilden niet komen.
MAT 22:4 Toen stuurde hij andere dienaren, aan wie hij opdroeg: ‘Zeg tegen de genodigden: ik heb mijn feestmaal klaargemaakt, mijn ossen en mestvee zijn geslacht en alles is gereed. Kom naar het huwelijksfeest.’
MAT 22:5 Maar de genodigden negeerden hen en vertrokken, sommigen naar hun akker, anderen naar hun bedrijf,
MAT 22:6 terwijl de overigen zijn dienaren grepen, mishandelden en doodden.
MAT 22:7 De koning werd kwaad en stuurde zijn troepen om de moordenaars te doden en hun stad in brand te steken.
MAT 22:8 Toen zei hij tegen zijn dienaren: ‘Het huwelijksfeest is gereed, maar de genodigden zijn het feest niet waard.
MAT 22:9 Ga dus naar de plaatsen op straat waar veel volk is en nodig iedereen die jullie daar aantreffen uit voor het huwelijksfeest.’
MAT 22:10 De dienaren gingen op pad en brachten iedereen bijeen die ze konden vinden, zowel slechte als goede mensen, en zo werd de feestzaal gevuld met gasten.
MAT 22:11 Toen de koning binnenkwam om de gasten te begroeten, zag hij daar iemand die geen feestkledij had aangetrokken.
MAT 22:12 Hij zei tegen hem: ‘Vriend, hoe ben jij hier binnengekomen zonder feestkledij?’ De man had geen antwoord.
MAT 22:13 Toen zei de koning tegen de dienaren: ‘Boei hem aan zijn handen en voeten en gooi hem buiten, de uiterste duisternis in; daar zal worden geweend en met de tanden geknarst.’
MAT 22:14 Want velen zijn geroepen, maar weinigen zijn uitverkoren.”
MAT 22:15 Toen vertrokken de farizeeën om met elkaar te overleggen hoe ze Hem in zijn eigen woorden zouden kunnen vangen.
MAT 22:16 Ze stuurden hun leerlingen met de aanhangers van Herodes naar Hem toe met de vraag: “Leraar, wij weten dat U oprecht bent en naar waarheid onderwijst hoe men Gods weg moet bewandelen. U laat zich door niemand beïnvloeden en praat niemand naar de mond.
MAT 22:17 Vertel ons daarom: vindt U dat het is toegestaan om de keizerlijke belasting te betalen, of niet?”
MAT 22:18 Maar Jezus was zich bewust van hun slechte bedoelingen en zei: “Hypocrieten, waarom stellen jullie Mij op de proef?
MAT 22:19 Toon Mij de munt die voor deze belasting wordt gebruikt.” Ze brachten Hem een denarie.
MAT 22:20 Toen vroeg Hij hun: “Wie staat hierop afgebeeld? En welke naam staat erop?”
MAT 22:21 Ze antwoordden: “Van de keizer.” Jezus zei tegen hen: “Geef dan aan de keizer wat van de keizer is, en aan God wat van God is.”
MAT 22:22 Toen ze dat hoorden, verwonderden ze zich. Ze lieten Hem met rust en vertrokken.
MAT 22:23 Dezelfde dag kwamen er sadduceeën naar Jezus toe. (Sadduceeën beweren dat er geen verrijzenis is.)
MAT 22:24 Ze vroegen: “Leraar, Mozes heeft gezegd dat als iemand sterft zonder kinderen na te laten, zijn broer met zijn weduwe moet trouwen en zo moet zorgen voor nakomelingen voor zijn gestorven broer.
MAT 22:25 Er waren bij ons zeven broers, en de eerste was getrouwd. Toen hij stierf zonder kinderen na te laten, trouwde zijn broer met de weduwe.
MAT 22:26 Zo verging het ook de tweede en de derde broer, tot en met de zevende.
MAT 22:27 Als laatste van allen stierf de vrouw.
MAT 22:28 Van wie van de zeven wordt zij de echtgenote bij de verrijzenis? Ze zijn alle zeven met haar getrouwd geweest!”
MAT 22:29 Jezus antwoordde: “Jullie zitten op een dwaalspoor, want jullie begrijpen noch de Schriften, noch Gods macht.
MAT 22:30 Bij de verrijzenis trouwen de mensen niet, maar zijn ze als engelen in de hemel.
MAT 22:31 En wat de verrijzenis van de doden betreft, hebben jullie niet gelezen wat God tegen jullie heeft gezegd?
MAT 22:32 Hij zei: ‘Ik ben de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob.’ Hij is niet de God van doden, maar van levenden.”
MAT 22:33 Toen de mensen dat hoorden, waren ze diep onder de indruk van Jezus' onderwijs.
MAT 22:34 De farizeeën hoorden dat Jezus de sadduceeën tot zwijgen had gebracht. Daarom gingen ze gezamenlijk naar Hem toe.
MAT 22:35 Een van hen, een Wetgeleerde, stelde Hem op de proef met de vraag:
MAT 22:36 “Leraar, welk gebod in de Wet is het belangrijkst?”
MAT 22:37 Jezus antwoordde: “Heb de Heer, je God, lief met heel je hart, met heel je ziel en met heel je verstand.
MAT 22:38 Dit is het allerbelangrijkste gebod.
MAT 22:39 En er is een tweede, even belangrijk gebod: Heb je naaste lief zoals je jezelf liefhebt.
MAT 22:40 De hele Wet en de Profeten zijn vervat in deze twee geboden.”
MAT 22:41 Terwijl de farizeeën om Hem heen stonden, vroeg Jezus hun:
MAT 22:42 “Wat denken jullie over de Messias? Van wie is Hij de Zoon?” Ze antwoordden: “Van David.”
MAT 22:43 Jezus zei tegen hen: “Hoe kan het dan dat David, aangestuurd door de Heilige Geest, Hem ‘Heer’ noemde? Hij zei immers:
MAT 22:44 ‘De Heer zei tegen mijn Heer: neem plaats aan mijn rechterzijde, totdat Ik je vijanden aan Je heb onderworpen.’
MAT 22:45 Dus als David Hem ‘Heer’ noemt, hoe kan Hij dan zijn zoon zijn?”
MAT 22:46 Niemand was in staat om Jezus een antwoord te geven en voortaan durfde niemand Hem nog vragen te stellen.
MAT 23:1 Daarna zei Jezus tegen de mensenmassa en tegen zijn leerlingen:
MAT 23:2 “Het zijn de Schriftgeleerden en de farizeeën die de Wet van Mozes onderwijzen.
MAT 23:3 Doe daarom alles wat ze zeggen dat jullie moeten doen en houd je daaraan. Maar gedraag je niet zoals zij, want ze leggen het wel uit, maar doen het zelf niet.
MAT 23:4 Ze bundelen zware, moeilijk te dragen lasten en leggen die de mensen op, maar steken zelf geen vinger uit om die lasten te helpen dragen.
MAT 23:5 Alles wat ze doen, doen ze om door de mensen gezien te worden. Ze maken hun gebedsriemen breed en de rituele kwasten aan hun kleren lang,
MAT 23:6 ze zijn gesteld op de ereplaatsen bij feestmalen en de beste plaatsen in synagogen,
MAT 23:7 en ze worden graag op de marktpleinen met respect begroet en door de mensen aangesproken met ‘rabbi’.
MAT 23:8 Maar jullie moeten je niet met ‘rabbi’ laten aanspreken. Er is er immers maar Eén die jullie Leraar is en jullie zijn allen broeders en zusters van elkaar.
MAT 23:9 Noem ook niemand op aarde jullie ‘vader’, want er is er maar Eén die jullie hemelse Vader is.
MAT 23:10 Laat je ook geen ‘leermeester’ noemen, want er is er maar Eén die jullie Leermeester is: de Messias.
MAT 23:11 De belangrijkste van jullie zal jullie dienaar zijn.
MAT 23:12 Wie zichzelf een eervolle plaats toebedeelt, zal een geringe plaats krijgen, en wie zichzelf een geringe plaats toebedeelt, zal een eervolle plaats krijgen.
MAT 23:13 Wee jullie, Schriftgeleerden en farizeeën! Hypocrieten! Jullie sluiten mensen buiten van Gods rijk en gaan het zelf niet binnen. En wie het wel binnengaat, proberen jullie tegen te houden.
MAT 23:15 Wee jullie, Schriftgeleerden en farizeeën! Hypocrieten! Jullie reizen over zee en land om één bekeerling te maken, en wanneer hij dat geworden is, maken jullie er iemand van die tweemaal zozeer de hel verdient als jullie.
MAT 23:16 Wee jullie blinde leraars, jullie die zeggen: ‘Wie zweert bij de tempel, is niet aan zijn eed gebonden, maar wie zweert bij het goud van de tempel, is dat wel.’
MAT 23:17 Blinde dwazen! Wat is belangrijker, het goud of de tempel die het goud heilig maakt?
MAT 23:18 Jullie zeggen ook: ‘Wie zweert bij het altaar is niet aan zijn eed gebonden, maar wie zweert bij het offer op het altaar, is dat wel.’
MAT 23:19 Blind zijn jullie! Wat is belangrijker, het offer of het altaar dat het offer heilig maakt?
MAT 23:20 Dus wie zweert bij het altaar, zweert daarbij en bij alles wat erop ligt.
MAT 23:21 En wie heeft gezworen bij de tempel, zweert daarbij en bij Hem die er verblijft.
MAT 23:22 En wie zweert bij de hemel, zweert bij Gods troon en bij Hem die erop zit.
MAT 23:23 Wee jullie, Schriftgeleerden en farizeeën! Hypocrieten! Jullie geven God een tiende deel van munt, dille en komijn, maar jullie negeren wat belangrijker is in de Wet: gerechtigheid, mededogen en geloof. Dat laatste moeten jullie nastreven zonder het eerste te verwaarlozen.
MAT 23:24 Blinde leiders! Een mug wordt door jullie uit de drank gezeefd, maar een kameel slikken jullie door!
MAT 23:25 Wee jullie, Schriftgeleerden en farizeeën! Hypocrieten! Jullie reinigen wel de buitenkant van de beker en de schotel, maar jullie vullen die met zelfzucht en gebrek aan zelfbeheersing.
MAT 23:26 Blinde farizeeër, zorg eerst dat de beker vanbinnen rein is; dan wordt hij ook vanbuiten rein.
MAT 23:27 Wee jullie, Schriftgeleerden en farizeeën! Hypocrieten! Jullie lijken op witgekalkte graven, die er vanbuiten mooi uitzien, maar vanbinnen zijn gevuld met doodsbeenderen en alles wat onrein is.
MAT 23:28 In de ogen van de mensen zien jullie er vanbuiten rechtvaardig uit, maar vanbinnen zitten jullie vol hypocrisie en slechtheid.
MAT 23:29 Wee jullie, Schriftgeleerden en farizeeën! Hypocrieten! Jullie bouwen graven voor de profeten en versieren de grafmonumenten van de rechtvaardigen,
MAT 23:30 en jullie zeggen: ‘Als wij in de tijd van onze voorouders hadden geleefd, dan zouden we niet met hen hebben meegewerkt aan het vergieten van het bloed van de profeten.’
MAT 23:31 Maar zo bevestigen jullie dat jullie de afstammelingen zijn van de moordenaars van de profeten!
MAT 23:32 Jullie zijn aan het voltooien wat jullie voorouders zijn begonnen!
MAT 23:33 Slangen, addergebroed, hoe denken jullie het Oordeel in de hel te ontlopen?
MAT 23:34 Het is daarom dat Ik profeten, wijzen en Schriftgeleerden naar jullie toe stuur. Jullie zullen sommigen van hen doden en kruisigen, terwijl jullie anderen van hen zullen geselen in jullie synagogen en van de ene stad naar de andere jagen.
MAT 23:35 Daardoor nemen jullie zelf alle schuld op je voor het bloed van rechtvaardige mensen dat op aarde is gevloeid, van het bloed van de rechtvaardige Abel tot het bloed van Zacharia de zoon van Berechja, die jullie hebben vermoord tussen de tempel en het altaar.
MAT 23:36 Ik verzeker jullie, dit alles zal jullie overkomen.
MAT 23:37 Jeruzalem, Jeruzalem, jij die de profeten doodt en stenigt wie naar jou toe gestuurd zijn! Ik heb zo vaak je inwoners willen bijeenbrengen, zoals een hen haar kuikens onder haar vleugels bijeenbrengt. Maar jullie wilden dat niet.
MAT 23:38 Jullie tempel zal binnenkort verlaten achterblijven.
MAT 23:39 Ik zeg jullie: jullie zullen Mij niet meer zien totdat jullie uitroepen: ‘Gezegend is Hij die komt in de naam van de Heer!’”
MAT 24:1 Toen Jezus het tempelterrein verliet, kwamen zijn leerlingen Hem onderweg tegemoet om Hem op de tempelgebouwen te wijzen.
MAT 24:2 Jezus reageerde: “Zien jullie dit alles? Ik verzeker jullie, hier zal geen enkele steen op de andere worden gelaten, het zal allemaal worden verwoest.”
MAT 24:3 Toen Jezus op de Olijfberg was gaan zitten, kwamen zijn leerlingen Hem vragen terwijl ze met Hem alleen waren: “Kunt U ons vertellen wanneer dat zal zijn en wat het teken zal zijn van uw komst en van het einde van de wereld?”
MAT 24:4 Jezus antwoordde: “Pas op dat niemand jullie misleidt,
MAT 24:5 want er zullen veel mensen komen die zich mijn naam toe-eigenen en zich voor de Messias uitgeven; zij zullen veel mensen misleiden.
MAT 24:6 Jullie zullen horen van oorlogen en oorlogsdreiging. Maak je dan niet ongerust; die dingen moeten gebeuren, maar het einde is dan nog niet aangebroken.
MAT 24:7 Volken en koninkrijken zullen namelijk tegen elkaar oorlog voeren, en op allerlei plaatsen zullen er hongersnoden en aardbevingen plaatsvinden.
MAT 24:8 Dit alles is het begin van de weeën.
MAT 24:9 Dan zullen jullie worden uitgeleverd om te worden gemarteld en men zal jullie doden. Jullie zullen door alle volken worden gehaat omwille van mijn naam.
MAT 24:10 Dan zullen veel mensen het geloof in Mij opgeven en elkaar verraden en haten.
MAT 24:11 Er zullen veel valse profeten opstaan en ze zullen veel mensen misleiden.
MAT 24:12 En omdat de wetteloosheid dan toeneemt, zal de liefde van veel mensen bekoelen.
MAT 24:13 Maar wie standhoudt tot het einde, zal worden gered.
MAT 24:14 Dit evangelie van Gods koninkrijk zal in de hele wereld worden verkondigd als een getuigenis voor alle volken en dan komt het einde.
MAT 24:15 Dus wanneer jullie de verwoestende gruwel waarover de profeet Daniël sprak, in het heiligdom zien staan – lezer, begrijp wat dit betekent! –
MAT 24:16 dan moeten de mensen in Judea de bergen invluchten.
MAT 24:17 Wie zich op het dakterras bevindt, moet niet naar beneden gaan om iets op te halen uit zijn huis.
MAT 24:18 En wie zich op het land bevindt, moet niet terugkeren om zijn mantel op te halen.
MAT 24:19 Het zal verschrikkelijk zijn voor vrouwen die in die periode zwanger zijn of borstvoeding geven.
MAT 24:20 Bid dat jullie vlucht niet plaatsvindt in de winter of op de sabbat,
MAT 24:21 want er zal dan groot leed zijn zoals er nog nooit is geweest, vanaf het begin van de wereld tot nu, en zoals er daarna nooit meer zal zijn.
MAT 24:22 Als die periode niet was ingekort, zou geen mens het overleven. In het belang van de uitverkorenen zal die periode echter worden ingekort.
MAT 24:23 Als iemand dan tegen jullie zegt: ‘Kijk, hier is de Messias!’, of: ‘Kijk, hier!’, geloof het dan niet.
MAT 24:24 Want er zullen valse messiassen en valse profeten opstaan, die tekenen en wonderen doen om zo mogelijk zelfs de uitverkorenen te misleiden.
MAT 24:25 Ik heb jullie gewaarschuwd.
MAT 24:26 Dus als men tegen jullie zegt: ‘Hij is daar in de wildernis’, ga er dan niet heen. Of: ‘Hij verstopt zich daarbinnen’, geloof het dan niet.
MAT 24:27 Want zoals de bliksem uit het oosten komt en helemaal in het westen wordt waargenomen, zo zal het zijn met de komst van de Mensenzoon.
MAT 24:28 Waar het kadaver ligt, daar verzamelen zich de gieren.
MAT 24:29 Onmiddellijk na het leed van die periode zal de zon verduisteren en de maan geen licht geven, zullen de sterren uit de lucht vallen en de hemellichamen uit koers raken.
MAT 24:30 Dan zal het teken van de Mensenzoon in de hemel verschijnen. Dan zullen alle volken op aarde rouwen en ze zullen de Mensenzoon op de wolken zien komen, met macht en grote hemelse pracht.
MAT 24:31 Hij zal zijn engelen eropuit sturen met luid trompetgeschal en zij zullen zijn uitverkorenen samenbrengen vanuit de vier windstreken, uit alle uithoeken van de wereld.
MAT 24:32 Leer daarom van de volgende vergelijking met de vijgenboom: zodra zijn takken uitlopen en de bladeren verschijnen, weet je dat het bijna zomer is.
MAT 24:33 Op dezelfde manier kunnen jullie, wanneer je dit alles ziet gebeuren, weten dat het voor de deur staat.
MAT 24:34 Ik verzeker jullie, dit volk zal niet vergaan voordat dit alles gebeurt.
MAT 24:35 De hemel en de aarde zullen vergaan, maar mijn woorden zullen nooit vergaan.
MAT 24:36 Maar op welke dag en welk tijdstip dat zal gebeuren weet niemand; zelfs de engelen in de hemel niet, ook de Zoon niet, maar alleen de Vader.
MAT 24:37 Met de komst van de Mensenzoon zal het zijn als in de tijd van Noach.
MAT 24:38 In de tijd voor de zondvloed gingen de mensen door met eten, drinken en trouwen tot de dag dat Noach de ark binnenging.
MAT 24:39 Ze beseften niet wat er ging gebeuren, totdat de zondvloed kwam en iedereen wegvaagde. Zo zal het ook zijn met de komst van de Mensenzoon.
MAT 24:40 Dan zullen twee mannen op het veld bezig zijn, van wie de ene wordt weggenomen en de andere achtergelaten.
MAT 24:41 Van twee vrouwen die dan bij de molen aan het malen zijn, wordt de ene weggenomen en de andere achtergelaten.
MAT 24:42 Wees dus waakzaam, want jullie weten niet op welke dag je Heer komt.
MAT 24:43 Dit moeten jullie weten: als de huiseigenaar zou weten in welk deel van de nacht de dief komt, zou hij waakzaam zijn en niet in zijn huis laten inbreken.
MAT 24:44 Ook jullie moeten dus voorbereid zijn, want de Mensenzoon komt op een onverwacht tijdstip.
MAT 24:45 Wie is de trouwe en verstandige dienaar die door zijn heer over zijn huispersoneel is aangesteld om hun op tijd te eten te geven?
MAT 24:46 De dienaar die door zijn heer bij diens thuiskomst aan het werk wordt aangetroffen, is gezegend.
MAT 24:47 Ik verzeker jullie dat hij hem over al zijn bezittingen zal aanstellen.
MAT 24:48 Maar als de dienaar slecht is en denkt: ‘Mijn heer komt nog lang niet’,
MAT 24:49 en hij begint zijn mededienaren te mishandelen en met de dronkenlappen te eten en drinken,
MAT 24:50 dan zal de heer van die dienaar komen op een dag dat hij het niet verwacht en op een tijdstip dat hij niet kent.
MAT 24:51 De heer zal hem zeer zwaar straffen en hij zal terechtkomen bij de hypocrieten, waar zal worden geweend en met de tanden geknarst.
MAT 25:1 Dan zal het met Gods rijk zijn als met tien bruidsmeisjes die met hun olielamp naar de plaats gingen waar ze de bruidegom zouden opwachten.
MAT 25:2 Vijf van hen waren dwaas, vijf waren verstandig.
MAT 25:3 De dwaze meisjes namen wel hun lamp maar geen olie mee,
MAT 25:4 maar de verstandige meisjes namen naast hun lamp ook een kruikje olie mee.
MAT 25:5 Toen de bruidegom uitbleef, werden alle meisjes slaperig en ze vielen in slaap.
MAT 25:6 Midden in de nacht werd er geroepen: ‘Daar is de bruidegom! Ga hem tegemoet!’
MAT 25:7 Toen stonden al die meisjes op en maakten ze hun lamp in orde.
MAT 25:8 De dwaze meisjes zeiden tegen de verstandige: ‘Geef ons wat van jullie olie, want onze lampen zijn aan het uitdoven.’
MAT 25:9 De verstandige bruidsmeisjes antwoordden: ‘Dat kan niet, want er is niet voldoende olie voor ons en jullie. Ga maar naar de handelaars om olie voor jezelf te kopen.’
MAT 25:10 Maar toen ze weggingen om olie te kopen, arriveerde de bruidegom. De meisjes die voorbereid waren, gingen met hem mee naar het feest. Toen werd de deur gesloten.
MAT 25:11 Later kwamen ook de andere meisjes. Ze riepen: ‘Meneer, meneer, doe voor ons open!’
MAT 25:12 De bruidegom antwoordde: ‘Ik verzeker jullie, ik ken jullie niet.’
MAT 25:13 Wees dus waakzaam, want jullie kennen de dag of het tijdstip niet.
MAT 25:14 Het is als met iemand die op reis ging en zijn dienaren bij zich riep om de zorg voor zijn bezittingen aan hen over te dragen.
MAT 25:15 Aan de één gaf hij vijf zakken goud, aan de ander twee, aan een derde één, afhankelijk van hun bekwaamheid, en hij ging op reis.
MAT 25:16 De dienaar die vijf zakken goud had ontvangen, ging er onmiddellijk mee aan de slag en verdiende er vijf bij.
MAT 25:17 Zo ging het ook met de dienaar die er twee had: hij verdiende er twee bij.
MAT 25:18 Maar de dienaar die er één had ontvangen, ging naar buiten en groef een gat in de grond om het geld van zijn heer te verbergen.
MAT 25:19 Na lange tijd kwam de heer van die dienaren terug en moesten ze verantwoording aan hem afleggen.
MAT 25:20 De dienaar die vijf zakken goud had ontvangen, kwam bij zijn heer, bracht hem er nog vijf en zei: ‘Heer, u had mij vijf zakken goud gegeven, ik heb er vijf bijverdiend.’
MAT 25:21 Zijn heer zei tegen hem: ‘Goed gedaan, goede en trouwe dienaar! Je bent betrouwbaar geweest met weinig, ik zal je aanstellen over veel. Je mag deelnemen aan het feest van je heer.’
MAT 25:22 De dienaar die twee zakken goud had ontvangen, kwam ook bij zijn heer, en zei: ‘Heer, u had mij twee zakken goud gegeven. Kijk, ik heb er twee bijverdiend.’
MAT 25:23 Zijn heer zei tegen hem: ‘Goed gedaan, goede en trouwe dienaar! Je bent betrouwbaar geweest met weinig, ik zal je aanstellen over veel. Je mag deelnemen aan het feest van je heer.’
MAT 25:24 Toen kwam ook de dienaar die één zak goud had ontvangen bij zijn heer en zei: ‘Heer, ik wist dat u een streng mens bent, die oogst waar hij niet heeft gezaaid en verzamelt waar hij niet heeft geplant.
MAT 25:25 Ik was bang en heb uw zak goud verborgen in een gat in de grond. Alstublieft, dit is van u.’
MAT 25:26 Zijn heer zei tegen hem: ‘Jij slechte, luie dienaar! Je wist dus dat ik oogst waar ik niet heb gezaaid en verzamel waar ik niet heb geplant?
MAT 25:27 Dan had je mijn geld bij de bankiers in bewaring moeten geven, zodat ik na mijn terugkomst mijn geld had kunnen terugkrijgen met rente.
MAT 25:28 Neem hem dus die zak goud af en geef ze aan degene die de tien zakken heeft.
MAT 25:29 Want aan ieder die heeft, zal nog meer worden gegeven, zodat hij overvloed zal hebben. Maar van wie niets heeft, zal zelfs hetgeen hij heeft worden afgenomen.
MAT 25:30 En gooi de nutteloze dienaar buiten, de uiterste duisternis in; daar zal worden geweend en met de tanden geknarst.’
MAT 25:31 Wanneer de Mensenzoon komt, gehuld in zijn hemelse pracht en vergezeld van alle engelen, zal Hij plaatsnemen op zijn koninklijke troon.
MAT 25:32 Alle volken zullen vóór Hem worden bijeengebracht en Hij zal de mensen van elkaar scheiden zoals de herder de schapen en de geiten van elkaar scheidt:
MAT 25:33 Hij zal de ‘schapen’ aan zijn rechterzijde opstellen en de ‘geiten’ aan zijn linkerzijde.
MAT 25:34 Dan zal de Koning tegen de mensen aan zijn rechterzijde zeggen: ‘Kom maar! Jullie zijn gezegend door mijn Vader, jullie krijgen deel aan het koninkrijk dat vanaf de schepping van de wereld voor jullie is gereedgemaakt.
MAT 25:35 Want Ik had honger en jullie gaven Mij te eten, Ik had dorst en jullie gaven Mij te drinken, Ik was een vreemde en jullie verwelkomden Mij,
MAT 25:36 Ik was naakt en jullie gaven Mij kleren, Ik was ziek en jullie verzorgden Mij, Ik zat gevangen en jullie kwamen Mij bezoeken.’
MAT 25:37 Dan zullen de rechtvaardige mensen Hem vragen: ‘Heer, wanneer hebben wij U hongerig gezien en gaven wij U te eten, of dorstig en gaven wij U te drinken?
MAT 25:38 En wanneer zagen wij U als vreemdeling en verwelkomden wij U, of naakt en gaven wij U kleren?
MAT 25:39 Wanneer zagen wij dat U ziek was of gevangen zat en kwamen wij U bezoeken?’
MAT 25:40 Dan zal de Koning tegen hen zeggen: ‘Ik verzeker jullie, voor zover jullie dit hebben gedaan voor een van de geringsten van mijn broeders en zusters, hebben jullie het voor Mij gedaan.’
MAT 25:41 Dan zal Hij tegen de mensen aan zijn linkerzijde zeggen: ‘Ga weg, bij Mij vandaan, jullie vervloekten, naar het eeuwig vuur dat is gereedgemaakt voor de duivel en zijn engelen!
MAT 25:42 Want Ik had honger en jullie gaven Mij niet te eten, Ik had dorst en jullie gaven Mij niet te drinken,
MAT 25:43 Ik was een vreemde en jullie verwelkomden Mij niet, naakt en jullie gaven Mij geen kleren, ziek en gevangen en jullie kwamen Mij niet bezoeken!’
MAT 25:44 Dan zullen ook zij Hem vragen: ‘Heer, wanneer hebben wij U hongerig gezien, of dorstig, of als vreemdeling, of naakt, of ziek, of gevangen, en hebben wij U niet geholpen?’
MAT 25:45 Dan zal Hij tegen hen zeggen: ‘Ik verzeker jullie, voor zover jullie dit niet hebben gedaan voor een van deze geringsten, hebben jullie het ook niet voor Mij gedaan.’
MAT 25:46 En dan gaan zij de eeuwige straf tegemoet, maar de rechtvaardigen gaan naar het eeuwig leven.”
MAT 26:1 Nadat Jezus al deze dingen had gezegd, zei Hij tegen zijn leerlingen:
MAT 26:2 “Zoals jullie weten, is het over twee dagen Pesach. Dan zal de Mensenzoon worden uitgeleverd om te worden gekruisigd.”
MAT 26:3 Toen kwamen de hoofdpriesters en de volksoudsten bijeen in de ambtswoning van hogepriester Kajafas.
MAT 26:4 Ze spanden samen om Jezus met een list op te pakken en te doden.
MAT 26:5 “Maar niet tijdens het feest,” zeiden ze, “anders komt het volk in opstand.”
MAT 26:6 Toen Jezus in Betanië was, in het huis van Simon de Melaatse,
MAT 26:7 kwam er een vrouw naar Hem toe met een albasten flesje dure olie, die ze over zijn hoofd uitgoot terwijl Hij aan de maaltijd deelnam.
MAT 26:8 Zijn leerlingen zagen het en zeiden verontwaardigd: “Waarom die verspilling?
MAT 26:9 De olie had voor veel geld kunnen worden verkocht en de opbrengst had aan de armen kunnen worden gegeven.”
MAT 26:10 Jezus was zich ervan bewust en zei tegen hen: “Waarom vallen jullie die vrouw lastig? Ze heeft iets goeds voor Mij gedaan.
MAT 26:11 Er zullen altijd wel arme mensen bij jullie zijn, maar Ik zal niet altijd bij jullie zijn.
MAT 26:12 Door deze olie over mijn lichaam uit te gieten, heeft zij Mij gezalfd ter voorbereiding op mijn begrafenis.
MAT 26:13 Ik verzeker jullie, overal in de wereld waar het evangelie zal worden verkondigd, zal ter herinnering aan haar worden verteld wat zij heeft gedaan.”
MAT 26:14 Toen ging een van de Twaalf, namelijk Judas Iskariot, naar de hoofdpriesters
MAT 26:15 en vroeg: “Wat zijn jullie bereid mij te geven als ik Jezus aan jullie uitlever?” Zij telden dertig zilverstukken voor hem uit.
MAT 26:16 Vanaf toen zocht Judas naar een gelegenheid om Jezus uit te leveren.
MAT 26:17 Op de eerste dag van het Feest van de Ongedesemde Broden kwamen Jezus' leerlingen Hem vragen: “Waar wilt U dat we de Pesachmaaltijd klaarmaken?”
MAT 26:18 Jezus zei: “Ga de stad in, naar die en die persoon, en zeg tegen hem: ‘De Leraar zegt: Mijn tijd is bijna gekomen. Bij jou thuis zal Ik met mijn leerlingen de Pesachmaaltijd eten.’”
MAT 26:19 De leerlingen deden wat Hij hun had opgedragen: ze maakten de Pesachmaaltijd klaar.
MAT 26:20 Die avond nam Jezus aan tafel plaats met de Twaalf.
MAT 26:21 Tijdens het eten zei Jezus: “Ik verzeker jullie, een van jullie zal Mij verraden.”
MAT 26:22 Daar werden ze heel bedroefd van en ze vroegen Hem, de een na de ander: “Ik ben het toch niet, Heer?”
MAT 26:23 Jezus antwoordde: “Hij die samen met Mij het stuk brood in zijn hand in de schaal met eten doopt, Hij is het die Mij zal verraden.
MAT 26:24 De Mensenzoon zal heengaan, precies zoals over Hem in de Schriften staat, maar wee degene door wie de Mensenzoon wordt verraden. Voor die persoon zou het beter zijn geweest als hij niet was geboren.”
MAT 26:25 Judas, zijn verrader, reageerde: “Ik ben het toch niet, Rabbi?” Jezus zei tegen hem: “Jij hebt het gezegd.”
MAT 26:26 Tijdens de maaltijd nam Jezus een brood, sprak een zegengebed uit, brak het in stukken, verdeelde die onder zijn leerlingen en zei: “Neem dit aan en eet het, dit is mijn lichaam.”
MAT 26:27 Ook nam Hij een beker, sprak een dankgebed uit en reikte hen de beker aan, terwijl Hij zei: “Drink er allen uit.
MAT 26:28 Dit is mijn bloed, het bloed van het verbond, dat voor veel mensen wordt vergoten, voor de vergeving van hun zonden.
MAT 26:29 Ik zeg jullie, vanaf nu zal Ik niet meer van deze vrucht van de druivelaar drinken tot de dag waarop Ik nieuwe wijn met jullie drink in het koninkrijk van mijn Vader.”
MAT 26:30 Na het zingen van een danklied vertrokken ze naar de Olijfberg.
MAT 26:31 Toen zei Jezus tegen zijn leerlingen: “Omwille van wat er met Mij gaat gebeuren, zullen jullie allen Mij vannacht in de steek laten, want in de Schriften staat: ‘Ik zal de herder doodslaan, en de schapen van de kudde zullen worden uiteengedreven.’
MAT 26:32 Maar nadat Ik ben verrezen, zal Ik voor jullie uit naar Galilea gaan.”
MAT 26:33 Petrus reageerde: “Al zou iedereen U in de steek laten, ik zal U nooit in de steek laten!”
MAT 26:34 Jezus zei tegen hem: “Ik verzeker je, vannacht nog, voordat de haan kraait, zal jij Mij driemaal verloochenen.”
MAT 26:35 Petrus antwoordde: “Al zou ik samen met U moeten sterven, ik zal U nooit verloochenen.” De andere leerlingen zeiden hetzelfde.
MAT 26:36 Toen kwam Jezus met hen bij een plaats die Getsemane wordt genoemd. Hij zei tegen zijn leerlingen: “Gaan jullie hier zitten terwijl Ik verderop ga bidden.”
MAT 26:37 Jezus nam Petrus en de twee zonen van Zebedeüs met zich mee en begon bedroefd en onrustig te worden.
MAT 26:38 Hij zei tegen hen: “Ik ben diep, zelfs dodelijk, bedroefd. Blijf hier samen met Mij waken.”
MAT 26:39 Hij stapte iets verder, liet zich voorover vallen en bad: “Mijn Vader, als het mogelijk is, laat deze beker dan aan Mij voorbijgaan; laat echter niet gebeuren wat Ik wil, maar wat U wil.”
MAT 26:40 Toen Hij bij zijn leerlingen terugkwam, trof Hij hen slapend aan. Hij zei tegen Petrus: “Konden jullie niet eens een uur lang samen met Mij waken?
MAT 26:41 Waak en bid, opdat jullie niet in verzoeking komen, want de geest is wel bereidwillig maar het lichaam is zwak.”
MAT 26:42 Hij ging nogmaals weg, voor de tweede keer, en bad: “Mijn Vader, als het niet mogelijk is dat dit voorbij gaat tenzij Ik drink, laat dan gebeuren wat U wil.”
MAT 26:43 Toen Hij weer bij zijn leerlingen terugkwam, trof Hij hen nogmaals slapend aan, want ze konden hun ogen niet openhouden.
MAT 26:44 Hij ging opnieuw weg en bad iets verderop dezelfde woorden, voor de derde keer.
MAT 26:45 Daarna kwam Hij bij zijn leerlingen terug en zei Hij: “Zijn jullie nog altijd aan het slapen en rusten? Het tijdstip waarop de Mensenzoon aan de zondaars wordt uitgeleverd, is bijna aangebroken.
MAT 26:46 Sta op, laten we vertrekken; mijn verrader is bijna hier.”
MAT 26:47 Terwijl Hij nog sprak, kwam Judas, een van de Twaalf, vergezeld van een grote menigte met zwaarden en knuppels, gestuurd door de hoofdpriesters en oudsten van het volk.
MAT 26:48 Jezus' verrader had een teken met hen afgesproken: “Het is degene die ik met een kus begroet; Hem moeten jullie arresteren.”
MAT 26:49 Hij stapte recht op Jezus af, zei “Gegroet, Rabbi!” en gaf Hem een kus.
MAT 26:50 Jezus zei tegen hem: “Vriend, doe waarvoor je gekomen bent.” Toen kwamen ze naar Jezus toe, en ze grepen en arresteerden Hem.
MAT 26:51 Een van de mensen bij Jezus strekte ineens zijn hand uit, trok zijn zwaard, viel de dienaar van de hogepriester aan en hakte zijn oor af.
MAT 26:52 Maar Jezus zei tegen hem: “Steek je zwaard terug op zijn plaats, want ieder die naar het zwaard grijpt, zal door het zwaard omkomen.
MAT 26:53 Denk je niet dat Ik mijn Vader te hulp zou kunnen roepen en dat Hij Mij dan meteen twaalf legioenen engelen zou sturen?
MAT 26:54 Maar hoe zou dan in vervulling gaan wat in de Schriften staat, namelijk dat dit moet gebeuren?”
MAT 26:55 Op dat moment zei Jezus tegen de mensen: “Zijn jullie Mij hier als een misdadiger met zwaarden en knuppels komen arresteren? Ik zat toch elke dag bij jullie op het tempelterrein te onderwijzen? Toen hebben jullie Mij niet opgepakt.
MAT 26:56 Maar dit alles is gebeurd opdat in vervulling zou gaan wat de profeten hebben geschreven.” Toen lieten al zijn leerlingen Hem in de steek; ze vluchtten weg.
MAT 26:57 Zij die Jezus hadden gearresteerd, leidden Hem weg naar Kajafas, de hogepriester, waar de Schriftgeleerden en de oudsten waren bijeengekomen.
MAT 26:58 Petrus volgde Hem op een afstand, tot op de binnenplaats van het huis van de hogepriester. Eenmaal binnen ging hij bij de bewakers zitten om te kijken wat er zou gebeuren.
MAT 26:59 De hoofdpriesters en de hele Joodse raad zochten naar een valse getuigenverklaring tegen Jezus, zodat ze Hem zouden kunnen ombrengen.
MAT 26:60 Dat lukte niet, hoewel er veel valse getuigen naar voren kwamen. Uiteindelijk kwamen twee mensen naar voren,
MAT 26:61 die zeiden: “Deze man heeft gezegd: ‘Ik kan Gods tempel verwoesten en in drie dagen herbouwen.’”
MAT 26:62 Toen stond de hogepriester op en vroeg aan Jezus: “Hebt U geen antwoord op de verklaring van deze getuigen tegen U?”
MAT 26:63 Jezus zweeg. De hogepriester zei tegen Hem: “Ik bezweer U bij de levende God, zeg ons of U de Messias bent, de Zoon van God!”
MAT 26:64 Jezus zei tegen hem: “U hebt het gezegd. Maar Ik zeg u, vanaf nu zal u de Mensenzoon aan de rechterzijde van de Machtige zien zitten, en u zal Hem zien komen op de wolken.”
MAT 26:65 Toen maakte de hogepriester een scheur in zijn mantel en zei hij: “Hij heeft God gelasterd. Waarom hebben we nog getuigen nodig? U heeft de godslastering nu toch gehoord?
MAT 26:66 Wat is uw oordeel?” Ze antwoordden: “Hij verdient de dood!”
MAT 26:67 Toen spuwden ze Hem in het gezicht en gaven ze Hem vuistslagen. Sommigen sloegen Hem
MAT 26:68 en riepen dan: “Profeteer voor ons, Messias, wie is het die U heeft geslagen?”
MAT 26:69 Intussen zat Petrus buiten op de binnenplaats. Er kwam een dienstmeisje naar hem toe. Ze zei: “U was ook bij Jezus de Galileeër.”
MAT 26:70 Petrus ontkende het tegenover hen allen. “Ik weet niet waarover je het hebt”, zei hij.
MAT 26:71 Terwijl hij naar de buitenpoort stapte, werd hij opgemerkt door een ander dienstmeisje. Zij zei tegen de mensen daar: “Die man was bij Jezus van Nazaret.”
MAT 26:72 Petrus ontkende het opnieuw door te zweren: “Ik ken die Man niet.”
MAT 26:73 Iets later kwamen de omstaanders naar Petrus toe en zeiden: “Jij bent toch echt een van hen, want je accent verraadt je.”
MAT 26:74 Toen begon Petrus vloeken over zichzelf af te roepen en te zweren: “Ik ken die Man niet.” Meteen kraaide er een haan.
MAT 26:75 Toen herinnerde Petrus zich wat Jezus had gezegd: “Voordat de haan kraait, zal jij Mij driemaal verloochenen.” Hij ging naar buiten en weende bitter.
MAT 27:1 Toen het ochtend werd, smeedden alle hoofdpriesters en volksoudsten tezamen een plan om Jezus om te brengen.
MAT 27:2 Ze leidden Hem gebonden weg en leverden Hem over aan Pilatus, de gouverneur.
MAT 27:3 Toen Judas, Jezus' verrader, zag dat Hij was veroordeeld, kreeg hij wroeging en bracht hij de dertig zilverstukken naar de hoofdpriesters en oudsten terug.
MAT 27:4 Hij zei: “Ik heb gezondigd door een onschuldige te verraden.” Maar zij zeiden: “Wat gaat ons dat aan? Zie zelf maar.”
MAT 27:5 Judas gooide de zilverstukken de tempel in, vertrok en hing zich op.
MAT 27:6 Toen de hoofdpriesters de zilverstukken opraapten, zeiden ze: “Dit mogen we niet bij de tempelschatten bewaren, want het is bloedgeld.”
MAT 27:7 Daarom kwamen ze tot het gezamenlijke besluit, met de zilverstukken de akker van de pottenbakker te kopen en als begraafplaats voor vreemdelingen te gebruiken.
MAT 27:8 Daarom wordt die akker tot op vandaag de Bloedakker genoemd.
MAT 27:9 Zo ging in vervulling wat de profeet Jeremia had voorspeld: “Ze namen de dertig zilverstukken, de prijs die door de Israëlieten was bepaald,
MAT 27:10 en ze betaalden dat voor de akker van de pottenbakker, zoals de Heer mij had opgedragen.”
MAT 27:11 Inmiddels stond Jezus voor de gouverneur. De gouverneur vroeg Hem: “Bent U de koning van de Joden?” Jezus antwoordde: “U zegt het zelf.”
MAT 27:12 De hoofdpriesters en oudsten brachten hun beschuldigingen tegen Hem in, maar Jezus reageerde niet.
MAT 27:13 Toen vroeg Pilatus Hem: “Hoort U niet hoeveel verklaringen tegen U worden afgelegd?”
MAT 27:14 Jezus ging echter op geen enkele beschuldiging in, wat de gouverneur sterk verwonderde.
MAT 27:15 Nu was het de gewoonte van de gouverneur om tijdens het feest een gevangene vrij te laten die door de menigte werd gekozen.
MAT 27:16 Er was dit keer een beruchte gevangene die Jezus Barabbas heette.
MAT 27:17 Daarom vroeg Pilatus aan de mensen die waren samengestroomd: “Wie willen jullie dat ik vrijlaat, Jezus Barabbas of Jezus die de Messias wordt genoemd?”
MAT 27:18 Hij wist namelijk dat ze Hem hadden uitgeleverd uit afgunst.
MAT 27:19 Terwijl hij nog op de rechterstoel zat, liet zijn vrouw hem berichten: “Zorg dat je die rechtvaardige man niets aandoet, want ik ben erg ontdaan door een droom die ik vannacht over Hem heb gehad.”
MAT 27:20 Maar de hoofdpriesters en de oudsten overreedden de mensenmassa om Barabbas op te eisen en Jezus te laten ombrengen.
MAT 27:21 De gouverneur vroeg nogmaals: “Wie van de twee willen jullie dat ik vrijlaat?” Ze antwoordden: “Barabbas!”
MAT 27:22 Pilatus vroeg hen: “Wat willen jullie dat ik doe met Jezus die de Messias wordt genoemd?” Iedereen riep: “Hij moet gekruisigd worden!”
MAT 27:23 Pilatus vroeg: “Wat heeft Hij dan misdaan?” Nu riep men nog luider: “Hij moet gekruisigd worden!”
MAT 27:24 Pilatus zag dat hij niets bereikte maar dat er een rel ontstond. Hij liet water halen, waste in het bijzijn van de menigte zijn handen, en zei: “Ik ben niet verantwoordelijk voor de dood van deze man. Zie zelf maar.”
MAT 27:25 Het hele volk antwoordde: “Wij en onze kinderen nemen de verantwoordelijkheid voor zijn dood op ons!”
MAT 27:26 Toen liet Pilatus Barabbas vrij, maar Jezus liet hij geselen en vervolgens wegleiden om te worden gekruisigd.
MAT 27:27 De soldaten van de gouverneur leidden Jezus het hoofdkwartier binnen en de gehele legerafdeling kwam om Hem heen staan.
MAT 27:28 Ze trokken Hem de kleren uit en deden Hem een felrode mantel om.
MAT 27:29 Ze vlochten een kroon van doorntakken die ze op zijn hoofd zetten, staken een rieten stok in zijn rechterhand, knielden voor Hem en dreven de spot met Hem door te roepen: “Gegroet, koning van de Joden!”
MAT 27:30 Ze spuwden naar Hem, namen Hem de rietstok af en sloegen ermee op zijn hoofd.
MAT 27:31 Nadat ze zo de spot met Hem hadden gedreven, trokken ze Hem de mantel uit en deden Hem zijn eigen kleren weer aan. Vervolgens leidden ze Hem weg om Hem te kruisigen.
MAT 27:32 Toen ze de stad uitgingen, troffen ze een man uit Cyrene aan, die Simon heette. Hem dwongen ze Jezus' kruis te dragen.
MAT 27:33 Toen ze bij de plaats kwamen die Golgota heet, wat “Schedelplaats” betekent,
MAT 27:34 gaven ze Hem met gal gemengde wijn te drinken. Maar na ervan geproefd te hebben, wilde Hij het niet opdrinken.
MAT 27:35 Nadat ze Hem daar hadden gekruisigd en zijn kleren door middel van verloting hadden verdeeld,
MAT 27:36 gingen ze zitten om Hem te bewaken.
MAT 27:37 Boven zijn hoofd plaatsten ze een bordje met de aanklacht tegen Hem: “Dit is Jezus, de koning van de Joden.”
MAT 27:38 Samen met Hem werden ook twee misdadigers gekruisigd, één rechts en één links van Hem.
MAT 27:39 De voorbijgangers beledigden Hem door hoofdschuddend
MAT 27:40 te roepen: “Jij die de tempel verwoest en binnen drie dagen herbouwt! Red Jezelf als Jij de Zoon van God bent; kom van het kruis af!”
MAT 27:41 Precies zo bespotten ook de hoofdpriesters Hem, samen met de Schriftgeleerden en de oudsten. Ze riepen:
MAT 27:42 “Anderen heeft Hij gered, maar zichzelf redden kan Hij niet. Als Hij de koning van Israël is, laat Hij dan nu van het kruis afkomen; dan zullen we in Hem geloven.
MAT 27:43 Hij vertrouwt op God, laat Die Hem redden als Hij daartoe bereid is. Hij heeft immers gezegd: ‘Ik ben de Zoon van God.’”
MAT 27:44 Ook de misdadigers die samen met Jezus waren gekruisigd, bespotten Hem op die manier.
MAT 27:45 Vanaf twaalf uur 's middags werd het donker in het hele land, tot drie uur.
MAT 27:46 Rond drie uur 's middags riep Jezus luid: “Eli, Eli, lama sabachtani?” Dat betekent: Mijn God, mijn God, waarom heeft U Mij verlaten?
MAT 27:47 Sommige mensen die daar stonden, hoorden het en zeiden: “Die Man roept Elia.”
MAT 27:48 Meteen haalde een van hen haastig een spons, vulde die met zure wijn, stak hem op een stok en gaf Jezus zo te drinken.
MAT 27:49 Maar de anderen zeiden: “Wacht, laten we kijken of Elia Hem komt redden.”
MAT 27:50 Nadat Jezus nogmaals luid had geroepen, stierf Hij.
MAT 27:51 Op dat moment scheurde het tempelgordijn van boven naar beneden in tweeën. De aarde beefde, de rotsen spleten,
MAT 27:52 en de graven gingen open. Veel lichamen van overleden mensen die bij God hoorden, kwamen tot leven.
MAT 27:53 Ze kwamen uit hun graven, en nadat Jezus was verrezen, gingen ze de heilige stad in, waar ze door veel mensen zijn gezien.
MAT 27:54 Tijdens de aardbeving waren de centurio en zijn mannen Jezus aan het bewaken. Toen ze zagen wat er gebeurde, werden ze verschrikkelijk bang. Ze zeiden: “Deze man was werkelijk de Zoon van God!”
MAT 27:55 Er waren veel vrouwen die vanop een afstand toekeken. Zij waren Jezus gevolgd vanuit Galilea en hadden Hem gediend.
MAT 27:56 Onder hen bevonden zich Maria van Magdala, Maria de moeder van Jakobus en Jozef, en de moeder van de zonen van Zebedeüs.
MAT 27:57 Het werd avond. Een rijk man uit Arimatea die Jozef heette en een volgeling van Jezus was geworden,
MAT 27:58 ging naar Pilatus en vroeg om het lichaam van Jezus. Pilatus gaf opdracht het hem te geven.
MAT 27:59 Jozef nam het lichaam, wikkelde het in schoon linnen
MAT 27:60 en legde het in zijn nieuwe graf, dat hij in de rots had laten uithouwen. Hij rolde een grote steen voor de ingang van het graf en vertrok.
MAT 27:61 Maria van Magdala en de andere Maria waren daar; ze zaten tegenover het graf.
MAT 27:62 De volgende dag, dus de dag na Voorbereidingsdag, gingen de hoofdpriesters en de farizeeën gezamenlijk naar Pilatus.
MAT 27:63 Ze zeiden: “Meneer de gouverneur, wij herinneren ons dat die bedrieger, toen Hij nog leefde, heeft gezegd: ‘Na drie dagen zal Ik verrijzen.’
MAT 27:64 Wilt u daarom het bevel geven om het graf te bewaken tot de derde dag? Anders kunnen zijn leerlingen erheen gaan, het lichaam stelen en tegen het volk zeggen: ‘Hij is uit de dood verrezen.’ En dan is het laatste bedrog erger dan het eerste.”
MAT 27:65 Pilatus zei tegen hen: “Ik geef jullie een wacht soldaten; ga het graf bewaken naar best vermogen.”
MAT 27:66 Ze gingen met de wacht soldaten naar het graf om dat te bewaken, en ze verzegelden de steen.
MAT 28:1 Na de sabbat, toen het ochtend werd op de eerste dag van de week, gingen Maria van Magdala en de andere Maria naar het graf kijken.
MAT 28:2 Plots vond er een zware aardbeving plaats. Een engel van de Heer daalde uit de hemel neer, ging naar het graf, rolde de steen weg en ging erop zitten.
MAT 28:3 Hij zag eruit als de bliksem en zijn kledij was sneeuwwit.
MAT 28:4 De mannen die het graf bewaakten, beefden van angst en vielen voor dood neer.
MAT 28:5 Maar de engel sprak de vrouwen als volgt toe: “Wees niet bang, ik weet dat jullie Jezus zoeken, die was gekruisigd.
MAT 28:6 Hij is hier niet; Hij is verrezen, zoals Hij had gezegd. Kom maar kijken waar Hij heeft gelegen.
MAT 28:7 En ga dan snel aan zijn leerlingen vertellen: ‘Hij is uit de dood verrezen. Hij gaat voor jullie uit naar Galilea en daar zullen jullie Hem zien.’ Dat is mijn boodschap voor jullie.”
MAT 28:8 Snel verlieten de vrouwen het graf, angstig maar ook bijzonder verheugd. Ze haastten zich naar Jezus' leerlingen om verslag uit te brengen.
MAT 28:9 Plots kwam Jezus naar hen toe. Hij zei: “Gegroet!” Ze kwamen dichterbij, grepen zijn voeten vast en aanbaden Hem.
MAT 28:10 Toen zei Jezus tegen hen: “Wees maar niet bang. Ga mijn mensen vertellen dat ze naar Galilea moeten gaan; daar zullen ze Mij zien.”
MAT 28:11 Terwijl de vrouwen onderweg waren, gingen enkele van de soldaten die het graf hadden bewaakt naar de stad, waar ze verslag aan de hoofdpriesters uitbrachten van alles wat er gebeurd was.
MAT 28:12 De hoofdpriesters kwamen bijeen met de oudsten en beraamden samen met hen het plan om een grote som geld aan de soldaten te geven
MAT 28:13 en hun te vertellen: “Jullie moeten zeggen: ‘Zijn leerlingen zijn Hem 's nachts komen stelen terwijl wij sliepen.’
MAT 28:14 En als de gouverneur hiervan hoort, zullen wij hem overreden, zodat jullie je geen zorgen hoeven te maken.”
MAT 28:15 De soldaten aanvaardden het geld en deden wat hun was opgedragen. Dit verhaal is tot op vandaag onder de Joodse mensen verspreid.
MAT 28:16 De elf leerlingen van Jezus gingen naar Galilea, naar de berg waarvan Hij had gezegd dat ze daarnaartoe moesten gaan.
MAT 28:17 Toen ze Hem zagen, aanbaden ze Hem, hoewel sommigen twijfelden.
MAT 28:18 Jezus kwam dichterbij en zei tegen hen: “Alle gezag in de hemel en op aarde is aan Mij gegeven.
MAT 28:19 Ga daarom op weg en maak van alle volken mijn volgelingen, doop hen in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest
MAT 28:20 en leer hun alles na te leven wat Ik jullie heb opgedragen. En weet dat Ik voortdurend bij jullie zal zijn, tot aan het einde van de wereld.”
MAR 1:1 Begin van het evangelie van Jezus Christus, de Zoon van God.
MAR 1:2 In het boek van de profeet Jesaja staat: “Ik stuur mijn boodschapper voor Je uit, die de weg voor Je zal banen;
MAR 1:3 er roept een stem in de wildernis: Maak de weg van de Heer gereed, maak paden voor Hem vrij!”
MAR 1:4 Overeenkomstig die profetie kwam Johannes de Doper in de wildernis de doop van inkeer verkondigen, die tot vergeving van zonden leidt.
MAR 1:5 Mensen uit heel het gebied Judea en alle inwoners van Jeruzalem kwamen naar hem toe en werden door hem in de rivier de Jordaan gedoopt, waarbij ze hun zonden bekenden.
MAR 1:6 Johannes droeg kledij van kameelhaar en had een leren riem om zijn middel. Hij at sprinkhanen en wilde honing.
MAR 1:7 Hij verkondigde: “Na mij komt Iemand die machtiger is dan ik; ik ben het niet waard om te bukken om zijn schoenriem los te maken.
MAR 1:8 Ik heb jullie gedoopt met water, maar Hij zal jullie dopen met de Heilige Geest.”
MAR 1:9 In die tijd arriveerde Jezus uit Nazaret; dat ligt in Galilea. Hij werd door Johannes in de Jordaan gedoopt.
MAR 1:10 Zodra Jezus uit het water omhoogkwam, zag Hij dat de hemel openging en de Geest als een duif op Hem neerdaalde.
MAR 1:11 Toen klonk er een stem uit de hemel: “Jij bent mijn dierbare Zoon; Ik verheug Mij over Jou.”
MAR 1:12 Meteen daarna stuurde de Geest Jezus de wildernis in.
MAR 1:13 Op die eenzame plaats bleef Hij veertig dagen, terwijl Hij door Satan op de proef werd gesteld. Jezus was bij de wilde dieren en de engelen dienden Hem.
MAR 1:14 Nadat Johannes was gevangengenomen, ging Jezus naar Galilea, waar Hij Gods goede nieuws verkondigde.
MAR 1:15 Hij zei: “Het tijdstip is aangebroken, Gods koninkrijk is in aantocht. Kom tot inkeer en geloof het evangelie.”
MAR 1:16 Toen Jezus langs het Meer van Galilea wandelde, zag Hij dat Simon en zijn broer Andreas een net in het meer uitwierpen, want ze waren vissers.
MAR 1:17 Jezus zei tegen hen: “Kom, volg Mij en Ik zal mensenvissers van jullie maken.”
MAR 1:18 Meteen lieten ze hun netten achter en volgden Hem.
MAR 1:19 Iets verderop zag Hij Jakobus, de zoon van Zebedeüs, die met zijn broer Johannes in een boot de netten aan het klaarmaken was.
MAR 1:20 Hij riep hen, en meteen lieten zij hun vader Zebedeüs met de arbeiders in de boot achter en gingen ze Hem achterna.
MAR 1:21 Ze gingen naar Kafarnaüm en de eerstvolgende sabbat ging Jezus naar de synagoge om er te onderwijzen.
MAR 1:22 De mensen waren diep onder de indruk van zijn onderwijs, want Hij onderwees hen als een gezaghebbende en niet zoals de Schriftgeleerden.
MAR 1:23 Op dat moment was er in hun synagoge een man in wie een onreine geest leefde. Hij schreeuwde:
MAR 1:24 “Wat wilt U van ons, Jezus van Nazaret? Bent U gekomen om ons te vernietigen? Ik weet wie U bent: Gods Heilige!”
MAR 1:25 Maar Jezus sprak hem berispend toe: “Zwijg en ga uit hem weg.”
MAR 1:26 De onreine geest deed de man stuiptrekken en ging met een luide schreeuw uit hem weg.
MAR 1:27 Alle mensen stonden er versteld van en ze vroegen elkaar: “Wat is dit? Nieuwe leer, met gezag! Hij geeft zelfs bevelen aan de onreine geesten en zij gehoorzamen Hem!”
MAR 1:28 Het nieuws over Jezus verspreidde zich meteen door het hele gebied van Galilea.
MAR 1:29 Toen ze uit de synagoge kwamen, gingen ze meteen met Jakobus en Johannes naar het huis van Simon en Andreas.
MAR 1:30 Simons schoonmoeder lag met koorts in bed en meteen vertelden ze Jezus over haar.
MAR 1:31 Hij ging naar haar toe, nam haar bij de hand en hielp haar overeind. De koorts verdween en zij bediende hen.
MAR 1:32 Die avond na zonsondergang bracht men iedereen bij Jezus die ziek of bezeten was.
MAR 1:33 De hele stad verzamelde zich bij de deur.
MAR 1:34 Jezus genas veel mensen met allerlei ziekten. Ook dreef Hij veel demonen uit, maar Hij liet niet toe dat de demonen spraken, want zij wisten wie Hij was.
MAR 1:35 De volgende ochtend stond Jezus op terwijl het nog donker was. Hij verliet het huis en ging naar een eenzame plaats om te bidden.
MAR 1:36 Maar Simon en de mensen die bij hem waren, zochten naar Hem.
MAR 1:37 Toen ze Hem hadden gevonden, zeiden ze tegen Hem: “Iedereen zoekt U!”
MAR 1:38 Maar Jezus zei: “Laten we naar de dorpen in de omgeving gaan, zodat Ik ook daar kan preken, want daarvoor ben Ik gekomen.”
MAR 1:39 Toen trok Hij door heel Galilea, waar Hij preekte in de synagogen en demonen uitdreef.
MAR 1:40 Er kwam iemand bij Jezus met een huidziekte die hem onrein maakte. Hij smeekte Jezus op zijn knieën: “Als U wilt, kan U mij rein maken.”
MAR 1:41 Vol medeleven stak Hij zijn hand uit om hem aan te raken. “Ik wil het”, zei Hij. “Word rein.”
MAR 1:42 Meteen verdween de huidziekte en was de man rein geworden.
MAR 1:43 Jezus stuurde hem meteen weg met de strenge waarschuwing:
MAR 1:44 “Zorg dat je niemand iets vertelt, maar ga jezelf aan de priester tonen en breng het reinigingsoffer dat Mozes heeft opgelegd, bij wijze van getuigenis voor de mensen.”
MAR 1:45 Maar nadat de man was vertrokken, ging hij het nieuws uitgebreid rondvertellen. Daarom kon Jezus niet langer openlijk een stad binnengaan en moest Hij op eenzame plaatsen verblijven. Toch kwamen de mensen van overal naar Hem toe.
MAR 2:1 Toen Jezus enkele dagen later opnieuw Kafarnaüm binnenkwam, raakte bekend dat Hij thuis was.
MAR 2:2 Daar stroomden zoveel mensen samen dat er geen plaats meer was, zelfs niet bij de deur, en Hij sprak hen toe.
MAR 2:3 De mensen kwamen iemand bij Hem brengen die verlamd was en door vier van hen werd gedragen.
MAR 2:4 En omdat het wegens de menigte niet lukte om met hem bij Jezus te komen, maakten ze boven Hem een opening in het dak, waardoor ze de verlamde man op zijn mat naar beneden lieten zakken.
MAR 2:5 Toen Jezus hun geloof zag, zei Hij tegen de verlamde man: “Mijn zoon, je zonden zijn je vergeven.”
MAR 2:6 Nu waren daar enkele Schriftgeleerden, die heimelijk dachten:
MAR 2:7 “Waarom zegt Hij dat? Dat is godslastering! Behalve God is er toch niemand die zonden kan vergeven?”
MAR 2:8 Jezus had meteen door dat ze dat dachten en Hij zei tegen hen: “Waarom denken jullie deze dingen?
MAR 2:9 Wat is gemakkelijker, tegen de verlamde zeggen: je zonden zijn vergeven, of zeggen: sta op, neem je mat op en wandel?
MAR 2:10 Maar, opdat jullie beseffen dat de Mensenzoon het gezag heeft om op aarde zonden te vergeven …” En Hij zei tegen de verlamde man:
MAR 2:11 “Tegen jou zeg Ik: sta op, neem je mat op en ga naar huis!”
MAR 2:12 De verlamde man stond op, nam meteen zijn mat op en vertrok waar iedereen bij was. Ze stonden allen versteld, verheerlijkten God en zeiden: “Zoiets hebben we nog nooit gezien!”
MAR 2:13 Jezus ging terug naar het meer. Alle mensen kwamen bij Hem en Hij onderwees hen.
MAR 2:14 Onderweg zag Hij Levi, de zoon van Alfeüs, bij het tolhuis zitten. Jezus zei tegen hem: “Volg Mij.” En Levi stond op en volgde Hem.
MAR 2:15 Toen Hij op een dag bij Levi te gast was voor een maaltijd, at een groot aantal belastinginners en zondaars met Jezus en zijn leerlingen mee, want velen van hen volgden Jezus.
MAR 2:16 Toen de Schriftgeleerden van de farizeeën Jezus zagen eten met de zondaars en belastinginners, vroegen ze aan zijn leerlingen: “Waarom eet Hij met belastinginners en zondaars?”
MAR 2:17 Jezus hoorde het en zei tegen hen: “Het zijn niet de gezonde mensen die een dokter nodig hebben, maar de zieken. Ik ben niet gekomen om rechtvaardige mensen te roepen, maar zondaars.”
MAR 2:18 Toen Johannes' leerlingen en de farizeeën aan het vasten waren, kwamen er mensen aan Jezus vragen: “Johannes' leerlingen en de farizeeën zijn aan het vasten; waarom vasten uw leerlingen niet?”
MAR 2:19 Jezus antwoordde: “De gasten van de bruidegom kunnen toch niet vasten terwijl de bruidegom bij hen is? Zolang hij bij hen is, kunnen ze niet vasten.
MAR 2:20 Maar er komt een tijd dat de bruidegom bij hen wordt weggenomen en dan zullen ze vasten.
MAR 2:21 Niemand lapt een oud kledingstuk op met een stuk stof dat nog niet gekrompen is, want dan trekt het verstelstuk de oude stof kapot en ontstaat er een grotere scheur.
MAR 2:22 En niemand giet nieuwe wijn in oude wijnzakken, want dan barst de wijn uit zijn zakken en zijn zowel de wijn als de zakken niets meer waard. Nieuwe wijn hoort in nieuwe wijnzakken.”
MAR 2:23 Op een sabbat, toen Jezus tussen de graanvelden door wandelde, begonnen zijn leerlingen onderweg wat aren te plukken.
MAR 2:24 De farizeeën vroegen Hem: “Waarom doen zij iets dat op de sabbat niet is toegestaan?”
MAR 2:25 Hij antwoordde: “Hebben jullie nooit gelezen wat David deed toen hij en zijn mannen niets bij zich hadden en honger kregen?
MAR 2:26 Dat gebeurde in de tijd dat Abjatar hogepriester was. David ging het huis van God binnen, at van de gewijde broden waarvan enkel de priesters mochten eten, en gaf ervan aan zijn mannen.”
MAR 2:27 Ook zei Jezus tegen hen: “De sabbat is voor de mens gemaakt, niet de mens voor de sabbat.
MAR 2:28 Daarom is de Mensenzoon ook baas over de sabbat.”
MAR 3:1 Jezus ging opnieuw naar de synagoge en daar was iemand met een hand die hij niet kon bewegen.
MAR 3:2 De mensen keken goed of Jezus hem op de sabbat zou genezen, zodat ze Hem zouden kunnen beschuldigen.
MAR 3:3 Maar Hij zei tegen de man met de hand die hij niet kon bewegen: “Kom in het midden staan.”
MAR 3:4 Toen vroeg Hij de mensen: “Wat is toegestaan op de sabbat: goed doen of kwaad doen, een leven redden of een leven wegnemen?” Maar ze zwegen.
MAR 3:5 Hij keek hen kwaad aan, ontzet over de starheid van hun hart. Vervolgens zei Hij tegen de man: “Steek de hand uit.” De man stak zijn hand uit en die genas.
MAR 3:6 Toen gingen de farizeeën naar buiten om samen met de aanhangers van Herodes een plan te beramen om Jezus om te brengen.
MAR 3:7 Jezus trok zich echter met zijn leerlingen terug bij het meer. Een groot aantal mensen uit Galilea volgde hen. Ook uit Judea,
MAR 3:8 Jeruzalem, Idumea, het gebied aan de overkant van de Jordaan en uit de omgeving van Tyrus en Sidon kwamen de mensen in drommen naar Hem toe, omdat ze hadden gehoord wat Hij allemaal deed.
MAR 3:9 Hij vroeg zijn leerlingen om een bootje klaar te houden wegens de menigte, voor het geval het gedrang te sterk zou worden.
MAR 3:10 Hij had namelijk veel mensen genezen en daarom drongen veel mensen die iets mankeerden naar voren om Hem aan te raken.
MAR 3:11 En wanneer de onreine geesten Hem zagen, vielen ze voor Hem neer terwijl ze schreeuwden: “U bent de Zoon van God.”
MAR 3:12 Maar Hij verbood hun nadrukkelijk, bekend te maken wie Hij was.
MAR 3:13 Toen ging Jezus een berg op en riep Hij wie Hij bij zich wilde hebben. Die mensen kwamen naar Hem toe.
MAR 3:14 Hij stelde twaalf personen aan – Hij noemde hen apostelen – om bij Hem te horen en door Hem te worden uitgezonden om te preken
MAR 3:15 met het gezag om demonen uit te drijven.
MAR 3:16 Dit zijn de twaalf die hij aanstelde: Simon, aan wie Hij de naam Petrus gaf,
MAR 3:17 Jakobus, de zoon van Zebedeüs, zijn broer Johannes – aan hen gaf Hij de naam Boanerges, wat “zonen van de donder” betekent –
MAR 3:18 Andreas, Filippus, Bartolomeüs, Matteüs, Tomas, Jakobus, de zoon van Alfeüs, Taddeüs, Simon de Zeloot,
MAR 3:19 en Judas Iskariot, die Hem uiteindelijk verraden heeft.
MAR 3:20 Jezus ging naar huis. Opnieuw stroomde daar veel volk samen, zodat ze zelfs niet konden eten.
MAR 3:21 Toen zijn familie ervan hoorde, gingen ze op pad om Hem op te halen, want ze zeiden: “Hij is niet goed bij zijn verstand.”
MAR 3:22 De Schriftgeleerden die uit Jeruzalem waren gekomen, zeiden: “Beëlzebul, de heerser over de demonen, zit in Hem en daarom kan Hij de demonen uitdrijven.”
MAR 3:23 Jezus riep hen echter bij zich en zei tegen hen in de vorm van parabels: “Het kan toch niet dat Satan Satan uitdrijft?
MAR 3:24 Als een koninkrijk innerlijk verdeeld is, kan het niet standhouden.
MAR 3:25 En als een familie innerlijk verdeeld is, kan ze niet standhouden.
MAR 3:26 En als Satan tegen zichzelf opstaat en verdeeld is, kan hij niet standhouden maar is het voor hem afgelopen.
MAR 3:27 Ook kan niemand het huis van een sterk persoon binnendringen om zijn bezit te plunderen zonder eerst die sterke man vast te binden. Pas dan kan hij het huis leegplunderen.
MAR 3:28 Ik verzeker jullie, alle zonde en alle godslastering die mensen begaan, kan hun worden vergeven.
MAR 3:29 Maar voor wie lastert tegen de Heilige Geest, komt er nooit vergeving; hij is schuldig aan een eeuwige zonde.”
MAR 3:30 De mensen hadden namelijk gezegd dat Jezus een onreine geest in zich had.
MAR 3:31 Toen arriveerden Jezus' moeder en broers. Ze bleven buiten en stuurden iemand naar binnen om Hem te roepen.
MAR 3:32 Er zaten veel mensen om Hem heen en ze zeiden tegen Hem: “Uw moeder en broers en zussen staan buiten en zoeken U.”
MAR 3:33 Maar Hij vroeg hun: “Wie zijn mijn moeder en mijn broers?”
MAR 3:34 Hij keek naar de mensen die in een kring om Hem heen zaten en zei: “Dit zijn mijn moeder en broers.
MAR 3:35 Want wie doet wat God wil, die is mijn broer, zus of moeder.”
MAR 4:1 Toen Jezus opnieuw ging onderwijzen bij het meer, verzamelde zich zo'n grote menigte om Hem heen, dat Hij plaatsnam in een boot op het meer, terwijl alle mensen op de oever bleven staan.
MAR 4:2 Hij leerde hun van alles door middel van parabels. Hij zei:
MAR 4:3 “Luister! Er was eens een zaaier die ging zaaien.
MAR 4:4 Tijdens het zaaien viel er wat zaad langs het pad en de vogels kwamen het oppikken.
MAR 4:5 Een ander deel viel in een ondiep laagje aarde op rotsgrond. De plantjes schoten meteen op, omdat de aarde ondiep was.
MAR 4:6 Maar toen de zon hoog kwam te staan, verschroeiden de plantjes en gingen ze dood, omdat ze geen wortels hadden.
MAR 4:7 Nog een ander deel viel tussen het onkruid. Het werd door het groeiende onkruid verstikt en leverde geen oogst op.
MAR 4:8 Weer ander zaad kwam terecht in goede aarde. Het kwam op, groeide verder en leverde een goede oogst op, wel dertig-, zestig- of zelfs honderdmaal zoveel als er was gezaaid.”
MAR 4:9 Toen zei Hij: “Als je oren hebt om te horen, luister dan!”
MAR 4:10 Toen Hij later alleen was, vroegen de mensen die samen met de Twaalf bij Hem waren, wat de parabels betekenden.
MAR 4:11 Hij zei tegen hen: “Aan jullie is het geheim van Gods koninkrijk onthuld, maar aan buitenstaanders wordt alles in parabels verteld,
MAR 4:12 zodat ze ‘wel zien maar niet begrijpen, en wel horen maar niet verstaan’; anders zouden ze zich bekeren en worden vergeven.”
MAR 4:13 Toen zei Hij tegen hen: “Begrijpen jullie deze parabel niet? Hoe gaan jullie dan de andere parabels begrijpen?
MAR 4:14 De zaaier ‘zaait’ de boodschap van God voor de mensen.
MAR 4:15 Bij sommigen gaat het als bij zaad langs het pad. De boodschap wordt gezaaid, maar zodra ze haar horen, neemt Satan de boodschap die in hen gezaaid is weg.
MAR 4:16 Bij anderen gaat het als bij zaad dat op rotsgrond wordt gezaaid: ze horen de boodschap en aanvaarden deze meteen met vreugde.
MAR 4:17 Maar ze zijn oppervlakkig en de boodschap raakt niet diep in hen geworteld. Zodra er verdrukking of vervolging komt omwille van het evangelie, geven ze op.
MAR 4:18 Bij nog anderen gaat het als bij plantjes tussen het onkruid. Ze horen de boodschap,
MAR 4:19 maar deze raakt verstikt door de zorgen van dit leven, de misleiding van de rijkdom en de begerigheid naar andere dingen, en levert niets op.
MAR 4:20 En bij weer anderen is het als bij zaad dat in goede aarde wordt gezaaid: ze horen de boodschap en aanvaarden haar, zodat ze een oogst oplevert die dertig-, zestig- of zelfs honderdmaal zo groot is.”
MAR 4:21 Hij vertelde hun ook: “Een olielamp wordt toch niet in huis gehaald om onder een bak of een bed te worden gezet? Nee, ze wordt op een standaard geplaatst.
MAR 4:22 Want er is niets geheim dat niet zal worden onthuld en niets verhuld dat niet zichtbaar zal worden.
MAR 4:23 Als je oren hebt om te horen, luister dan!”
MAR 4:24 Hij zei ook tegen hen: “Denk zorgvuldig na over wat je hoort, want de maat die jij hanteert, zal op jou worden toegepast en daaruit zal je ruimschoots ontvangen!
MAR 4:25 Aan wie heeft, zal nog meer worden gegeven; maar van wie niets heeft, zal zelfs hetgeen hij heeft worden afgenomen.”
MAR 4:26 Verder zei Hij: “Met Gods koninkrijk is het als met een man die zaad in de grond heeft gezaaid.
MAR 4:27 Dag na dag staat hij op en gaat hij weer slapen terwijl het zaad ontkiemt en groeit, zonder dat hij weet hoe.
MAR 4:28 Er groeit vanzelf iets uit die aarde: eerst een stengel, dan een aar, en vervolgens de volle graankorrels in de aar.
MAR 4:29 Zodra het graan rijp is, zet hij de sikkel erin, want het is tijd geworden voor de oogst.”
MAR 4:30 Hij zei ook: “Waarmee zal ik Gods koninkrijk vergelijken, met welke parabel zal ik het beschrijven?
MAR 4:31 Het is als een mosterdzaadje; wanneer het in de aarde wordt gezaaid, is het het kleinste van alle zaad op aarde.
MAR 4:32 Maar na het zaaien groeit het op en wordt het de grootste van alle moestuinplanten, met takken die zo groot zijn dat de vogels zich in zijn schaduw kunnen nestelen.”
MAR 4:33 Hij vertelde hun de boodschap van God in de vorm van veel van dergelijke parabels, in de mate waarin ze het konden begrijpen.
MAR 4:34 In feite sprak Hij enkel in de vorm van parabels, maar wanneer Hij met zijn leerlingen alleen was, legde Hij alles uit.
MAR 4:35 Aan het einde van die dag, toen het avond werd, zei Hij tegen zijn leerlingen: “Laten we naar de overkant varen.”
MAR 4:36 Ze stuurden de menigte naar huis en voeren met Hem in de boot weg. Er voeren andere boten met Hem mee.
MAR 4:37 Het begon hard te stormen en de golven sloegen in de boot, zodat die begon vol te lopen.
MAR 4:38 Hij lag echter achter in de boot tegen het kussen te slapen. Ze maakten Hem wakker en vroegen: “Leraar, kan het U niet schelen dat we vergaan?”
MAR 4:39 Toen Hij wakker was geworden, beval Hij de wind en het meer: “Rustig, kalmeer!” De wind ging liggen en het werd heel stil.
MAR 4:40 Hij zei tegen hen: “Waarom zijn jullie zo bang? Hebben jullie geen geloof?”
MAR 4:41 Maar zij waren hevig geschrokken en vroegen elkaar: “Wie is Hij toch, dat zelfs de wind en het meer Hem gehoorzamen?”
MAR 5:1 Ze kwamen aan bij de overkant van het meer, in het gebied van de Gerasenen.
MAR 5:2 Zodra Jezus uit de boot stapte, kwam een man met een onreine geest van tussen de graven naar Hem toe.
MAR 5:3 Hij leefde namelijk tussen die graven en niemand kon hem nog vastbinden, zelfs niet met een ketting.
MAR 5:4 Hij was namelijk al vaak aan handen en voeten geketend geweest, maar had telkens de ketens en boeien kapotgetrokken en vernield. Niemand kon hem in bedwang houden.
MAR 5:5 Dag en nacht was hij tussen de graven en in de bergen aan het schreeuwen en zichzelf met stenen aan het verminken.
MAR 5:6 Hij zag Jezus van ver, rende op Hem af en viel voor Hem op zijn knieën,
MAR 5:7 terwijl hij riep: “Waarom bemoeit U zich met mij, Jezus, Zoon van de allerhoogste God? Ik bezweer U in Gods naam: folter mij alstublieft niet!”
MAR 5:8 Jezus had namelijk tegen hem gezegd: “Onreine geest, ga uit die man weg!”
MAR 5:9 Toen vroeg Jezus hem: “Hoe heet jij?” Hij antwoordde: “Mijn naam is Legio, want wij zijn met velen.”
MAR 5:10 Hij smeekte Jezus met aandrang om hen niet uit de streek te verjagen.
MAR 5:11 Nu was er op de berghelling een grote kudde varkens aan het grazen.
MAR 5:12 De onreine geesten smeekten Hem: “Stuur ons alstublieft die varkens in!”
MAR 5:13 Jezus stemde toe en de onreine geesten kwamen naar buiten en drongen de varkens binnen. De kudde, ongeveer tweeduizend varkens, stormde de helling af, het meer in, waar ze verdronken.
MAR 5:14 De varkenshoeders renden weg en brachten verslag uit in de stad en op het land. Daarom kwamen de mensen kijken wat er was gebeurd.
MAR 5:15 Toen ze bij Jezus kwamen, zagen ze de man zitten die door demonen bezeten was geweest; hij was gekleed en bij zijn volle verstand. Toen werden ze bang.
MAR 5:16 Zij die hadden gezien wat er met de bezeten man en met de varkens was gebeurd, legden het aan hen uit.
MAR 5:17 Toen begonnen de mensen Jezus te smeken hun streek te verlaten.
MAR 5:18 Toen Hij in de boot stapte, smeekte de man die bezeten was geweest om met Hem mee te mogen.
MAR 5:19 Jezus liet dat niet toe, maar zei tegen hem: “Ga naar huis en vertel je familie wat de Heer voor jou heeft gedaan en hoe Hij jou zijn mededogen heeft getoond.”
MAR 5:20 De man vertrok en begon in de Dekapolis te verkondigen wat Jezus voor hem had gedaan. En iedereen was diep onder de indruk.
MAR 5:21 Toen Jezus naar de overkant was teruggevaren, kwam een grote menigte om Hem heen staan. Hij was nog bij het meer,
MAR 5:22 toen er een synagogebestuurder aankwam die Jaïrus heette. Hij zag Jezus, viel aan zijn voeten neer,
MAR 5:23 en smeekte vurig: “Mijn dochtertje is stervende. Kom haar alstublieft de handen opleggen, zodat ze zal genezen en in leven blijven!”
MAR 5:24 Jezus ging met hem mee. Een grote menigte volgde Hem en drong tegen Hem aan.
MAR 5:25 Er was een vrouw bij die al twaalf jaar last had van bloedingen.
MAR 5:26 Ze had allerlei behandelingen van vele dokters ondergaan en had daar al haar geld aan uitgegeven, maar in plaats van beter te worden was ze verslechterd.
MAR 5:27 Toen zij over Jezus hoorde, wrong ze zich tussen de mensen door en raakte ze van achteren zijn mantel aan,
MAR 5:28 want ze dacht: “Als ik slechts zijn mantel aanraak, zal ik genezen.”
MAR 5:29 Meteen stopte het bloeden en voelde ze aan haar lichaam dat ze van haar kwaal was genezen.
MAR 5:30 Jezus merkte meteen dat er kracht van Hem was uitgegaan. Hij draaide zich om in de menigte en vroeg: “Wie heeft mijn kleren aangeraakt?”
MAR 5:31 Zijn leerlingen zeiden tegen Hem: “U ziet toch hoe de menigte zich om U verdringt? Hoe kan U dan vragen wie U heeft aangeraakt?”
MAR 5:32 Hij bleef echter om zich heen kijken om te zien wie het had gedaan.
MAR 5:33 De vrouw, die nu beefde van angst omdat ze wist wat er met haar was gebeurd, kwam naar voren, liet zich voor Hem neervallen en vertelde Hem de hele waarheid.
MAR 5:34 Hij zei tegen haar: “Mijn dochter, je geloof heeft je genezen. Ga in vrede en wees genezen van je kwaal.”
MAR 5:35 Terwijl Jezus nog sprak, kwamen mensen uit het huishouden van Jaïrus de synagogebestuurder zeggen: “Uw dochtertje is gestorven. Waarom zou u de Leraar nog lastigvallen?”
MAR 5:36 Jezus hoorde hun bericht, maar zei tegen de synagogebestuurder: “Wees niet bang; je moet enkel geloven.”
MAR 5:37 Hij liet niet toe dat er iemand met Hem meeging, behalve Petrus en de broers Jakobus en Johannes.
MAR 5:38 Toen ze bij het huis van de synagogebestuurder waren aangekomen, zag Jezus een grote drukte. Er werd geweend en luid gejammerd.
MAR 5:39 Hij ging naar binnen en zei: “Waarom deze drukte en dit geween? Het kind is niet dood, het slaapt alleen maar.”
MAR 5:40 Ze lachten Hem uit, maar Hij stuurde iedereen naar buiten behalve de vader en moeder van het kind en de leerlingen die Hem vergezelden. Hij ging de kamer binnen waar het kind lag,
MAR 5:41 nam haar hand vast en zei tegen haar: “Talita koem.” Dat betekent: “Meisje, Ik zeg je: sta op.”
MAR 5:42 Het meisje stond meteen op en begon te stappen. Ze was twaalf jaar oud. Men was buiten zichzelf van verbazing.
MAR 5:43 Hij droeg hun op dat niemand dit te weten mocht komen en zei dat ze haar wat eten moesten geven.
MAR 6:1 Jezus vertrok daarvandaan en kwam aan in zijn thuisstad. Zijn leerlingen waren met Hem meegekomen.
MAR 6:2 Toen het sabbat werd, begon Hij te onderwijzen in de synagoge en de vele toehoorders waren diep onder de indruk. Ze vroegen: “Waar haalt die Man dat toch vandaan, hoe komt Hij aan die wijsheid en hoe is het mogelijk dat Hij die wonderen doet?
MAR 6:3 Is dit niet de bouwer, de zoon van Maria en broer van Jakobus, Joses, Judas en Simon? En zijn zussen wonen toch hier bij ons?” Ze ergerden zich aan Hem.
MAR 6:4 Maar Jezus zei tegen hen: “Het is alleen in zijn thuisstad, bij zijn familie en in zijn eigen huis dat een profeet geen eer ontvangt.”
MAR 6:5 Hij kon er geen wonderen doen, alleen genas Hij enkele zieken door hun de handen op te leggen.
MAR 6:6 Hij verbaasde zich over hun ongeloof. Daarna trok Hij van dorp tot dorp om er te onderwijzen.
MAR 6:7 Jezus riep de Twaalf bij zich en begon hen twee aan twee op pad te sturen. Hij gaf hun gezag over onreine geesten
MAR 6:8 en gaf hun de volgende instructies: “Neem niets mee voor onderweg, behalve een wandelstok. Geen brood, geen reistas, en geen geld in je geldriem.
MAR 6:9 Trek wel sandalen aan, maar geen extra kledij.”
MAR 6:10 Jezus zei ook tegen hen: “Wanneer jullie bij iemand te gast zijn, blijf dan bij die persoon logeren totdat je uit die plaats vertrekt.
MAR 6:11 En wanneer men je ergens niet verwelkomt of niet naar je luistert, vertrek dan uit die plaats en schud het stof van je voetzolen als een teken voor hen van jullie afkeuring.”
MAR 6:12 Ze gingen eropuit en riepen de mensen op om tot inkeer te komen.
MAR 6:13 Ze dreven veel demonen uit en zalfden vele zieken met olie en genazen hen.
MAR 6:14 Jezus' naam raakte bekend en ook koning Herodes hoorde over Hem. Sommige mensen zeiden: “Johannes de Doper is uit de dood verrezen; daarom doet Hij wonderen.”
MAR 6:15 Anderen zeiden: “Hij is Elia”, en nog anderen: “Hij is een profeet, zoals de profeten van vroeger.”
MAR 6:16 Maar toen Herodes het hoorde, zei hij: “Johannes, die ik heb laten onthoofden, is verrezen.”
MAR 6:17 Herodes had namelijk zelf bevolen om Johannes te arresteren en in de gevangenis vast te zetten, wegens Herodias, de vrouw van zijn broer Filippus. Herodes was met haar getrouwd,
MAR 6:18 en Johannes had tegen Herodes gezegd: “U mag niet met uw schoonzus trouwen.”
MAR 6:19 Daarom had Herodias een hekel aan Johannes. Ze wilde hem doden, maar ze kreeg daartoe niet de gelegenheid.
MAR 6:20 Herodes wist dat Johannes een rechtvaardige man was die een zuiver leven leidde. Herodes was bang voor Johannes en beschermde hem. Herodes luisterde graag naar Johannes, hoewel het hem in verlegenheid bracht.
MAR 6:21 Herodias zag haar kans schoon op de verjaardag van Herodes, toen hij een feestmaal hield voor zijn hoge functionarissen en militaire leiders en de vooraanstaande burgers van Galilea.
MAR 6:22 Toen Herodias' dochter kwam dansen, beleefden Herodes en zijn gasten daar zoveel plezier aan dat de koning tegen het meisje zei: “Vraag me wat je wil, en ik zal het je geven.”
MAR 6:23 Hij zwoer haar: “Ik zal je alles geven wat je vraagt, al was het de helft van mijn koninkrijk.”
MAR 6:24 Ze ging de zaal uit en zei tegen haar moeder: “Wat zal ik vragen?” Zij antwoordde: “Het hoofd van Johannes de Doper.”
MAR 6:25 Het meisje haastte zich meteen terug naar binnen en zei tegen de koning: “Ik wil graag dat u mij onmiddellijk het hoofd van Johannes de Doper geeft, op een schaal.”
MAR 6:26 De koning was zwaar aangeslagen, maar omwille van wat hij had gezworen in het bijzijn van zijn gasten wilde hij het haar niet weigeren.
MAR 6:27 Hij stuurde meteen een beul naar de gevangenis om het hoofd van Johannes te halen. De beul vertrok, onthoofdde Johannes
MAR 6:28 en kwam terug met zijn hoofd op een schaal. Hij gaf het aan het meisje en zij gaf het aan haar moeder.
MAR 6:29 Toen Johannes' leerlingen dit hoorden, haalden ze zijn lichaam op en legden het in een graf.
MAR 6:30 De apostelen kwamen bij Jezus terug en vertelden Hem alles wat ze hadden gedaan en wat ze aan de mensen hadden onderwezen.
MAR 6:31 Maar Hij zei tegen hen: “Ga naar een afgelegen plaats, waar jullie alleen kunnen zijn, en rust wat uit.” Want het was zo'n komen en gaan dat ze zelfs niet aan eten toekwamen.
MAR 6:32 Daarom vertrokken ze per boot naar een afgelegen plaats om alleen te zijn.
MAR 6:33 Veel mensen die hen zagen wegvaren, herkenden hen. Ze haastten zich te voet vanuit alle steden naar die plaats, en kwamen vóór hen aan.
MAR 6:34 Toen Jezus uit de boot stapte, zag Hij een grote menigte en kreeg Hij medelijden met de mensen, want ze waren als schapen zonder herder. Daarom begon Hij hun van alles te leren.
MAR 6:35 Maar toen het laat begon te worden, kwamen zijn leerlingen bij Hem en zeiden: “Dit is een afgelegen plaats en het is al laat.
MAR 6:36 Stuur de mensen toch weg, zodat ze naar de gehuchten en dorpen in de omgeving kunnen gaan om voor zichzelf iets te kopen om te eten.”
MAR 6:37 Maar Hij antwoordde: “Geven jullie hun maar te eten.” Zij vroegen Hem: “Hoe kunnen wij voor tweehonderd denarie brood gaan kopen om aan al die mensen te geven?”
MAR 6:38 Jezus zei: “Ga eens kijken hoeveel broden jullie hebben.” Ze gingen het na het en zeiden: “Vijf, en twee vissen.”
MAR 6:39 Toen droeg Hij hun op tegen de mensen te zeggen dat ze in groepen op het groene gras moesten plaatsnemen.
MAR 6:40 Dus namen de mensen plaats in groepen van honderd en van vijftig.
MAR 6:41 Jezus nam de vijf broden en de twee vissen, keek omhoog, naar de hemel, sprak een zegengebed uit, brak de broden in stukken en gaf die aan zijn leerlingen om uit te delen. Ook de twee vissen verdeelde Hij onder alle mensen.
MAR 6:42 Ze aten allen tot ze voldaan waren.
MAR 6:43 Daarna verzamelden ze de overgebleven brokken – wel twaalf manden vol – en de overgebleven vis.
MAR 6:44 Het aantal mannen dat had gegeten bedroeg vijfduizend.
MAR 6:45 Meteen daarna droeg Jezus zijn leerlingen op om in de boot te stappen en voor Hem uit naar Betsaïda over te steken terwijl Hij de menigte naar huis stuurde.
MAR 6:46 Nadat Hij afscheid van hen had genomen, ging Hij de berg op om te bidden.
MAR 6:47 Toen het avond werd, bevond de boot zich midden op het meer terwijl Hij nog alleen aan wal was.
MAR 6:48 Hij zag dat de leerlingen zich hard moesten inspannen om vooruit te roeien, want ze hadden de wind tegen. Tegen het einde van de nacht ging Hij hen achterna, al wandelend over het water. Toen Hij hen zou voorbijgaan,
MAR 6:49 zagen ze Hem op het meer wandelen. Ze dachten dat Hij een spook was en schreeuwden het uit.
MAR 6:50 Iedereen zag Hem allemaal en waren doodsbang. Meteen sprak Hij hen toe: “Wees gerust, Ik ben het. Wees niet bang.”
MAR 6:51 Hij stapte bij hen in de boot en de wind ging liggen. Ze waren volkomen verbijsterd,
MAR 6:52 want ze hadden de les van de broden niet begrepen; hun hart was verstard.
MAR 6:53 Eenmaal overgestoken, kwamen ze aan land bij Gennesaret, waar ze aanmeerden.
MAR 6:54 Zodra ze uit de boot stapten, herkenden de mensen Jezus.
MAR 6:55 Ze doorkruisten de hele streek om hun zieken op draagmatten naar de plaats te dragen waarvan ze hoorden dat Hij daar was.
MAR 6:56 En waar Hij ook kwam – dorpen, steden of platteland – bracht men de zieken naar marktplaatsen en smeekte men Hem om slechts de kwast onderaan zijn mantel te mogen aanraken. Iedereen die Hem aanraakte, werd genezen.
MAR 7:1 De farizeeën en enkele Schriftgeleerden die uit Jeruzalem waren gekomen, kwamen om Jezus heen staan.
MAR 7:2 Ze hadden sommige van zijn leerlingen zien eten met onreine – dat wil zeggen: ongewassen – handen.
MAR 7:3 De farizeeën, in feite alle Joodse mensen, eten namelijk niet zonder eerst grondig hun handen te wassen. Daarmee volgen ze de traditie van hun voorouders.
MAR 7:4 Als ze van de markt thuiskomen, eten ze pas nadat ze zich hebben gewassen. Ze volgen ook allerlei andere tradities, zoals het afwassen van bekers, kannen en kookpotten.
MAR 7:5 Daarom vroegen de farizeeën en de Schriftgeleerden aan Jezus: “Waarom leven uw leerlingen niet volgens de tradities van de voorouders, maar eten zij met onreine handen?”
MAR 7:6 Hij antwoordde: “Jesaja had gelijk toen hij profeteerde over jullie, hypocrieten. Want er staat: ‘Dit volk bewijst Mij lippendienst, hun hart is ver van Mij.
MAR 7:7 Zij vereren Mij tevergeefs, en ze onderwijzen menselijke voorschriften.’
MAR 7:8 Jullie hebben Gods gebod losgelaten en houden je vast aan menselijke traditie.”
MAR 7:9 Hij vervolgde: “Jullie blinken uit in het verwerpen van Gods gebod om jullie eigen traditie na te leven.
MAR 7:10 Mozes heeft immers gezegd: ‘Eer je vader en moeder’, en ‘Wie kwaadspreekt van zijn vader of moeder, moet ter dood worden gebracht.’
MAR 7:11 Maar jullie beweren dat als iemand tegen zijn vader of moeder zegt: ‘Wat ik aan jullie had kunnen geven, is korban’ – dat wil zeggen: aan God gewijd –
MAR 7:12 dat hij dan niets meer voor zijn vader of moeder mag doen.
MAR 7:13 Zo gebruiken jullie de traditie die aan jullie is doorgeven, om hetgeen God heeft gezegd ongeldig te verklaren. En jullie doen veel dergelijke dingen.”
MAR 7:14 Jezus riep de menigte weer bij zich en zei: “Luister, iedereen, en begrijp het volgende:
MAR 7:15 Niets dat van buitenaf bij iemand naar binnen gaat, kan hem verontreinigen. Integendeel, het zijn de dingen die uit een mens naar buiten komen, die hem verontreinigen.”
MAR 7:17 Nadat Hij een huis was binnengegaan, weg van de menigte, vroegen zijn leerlingen Hem naar deze vergelijking.
MAR 7:18 Hij antwoordde: “Hebben ook jullie nog altijd geen inzicht? Beseffen jullie niet dat niets dat van buitenaf de mens ingaat, hem kan verontreinigen?
MAR 7:19 Het gaat namelijk niet naar zijn hart, maar naar zijn maag, en van daar weer naar buiten.” Door dat te zeggen verklaarde Jezus alle voedingswaren rein.
MAR 7:20 Hij vervolgde: “Wat uit de mens naar buiten komt, dat verontreinigt hem.
MAR 7:21 Want het is van binnenuit, uit het hart van de mens, dat slechte gedachten voortkomen: seksueel wangedrag, diefstal, moord,
MAR 7:22 overspel, hebzucht, kwaadaardigheid, bedrog, losbandigheid, jaloezie, laster, arrogantie en dwaasheid.
MAR 7:23 Al deze slechte dingen komen van binnenuit en verontreinigen de mens.”
MAR 7:24 Jezus vertrok uit die plaats en ging naar de omgeving van Tyrus. Daar ging Hij een huis binnen en wilde niet dat iemand daarvan wist. Hij kon echter niet onopgemerkt blijven.
MAR 7:25 Er was namelijk een vrouw die een dochtertje had met een onreine geest. Zodra zij over Hem hoorde, kwam ze naar Hem toe en liet ze zich voor zijn voeten neervallen.
MAR 7:26 De vrouw was een niet-Joodse, afkomstig van Syrofenicië. Ze smeekte Jezus om de demon uit haar dochter te drijven.
MAR 7:27 Maar Hij zei tegen haar: “Laat eerst de kinderen voldoende eten, want het is niet goed om het brood van de kinderen af te nemen en aan de hondjes te geven.”
MAR 7:28 Zij antwoordde: “Heer, de hondjes onder de tafel eten toch van wat de kinderen morsen?”
MAR 7:29 Hij zei tegen haar: “Omdat je dat antwoord geeft, kun je gerust naar huis; de demon is uit je dochter weggegaan.”
MAR 7:30 Zij ging naar huis en zag dat haar kind in bed lag en de demon was weggegaan.
MAR 7:31 Toen vertrok Jezus uit de omgeving van Tyrus. Via Sidon reisde Hij naar het Meer van Galilea, dwars door het gebied van Dekapolis.
MAR 7:32 Daar werd iemand bij Hem gebracht, die doof was en moeite had met praten. Men smeekte Jezus om zijn hand op hem te leggen.
MAR 7:33 Nadat Hij hem apart had genomen, bij de menigte vandaan, stak Jezus zijn vingers in de oren van de man, spuwde Hij en raakte Hij de tong van de man aan.
MAR 7:34 Toen keek Hij omhoog naar de hemel, en zuchtte diep en zei tegen hem: “Effata”. Dat betekent: ga open!
MAR 7:35 Meteen werkten zijn oren en tong naar behoren en sprak hij normaal.
MAR 7:36 Jezus droeg hun op het aan niemand te vertellen, maar hoe meer Hij het verbood, hoe meer de mensen het bekendmaakten.
MAR 7:37 Ze waren diep onder de indruk en zeiden: “Alles wat Hij heeft gedaan is goed. Hij zorgt er zelfs voor dat de doven kunnen horen en de stomme mensen kunnen spreken.”
MAR 8:1 Op een keer was er weer een grote menigte en omdat ze geen eten hadden, riep Jezus zijn leerlingen bij zich. Hij zei:
MAR 8:2 “Ik heb medelijden met al die mensen, want ze zijn al drie dagen bij Me en nu hebben ze niets te eten.
MAR 8:3 Als Ik hen met een lege maag wegstuur, zullen ze onderweg bezwijken, want sommigen zijn van ver gekomen.”
MAR 8:4 Zijn leerlingen antwoordden: “Waar in dit afgelegen gebied kan voldoende brood worden gevonden voor al deze mensen?”
MAR 8:5 Jezus vroeg hen: “Hoeveel broden hebben jullie?” “Zeven”, antwoordden ze.
MAR 8:6 Hij droeg de menigte op om op de grond plaats te nemen. Hij nam de zeven broden, sprak een dankgebed uit, brak ze in stukken en gaf die aan zijn leerlingen om uit te delen, en zij bezorgden de stukken brood aan de mensen.
MAR 8:7 Men had ook enkele visjes. Hij sprak een zegen uit en liet ook die uitdelen.
MAR 8:8 De mensen aten tot ze voldaan waren. Toen werden de overgebleven brokken verzameld: zeven korven vol.
MAR 8:9 Er waren ongeveer vierduizend mensen en Hij stuurde hen naar huis.
MAR 8:10 Meteen stapte Hij met zijn leerlingen in de boot en ging naar het gebied van Dalmanuta.
MAR 8:11 De farizeeën kwamen naar Hem toe en begonnen met Hem te discussiëren. Om Hem op de proef te stellen vroegen ze Hem om een teken uit de hemel.
MAR 8:12 Jezus zuchtte diep en zei: “Waarom vragen jullie om een teken? Ik verzeker jullie, aan jullie soort mensen zal beslist geen teken worden gegeven.”
MAR 8:13 Hij ging bij hen weg en voer terug naar de overkant.
MAR 8:14 Jezus' leerlingen waren vergeten brood mee te nemen; ze hadden maar één brood bij zich in de boot.
MAR 8:15 Jezus waarschuwde hen: “Pas op, kijk uit voor de desem van de farizeeën en ook voor de desem van Herodes.”
MAR 8:16 Ze bespraken met elkaar of Hij dat had gezegd omdat ze geen brood hadden.
MAR 8:17 Jezus merkte het en vroeg hun: “Waarom zijn jullie aan het bespreken dat jullie geen brood hebben? Begrijpen en beseffen jullie het nog steeds niet? Is jullie hart verstard?
MAR 8:18 Zien jullie niet met de ogen die jullie hebben en horen jullie niet met de oren die jullie hebben? En weten jullie niet meer
MAR 8:19 hoeveel manden vol brokken jullie verzamelden toen Ik de vijf broden brak voor de vijfduizend?” Ze zeiden: “Twaalf”.
MAR 8:20 “En de zeven broden voor de vierduizend, hoeveel korven vol brokken verzamelden jullie toen?” Ze antwoordden: “Zeven”.
MAR 8:21 Hij zei tegen hen: “Begrijpen jullie het dan nog niet?”
MAR 8:22 Ze kwamen in Betsaïda. De mensen brachten iemand bij Jezus die blind was en ze smeekten Hem om hem aan te raken.
MAR 8:23 Jezus nam de blinde man bij de hand en leidde hem het dorp uit. Daar spuwde Hij in de ogen van de man, legde hem de handen op en vroeg: “Zie je al iets?”
MAR 8:24 De man probeerde te kijken en zei: “Ik zie mensen, ze zien eruit als wandelende bomen.”
MAR 8:25 Jezus legde zijn handen nogmaals op de ogen van de man. Nu kon hij goed zien en was hij genezen; hij zag alles duidelijk.
MAR 8:26 Jezus stuurde hem naar huis en zei: “Ga zelfs het dorp niet in!”
MAR 8:27 Jezus en zijn leerlingen trokken verder, naar de dorpen bij Caesarea Filippi. Onderweg vroeg Hij hun: “Wie zeggen de mensen dat Ik ben?”
MAR 8:28 Ze antwoordden: “Johannes de Doper; anderen zeggen Elia, en nog anderen een van de profeten.”
MAR 8:29 Hij vroeg hun: “En jullie, wie zeggen jullie dat Ik ben?” Petrus antwoordde: “U bent de Messias.”
MAR 8:30 Jezus beval hun, aan niemand te vertellen wie Hij was.
MAR 8:31 Ook begon Hij hun te leren dat de Mensenzoon veel lijden zou moeten doorstaan, dat Hij verworpen zou worden door de oudsten, hoofdpriesters en Schriftgeleerden, en dat Hij zou worden gedood en na drie dagen zou verrijzen.
MAR 8:32 Hij sprak er openlijk over, maar Petrus nam Hem apart en begon Hem te berispen.
MAR 8:33 Jezus draaide zich om, keek zijn leerlingen aan en berispte Petrus door te zeggen: “Ga weg, uit mijn ogen, jij satan! Het gaat jou niet om Gods belangen, maar om die van de mensen.”
MAR 8:34 Toen riep Hij de menigte bij zich, samen met zijn leerlingen, en zei: “Als iemand Mij wil volgen, moet hij zichzelf verloochenen, zijn kruis opnemen en Mij volgen.
MAR 8:35 Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen, maar wie zijn leven loslaat voor Mij en voor het evangelie, zal het redden.
MAR 8:36 Immers, wat heeft een mens eraan om de hele wereld te winnen als hij zijn leven verliest?
MAR 8:37 En wat kan een mens geven in ruil voor zijn leven?
MAR 8:38 Als iemand zich voor Mij en mijn woorden schaamt in deze overspelige en zondige tijd, zal de Mensenzoon zich voor hem schamen wanneer Hij komt met de heilige engelen, in de hemelse pracht die zijn Vader omringt.”
MAR 9:1 Jezus zei tegen hen: “Ik verzeker jullie, sommigen die hier staan zullen niet sterven voordat ze Gods koninkrijk op krachtige wijze hebben zien komen.”
MAR 9:2 Zes dagen later nam Jezus Petrus, Jakobus en Johannes mee een hoge berg op, waar ze alleen waren. Daar veranderde Hij voor hun ogen.
MAR 9:3 Zijn kleren werden stralend wit, zo wit als niemand op aarde ze kan maken.
MAR 9:4 Toen verschenen Elia en Mozes aan hen; ze waren met Jezus in gesprek.
MAR 9:5 Petrus onderbrak hen en zei tegen Jezus: “Rabbi, het is goed dat wij hier zijn. Laten we drie hutten bouwen: een voor U, een voor Mozes en een voor Elia.”
MAR 9:6 Hij wist niet hoe te reageren, want ze waren hevig geschrokken.
MAR 9:7 Toen kwam er een wolk die een schaduw over hen wierp. Vanuit de wolk klonk een stem: “Dit is mijn dierbare Zoon. Luister naar Hem!”
MAR 9:8 Plots, toen ze om zich heen keken, zagen ze niemand meer en was enkel Jezus nog bij hen.
MAR 9:9 Tijdens hun afdaling van de berg droeg Jezus hun op, aan niemand te vertellen wat ze hadden gezien zolang de Mensenzoon nog niet uit de dood was verrezen.
MAR 9:10 Ze hielden het gebeurde voor zich, maar onderling bespraken ze wel wat Hij bedoelde met “uit de dood verrijzen”.
MAR 9:11 Ook vroegen ze Hem: “Waarom zeggen de Schriftgeleerden dat Elia eerst moet komen?”
MAR 9:12 Hij antwoordde: “Elia komt inderdaad eerst alles in orde maken. Waarom zou er dan over de Mensenzoon in de Schriften staan dat Hij veel moet lijden en slecht behandeld gaat worden?
MAR 9:13 Maar Ik zal jullie iets vertellen: Elia is reeds gekomen en ze hebben hem alles aangedaan wat ze wilden, zoals over hem in de Schriften staat.”
MAR 9:14 Toen ze bij de andere leerlingen kwamen, zagen ze dat er een grote menigte om hen heen stond en er Schriftgeleerden met hen discussieerden.
MAR 9:15 Zodra alle mensen Jezus zagen, waren ze volkomen verrast en haastten ze zich naar Hem toe om Hem te begroeten.
MAR 9:16 Hij vroeg hun: “Waarover zijn jullie aan het discussiëren?”
MAR 9:17 Iemand uit de menigte antwoordde: “Leraar, ik kwam mijn zoon bij U brengen; hij heeft een geest in zich waardoor hij niet kan praten.
MAR 9:18 Overal waar deze hem overmant, gooit hij hem tegen de grond. Dan staat het schuim op zijn lippen, knarst hij met zijn tanden en verstijft hij. Ik heb uw leerlingen gevraagd om de geest uit te drijven, maar dat lukte hun niet.”
MAR 9:19 Jezus antwoordde: “O, ongelovige mensen, hoelang zal Ik nog bij jullie zijn? Hoelang zal Ik jullie nog verdragen? Breng hem bij Mij.”
MAR 9:20 Toen brachten ze de jongen bij Hem. Zodra de geest Jezus zag, zorgde hij dat de jongen begon te stuiptrekken. Hij viel op de grond en rolde heen en weer met het schuim op zijn lippen.
MAR 9:21 Jezus vroeg aan de vader: “Hoe lang gebeurt dit al met hem?” De vader zei: “Van kleins af aan.
MAR 9:22 De geest heeft hem zelfs vaak in het vuur of het water gegooid om hem om te brengen. Maar als U iets kan doen, help ons dan, heb medelijden met ons.”
MAR 9:23 Jezus zei tegen hem: “Waarom zeg je: ‘Als U iets kan doen’? Voor wie gelooft is alles mogelijk.”
MAR 9:24 De vader van het kind riep meteen uit: “Ik geloof! Kom mijn ongeloof te hulp!”
MAR 9:25 Toen Jezus zag dat er veel mensen op hen afkwamen, beval Hij de onreine geest: “Jij doofstomme geest, Ik gebied je om uit hem weg te gaan en nooit weer in hem binnen te gaan.”
MAR 9:26 Met veel stuiptrekkingen en geschreeuw ging de geest uit hem weg. De jongen bleef voor dood liggen. Veel mensen zeiden: “Hij is gestorven.”
MAR 9:27 Maar Jezus nam hem bij de hand en hielp hem overeind. En hij stond op.
MAR 9:28 Nadat Jezus ergens naar binnen was gegaan en ze met Hem alleen waren, vroegen zijn leerlingen: “Waarom konden wij die geest niet uitdrijven?”
MAR 9:29 Hij antwoordde: “Dit soort kan enkel worden uitgedreven door middel van gebed.”
MAR 9:30 Ze vertrokken uit die plaats en reisden door Galilea, maar Hij wilde niet dat iemand dat wist.
MAR 9:31 Hij was namelijk zijn leerlingen aan het onderwijzen. Hij zei tegen hen: “De Mensenzoon zal aan de mensen worden uitgeleverd. Hij zal worden gedood en na drie dagen zal Hij verrijzen.”
MAR 9:32 Maar ze begrepen deze uitspraak niet en durfden Hem niet om uitleg te vragen.
MAR 9:33 Toen ze in Kafarnaüm waren aangekomen en thuis waren, vroeg Hij hen: “Waarover waren jullie onderweg aan het discussiëren?”
MAR 9:34 Maar ze zwegen, want ze hadden onderweg gediscussieerd over wie van hen de belangrijkste was.
MAR 9:35 Hij ging zitten, riep de Twaalf bij zich en zei: “Wie de belangrijkste wil zijn, moet de minste van allen zijn en iedereen dienen.”
MAR 9:36 Hij nam een kind, zette het tussen hen in, sloeg zijn armen er omheen en zei:
MAR 9:37 “Wie een kind als dit in mijn naam verwelkomt, verwelkomt Mij; en wie Mij verwelkomt, verwelkomt niet Mij maar Degene die Mij heeft gezonden.”
MAR 9:38 Johannes zei tegen Hem: “Leraar, wij zagen iemand in uw naam demonen uitdrijven en wij wilden het hem verbieden omdat hij niet bij ons hoort.”
MAR 9:39 Jezus antwoordde: “Verbied het hem niet, want niemand kan in mijn naam een wonder doen en onmiddellijk daarna iets lelijks over Mij zeggen.
MAR 9:40 Want wie niet tegen ons is, is voor ons.
MAR 9:41 Ik verzeker jullie, wie in mijn naam een beker water aan jullie geeft, zal zijn beloning zeker niet mislopen.
MAR 9:42 En wie een van deze eenvoudige mensen die in Mij geloven tot zonde aanzet, zou beter af zijn als men een zware molensteen om zijn nek zou hangen en hem in zee zou gooien.
MAR 9:43 En als je hand jou tot zonde aanzet, hak haar dan maar af. Je kan beter verminkt het leven binnengaan dan met twee handen in de hel terechtkomen, in het onuitblusbare vuur.
MAR 9:45 En als je voet jou tot zonde aanzet, hak hem dan maar af. Je kan beter gehandicapt het leven binnengaan dan in het bezit van twee voeten in de hel worden gegooid.
MAR 9:47 En als je oog jou tot zonde aanzet, haal het dan maar weg. Je kan beter met één oog Gods koninkrijk binnengaan dan in het bezit van twee ogen in de hel worden gegooid,
MAR 9:48 waar ‘de wormen die aan hen vreten nooit doodgaan en het vuur niet wordt gedoofd’.
MAR 9:49 Want iedereen zal met vuur worden gezouten.
MAR 9:50 Zout is goed, maar als het zout smaakloos wordt, hoe kan je het dan zouten? Zorg dat er zout in jullie zit en bewaar de vrede met elkaar.”
MAR 10:1 Toen vertrok Jezus. Via de overkant van de Jordaan kwam Hij aan in het gebied Judea. Opnieuw kwamen er grote aantallen mensen om Hem heen staan en opnieuw onderwees Hij hun, zoals Hij gewoon was.
MAR 10:2 Enkele farizeeën kwamen Hem op de proef stellen door te vragen: “Mag een man zijn vrouw wegsturen?”
MAR 10:3 Hij antwoordde: “Wat heeft Mozes jullie geboden?”
MAR 10:4 Ze zeiden: “Mozes gaf toestemming om een echtscheidingsakte te schrijven en haar weg te sturen.”
MAR 10:5 Jezus antwoordde: “Het was omdat jullie koppig zijn dat Mozes dat gebod voor jullie opschreef.
MAR 10:6 Maar vanaf het begin van de schepping heeft God hen ‘mannelijk en vrouwelijk gemaakt.
MAR 10:7 Daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten en zich aan zijn vrouw verbinden,
MAR 10:8 en ze zullen samen een nieuw lichaam vormen.’ Ze zijn dus niet langer twee lichamen, maar één.
MAR 10:9 Daarom moet een mens niet scheiden wat God heeft samengevoegd.”
MAR 10:10 Toen ze weer thuis waren, vroegen zijn leerlingen Hem om uitleg.
MAR 10:11 Hij zei tegen hen: “Iemand die zijn vrouw wegstuurt en met een ander trouwt, pleegt echtbreuk ten opzichte van zijn vrouw.
MAR 10:12 En als een vrouw bij haar man weggaat en met een ander trouwt, pleegt zij echtbreuk.”
MAR 10:13 Er werden kinderen bij Jezus gebracht met de bedoeling dat Hij hen zou aanraken, maar zijn leerlingen berispten de mensen.
MAR 10:14 Toen Jezus dat zag, zei Hij verontwaardigd tegen hen: “Laat de kinderen bij Mij komen; houd hen niet tegen, want Gods koninkrijk is bestemd voor wie is zoals zij.
MAR 10:15 Ik verzeker jullie, wie Gods koninkrijk niet aanvaardt als een kind, zal het in geen geval binnengaan.”
MAR 10:16 Hij nam de kinderen in zijn armen en zegende hen door middel van handoplegging.
MAR 10:17 Toen Hij aanstalten maakte om te vertrekken, kwam er iemand naar Hem toe, knielde voor Hem neer en vroeg: “Goede leraar, wat moet ik doen om het eeuwig leven te ontvangen?”
MAR 10:18 Jezus vroeg hem: “Waarom noem je Mij goed? Behalve God is niemand goed.
MAR 10:19 Je kent toch de geboden? Pleeg geen moord, pleeg geen echtbreuk, steel niet, leg geen leugenachtige verklaring af, bedrieg niemand, eer je vader en moeder.”
MAR 10:20 De man antwoordde: “Leraar, aan al die dingen heb ik me van jongs af aan gehouden.”
MAR 10:21 Jezus keek hem aan, kreeg sympathie voor hem en zei: “Eén ding ontbreekt je nog; ga verkopen wat je hebt en geef de opbrengst aan de armen; dan zal je een schat in de hemel hebben. Kom dan terug en volg Mij.”
MAR 10:22 De man was teleurgesteld over dat antwoord en ging aangeslagen weg, want hij had veel bezittingen.
MAR 10:23 Jezus keek om zich heen en zei tegen zijn leerlingen: “Wat is het moeilijk voor rijken om Gods koninkrijk binnen te gaan.”
MAR 10:24 De leerlingen stonden versteld van zijn woorden. Jezus herhaalde: “Mijn kinderen, wat is het moeilijk om Gods koninkrijk binnen te gaan.
MAR 10:25 Het is gemakkelijker voor een kameel om door het oog van een naald te kruipen dan voor een rijke om Gods koninkrijk binnen te gaan.”
MAR 10:26 Nu waren ze helemaal ontdaan. Ze zeiden tegen elkaar: “Maar wie kan dan worden gered?”
MAR 10:27 Jezus keek hen aan en zei: “Bij de mensen is het onmogelijk, maar bij God niet, want bij Hem is alles mogelijk.”
MAR 10:28 Petrus reageerde: “Kijk eens, wij hebben alles achtergelaten om U te volgen!”
MAR 10:29 Jezus zei: “Ik verzeker jullie, er is niemand die zijn huis, broers, zussen, moeder, vader, kinderen of akkers heeft achtergelaten voor Mij en het evangelie,
MAR 10:30 die niet honderdmaal zoveel terugkrijgt: nu in deze tijd huizen, broers, zussen, moeders, kinderen en akkers, maar ook vervolgingen, en in de toekomst het eeuwig leven.
MAR 10:31 Maar veel eersten zullen de laatsten zijn, en veel laatsten de eersten.”
MAR 10:32 Nu waren ze onderweg naar Jeruzalem; Jezus wandelde voorop. Zijn leerlingen waren verbijsterd en de mensen die met hen meekwamen waren bang. Opnieuw nam Hij de Twaalf apart en begon Hij hun te vertellen wat er met Hem zou gebeuren.
MAR 10:33 Hij zei: “Luister, we gaan naar Jeruzalem. Daar zal de Mensenzoon worden uitgeleverd aan de hoofdpriesters en Schriftgeleerden. Zij zullen Hem ter dood veroordelen en Hem aan de niet-Joden uitleveren.
MAR 10:34 En die zullen Hem bespotten, bespuwen, geselen en doden, maar na drie dagen zal Hij verrijzen.”
MAR 10:35 Toen kwamen Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, Hem vragen: “Leraar, wij zouden U willen vragen om iets voor ons te doen.”
MAR 10:36 Hij vroeg: “Wat willen jullie dat Ik voor je doe?”
MAR 10:37 Zij vroegen Hem: “Zou één van ons rechts en de ander links van U mogen zitten in uw hemel?”
MAR 10:38 Jezus antwoordde: “Jullie weten niet wat jullie vragen. Kunnen jullie dezelfde beker leegdrinken als Ik, of dezelfde doop ondergaan als Ik?”
MAR 10:39 Zij antwoordden: “Dat kunnen we.” Jezus zei tegen hen: “Jullie zullen dezelfde beker leegdrinken als Ik, en dezelfde doop ondergaan als Ik.
MAR 10:40 Maar het is niet aan Mij om te bepalen wie rechts of links van Mij mag zitten. Die plaatsen zijn voor de mensen voor wie ze zijn bestemd.”
MAR 10:41 Toen de tien andere leerlingen van Jezus hiervan hoorden, werden ze kwaad op Jakobus en Johannes.
MAR 10:42 Jezus riep hen bij zich en zei: “Jullie weten dat het bij de andere volken zo is dat zij die als leiders worden beschouwd, de baas over hen spelen en dat hun heersers hun gezag over hen laten gelden.
MAR 10:43 Maar bij jullie is dat niet zo. Integendeel, wie onder jullie belangrijk wil worden, moet jullie dienaar zijn
MAR 10:44 en wie onder jullie vooraanstaand wil zijn, moet de slaaf van iedereen zijn.
MAR 10:45 Want zelfs de Mensenzoon is niet gekomen om te worden gediend, maar om te dienen en zijn leven te geven als losgeld voor velen.”
MAR 10:46 Toen kwamen ze aan in Jericho. En toen Jezus en zijn leerlingen samen met een grote menigte Jericho verlieten, zat er een blinde bedelaar aan de kant van de weg. Hij heette Bartimeüs, wat “zoon van Timeüs” betekent.
MAR 10:47 Toen hij hoorde dat Jezus van Nazaret er was, begon hij luid te roepen: “Zoon van David, Jezus, heb medelijden met mij!”
MAR 10:48 Veel mensen snauwden hem toe dat hij moest zwijgen, maar hij riep nog luider: “Zoon van David, heb medelijden met mij!”
MAR 10:49 Jezus hield halt en zei: “Roep hem maar.” Toen riepen ze naar de blinde man: “Wees gerust en sta op, want Hij roept je.”
MAR 10:50 De man deed snel zijn mantel uit, sprong overeind en kwam naar Jezus toe.
MAR 10:51 Jezus vroeg hem: “Wat wil je dat Ik voor je doe?” De blinde man antwoordde: “Rabboeni, ik wil graag weer zien.”
MAR 10:52 Jezus zei tegen hem: “Ga, je geloof heeft je genezen.” De man kon meteen weer zien en kwam achter Hem aan toen Hij zijn weg vervolgde.
MAR 11:1 Toen ze in de buurt van Jeruzalem kwamen – bij Betfagé en Betanië, die tegen de Olijfberg liggen – stuurde Jezus twee van zijn leerlingen vooruit.
MAR 11:2 Hij zei tegen hen: “Ga naar het dorp dat voor jullie ligt. Meteen bij het binnengaan zullen jullie een vastgebonden jonge ezel zien, die nog nooit door iemand is bereden. Maak hem los en breng hem hier.
MAR 11:3 Als iemand jullie vraagt: ‘Wat doen jullie daar?’, zeg dan: ‘De Heer heeft hem nodig en zal hem meteen naar hier terugsturen.’”
MAR 11:4 Ze vertrokken en troffen een jonge ezel aan op straat, vastgebonden bij een deur. Toen ze hem losmaakten,
MAR 11:5 vroegen enkele mensen die daar stonden: “Waarom maken jullie die ezel los?”
MAR 11:6 Ze antwoordden overeenkomstig Jezus' instructies en de mensen lieten hen begaan.
MAR 11:7 Toen ze de jonge ezel bij Jezus hadden gebracht en hun mantels erop hadden gelegd, ging Hij erop zitten.
MAR 11:8 Veel mensen spreidden hun mantels uit op de weg, anderen takken met bladeren die ze in de velden hadden gekapt.
MAR 11:9 De mensen die voor en achter Hem wandelden, riepen: “Hosanna! Gezegend is Hij die komt in de naam van de Heer!
MAR 11:10 Gezegend is het komende koninkrijk van onze vader David! Hosanna aan de Allerhoogste!”
MAR 11:11 Jezus ging Jeruzalem binnen, het tempelterrein op. Nadat Hij alles uitgebreid had bekeken en het laat was geworden, ging Hij met de Twaalf naar Betanië.
MAR 11:12 De volgende ochtend, toen ze Betanië weer verlieten, kreeg Hij honger.
MAR 11:13 Hij zag in de verte een vijgenboom in blad staan en ging kijken of er iets eetbaars aan zat. Eenmaal bij de boom vond Hij alleen maar bladeren, want het was niet de juiste tijd voor vijgen.
MAR 11:14 Hij zei tegen de boom: “Laat niemand ooit nog vruchten van jou eten!” Zijn leerlingen hoorden wat Hij zei.
MAR 11:15 Toen ze in Jeruzalem waren aangekomen, ging Hij het tempelterrein op. Daar begon Hij de mensen weg te jagen die op het tempelterrein aan het kopen of verkopen waren. Hij gooide de tafels van de geldwisselaars en de zitbanken van de duivenverkopers omver
MAR 11:16 en liet niet toe dat iemand voorwerpen over het tempelterrein droeg.
MAR 11:17 Hij legde aan hen uit: “Er staat toch in de Schriften: ‘Mijn huis zal een gebedshuis voor alle volken worden genoemd’? Maar jullie hebben er een rovershol van gemaakt.”
MAR 11:18 De hoofdpriesters en de Schriftgeleerden hoorden het. Ze zochten naar een manier om Hem om te brengen, want ze waren bang voor Hem omdat de hele menigte diep onder de indruk was van zijn onderwijs.
MAR 11:19 Toen het avond werd, gingen Jezus en zijn leerlingen de stad uit.
MAR 11:20 Toen ze de volgende ochtend op de terugweg waren, zagen ze dat de vijgenboom vanaf de wortels was verdord.
MAR 11:21 Petrus herinnerde zich wat er eerder was gebeurd en zei tegen Jezus: “Rabbi, kijk, de vijgenboom die U had vervloekt is verdord.”
MAR 11:22 Jezus antwoordde: “Geloof maar in God.
MAR 11:23 Ik verzeker jullie, als iemand tegen deze berg zegt: kom van je plaats en stort jezelf in zee, en in zijn hart niet twijfelt maar gelooft dat wat hij zegt zal gebeuren, dan zal het voor hem worden gedaan.
MAR 11:24 Daarom zeg Ik jullie: als je ergens om vraagt in je gebed, wat het ook is, geloof dat je het hebt ontvangen en je zal het krijgen.
MAR 11:25 En wanneer je staat te bidden terwijl je iets tegen iemand hebt, vergeef het hem; dan zal je hemelse Vader ook jouw zonden vergeven.”
MAR 11:27 Ze kwamen opnieuw in Jeruzalem en terwijl Jezus over het tempelterrein wandelde, kwamen de hoofdpriesters, de Schriftgeleerden en de oudsten naar Hem toe.
MAR 11:28 Ze vroegen Hem: “Op grond van welke bevoegdheid doet U deze dingen? En wie heeft de bevoegdheid gegeven om ze te doen?”
MAR 11:29 Jezus antwoordde: “Ik zal jullie één vraag stellen. Als jullie Mij antwoorden, zal Ik jullie vertellen op grond van welke bevoegdheid Ik deze dingen doe.
MAR 11:30 De doop van Johannes, kwam die van God of van de mensen? Wat is jullie antwoord?”
MAR 11:31 Ze overlegden met elkaar: “Als we zeggen: van God, zal Hij zeggen: Waarom geloven jullie hem dan niet?
MAR 11:32 Maar als we zeggen: van de mensen …” Ze waren bang voor de menigte, want iedereen was ervan overtuigd dat Johannes werkelijk een profeet was.
MAR 11:33 Daarom antwoordden ze Jezus: “Wij weten het niet.” Toen zei Jezus tegen hen: “Dan vertel Ik jullie ook niet op grond van welke bevoegdheid Ik deze dingen doe.”
MAR 12:1 Toen begon Hij hun parabels te vertellen: “Iemand plantte een wijngaard aan, plaatste een omheining, groef een wijnperskuil en bouwde een wachttoren. Toen verpachtte hij de wijngaard aan wijnbouwers en ging op reis.
MAR 12:2 In de oogsttijd stuurde hij een knecht naar de wijnbouwers om zijn aandeel in de opbrengst van de wijngaard van hen te ontvangen.
MAR 12:3 Maar ze grepen hem, sloegen hem in elkaar en stuurden hem met lege handen weg.
MAR 12:4 Vervolgens stuurde hij een andere knecht naar hen toe, maar ze sloegen hem op het hoofd en vernederden hem.
MAR 12:5 Hij stuurde nog iemand, maar hem doodden ze. Hij stuurde er nog veel meer, en sommigen daarvan sloegen ze in elkaar, anderen doodden ze.
MAR 12:6 Toen hij uiteindelijk maar één persoon over had, zijn dierbare zoon, stuurde hij hem, want hij dacht: mijn zoon zullen ze wel respecteren.
MAR 12:7 Maar de wijnbouwers zeiden tegen elkaar: ‘Dit is de erfgenaam. Kom, laten we hem doden; dan is de erfenis van ons.’
MAR 12:8 Ze grepen hem, doodden hem en gooiden hem de wijngaard uit.
MAR 12:9 Wat gaat de eigenaar van de wijngaard nu doen? Hij zal komen, de wijnbouwers ombrengen en de wijngaard aan anderen geven.
MAR 12:10 Hebben jullie dit Schriftgedeelte niet gelezen: ‘De steen die de bouwers hebben afgekeurd, is de hoeksteen geworden;
MAR 12:11 de Heer heeft hiervoor gezorgd, het is verbazingwekkend om te zien’?”
MAR 12:12 Toen wilden de hoofdpriesters, Schriftgeleerden en oudsten Jezus arresteren, want ze beseften dat de parabel over hen ging. Maar ze lieten Hem met rust en vertrokken, omdat ze bang waren voor de menigte.
MAR 12:13 Later stuurden ze enkele farizeeën en aanhangers van Herodes op Hem af om Hem in zijn eigen woorden te vangen.
MAR 12:14 Toen ze bij Hem waren gekomen, zeiden ze: “Leraar, wij weten dat U oprecht bent. U laat zich door niemand beïnvloeden en praat niemand naar de mond, maar U onderwijst naar waarheid hoe men Gods weg moet bewandelen. Is het toegestaan om de keizerlijke belasting te betalen, of niet? Moeten we betalen, of mag het niet?”
MAR 12:15 Maar Jezus doorzag hun hypocrisie. Hij zei: “Waarom stellen jullie Mij op de proef? Breng Mij een denarie en laat Me die zien.”
MAR 12:16 Ze brachten Hem een munt en Hij vroeg: “Wie staat hierop afgebeeld? En welke naam staat erop?” Ze antwoordden: “Van de keizer.”
MAR 12:17 Jezus zei tegen hen: “Geef dan aan de keizer wat van de keizer is, en aan God wat van God is.” Toen waren ze stomverbaasd over Hem.
MAR 12:18 Daarna kwamen er sadduceeën bij Hem. (Sadduceeën beweren dat er geen verrijzenis is.) Zij vroegen Hem:
MAR 12:19 “Leraar, volgens de geschriften van Mozes moet iemand van wie de broer sterft en een vrouw maar geen kinderen nalaat, met de weduwe trouwen en zo voor nakomelingen zorgen voor zijn gestorven broer.
MAR 12:20 Maar er waren eens zeven broers. De eerste trouwde, maar hij stierf kinderloos.
MAR 12:21 De tweede broer trouwde met de weduwe, maar stierf ook zonder nakomelingen. Zo verging het ook de derde.
MAR 12:22 De zeven broers lieten geen nakomelingen achter en als laatste van allen stierf de vrouw.
MAR 12:23 Van wie wordt zij de echtgenote bij de verrijzenis? Want ze zijn alle zeven met haar getrouwd geweest!”
MAR 12:24 Jezus zei tegen hen: “Jullie zitten op een dwaalspoor. Komt dat niet doordat jullie noch de Schriften, noch Gods macht begrijpen?
MAR 12:25 Wanneer de mensen uit de dood verrijzen, trouwen ze niet, maar zijn ze als engelen in de hemel.
MAR 12:26 En wat de verrijzenis van de doden betreft, hebben jullie niet in het boek van Mozes gelezen, in het gedeelte over de doornstruik, dat God tegen hem zei: ‘Ik ben de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob’?
MAR 12:27 Hij is niet de God van doden, maar van levenden. Jullie zitten er ver naast.”
MAR 12:28 Een van de Schriftgeleerden was dichterbij gekomen, had hen horen debatteren, besefte dat Jezus hun een goed antwoord had gegeven, en vroeg Hem: “Welk gebod is het belangrijkste van al?”
MAR 12:29 Jezus antwoordde: “Het belangrijkste gebod is: Luister, Israël! De Heer is onze God, de Heer is één.
MAR 12:30 Heb de Heer, je God, lief met heel je hart, met heel je ziel, met heel je verstand en met al je kracht.
MAR 12:31 Het tweede is: Heb je naaste lief zoals je jezelf liefhebt. Er bestaat geen belangrijker gebod dan deze twee.”
MAR 12:32 De Schriftgeleerde zei: “Dat is juist, Leraar. Er is inderdaad maar één God; een ander is er niet.
MAR 12:33 Hem liefhebben met heel je hart, heel je verstand en al je kracht en je naaste liefhebben zoals je jezelf liefhebt is belangrijker dan alle soorten offers.”
MAR 12:34 Toen Jezus zag dat de Schriftgeleerde een verstandig antwoord had gegeven, zei Hij tegen hem: “U bevindt zich niet ver van Gods koninkrijk.” Nu durfde niemand nog vragen aan Hem te stellen.
MAR 12:35 Tijdens het onderwijzen op het tempelterrein vroeg Jezus: “Waarom zeggen de Schriftgeleerden dat de Messias de zoon van David is?
MAR 12:36 David verklaarde toch zelf, aangestuurd door de Heilige Geest: ‘De Heer zei tegen mijn Heer: neem plaats aan mijn rechterzijde, totdat Ik je vijanden aan Je heb onderworpen.’
MAR 12:37 David zelf noemt Hem zijn Heer. Hoe kan Hij dan zijn zoon zijn?” Het grote publiek luisterde graag naar Hem.
MAR 12:38 Tijdens het onderwijzen zei Jezus ook: “Pas op voor de Schriftgeleerden. Zij houden ervan, in prachtige gewaden rond te wandelen, met respect te worden begroet op het marktplein,
MAR 12:39 en de beste plaatsen in te nemen in de synagogen en bij feestmalen.
MAR 12:40 Maar ze slokken de huizen van weduwen op en bidden lange gebeden voor de schijn. Ze zullen extra zwaar worden gestraft.”
MAR 12:41 Jezus ging tegenover de offerkist zitten en keek hoe de mensen er geld in staken. Veel rijke mensen gaven grote bedragen,
MAR 12:42 maar een arme weduwe stak er twee kopermuntjes in ter waarde van een kwadrans.
MAR 12:43 Jezus riep zijn leerlingen bij zich en zei tegen hen: “Ik verzeker jullie dat deze arme weduwe meer in de offerkist heeft gestoken dan alle anderen.
MAR 12:44 Want zij gaven allen iets vanuit hun overvloed, maar deze vrouw gaf vanuit haar armoede alles wat ze had, haar hele levensonderhoud.”
MAR 13:1 Bij het verlaten van het tempelterrein zei een van Jezus' leerlingen tegen Hem: “Kijk, Leraar, wat een prachtige stenen en enorme gebouwen!”
MAR 13:2 Jezus antwoordde: “Zie je al die grote gebouwen? Niet één steen hier zal op de andere worden gelaten; het zal allemaal worden verwoest.”
MAR 13:3 Later, toen Jezus tegenover het tempelterrein op de Olijfberg zat en alleen was met Petrus, Jakobus, Johannes en Andreas, vroegen zij Hem:
MAR 13:4 “Kunt U ons vertellen wanneer dat zal zijn en wat het teken zal zijn dat het allemaal op het punt staat te gebeuren?”
MAR 13:5 Jezus begon hen toe te spreken: “Pas op dat niemand jullie misleidt.
MAR 13:6 Er zullen veel mensen komen die zich mijn naam toe-eigenen en zich voor Mij uitgeven; zij zullen veel mensen misleiden.
MAR 13:7 En wanneer jullie horen van oorlogen en oorlogsdreiging, maak je dan niet ongerust. Die dingen moeten gebeuren, maar het einde is dan nog niet aangebroken.
MAR 13:8 Want volken en koninkrijken zullen tegen elkaar oorlogvoeren, op allerlei plaatsen zullen er aardbevingen plaatsvinden, en er komen hongersnoden. Dat is het begin van de weeën.
MAR 13:9 Wees dus op je hoede. Jullie zullen aan stadsraden worden uitgeleverd en in synagogen worden gegeseld. Omwille van Mij zullen jullie voor heersers en koningen terechtstaan om tegenover hen te getuigen van Mij.
MAR 13:10 En eerst moet aan alle volken het evangelie worden verkondigd.
MAR 13:11 Wanneer jullie worden gearresteerd en overgeleverd, wees dan niet ongerust over wat je zal zeggen. Zeg gewoon wat je op dat moment wordt ingegeven; dan ben je het namelijk niet zelf die spreekt, maar de Heilige Geest.
MAR 13:12 De ene broer zal de andere uitleveren om te worden omgebracht, en een vader zijn kind; kinderen zullen tegen hun ouders in opstand komen en hen laten ombrengen.
MAR 13:13 Jullie zullen door iedereen worden gehaat omwille van mijn naam, maar wie standhoudt tot het einde, zal worden gered.
MAR 13:14 Wanneer jullie dan de ‘verwoestende gruwel’ zien staan waar hij niet hoort – lezer, begrijp wat dit betekent – moeten de mensen in Judea de bergen invluchten.
MAR 13:15 Wie zich op het dakterras bevindt, moet niet naar beneden of naar binnen gaan om iets uit huis mee te nemen.
MAR 13:16 Wie zich op het land bevindt, moet niet terugkeren om zijn mantel op te halen.
MAR 13:17 Het zal verschrikkelijk zijn voor vrouwen die in die periode zwanger zijn of borstvoeding geven.
MAR 13:18 Bid dat het niet in de winter plaatsvindt,
MAR 13:19 want tijdens die periode zal er leed zijn zoals er nog nooit is geweest van het begin van Gods schepping tot nu, en zoals er daarna nooit meer zal zijn.
MAR 13:20 En als de Heer die periode niet zou hebben ingekort, zou geen mens het overleven. Maar Hij heeft die periode ingekort in het belang van de uitverkorenen, de mensen die Hij heeft uitgekozen.
MAR 13:21 Als iemand dan tegen jullie zegt: ‘Kijk, hier is de Messias!’, of: ‘Kijk, daar is Hij!’, geloof het dan niet.
MAR 13:22 Want er zullen valse messiassen en valse profeten opstaan, die tekenen en wonderen doen om zo mogelijk de uitverkorenen te misleiden.
MAR 13:23 Wees dus op je hoede. Ik heb jullie gewaarschuwd.
MAR 13:24 Maar dan, na dat leed, zal de zon verduisteren en de maan geen licht geven,
MAR 13:25 zullen de sterren uit de lucht vallen en de hemellichamen uit koers raken.
MAR 13:26 En dan zal men de Mensenzoon in de wolken zien komen, met veel macht en hemelse pracht.
MAR 13:27 Dan zal Hij de engelen eropuit sturen om zijn uitverkorenen vanuit de vier windstreken, uit alle uithoeken van de wereld, samen te brengen.
MAR 13:28 Leer daarom van de volgende vergelijking met de vijgenboom: zodra zijn takken uitlopen en de bladeren verschijnen, weet je dat het bijna zomer is.
MAR 13:29 Op dezelfde manier kunnen jullie, wanneer je deze dingen ziet gebeuren, weten dat het voor de deur staat.
MAR 13:30 Ik verzeker jullie, dit volk zal niet vergaan voordat dit alles gebeurt.
MAR 13:31 De hemel en de aarde zullen vergaan, maar mijn woorden zullen nooit vergaan.
MAR 13:32 Maar op welke dag en welk tijdstip dat zal gebeuren weet niemand; zelfs de engelen in de hemel niet, ook de Zoon niet, enkel de Vader.
MAR 13:33 Pas op, wees waakzaam, want jullie weten niet wanneer het zover is.
MAR 13:34 Het is als bij iemand die op reis gaat: hij draagt het beheer van zijn huis aan zijn dienaren over door aan elk van hen een taak te geven, en hij geeft de portier opdracht om op de uitkijk te staan.
MAR 13:35 Wees dus waakzaam, want jullie weten niet op welk tijdstip de eigenaar van het huis terugkomt: 's avonds, tegen middernacht, in de kleine uurtjes of vlak voor de ochtend aanbreekt.
MAR 13:36 Zorg dat hij je niet slapend aantreft wanneer hij plots komt.
MAR 13:37 Wat Ik jullie zeg, zeg Ik aan iedereen: wees waakzaam.”
MAR 14:1 Het was twee dagen voor Pesach en het Feest van de Ongedesemde Broden. De hoofdpriesters en Schriftgeleerden zonnen op een list om Jezus te kunnen oppakken en doden.
MAR 14:2 “Maar niet tijdens het feest,” zeiden ze, “anders komt er een volksopstand.”
MAR 14:3 Toen Jezus in Betanië deelnam aan een maaltijd in het huis van Simon de Melaatse, kwam er een vrouw naar Hem toe met een albasten flesje kostbare zuivere nardusolie. Ze brak het flesje open en goot de geurige olie over zijn hoofd.
MAR 14:4 Sommige van de aanwezigen zeiden verontwaardigd tegen elkaar: “Waarom werd die geurige olie verspild?
MAR 14:5 Die olie had verkocht kunnen worden voor meer dan driehonderd denarie en de opbrengst had aan de armen kunnen worden gegeven.” Ze vielen ruw tegen haar uit.
MAR 14:6 Maar Jezus zei: “Laat haar met rust. Waarom vallen jullie haar lastig? Ze heeft iets goeds voor Mij gedaan.
MAR 14:7 Er zullen altijd arme mensen bij jullie zijn en jullie kunnen goed voor hen doen wanneer jullie willen. Maar Ik zal niet altijd bij jullie zijn.
MAR 14:8 Zij heeft gedaan wat ze kon: ze heeft mijn lichaam gezalfd ter voorbereiding van mijn begrafenis.
MAR 14:9 Ik verzeker jullie, overal in de wereld waar het evangelie zal worden verkondigd, zal ter herinnering aan haar worden verteld wat zij heeft gedaan.”
MAR 14:10 Toen ging Judas Iskariot, een van de Twaalf, naar de hoofdpriesters om Jezus aan hen uit te leveren.
MAR 14:11 Ze waren verheugd om dat te vernemen en beloofden dat ze hem geld zouden betalen. Daarom zocht hij naar een gelegenheid om Jezus aan hen uit te leveren.
MAR 14:12 Op de eerste dag van het Feest van de Ongedesemde Broden, de dag waarop gewoonlijk het Pesachlam wordt geslacht, vroegen Jezus' leerlingen Hem: “Waar wilt U dat we de Pesachmaaltijd voor U gaan klaarmaken?”
MAR 14:13 Hij stuurde twee van zijn leerlingen eropuit met de woorden: “Ga de stad in. Daar zullen jullie een man tegenkomen die een waterkan draagt. Volg hem en
MAR 14:14 zeg tegen de eigenaar van het huis waar hij naar binnen gaat: ‘De Leraar vraagt: Waar is het vertrek waar Ik met mijn leerlingen de Pesachmaaltijd kan eten?’
MAR 14:15 Hij zal jullie een bovenzaal tonen, ingericht en op orde. Maak het daar voor ons klaar.”
MAR 14:16 De leerlingen vertrokken, gingen de stad in, troffen alles aan volgens zijn beschrijving en maakten de Pesachmaaltijd klaar.
MAR 14:17 's Avonds kwam Hij met de Twaalf.
MAR 14:18 Ze gingen aan tafel en tijdens het eten zei Jezus: “Ik verzeker jullie, één van jullie zal Mij verraden, iemand die met Mij aan het eten is.”
MAR 14:19 Daar werden ze bedroefd van en ze vroegen Hem, de een na de ander: “Ik ben het toch niet?”
MAR 14:20 Hij antwoordde: “Het is één van jullie twaalf, iemand die zijn brood samen met Mij in de schaal doopt.
MAR 14:21 Want de Mensenzoon zal heengaan, zoals over Hem in de Schriften staat, maar wee degene door wie de Mensenzoon wordt verraden: voor die persoon zou het beter zijn geweest als hij niet was geboren.”
MAR 14:22 Tijdens de maaltijd nam Jezus een brood, sprak een zegengebed uit, brak het in stukken, verdeelde die onder hen en zei: “Neem dit aan; dit is mijn lichaam.”
MAR 14:23 Ook nam Hij een beker, sprak een dankgebed uit en reikte hun de beker aan. Ze dronken er allen uit.
MAR 14:24 Hij zei tegen hen: “Dit is mijn bloed, het bloed van het verbond, dat voor veel mensen wordt vergoten.
MAR 14:25 Ik verzeker jullie, Ik zal niet meer drinken van de vrucht van de druivelaar tot de dag waarop Ik nieuwe wijn drink in Gods koninkrijk.”
MAR 14:26 Na het zingen van een danklied vertrokken ze naar de Olijfberg.
MAR 14:27 Jezus zei tegen hen: “Jullie zullen Mij allemaal in de steek laten, want in de Schriften staat: ‘Ik zal de herder doodslaan en de schapen zullen worden uiteengedreven.’
MAR 14:28 Maar nadat Ik ben verrezen, zal Ik voor jullie uit naar Galilea gaan.”
MAR 14:29 Petrus zei tegen Hem: “Al zou iedereen U in de steek laten, ik niet!”
MAR 14:30 Jezus antwoordde: “Ik verzeker je, vandaag, ja vannacht nog, voordat de haan tweemaal kraait, zal jij Mij driemaal verloochenen.”
MAR 14:31 Petrus hield vol: “Al moet ik met U sterven, ik zal U nooit verloochenen.” Alle anderen zeiden hetzelfde.
MAR 14:32 Toen ze bij een plaats aankwamen die Getsemane heet, zei Jezus tegen zijn leerlingen: “Gaan jullie hier zitten terwijl Ik ga bidden.”
MAR 14:33 Hij nam Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee en begon ontdaan en onrustig te worden.
MAR 14:34 Hij zei tegen hen: “Ik ben dodelijk bedroefd. Blijf hier en waak.”
MAR 14:35 Hij stapte iets verder, liet zich op de grond vallen en bad dat, indien mogelijk, dit tijdstip aan Hem zou mogen voorbijgaan.
MAR 14:36 Hij zei: “Abba, Vader, U kan alles. Neem deze beker van Mij weg! laat echter niet gebeuren wat Ik wil, maar wat U wil.”
MAR 14:37 Toen Hij terugkwam, trof Hij hen slapend aan. Hij zei tegen Petrus: “Simon, slaap je? Was je zelfs niet in staat om één uur te waken?
MAR 14:38 Waak en bid, opdat jullie niet in verzoeking komen, want de geest is wel bereidwillig maar het lichaam is zwak.”
MAR 14:39 Hij ging weg en bad opnieuw hetzelfde gebed.
MAR 14:40 Toen Hij opnieuw terugkwam, trof Hij hen slapend aan, want hun ogen waren dichtgevallen. Ze wisten niet wat ze Hem konden antwoorden.
MAR 14:41 Toen Hij voor de derde keer terugkwam, zei Hij tegen hen: “Zijn jullie nog altijd aan het slapen en rusten? Het is genoeg geweest, het tijdstip is aangebroken waarop de Mensenzoon aan de zondaars wordt uitgeleverd.
MAR 14:42 Sta maar op, laten we vertrekken; mijn verrader is bijna hier.”
MAR 14:43 Terwijl Hij nog sprak, arriveerde Judas, een van de Twaalf, met een groep mensen met zwaarden en knuppels. Ze waren gestuurd door de hoofdpriesters, Schriftgeleerden en oudsten.
MAR 14:44 Jezus' verrader had een teken met hen afgesproken: “Het is degene die ik met een kus begroet; Hem moeten jullie arresteren en onder bewaking wegleiden.”
MAR 14:45 Hij stapte recht op Jezus af, zei “Rabbi!” en gaf Hem een kus.
MAR 14:46 Ze grepen Jezus en arresteerden Hem.
MAR 14:47 Maar een van de omstaanders trok zijn zwaard, viel de dienaar van de hogepriester aan en hakte zijn oor af.
MAR 14:48 Jezus zei tegen de mensen: “Zijn jullie Mij hier als een misdadiger met zwaarden en knuppels komen arresteren?
MAR 14:49 Ik was toch elke dag bij jullie op het tempelterrein aan het onderwijzen? Toen hebben jullie Mij niet opgepakt. Maar de Schriften moeten in vervulling gaan.”
MAR 14:50 Toen liet iedereen Jezus in de steek en vluchtte weg.
MAR 14:51 Een jongeman die een linnen kledingstuk op het naakte lichaam droeg, volgde Jezus en werd door hen gegrepen.
MAR 14:52 Hij maakte zich uit het kledingstuk los en vluchtte naakt weg.
MAR 14:53 Jezus werd weggeleid, naar de hogepriester, waar alle hoofdpriesters, oudsten en Schriftgeleerden bijeenkwamen.
MAR 14:54 Petrus volgde Hem op een afstand, helemaal tot op de binnenplaats van het huis van de hogepriester. Daar ging hij bij de bewakers zitten om zich aan het vuur te warmen.
MAR 14:55 De hoofdpriesters en de hele Joodse raad zochten naar een getuigenverklaring op grond waarvan ze Jezus ter dood zouden kunnen veroordelen, maar ze vonden die niet.
MAR 14:56 Veel mensen legden valse verklaringen tegen Hem af, maar de getuigenissen stemden niet met elkaar overeen.
MAR 14:57 Toen kwamen er mensen naar voren met de volgende valse bezwarende verklaring:
MAR 14:58 “Wij hebben Hem horen zeggen: Ik zal deze door mensen gebouwde tempel verwoesten en in drie dagen een andere, niet door mensenhanden gemaakte, tempel bouwen.”
MAR 14:59 Maar zelfs hun getuigenissen stemden niet met elkaar overeen.
MAR 14:60 Toen ging de hogepriester in het midden staan en vroeg aan Jezus: “Hebt U geen antwoord op de verklaring van deze getuigen tegen U?”
MAR 14:61 Maar Hij zweeg en gaf helemaal geen antwoord. De hogepriester vroeg verder: “Bent U de Messias, de Zoon van de Gezegende?”
MAR 14:62 Jezus zei: “Dat ben Ik. En u zal de Mensenzoon aan de rechterzijde van de Machtige zien zitten, en Hem zien komen met de wolken.”
MAR 14:63 De hogepriester scheurde zijn kleren en zei: “Waarom hebben we nog getuigen nodig?
MAR 14:64 U heeft de godslastering gehoord. Wat is uw besluit?” Ze oordeelden allemaal dat Jezus de doodstraf verdiende.
MAR 14:65 Sommigen begonnen naar Hem te spuwen, Hem te blinddoeken en Hem te slaan, terwijl ze riepen: “Profeteer dan!” De bedienden namen Hem over en ook zij sloegen Hem.
MAR 14:66 Terwijl Petrus beneden op de binnenplaats was, kwam er een dienstmeisje van de hogepriester voorbij.
MAR 14:67 Toen ze Petrus zag, die zich aan het warmen was, keek ze hem aan en zei ze: “U was ook bij die Jezus van Nazaret.”
MAR 14:68 Maar hij ontkende het. “Ik heb geen idee waarover je het hebt”, zei hij en ging naar het voorportaal. Toen kraaide er een haan.
MAR 14:69 Maar toen het dienstmeisje hem daar zag, herhaalde ze het tegenover de omstaanders: “Die man is één van hen.”
MAR 14:70 Opnieuw ontkende Petrus. Na een tijdje zeiden de omstaanders tegen Petrus: “Jij bent toch echt één van hen, want je bent een Galileeër.”
MAR 14:71 Hij begon vloeken over zichzelf af te roepen en te zweren: “Ik ken die Man niet over Wie jullie het hebben.”
MAR 14:72 Meteen kraaide voor de tweede keer een haan. Toen herinnerde Petrus zich wat Jezus tegen hem had gezegd: “Voordat de haan tweemaal kraait, zal jij Mij driemaal verloochenen.” Hij barstte in tranen uit en weende.
MAR 15:1 Zodra het ochtend werd, kwamen de hoofdpriesters met de oudsten, Schriftgeleerden en de hele Joodse raad tot een gezamenlijk besluit. Ze leidden Jezus gebonden weg en leverden Hem over aan Pilatus.
MAR 15:2 Pilatus vroeg Hem: “Bent U de koning van de Joden?” Jezus antwoordde: “U zegt het zelf.”
MAR 15:3 De hoofdpriesters brachten allerlei beschuldigingen tegen Hem in.
MAR 15:4 Pilatus vroeg verder: “Geeft U geen antwoord? U hoort toch waarvan ze U beschuldigen!”
MAR 15:5 Maar Jezus gaf nog altijd geen antwoord, wat Pilatus verwonderde.
MAR 15:6 Gewoonlijk liet Pilatus tijdens het feest een gevangene vrij op verzoek van het volk.
MAR 15:7 Iemand die Barabbas heette, zat gevangen met de opstandelingen die zich tijdens het oproer aan moord hadden schuldig gemaakt.
MAR 15:8 Toen de menigte naar Pilatus toe ging met het verzoek om te doen wat hij gewoonlijk deed,
MAR 15:9 stelde Pilatus voor: “Willen jullie dat ik de koning van de Joden vrijlaat?”
MAR 15:10 Hij besefte namelijk dat de hoofdpriesters Jezus hadden uitgeleverd uit afgunst.
MAR 15:11 Maar de hoofdpriesters hitsten de menigte op om te eisen dat Barabbas zou worden vrijgelaten.
MAR 15:12 Daarom vroeg Pilatus hen: “Wat willen jullie dat ik doe met de Man die jullie de koning van de Joden noemen?”
MAR 15:13 De mensen riepen terug: “Kruisig Hem!”
MAR 15:14 Pilatus vroeg: “Wat heeft Hij dan misdaan?” Toen riepen ze nog luider: “Kruisig Hem!”
MAR 15:15 Pilatus besloot om de menigte tevreden te stellen. Daarom liet hij Barabbas vrij, maar Jezus liet hij geselen en vervolgens wegleiden om te worden gekruisigd.
MAR 15:16 De soldaten leidden Jezus het paleis – dat wil zeggen: het hoofdkwartier – binnen en riepen hun gehele legerafdeling bijeen.
MAR 15:17 Vervolgens trokken ze Jezus een paarse mantel aan en vlochten ze een krans van doorntakken die ze Hem als een kroon opzetten.
MAR 15:18 Ze begonnen Hem te “begroeten”: “Gegroet, koning van de Joden!”
MAR 15:19 Ze sloegen Hem op het hoofd met een rietstok, bespuwden Hem en knielden om Hem te ‘eren’.
MAR 15:20 Nadat ze zo de spot met Jezus hadden gedreven, trokken ze Hem de paarse mantel uit en zijn eigen kleren aan. Vervolgens leidden ze Hem naar buiten om Hem te kruisigen.
MAR 15:21 Er was een voorbijganger die van het land kwam, Simon van Cyrene, de vader van Alexander en Rufus. Hem dwongen ze, Jezus' kruis te dragen.
MAR 15:22 Ze brachten Hem naar de plaats die Golgota heet. Dat betekent: Schedelplaats.
MAR 15:23 Daar reikten ze Jezus wijn met mirre aan, maar Hij weigerde die.
MAR 15:24 Toen kruisigden ze Hem. Zijn kleren verdeelden ze onder elkaar door middel van verloting.
MAR 15:25 Het was negen uur 's ochtends toen ze Hem kruisigden.
MAR 15:26 Op het bordje met de aanklacht tegen Hem stond: “De koning van de Joden.”
MAR 15:27 Samen met Jezus werden twee misdadigers gekruisigd: de ene rechts en de andere links van Hem.
MAR 15:29 De voorbijgangers beledigden Jezus door hoofdschuddend te roepen: “Ha, Jij die de tempel verwoest en binnen drie dagen herbouwt!
MAR 15:30 Red Jezelf en kom van het kruis af!”
MAR 15:31 Ook de hoofdpriesters en de Schriftgeleerden bespotten Hem, door tegen elkaar te zeggen: “Anderen heeft Hij gered, maar zichzelf redden kan Hij niet.
MAR 15:32 Laat die Messias, die koning van Israël, maar van het kruis afkomen. Als we dat zien, zullen we geloven.” Zelfs zij die samen met Jezus werden gekruisigd, bespotten Hem.
MAR 15:33 Om twaalf uur werd het donker in het hele land, tot drie uur 's middags.
MAR 15:34 Om drie uur 's middags riep Jezus luid: “Eloï, Eloï, lama sabachtani?” Dat betekent: Mijn God, Mijn God, waarom heeft U Mij verlaten?
MAR 15:35 Sommigen die dichtbij stonden, hoorden dat en zeiden: “Hoor je dat? Hij roept Elia.”
MAR 15:36 Iemand haalde snel een spons, vulde die met zure wijn en stak hem op een stok om Jezus te drinken te geven, terwijl hij zei: “Wacht, laten we kijken of Elia Hem van het kruis komt halen.”
MAR 15:37 Maar Jezus slaakte een luide kreet en stierf.
MAR 15:38 Toen scheurde het tempelgordijn van boven naar beneden in tweeën.
MAR 15:39 Toen de centurio die tegenover Jezus stond, zag dat Hij op die wijze was gestorven, zei hij: “Deze man was werkelijk de Zoon van God.”
MAR 15:40 Er waren vrouwen die vanop een afstand toekeken, waaronder Maria van Magdala, Maria de moeder van Jakobus de Jongere en van Joses, en Salome.
MAR 15:41 Zij hadden Jezus gevolgd en gediend toen Hij in Galilea was. Er waren ook veel andere vrouwen bij, die met Hem naar Jeruzalem waren meegekomen.
MAR 15:42 Het was Voorbereidingsdag, de dag voor de sabbat. Toen het avond werd,
MAR 15:43 vatte Jozef van Arimatea, een vooraanstaand lid van de Joodse raad die zelf ook Gods koninkrijk verwachtte, moed en ging hij Pilatus vragen om Jezus' lichaam.
MAR 15:44 Pilatus verbaasde zich erover dat Jezus al gestorven zou zijn en ontbood de centurio om hem te vragen of Hij al gestorven was.
MAR 15:45 Pas toen hij het van de centurio zelf had vernomen, gaf hij het lichaam vrij aan Jozef.
MAR 15:46 Jozef kocht een stuk linnen, haalde Jezus van het kruis, wikkelde Hem in het linnen, legde Hem in een graf dat in de rots was uitgehouwen en rolde een steen voor de ingang van dat graf.
MAR 15:47 Maria van Magdala en Maria de moeder van Joses zagen waar Jezus was neergelegd.
MAR 16:1 Toen de sabbat voorbij was, kochten Maria van Magdala, Maria de moeder van Jakobus, en Salome geurige oliën om Jezus' lichaam te zalven.
MAR 16:2 Op de eerste dag van de week waren ze al vroeg, vlak na zonsopgang, onderweg naar het graf.
MAR 16:3 Ze vroegen zich af: “Wie zal de steen voor de ingang voor ons wegrollen?”
MAR 16:4 Maar toen ze keken, zagen ze dat de steen, die zeer groot was, reeds was weggerold.
MAR 16:5 Ze gingen het graf binnen en zagen aan de rechterkant een jongeman zitten die een lang wit gewaad droeg. Ze schrokken hevig.
MAR 16:6 Hij zei tegen hen: “Schrik maar niet. Jullie zoeken Jezus van Nazaret, die gekruisigd was. Hij is verrezen; Hij is hier niet. Kijk maar waar ze Hem hadden neergelegd.
MAR 16:7 Ga nu en zeg tegen zijn leerlingen, ook Petrus: ‘Hij gaat voor jullie uit naar Galilea en daar zullen jullie Hem zien, zoals Hij jullie had verteld.’”
MAR 16:8 De vrouwen gingen bevend van schrik naar buiten en vluchtten bij het graf vandaan. Ze waren zo van slag, dat ze tegen niemand iets zeiden.
MAR 16:9 Nadat Jezus 's morgens vroeg op de eerste dag van de week verrezen was, vertoonde Hij zich eerst aan Maria van Magdala, bij wie Hij zeven demonen had uitgedreven.
MAR 16:10 Zij ging het verkondigen aan de mensen die Hem hadden vergezeld en die nu aan het rouwen en wenen waren.
MAR 16:11 Toen die hoorden dat Jezus leefde en dat zij Hem had gezien, geloofden ze het niet.
MAR 16:12 Daarna vertoonde Hij zich in een andere gedaante aan twee van hen, die naar het platteland gingen.
MAR 16:13 Zij keerden terug om het aan de anderen te vertellen, maar die geloofden het nog altijd niet.
MAR 16:14 Nog later vertoonde Jezus zich aan de Elf toen die aan het eten waren. Hij verweet hen hun ongeloof en hun koppige weigering om de mensen te geloven die Hem hadden gezien nadat Hij was verrezen.
MAR 16:15 Hij zei tegen hen: “Ga de hele wereld in en verkondig het evangelie aan de hele schepping.
MAR 16:16 Wie gelooft en zich laat dopen, zal worden gered, maar wie niet gelooft, zal worden veroordeeld.
MAR 16:17 Bij de gelovigen zullen de volgende tekenen gebeuren: in mijn naam zullen ze demonen uitdrijven, ze zullen in tongentaal spreken,
MAR 16:18 met hun handen zullen ze slangen opnemen en als ze dodelijk gif drinken zal het hun geen kwaad doen, ze zullen zieke mensen de handen opleggen en die zullen gezond worden.”
MAR 16:19 Nadat de Heer Jezus hen toegesproken had, werd Hij in de hemel opgenomen en nam Hij plaats aan Gods rechterzijde.
MAR 16:20 Zijn leerlingen gingen eropuit om overal het evangelie te verkondigen. De Heer werkte door hen en bevestigde hun boodschap door middel van de tekenen die ermee gepaard gingen.
LUK 1:1 Velen hebben geprobeerd een verslag te maken over de gebeurtenissen die bij ons hebben plaatsgevonden,
LUK 1:2 en die aan ons zijn overgeleverd door de mensen die vanaf het begin ooggetuigen zijn geweest en het nieuws hebben doorgegeven.
LUK 1:3 Daarom leek het ook mij goed om – nadat ik alles vanaf het begin nauwkeurig heb onderzocht – een ordelijk verslag voor u te schrijven, geachte Theofilus,
LUK 1:4 zodat u er zeker van kan zijn dat hetgeen men u geleerd heeft, waar is.
LUK 1:5 In de tijd van Herodes, koning van Judea, was er een priester die Zacharias heette. Hij behoorde tot de afdeling van Abia. Zijn vrouw heette Elisabet; ook zij stamde af van Aäron.
LUK 1:6 Ze waren allebei rechtvaardig in Gods ogen; ze hielden zich nauwgezet aan alle geboden en voorschriften van de Heer.
LUK 1:7 Ze hadden geen kinderen, omdat Elisabet onvruchtbaar was, en ze waren allebei op leeftijd.
LUK 1:8 Op een dag dat het de beurt van Zacharias' afdeling was om de priestertaken in Gods aanwezigheid uit te voeren,
LUK 1:9 werd hij, door een loting die volgens de priesterlijke gebruiken werd uitgevoerd, aangewezen om het tempelgebouw van de Heer binnen te gaan en daar wierook te branden.
LUK 1:10 Op het tijdstip dat het wierookoffer zou worden gebracht, stond een groot aantal Joodse mensen buiten te bidden.
LUK 1:11 Toen verscheen aan Zacharias een engel van de Heer; hij stond rechts van het wierookaltaar.
LUK 1:12 Toen Zacharias de engel zag, schrok hij hevig en werd hij door angst bevangen.
LUK 1:13 De engel zei echter tegen hem: “Wees niet bang, Zacharias, want je gebed is verhoord. Jij en je vrouw Elisabet zullen een zoon krijgen en je moet hem de naam Johannes geven.
LUK 1:14 Hij zal een bron van grote vreugde en blijdschap voor je zijn en veel mensen zullen zich over zijn geboorte verheugen,
LUK 1:15 want hij zal een groot man zijn in de ogen van de Heer. Hij mag geen wijn of andere alcoholische dranken nuttigen en hij zal worden vervuld van de Heilige Geest terwijl hij nog in de moederschoot is.
LUK 1:16 Hij zal veel Israëlieten terugleiden naar de Heer, hun God.
LUK 1:17 Hij zal voor de Heer uit gaan, onder leiding van dezelfde Geest en met dezelfde kracht als Elia. Hij zal het hart van vaders terugleiden naar hun kinderen en het denken van zondaars naar de rechtvaardigheid; zo zal hij een volk voorbereiden dat gereed is voor de Heer.”
LUK 1:18 Zacharias vroeg de engel: “Hoe kan ik weten of dit waar is? Ik ben immers een oude man en mijn vrouw is op leeftijd.”
LUK 1:19 De engel antwoordde: “Ik ben Gabriël. Ik sta in Gods dienst en ik ben gezonden om jou dit goede nieuws te vertellen.
LUK 1:20 Mijn woorden zullen op het juiste moment in vervulling gaan. Maar omdat je ze niet gelooft, zal je stom zijn en niet kunnen spreken tot het tijdstip waarop deze dingen plaatsvinden.”
LUK 1:21 Intussen wachtte het volk op Zacharias; men vroeg zich af waarom hij zo lang in het tempelgebouw bleef.
LUK 1:22 Toen hij uiteindelijk naar buiten kwam, was hij niet in staat om hen toe te spreken. Daaruit maakten ze op dat hij in het tempelgebouw een visioen had gehad, want hij bleef gebaren naar hen maken zonder te kunnen spreken.
LUK 1:23 Toen zijn dienstperiode als priester voorbij was, ging Zacharias naar huis.
LUK 1:24 Enige tijd later werd zijn vrouw Elisabet zwanger. Vijf maanden lang zonderde ze zich af. Ze zei:
LUK 1:25 “Dit heeft de Heer voor mij gedaan: Hij heeft zich over mij ontfermd en de schande weggenomen die ik in de ogen van de mensen droeg.”
LUK 1:26 In de zesde maand van de zwangerschap van Elisabet zond God de engel Gabriël naar een stad in Galilea die Nazaret heette,
LUK 1:27 naar een jonge vrouw die maagd was. Zij was verloofd met een man die Jozef heette en afstammeling van David was. De jonge vrouw heette Maria.
LUK 1:28 De engel kwam bij haar thuis en zei: “Gegroet, jij bevoorrechte vrouw, de Heer is bij je.”
LUK 1:29 Zij stond perplex van deze woorden en vroeg zich af wat de begroeting te betekenen had.
LUK 1:30 De engel zei tegen haar: “Wees niet bang, Maria, God is je gunstig gezind.
LUK 1:31 Je zal zwanger worden en een zoon krijgen. Je moet Hem de naam Jezus geven.
LUK 1:32 Hij zal een groot man zijn en de Zoon van de Allerhoogste worden genoemd. De Heer God zal Hem de troon van zijn voorvader David schenken.
LUK 1:33 Hij zal voor eeuwig over de afstammelingen van Jakob regeren en zijn heerschappij zal nooit eindigen.”
LUK 1:34 Maria vroeg aan de engel: “Maar hoe kan dat? Ik heb nog nooit met een man geslapen.”
LUK 1:35 De engel antwoordde: “De Heilige Geest zal naar je toe komen en de kracht van de Allerhoogste zal je als een schaduw bedekken. Daarom zal het kindje heilig zijn en de Zoon van God worden genoemd.
LUK 1:36 Bovendien is je bloedverwante Elisabet ook zwanger van een zoon, hoewel ze oud is. Ze werd als onvruchtbaar beschouwd, maar is nu in de zesde maand.
LUK 1:37 Voor God is namelijk niets onmogelijk.”
LUK 1:38 Maria zei: “Ik stel mij ten dienste van de Heer. Laat het gebeuren zoals u gezegd hebt.” Toen ging de engel bij haar vandaan.
LUK 1:39 Kort daarna maakte Maria zich klaar en begaf ze zich haastig naar een stad in het bergland van Juda.
LUK 1:40 Daar ging ze naar het huis van Zacharias en begroette ze Elisabet.
LUK 1:41 Toen Elisabet de begroeting van Maria hoorde, trappelde het kindje in haar buik en raakte ze vervuld van de Heilige Geest.
LUK 1:42 Ze riep luid: “Jij bent gezegend onder de vrouwen! Ook het kindje in je buik is gezegend!
LUK 1:43 Hoe is het mogelijk dat het mij overkomt dat de moeder van mijn Heer bij mij komt?
LUK 1:44 Zodra ik je begroeting hoorde, trappelde het kindje in mijn buik van vreugde.
LUK 1:45 Zij die gelooft dat hetgeen de Heer haar had beloofd zou gebeuren, is gezegend!”
LUK 1:46 Toen zei Maria: “Mijn ziel prijst de Heer
LUK 1:47 en mijn geest verheugt zich in God, mijn redder,
LUK 1:48 want Hij heeft omgekeken naar zijn dienares in haar geringheid. Voortaan zullen alle generaties mij gezegend noemen,
LUK 1:49 want de Machtige heeft grote dingen voor mij gedaan en zijn naam is heilig.
LUK 1:50 Zijn mededogen geldt voor wie ontzag voor Hem hebben, de ene generatie na de andere.
LUK 1:51 Met zijn sterke arm heeft Hij zijn kracht getoond, Hij heeft uiteengejaagd wie arrogante gedachten koesterden.
LUK 1:52 Heersers heeft Hij onttroond, aan eenvoudigen gaf Hij een eervolle plaats.
LUK 1:53 Hongerigen heeft Hij verzadigd met het goede, rijken stuurde Hij met lege handen weg.
LUK 1:54 Hij heeft zijn dienaar Israël geholpen; Hij had mededogen,
LUK 1:55 overeenkomstig Zijn eeuwige belofte aan onze voorouders, aan Abraham en zijn afstammelingen.”
LUK 1:56 Maria bleef ongeveer drie maanden bij Elisabet en ging toen terug naar huis.
LUK 1:57 Toen voor Elisabet de tijd was aangebroken om haar kind te baren, kreeg ze een zoon.
LUK 1:58 Haar buren en familieleden hoorden dat de Heer mededogen met haar had gehad en haar had gezegend, en ze kwamen dat met haar vieren.
LUK 1:59 Toen ze op de achtste dag het kind kwamen besnijden, wilden ze hem de naam Zacharias geven, naar zijn vader.
LUK 1:60 Maar zijn moeder reageerde: “Nee, hij moet Johannes heten.”
LUK 1:61 Ze vroegen haar: “Maar er is toch niemand in je familie die zo heet?”
LUK 1:62 Ze gebaarden naar de vader van het kind, om te vragen hoe hij wilde dat het zou heten.
LUK 1:63 Hij vroeg om een schrijfplankje en schreef: “Zijn naam is Johannes.” Iedereen was verbaasd.
LUK 1:64 Onmiddellijk kon Zacharias zijn mond en tong weer gebruiken. Hij sprak weer en hij prees God.
LUK 1:65 Alle buren waren vol ontzag en al deze dingen waren onderwerp van gesprek in het hele bergland van Judea.
LUK 1:66 Allen die ervan hoorden, dachten erover na en vroegen zich af: “Wat zal er van dit kind terechtkomen?” Het was namelijk duidelijk dat de zegen van de Heer op hem rustte.
LUK 1:67 Toen werd zijn vader Zacharias vervuld van de Heilige Geest en profeteerde hij:
LUK 1:68 “Ik prijs de Heer, de God van Israël, want Hij heeft naar zijn volk omgekeken en het verlost.
LUK 1:69 Uit het nageslacht van zijn dienaar David heeft Hij een machtige redder doen opstaan,
LUK 1:70 zoals Hij lang geleden had beloofd bij monde van zijn heilige profeten.
LUK 1:71 Hij is het die ons redt van onze vijanden en uit de greep van allen die ons verachten.
LUK 1:72 Zo betoont Hij ons het mededog en dat Hij ook aan onze voorouders heeft betoond. En zo bevestigt Hij zijn heilig verbond,
LUK 1:73 en de eed die Hij aan Abraham, onze voorvader, heeft gezworen.
LUK 1:74 Bevrijd uit de greep van onze vijanden, mogen wij Hem nu onbevreesd vereren,
LUK 1:75 in heiligheid en rechtvaardigheid, terwijl Hij op ons toekijkt, ons leven lang.
LUK 1:76 En jij, kind, zal een profeet van de Allerhoogste worden genoemd, want je zal voor de Heer uitgaan om de weg voor Hem gereed te maken,
LUK 1:77 om de redding, de vergeving van hun zonden, aan zijn volk bekend te maken.
LUK 1:78 Wegens Gods grote mededogen voor ons, zal vanuit de hemel de zon voor ons opgaan.
LUK 1:79 Zij zal schijnen op de mensen die in het duister en in de schaduw van de dood leven, en zij zal onze voeten naar de weg van de vrede leiden.”
LUK 1:80 Het kind groeide op en zijn geest werd steeds sterker. Hij leefde op afgelegen plaatsen tot de dag waarop hij zich publiekelijk aan Israël vertoonde.
LUK 2:1 In die tijd vaardigde keizer Augustus het bevel uit dat iedereen in het Romeinse rijk moest worden geregistreerd.
LUK 2:2 Deze volkstelling was de eerste in de periode dat Quirinius gouverneur van Syrië was.
LUK 2:3 Iedereen reisde naar zijn thuisstad, om daar te worden ingeschreven.
LUK 2:4 Ook Jozef begaf zich vanuit de stad Nazaret in Galilea naar Judea, naar de stad van David, Betlehem genaamd. Hij was namelijk een afstammeling van David.
LUK 2:5 Hij ging zich inschrijven met Maria, zijn verloofde. Zij was zwanger.
LUK 2:6 Toen ze daar waren, brak de tijd aan dat haar kind geboren zou worden.
LUK 2:7 Ze baarde haar zoon, haar eerste, wikkelde hem in doeken en legde hem in een voederbak, omdat er geen plaats voor hen was in het gastenverblijf.
LUK 2:8 Er waren in die omgeving herders, die buiten de stad verbleven en 's nachts over hun kudde waakten.
LUK 2:9 Opeens stond er een engel van de Heer voor hen en werden ze door de hemelse pracht van de Heer beschenen. Ze werden heel bang.
LUK 2:10 De engel zei tegen hen: “Wees niet bang, want ik breng jullie goed nieuws, dat grote vreugde brengt voor het hele volk.
LUK 2:11 Vandaag is in de stad van David een redder voor jullie geboren: de Messias, de Heer.
LUK 2:12 Als teken hiervan zullen jullie een Kindje vinden dat in doeken is gewikkeld en in een voederbak ligt.”
LUK 2:13 Plots bevond zich bij de engel een groot hemels leger, dat God prees met de woorden:
LUK 2:14 “Alle glorie aan God in de hoogste hemel en vrede op aarde voor de mensen die Hij begunstigt.”
LUK 2:15 Nadat de engelen bij hen vandaan waren gegaan, terug naar de hemel, zeiden de herders tegen elkaar: “Laten we naar Betlehem gaan om te zien wat daar gebeurd is en door de Heer aan ons bekend gemaakt is.”
LUK 2:16 Ze haastten zich erheen en vonden Maria, Jozef en het kindje dat in de voederbak lag.
LUK 2:17 Toen ze hen hadden gezien, maakten ze bekend wat hun over dit kind was verteld.
LUK 2:18 Alle mensen die het hoorden, verbaasden zich over hetgeen de herders hun vertelden,
LUK 2:19 maar Maria onthield hun woorden zorgvuldig en dacht er nog lang over na.
LUK 2:20 De herders keerden terug, terwijl ze God verheerlijkten en prezen voor alles wat ze hadden gehoord en gezien; het kwam precies overeen met hetgeen hun verteld was.
LUK 2:21 Acht dagen later was het tijd om het kindje te besnijden. Hij ontving de naam Jezus, de naam die de engel had gegeven voordat Maria zwanger van Hem was geworden.
LUK 2:22 Toen de tijd was aangebroken dat ze zich volgens de Wet van Mozes moesten reinigen, gingen ze met Jezus naar Jeruzalem om Hem aan de Heer voor te stellen.
LUK 2:23 In de Wet van de Heer staat namelijk dat iedere eerste zoon aan de Heer moet worden gewijd.
LUK 2:24 Ook brachten ze een offer, overeenkomstig de bepalingen in de Wet van de Heer: een paar tortelduiven of twee jonge duiven.
LUK 2:25 Er was in Jeruzalem iemand die Simeon heette. Hij was een oprecht mens met veel eerbied voor God. Hij keek uit naar de tijd dat Israël getroost zou worden en de Heilige Geest rustte op hem.
LUK 2:26 De Heilige Geest had aan hem onthuld dat hij niet zou sterven voordat hij de Messias van de Heer had gezien.
LUK 2:27 Door de Geest geleid kwam hij naar het tempelterrein. Toen de ouders de kleine Jezus binnen brachten om met Hem de gebruiken uit te voeren die de Wet voorschrijft,
LUK 2:28 nam Simeon Hem in zijn armen en prees hij God met de woorden:
LUK 2:29 “Machtige Heer, nu kan U in vrede uw dienaar laten gaan, zoals U had beloofd,
LUK 2:30 want mijn ogen hebben uw redding gezien,
LUK 2:31 die U in de aanwezigheid van alle volken hebt gereedgemaakt:
LUK 2:32 een licht dat openbaring brengt voor de vreemde volken, en glorie voor uw volk Israël.”
LUK 2:33 Jezus' vader en moeder verbaasden zich over de dingen die Simeon over Hem zei.
LUK 2:34 Simeon sprak een zegen over hen uit en zei tegen Maria, Jezus' moeder: “Dit Kind is bestemd om velen in Israël ten val te brengen of te doen opstaan, en om een waarschuwingsteken te zijn dat controverse zal oproepen.
LUK 2:35 Zo zal duidelijk worden wat er in veel mensen omgaat. Ook jouw ziel zal worden doorstoken als met een zwaard.”
LUK 2:36 Er was ook een profetes: Anna, dochter van Fanuel, van de stam Aser. Ze was al op hoge leeftijd. Nadat ze was getrouwd had ze zeven jaar lang met haar man geleefd;
LUK 2:37 daarna leefde ze als weduwe en nu was ze 84 jaar. Ze week nooit van het tempelterrein, maar diende God dag en nacht door te vasten en te bidden.
LUK 2:38 Op dat moment kwam ze naar hen toe en begon ze God te danken en over Jezus te vertellen aan iedereen die de verlossing van Jeruzalem verwachtte.
LUK 2:39 Nadat Jozef en Maria alles hadden gedaan wat de Wet van de Heer voorschrijft, keerden ze terug naar Galilea, naar hun woonplaats Nazaret.
LUK 2:40 Het Kind groeide op en werd steeds sterker en wijzer; Gods genade rustte op Hem.
LUK 2:41 Ieder jaar gingen Jezus' ouders naar Jeruzalem voor het Pesachfeest.
LUK 2:42 Toen Hij twaalf jaar oud was en ze zoals gebruikelijk naar het feest gingen, ging Hij mee.
LUK 2:43 Maar na afloop, toen zij terugkeerden, bleef de jonge Jezus in Jeruzalem achter zonder dat zijn ouders het wisten.
LUK 2:44 Ze dachten dat Hij zich in de groep reizigers bevond en legden een dagreis af, terwijl ze onder hun familieleden en bekenden naar Hem zochten.
LUK 2:45 Toen ze Hem niet vonden, keerden ze naar Jeruzalem terug om Hem daar te zoeken.
LUK 2:46 Pas op de derde dag vonden ze Hem bij de leraars op het tempelterrein; Hij zat naar hen te luisteren en stelde hun vragen.
LUK 2:47 Allen die Hem hoorden, stonden versteld van zijn inzicht en zijn antwoorden.
LUK 2:48 Toen zijn ouders Hem zagen, waren ze aangeslagen. Zijn moeder zei tegen Hem: “Kind, hoe kon Je ons dit aandoen? Je vader en ik waren diep ongerust naar Je op zoek.”
LUK 2:49 Jezus antwoordde: “Waarom zochten jullie naar Mij? Weten jullie niet dat Ik in het huis van mijn Vader moet zijn?”
LUK 2:50 Maar ze begrepen niet wat Hij tegen hen zei.
LUK 2:51 Hij kwam met hen mee naar Nazaret en was hun gehoorzaam. Zijn moeder onthield al deze dingen zorgvuldig.
LUK 2:52 Jezus werd steeds wijzer en volwassener en stond steeds meer in de gunst bij God en bij de mensen.
LUK 3:1 In het vijftiende regeringsjaar van keizer Tiberius, toen Pontius Pilatus gouverneur van Judea was, en Herodes tetrarch van Galilea, zijn broer Filippus tetrarch van het gebied van Iturea en Trachonitis, en Lysanias tetrarch van Abilene,
LUK 3:2 en toen Annas en Kajafas de hogepriesters waren, ontving Johannes, de zoon van Zacharias, in de wildernis een boodschap van God.
LUK 3:3 Daarom ging hij naar het gebied rondom de Jordaan, waar hij overal de doop van inkeer verkondigde, die tot vergeving van zonden leidt.
LUK 3:4 Zo ging in vervulling wat in het boek met de uitspraken van de profeet Jesaja staat: “Er roept een stem in de wildernis: Maak de weg van de Heer gereed, maak paden voor Hem vrij!
LUK 3:5 Iedere kloof zal worden gevuld en elke berg en heuvel verlaagd; kronkelende paden zullen worden rechtgemaakt, en hobbelige wegen geëffend.
LUK 3:6 Alle mensen zullen Gods redding zien.”
LUK 3:7 Johannes zei tegen de vele mensen die naar hem toekwamen om door hem te worden gedoopt: “Addergebroed, wie heeft jullie gewaarschuwd om te vluchten voor de naderende straf?
LUK 3:8 Zorg dat de gevolgen van jullie inkeer zichtbaar zijn en zeg niet tegen jezelf: wij hebben Abraham als voorvader. Want ik zeg jullie: God is in staat om uit deze stenen afstammelingen van Abraham voort te brengen.
LUK 3:9 De bijl ligt reeds klaar onderaan de bomen en elke boom die geen goede vruchten voortbrengt, wordt omgehakt en in het vuur gegooid.”
LUK 3:10 De mensen vroegen hem: “Wat moeten we dan doen?”
LUK 3:11 Johannes antwoordde: “Wie twee hemden heeft, moet delen met wie er geen heeft en wie voedsel heeft, moet hetzelfde doen.”
LUK 3:12 Er kwamen ook belastinginners om te worden gedoopt. Zij vroegen hem: “Leraar, wat moeten wij doen?”
LUK 3:13 Johannes zei tegen hen: “Vorder geen hoger bedrag dan jullie is opgedragen.”
LUK 3:14 Ook de soldaten vroegen hem: “Wat moeten wij doen?” Tegen hen zei hij: “Beroof niemand en pers niemand af, maar wees tevreden met je soldij.”
LUK 3:15 Omdat het volk grote verwachtingen had en zich afvroeg of Johannes misschien de Messias was,
LUK 3:16 gaf hij hun allen het volgende antwoord: “Ik doop jullie met water, maar er komt Iemand die machtiger is dan ik en ik ben het niet waard om zijn schoenriem los te maken. Hij zal jullie dopen met de Heilige Geest en met vuur.
LUK 3:17 Hij heeft de vork om het kaf van het koren te scheiden al in zijn hand. Daarmee zal Hij zijn dorsvloer leegmaken; het graan zal Hij in de schuur onderbrengen en het kaf zal Hij verbranden in onblusbaar vuur.”
LUK 3:18 Zo, en met veel andere waarschuwingen, verkondigde Johannes het evangelie aan het volk.
LUK 3:19 Hij vermaande ook de tetrarch Herodes – wegens Herodias, de vrouw van zijn broer, en al het andere kwaad dat hij had gedaan.
LUK 3:20 Maar Herodes maakte alles nog erger door Johannes in de gevangenis op te sluiten.
LUK 3:21 Toen heel het volk zich liet dopen, werd ook Jezus gedoopt. Terwijl Hij in gebed was, ging de hemel open.
LUK 3:22 De Heilige Geest daalde op Hem neer in de gedaante van een duif en er klonk een stem uit de hemel: “Jij bent mijn dierbare Zoon, Ik verheug Mij over Jou.”
LUK 3:23 Aan het begin van zijn optreden was Jezus ongeveer dertig jaar oud. Hij was, zo werd verondersteld, de zoon van Jozef, de zoon van Eli,
LUK 3:24 de zoon van Mattat, de zoon van Levi, de zoon van Melchi, de zoon van Jannai, de zoon van Jozef,
LUK 3:25 de zoon van Mattatias, de zoon van Amos, de zoon van Naüm, de zoon van Hesli, de zoon van Naggai,
LUK 3:26 de zoon van Maät, de zoon van Mattatias, de zoon van Semeïn, de zoon van Josech, de zoon van Joda,
LUK 3:27 de zoon van Joanan, de zoon van Resa, de zoon van Zerubbabel, de zoon van Sealtiël, de zoon van Neri,
LUK 3:28 de zoon van Melchi, de zoon van Addi, de zoon van Kosam, de zoon van Elmadan, de zoon van Er,
LUK 3:29 de zoon van Jozua, de zoon van Eliëzer, de zoon van Jorim, de zoon van Mattat, de zoon van Levi,
LUK 3:30 de zoon van Simeon, de zoon van Juda, de zoon van Jozef, de zoon van Jonan, de zoon van Eljakim,
LUK 3:31 de zoon van Melea, de zoon van Menna, de zoon van Mattatta, de zoon van Natan, de zoon van David,
LUK 3:32 de zoon van Isaï, de zoon van Obed, de zoon van Boaz, de zoon van Selach, de zoon van Nachson,
LUK 3:33 de zoon van Amminadab, de zoon van Admin, de zoon van Arni, de zoon van Chesron, de zoon van Peres, de zoon van Juda,
LUK 3:34 de zoon van Jakob, de zoon van Isaak, de zoon van Abraham, de zoon van Terach, de zoon van Nachor,
LUK 3:35 de zoon van Serug, de zoon van Reü, de zoon van Peleg, de zoon van Eber, de zoon van Selach,
LUK 3:36 de zoon van Kenan, de zoon van Arpachsad, de zoon van Sem, de zoon van Noach, de zoon van Lamech,
LUK 3:37 de zoon van Metuselach, de zoon van Henoch, de zoon van Jered, de zoon van Mahalalel, de zoon van Kenan,
LUK 3:38 de zoon van Enos, de zoon van Set, de zoon van Adam, de zoon van God.
LUK 4:1 Vol van de Heilige Geest keerde Jezus terug van de Jordaan. Hij werd door de Geest naar de wildernis geleid,
LUK 4:2 waar Hij veertig dagen lang door de duivel op de proef werd gesteld. Al die tijd at Hij niet en na afloop kreeg Hij honger.
LUK 4:3 De duivel zei tegen Hem: “Als U de Zoon van God bent, zeg dan dat deze steen een brood moet worden.”
LUK 4:4 Maar Jezus antwoordde: “In de Schriften staat: ‘De mens leeft niet alleen van brood.’”
LUK 4:5 Toen leidde de duivel Hem naar een hoge plaats en toonde hij Hem in een oogwenk alle koninkrijken van de wereld.
LUK 4:6 De duivel zei tegen Hem: “Ik zal U het gezag over dit alles geven, in al zijn pracht, want het is aan mij overhandigd en ik geef het aan wie ik wil.
LUK 4:7 Dus als U mij aanbidt, zal het allemaal van U zijn.”
LUK 4:8 Maar Jezus antwoordde: “In de Schriften staat: ‘Aanbid de Heer, je God, en dien alleen Hem.’”
LUK 4:9 Toen leidde hij Hem naar Jeruzalem, naar de hoogste plaats op het tempelterrein, en zei: “Als U de Zoon van God bent, spring dan van hier naar beneden,
LUK 4:10 want in de Schriften staat: ‘Hij zal zijn engelen bevelen jou te beschermen’,
LUK 4:11 en: ‘Zij zullen je op hun handen dragen, zodat je je voet niet aan een steen stoot.’”
LUK 4:12 Jezus antwoordde: “Er staat ook: ‘Stel de Heer, je God, niet op de proef.’”
LUK 4:13 Na afloop van al die verzoekingen bleef de duivel een tijdlang bij Jezus vandaan.
LUK 4:14 Jezus keerde naar Galilea terug, dankzij de kracht die de Geest Hem gaf. Het nieuws over Hem verspreidde zich in de hele omgeving.
LUK 4:15 Hij begon te onderwijzen in de synagogen en werd door iedereen geprezen.
LUK 4:16 Toen Jezus in Nazaret kwam, waar Hij was opgegroeid, ging Hij zoals Hij gewoon was op de sabbat naar de synagoge. Hij stond op om voor te lezen
LUK 4:17 en het boek van de profeet Jesaja werd Hem aangereikt. Hij rolde het open om het gedeelte op te zoeken waar staat:
LUK 4:18 “De Geest van de Heer rust op mij, omdat Hij mij heeft gezalfd om goed nieuws te brengen aan de armen. Hij heeft mij gezonden om kwijtschelding te verkondigen aan de gevangenen en herstel van zicht aan de blinden, om vrijheid te brengen aan de verdrukten
LUK 4:19 en het jaar aan te kondigen waarin de Heer zijn genegenheid toont.”
LUK 4:20 Hij rolde de boekrol dicht, gaf die terug aan de koster en ging zitten. Alle ogen in de synagoge waren op Hem gericht
LUK 4:21 en Hij sprak hen toe: “Vandaag is dit Schriftgedeelte in vervulling gegaan terwijl jullie ernaar luisterden.”
LUK 4:22 Iedereen sprak lovend over Hem en men verbaasde zich over zijn welsprekendheid. Ze vroegen: “Is dit niet de zoon van Jozef?”
LUK 4:23 Jezus zei tegen hen: “Jullie zullen ongetwijfeld de spreuk ‘Dokter, genees jezelf’ aanhalen en tegen Mij zeggen: doe de dingen waarvan wij hebben gehoord dat ze in Kafarnaüm zijn gebeurd, ook hier in uw thuisstad.
LUK 4:24 Maar Ik verzeker jullie: geen enkele profeet is welkom in zijn thuisstad.
LUK 4:25 Ik verzeker jullie: er waren veel weduwen in Israël in de tijd van Elia, toen het drie jaar en zes maanden niet regende en er grote hongersnood heerste in het hele land.
LUK 4:26 Elia werd naar geen van die vrouwen gestuurd, maar wel naar een weduwe in Sarepta bij Sidon.
LUK 4:27 En in de tijd van de profeet Elisa waren er in Israël veel mensen met een huidziekte die hen onrein maakte. Niemand van hen werd rein gemaakt, maar wel de Syriër Naäman.”
LUK 4:28 Alle mensen in de synagoge werden woedend toen ze dat hoorden.
LUK 4:29 Ze sprongen op, sleurden Hem de stad uit en brachten Hem naar een richel op de berghelling waarop de stad was gebouwd. Ze wilden Hem in de afgrond duwen,
LUK 4:30 maar Hij wandelde midden tussen hen door en vertrok.
LUK 4:31 Jezus ging naar Kafarnaüm, een stad in Galilea. Daar onderwees Hij de mensen telkens op de sabbat.
LUK 4:32 Ze waren diep onder de indruk van zijn leer, want Hij sprak met gezag.
LUK 4:33 Er was in de synagoge iemand met een demon, een onreine geest, in zich. Hij schreeuwde luid:
LUK 4:34 “Wat wilt U van ons, Jezus van Nazaret? Bent U gekomen om ons te vernietigen? Ik weet wie U bent: Gods Heilige.”
LUK 4:35 Jezus sprak hem echter berispend toe: “Zwijg en ga uit hem weg.” De demon gooide de man op de grond, midden tussen de mensen, en ging uit de man weg zonder hem te kwetsen.
LUK 4:36 Iedereen stond versteld en de mensen zeiden tegen elkaar: “Wat een woorden! Hij geeft vol gezag en macht bevelen aan de onreine geesten en ze gaan weg!”
LUK 4:37 Het nieuws over Jezus verspreidde zich naar alle plaatsen in de omgeving.
LUK 4:38 Jezus verliet de synagoge en ging naar het huis van Simon. Simons schoonmoeder had hoge koorts en men vroeg Jezus om iets voor haar te doen.
LUK 4:39 Hij boog zich over haar heen en sprak de koorts bestraffend toe. Die verdween op hetzelfde moment en de vrouw stond op om hen te bedienen.
LUK 4:40 Bij zonsondergang brachten alle mensen hun zieken bij Hem; ze hadden allerlei verschillende aandoeningen. Hij legde elk van hen de handen op en genas hen.
LUK 4:41 Bij veel mensen gingen ook de demonen uit hen weg, terwijl ze schreeuwden: “U bent de Zoon van God!” Jezus sprak hen bestraffend toe en liet niet toe dat ze spraken, want ze wisten dat Hij de Messias was.
LUK 4:42 Toen het ochtend werd, vertrok Jezus naar een eenzame plaats. De mensen zochten Hem en toen ze eindelijk bij Hem waren, probeerden ze te verhinderen dat Hij weg zou gaan.
LUK 4:43 Maar Hij zei tegen hen: “Ik moet het evangelie van Gods koninkrijk ook verkondigen in de andere steden, want daarvoor ben Ik gezonden.”
LUK 4:44 Vanaf toen preekte Hij in de synagogen van Judea.
LUK 5:1 Op een dag, toen Jezus bij het Meer van Gennesaret stond en de menigte zich rondom Hem verdrong om naar de boodschap van God te luisteren,
LUK 5:2 zag Hij twee boten bij de oever liggen. De vissers waren uitgestapt om de netten te spoelen.
LUK 5:3 Hij stapte in een van de boten, die van Simon, en vroeg hem een eindje het meer op te varen. Hij ging zitten en onderwees de menigte vanuit de boot.
LUK 5:4 Toen Hij was uitgesproken, zei Hij tegen Simon: “Vaar naar het diepe water en laat jullie netten zakken om iets te vangen.”
LUK 5:5 Simon antwoordde: “Heer, we hebben de hele nacht gezwoegd en niets gevangen. Maar omdat U het zegt, zal ik de netten laten zakken.”
LUK 5:6 Toen ze dat hadden gedaan, vingen ze zo'n grote hoeveelheid vis, dat de netten begonnen te scheuren.
LUK 5:7 Ze wuifden naar de vissers in de andere boot, om duidelijk te maken dat die hen moesten komen helpen. Dat deden ze, en beide boten raakten zo vol dat ze begonnen te zinken.
LUK 5:8 Toen Simon Petrus dat zag, viel hij voor Jezus op zijn knieën en zei hij: “Ga bij mij weg, Heer, want ik ben een zondig mens.”
LUK 5:9 Petrus en iedereen die bij hem was, waren namelijk verbijsterd over de hoeveelheid vis die ze hadden gevangen.
LUK 5:10 Hetzelfde gold voor Jakobus en Johannes, zonen van Zebedeüs die met Simon samenwerkten. Toen zei Jezus tegen Simon: “Wees niet bang. Vanaf nu zal je mensen vangen.”
LUK 5:11 Ze brachten de boten aan land, lieten alles achter en volgden Jezus.
LUK 5:12 Op een dag, toen Jezus in een van de steden was, was er een man die volledig bedekt was met een huidziekte die hem onrein maakte. Toen hij Jezus zag, liet hij zich voor Hem neervallen en smeekte hij Hem: “Heer, als U wil, kan U mij rein maken.”
LUK 5:13 Jezus stak zijn hand uit, raakte hem aan en zei: “Ik wil het, word rein.” Meteen verdween de huidziekte.
LUK 5:14 Jezus droeg hem op: “Vertel het aan niemand, maar ga je aan de priester tonen en breng het reinigingsoffer dat Mozes heeft opgelegd, bij wijze van getuigenis voor de mensen.”
LUK 5:15 Het nieuws over Jezus verspreidde zich echter nog meer en de mensen kwamen in drommen naar Hem toe om te luisteren en zich van hun aandoeningen te laten genezen.
LUK 5:16 Hij trok zich echter dikwijls naar eenzame plaatsen terug om te bidden.
LUK 5:17 Op een dag was Jezus aan het onderwijzen in het bijzijn van farizeeën en Wetgeleerden, die uit alle dorpen in Galilea en Judea en uit Jeruzalem waren gekomen. De kracht van de Heer om mensen te genezen rustte op Jezus
LUK 5:18 en er kwamen mannen met een verlamde op een draagbed. Ze probeerden hem naar binnen te brengen en voor Jezus neer te leggen.
LUK 5:19 Maar er waren zoveel mensen, dat ze geen manier vonden om hem naar binnen te brengen. Daarom gingen ze het dak op en lieten ze hem op zijn draagberrie door een opening in het tegeldak naar beneden zakken, tot vlak voor Jezus en tussen de mensen in.
LUK 5:20 Jezus zag hun geloof en zei: “Vriend, je zonden zijn je vergeven.”
LUK 5:21 De farizeeën en Schriftgeleerden begonnen zich af te vragen: “Wie is dit, dat Hij zo godslasterlijk spreekt? De enige die zonden kan vergeven is God!”
LUK 5:22 Jezus wist wat ze dachten en vroeg hun: “Waarom denken jullie deze dingen?
LUK 5:23 Wat is gemakkelijker, zeggen: je zonden zijn vergeven, of zeggen: sta op en wandel?
LUK 5:24 Maar, opdat jullie beseffen dat de Mensenzoon het gezag heeft om op aarde zonden te vergeven …” Toen zei Hij tegen de verlamde man: “Tegen jou zeg Ik: sta op, neem je draagberrie op en ga naar huis!”
LUK 5:25 Op hetzelfde moment stond de man voor hun ogen op. Hij nam zijn bed op en vertrok naar huis terwijl hij God verheerlijkte.
LUK 5:26 Ze waren allemaal buiten zichzelf van verbazing en verheerlijkten God. Ze werden vervuld van ontzag en zeiden: “Vandaag hebben we wonderlijke dingen gezien!”
LUK 5:27 Daarna ging Jezus de stad uit en zag Hij een belastinginner die Levi heette bij het tolhuis zitten. Jezus zei tegen hem: “Volg Mij.”
LUK 5:28 Levi stond op, liet alles achter en volgde Hem.
LUK 5:29 Levi hield in zijn huis een groot feestmaal voor Jezus. Er nam ook een grote groep belastinginners en anderen aan de maaltijd deel.
LUK 5:30 De farizeeën en hun Schriftgeleerden mopperden tegen Jezus' leerlingen: “Waarom eten en drinken jullie met belastinginners en zondaars?”
LUK 5:31 Jezus antwoordde: “Het zijn niet de gezonde mensen die een dokter nodig hebben, maar de zieken.
LUK 5:32 Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen op te roepen om tot inkeer te komen, maar zondaars.”
LUK 5:33 Er werd tegen Jezus gezegd: “De leerlingen van Johannes vasten en bidden dikwijls, en ook de leerlingen van de farizeeën, maar die van U eten en drinken er maar op los.”
LUK 5:34 Jezus antwoordde: “Je kan de gasten van de bruidegom toch niet laten vasten terwijl de bruidegom bij hen is?
LUK 5:35 Er komt echter een tijd dat de bruidegom bij hen wordt weggehaald en dan zullen ze vasten.”
LUK 5:36 Ook vertelde Hij hun een parabel: “Niemand scheurt een stuk van een nieuwe mantel af om het op een oude mantel te naaien, want dan is de nieuwe mantel beschadigd en zit op de oude mantel een stuk stof dat er niet bij past.
LUK 5:37 Ook giet niemand nieuwe wijn in oude wijnzakken, want dan doet de nieuwe wijn de wijnzakken barsten, stroomt de wijn weg en zijn de wijnzakken kapot.
LUK 5:38 Nee, nieuwe wijn moet in nieuwe wijnzakken worden gegoten.
LUK 5:39 En niemand die oude wijn heeft gedronken, wil de nieuwe, want hij zal zeggen dat de oude beter is.”
LUK 6:1 Op een sabbat, toen Jezus tussen de graanvelden door wandelde, plukten zijn leerlingen enkele aren, wreven die fijn tussen hun handen, en aten ze op.
LUK 6:2 Sommige van de farizeeën zeiden: “Waarom doen jullie iets dat op de sabbat niet is toegestaan?”
LUK 6:3 Jezus antwoordde: “Hebben jullie niet gelezen wat David deed toen hij en zijn mannen honger hadden?
LUK 6:4 Hij ging het huis van God binnen, nam de gewijde broden waarvan enkel de priesters mochten eten, at en gaf ervan aan zijn mannen.”
LUK 6:5 Hij zei tegen hen: “De Mensenzoon is baas over de sabbat.”
LUK 6:6 Op een andere sabbat, toen Hij naar de synagoge ging om te onderwijzen, was daar iemand met een verlamde rechterhand.
LUK 6:7 De Schriftgeleerden en de farizeeën hielden Jezus in de gaten om te zien of Hij op de sabbat zou genezen. Ze zochten namelijk iets waarvan ze Hem konden beschuldigen.
LUK 6:8 Hij wist echter wat ze dachten en zei tegen de man met de verlamde hand: “Kom in het midden staan.” De man kwam daar staan.
LUK 6:9 Jezus zei tegen hen: “Ik zal jullie eens iets vragen. Wat is toegestaan op de sabbat: goed doen of kwaad doen, een leven redden of het vernietigen?”
LUK 6:10 Hij keek om zich heen, naar hen allen, en zei tegen de man: “Steek je hand uit.” Dat deed de man en zijn hand genas.
LUK 6:11 Zij werden echter woedend en bespraken onder elkaar wat ze met Jezus zouden doen.
LUK 6:12 Het was in die periode dat Jezus de berg op ging om te bidden en de hele nacht doorbracht in gebed tot God.
LUK 6:13 Toen het dag werd, riep Hij zijn leerlingen bij zich. Hij koos twaalf van hen uit en noemde hen apostelen:
LUK 6:14 Simon, die ook Petrus wordt genoemd, zijn broer Andreas, Jakobus, Johannes, Filippus, Bartolomeüs,
LUK 6:15 Matteüs, Tomas, Jakobus, de zoon van Alfeüs, Simon die de Zeloot wordt genoemd,
LUK 6:16 Judas, de zoon van Jakobus, en Judas Iskariot, die een verrader werd.
LUK 6:17 Jezus daalde met hen de berg af en ging op een vlak terrein staan, samen met een grote groep van zijn leerlingen en een groot aantal mensen uit heel Judea, Jeruzalem en de kuststrook van Tyrus en Sidon.
LUK 6:18 Zij waren gekomen om naar Hem te luisteren en van hun ziekten te worden genezen. Ook wie werd gekweld door onreine geesten, werd genezen.
LUK 6:19 Iedereen in de menigte probeerde Hem aan te raken, omdat er kracht van Hem uitging en Hij hen allen genas.
LUK 6:20 Hij keek zijn leerlingen aan en zei: “Jullie die arm zijn, zijn gezegend, want Gods koninkrijk behoort jullie toe.
LUK 6:21 Jullie die nu honger hebben, zijn gezegend, want je zal verzadigd worden. Jullie die nu wenen, zijn gezegend, want je zal lachen.
LUK 6:22 Jullie zijn gezegend wanneer de mensen je haten en wanneer ze je buitensluiten en bespotten en je naam bezoedelen omwille van de Mensenzoon.
LUK 6:23 Wanneer dat gebeurt, verheug je dan en spring op van blijdschap, want jullie beloning in de hemel zal groot zijn. De profeten werden namelijk ook zo behandeld door de voorouders van deze mensen.
LUK 6:24 Maar wee jullie rijken, want jullie hebben je troost reeds ontvangen.
LUK 6:25 Wee jullie die nu voldoende te eten hebben, want je zal hongerlijden. Wee jullie die nu lachen, want je zal rouwen en wenen.
LUK 6:26 Wee jullie wanneer alle mensen positief over je spreken, want hun voorouders deden dat met de valse profeten.
LUK 6:27 Maar tegen jullie die luisteren, zeg Ik: heb je vijanden lief, doe goed aan wie jullie haten.
LUK 6:28 Zegen wie jullie verwensen, bid voor wie jullie beledigen.
LUK 6:29 Als iemand jou op de wang slaat, bied hem dan ook je andere wang aan; als iemand je mantel afneemt, ontzeg hem dan niet je hemd.
LUK 6:30 Geef aan iedereen die iets van je wil hebben en als iemand iets van je afneemt, eis het dan niet terug.
LUK 6:31 Behandel de mensen op de manier waarop jullie door hen behandeld willen worden.
LUK 6:32 Als jullie liefdevol behandelen wie jullie liefdevol behandelt, is dat toch geen verdienste? Zelfs de zondaars hebben lief wie hen liefheeft.
LUK 6:33 En als jullie goed behandelen wie jullie goed behandelt, is dat toch geen verdienste? Zelfs de zondaars doen dat.
LUK 6:34 En als je leent aan diegenen van wie jullie hopen terug te krijgen, dan is dat toch geen verdienste? Zelfs de zondaars lenen aan zondaars om hetzelfde bedrag terug te krijgen.
LUK 6:35 Heb je vijanden lief en doe goed en leen aan anderen zonder tegenprestaties te verwachten. Dan zal je beloning groot zijn en zullen jullie kinderen van de Allerhoogste zijn, want Hij is goed voor de mensen die ondankbaar en slecht zijn.
LUK 6:36 Toon medeleven, zoals jullie Vader medeleven toont.
LUK 6:37 Oordeel niet over anderen, dan zal er over jou niet worden geoordeeld. Veroordeel anderen ook niet, dan zal je zelf niet worden veroordeeld. Vergeef, dan zal jou worden vergeven.
LUK 6:38 Geef, dan zal aan jou worden gegeven. Een maatbak vol – aangedrukt, geschud en overvol – zal je worden toebedeeld, want de maat die jij hanteert, zal op jou worden toegepast.”
LUK 6:39 Hij vertelde hun nog een parabel: “Een blinde kan toch geen blinde leiden? Dan vallen ze toch allebei in een kuil?
LUK 6:40 Een leerling staat niet boven zijn leraar, maar ieder die volleerd is, zal zijn zoals zijn leraar.
LUK 6:41 Hoe is het mogelijk dat je wel de splinter in het oog van je naaste ziet, maar de balk in je eigen oog niet opmerkt?
LUK 6:42 Hoe kan je tegen je naaste zeggen: broer, laat mij die splinter uit je oog verwijderen, terwijl je de balk in jouw oog niet ziet? Hypocriet, verwijder eerst de balk uit je eigen oog. Dan zal je goed genoeg zien om de splinter uit het oog van je naaste te verwijderen.
LUK 6:43 Er is geen goede boom die slechte vruchten oplevert, en ook geen slechte boom die goede vruchten oplevert.
LUK 6:44 Want elke boom is herkenbaar aan zijn vruchten. Men kan toch geen vijgen oogsten van een doornstruik, of druiven plukken van een stekelplant?
LUK 6:45 Een goed mens haalt uit de voorraad goedheid in zijn hart goede dingen tevoorschijn, en een slecht mens haalt slechte dingen tevoorschijn uit zijn voorraad slechtheid. Want waar het hart vol van is, daarvan spreekt de mond.
LUK 6:46 Waarom spreken jullie Mij aan met ‘Heer, Heer’, maar doen jullie niet wat Ik zeg?
LUK 6:47 Ieder die naar Mij toe komt, mijn woorden hoort en ze in praktijk brengt – Ik zal jullie uitleggen waarop hij lijkt.
LUK 6:48 Hij lijkt op iemand die een huis bouwde en eerst een diepe sleuf groef om het fundament op rotsgrond te leggen. Toen er een overstroming kwam en het water tegen dat huis beukte, konden die het huis niet doen wankelen, omdat het stevig was gebouwd.
LUK 6:49 Maar wie mijn woorden hoort en ze niet in praktijk brengt, is als iemand die een huis bouwde zonder fundament, los op de aarde. Toen het water ertegenaan beukte, stortte het meteen in en was het volledig verwoest.”
LUK 7:1 Nadat Jezus dit alles aan het luisterende volk had verteld, ging Hij Kafarnaüm binnen.
LUK 7:2 Daar was een centurio met een slaaf die veel voor hem betekende en die ernstig ziek was en op sterven lag.
LUK 7:3 Toen de centurio het nieuws over Jezus hoorde, stuurde hij oudsten van het Joodse volk naar Hem toe om Hem te vragen, zijn slaaf te komen genezen.
LUK 7:4 Toen die oudsten bij Jezus waren gekomen, drongen ze sterk bij Hem aan: “Hij is het waard dat U dit voor hem doet,
LUK 7:5 want hij houdt van ons volk en heeft zelfs onze synagoge laten bouwen.”
LUK 7:6 Jezus ging met hen mee, maar toen Hij dicht bij het huis was, stuurde de centurio vrienden met de boodschap: “Heer, doe geen moeite, want ik ben het niet waard dat U mijn huis binnengaat.
LUK 7:7 Daarom durfde ik niet zelf naar U toe te gaan, maar op uw bevel zal mijn knecht genezen.
LUK 7:8 Ik ben namelijk ook iemand die onder gezag staat en zelf soldaten heeft. Als ik tegen de ene ‘ga’ zeg, dan gaat hij, en tegen een andere ‘kom’, dan komt hij, en als ik tegen mijn slaaf zeg: ‘doe dit’, dan doet hij het.”
LUK 7:9 Toen Jezus dat hoorde, verbaasde Hij zich over hem. Hij draaide zich om naar de menigte die Hem volgde en zei: “Ik zeg jullie: bij niemand in Israël heb Ik zo'n groot geloof gevonden.”
LUK 7:10 De vrienden die de centurio had gestuurd, keerden naar het huis terug en troffen de slaaf in goede gezondheid aan.
LUK 7:11 Niet lang daarna ging Jezus naar een stad die Naïn heet. Zijn leerlingen en een grote menigte kwamen met Hem mee.
LUK 7:12 Toen Jezus de stadspoort naderde, werd er een dode naar buiten gedragen om te worden begraven. Hij was de enige zoon van zijn moeder en zij was weduwe. Er kwam een grote menigte uit de stad met haar mee.
LUK 7:13 Toen de Heer de vrouw zag, kreeg Hij medelijden met haar. Hij zei tegen haar: “Ween maar niet.”
LUK 7:14 Hij ging naar de lijkbaar toe en raakte die aan. De dragers hielden stil en Jezus zei: “Jongeman, Ik zeg je, verrijs.”
LUK 7:15 De dode ging overeind zitten, begon te praten en werd door Jezus aan de moeder overgedragen.
LUK 7:16 Iedereen werd vervuld van ontzag en verheerlijkte God door te zeggen: “Er is een groot profeet onder ons opgestaan”, en: “God heeft acht geslagen op zijn volk.”
LUK 7:17 Dit nieuws over Jezus verspreidde zich in heel Judea en de wijde omtrek.
LUK 7:18 De leerlingen van Johannes brachten hem over al deze dingen verslag uit. Daarom riep Johannes twee van zijn leerlingen bij zich
LUK 7:19 en hij stuurde hen naar de Heer met de vraag: “Bent U degene die zou komen, of moeten we iemand anders verwachten?”
LUK 7:20 De mannen kwamen bij Jezus en zeiden: “Johannes de Doper heeft ons gestuurd om U te vragen: Bent U degene die zou komen, of moeten we iemand anders verwachten?”
LUK 7:21 Jezus was op dat moment veel mensen aan het genezen van ziekten, aandoeningen en onreine geesten en Hij gaf veel blinden het zicht.
LUK 7:22 Hij zei tegen Johannes' leerlingen: “Ga Johannes vertellen wat jullie hebben gezien en gehoord: blinde mensen kunnen weer zien, verlamde mensen beginnen te stappen, mensen met een huidziekte worden rein, dove mensen kunnen weer horen, dode mensen verrijzen, en aan arme mensen wordt het evangelie verkondigd.
LUK 7:23 Wie zich niet aan Mij ergert, is gezegend.”
LUK 7:24 Toen de boodschappers waren vertrokken, zei Jezus over Johannes tegen de mensenmassa: “Wat zijn jullie gaan bekijken in de wildernis? Riet dat wuift in de wind?
LUK 7:25 Nee! Wat gingen jullie bekijken: een man in mooie kleren? Nee, zij die dure kledij dragen en in luxe leven, bevinden zich in paleizen.
LUK 7:26 Wat gingen jullie dan wel bekijken? Een profeet? Jazeker, zeg Ik jullie, iemand die meer is dan een profeet.
LUK 7:27 Hij is het over wie werd geschreven: ‘Ik stuur mijn boodschapper voor Je uit, die de weg voor Je zal banen.’
LUK 7:28 Ik zeg jullie: onder hen die uit een vrouw zijn geboren, is niemand belangrijker dan Johannes de Doper, maar in Gods koninkrijk is de geringste belangrijker dan Hij.
LUK 7:29 Door zich te laten dopen met de doop van Johannes erkende heel het volk dat naar hem had geluisterd, ook de belastinginners, dat Gods eisen juist zijn.
LUK 7:30 De farizeeën en Wetgeleerden lieten zich echter niet door hem dopen en weigerden te doen wat God van hen wilde.
LUK 7:31 Waarmee zal Ik dit soort mensen vergelijken, waar lijken ze op?
LUK 7:32 Ze zijn als kinderen die op het marktplein zitten en naar elkaar roepen: ‘Wij hebben voor jullie op de fluit gespeeld en jullie hebben niet gedanst; we hebben een klaaglied gezongen en jullie hebben niet geweend!’
LUK 7:33 Want toen Johannes de Doper was gekomen, die geen brood at en geen wijn dronk, zeiden jullie: ‘Hij heeft een demon in zich.’
LUK 7:34 En nu de Mensenzoon is gekomen, die wel eet en drinkt, zeggen jullie: ‘Kijk, een veelvraat en een dronkaard, een vriend van belastinginners en zondaars!’
LUK 7:35 Maar de juistheid van wijsheid wordt aangetoond door allen die wijze daden doen.”
LUK 7:36 Eén van de farizeeën nodigde Jezus uit voor een maaltijd bij hem thuis. Jezus ging naar het huis van die farizeeër en nam plaats aan tafel.
LUK 7:37 Er was een vrouw die in die stad bekendstond als een zondares. Zij kwam te weten dat Jezus aan de maaltijd deelnam in het huis van de farizeeër en ging erheen met een albasten flesje geurige olie.
LUK 7:38 Ze ging wenend achter Jezus staan, bij zijn voeten. Door haar tranen werden zijn voeten nat en zij droogde ze met haar haren. Ook kuste ze zijn voeten en zalfde deze met de olie.
LUK 7:39 Toen de farizeeër die Jezus had uitgenodigd dit zag, dacht hij: “Als Jezus een profeet was, zou Hij weten wie het is die Hem aanraakt en wat voor vrouw zij is. Ze is een zondares.”
LUK 7:40 Daarom zei Jezus tegen hem: “Simon, Ik heb je iets te vertellen.” Hij antwoordde: “Leraar, zegt U het maar.”
LUK 7:41 “Twee mensen stonden in de schuld bij een geldschieter; de een voor vijfhonderd denarie, de ander voor vijftig.
LUK 7:42 Toen ze niet konden betalen, schold hij hun allebei hun schuld kwijt. Wie van hen zou het meest van hem houden?”
LUK 7:43 Simon antwoordde: “Ik veronderstel de persoon aan wie het grootste bedrag was kwijtgescholden.” Jezus zei tegen hem: “Je hebt het juiste antwoord gegeven.”
LUK 7:44 Hij keerde zich naar de vrouw toe en zei: “Simon, zie je deze vrouw? Ik ben naar je huis gekomen en je hebt Mij geen water gegeven voor mijn voeten. Maar zij heeft mijn voeten gewassen met haar tranen en ze gedroogd met haar haren.
LUK 7:45 Jij hebt Mij niet met een kus verwelkomd, maar sinds Ik ben binnengekomen heeft zij zonder ophouden mijn voeten gekust.
LUK 7:46 Jij hebt mijn hoofd niet met olijfolie gezalfd, maar zij heeft mijn voeten gezalfd met geurige olie.
LUK 7:47 Daarom zeg Ik je: haar vele zonden zijn vergeven; ze heeft namelijk veel liefde betoond. Maar wie weinig werd vergeven, betoont weinig liefde.”
LUK 7:48 Toen zei Hij tegen haar: “Je zonden zijn vergeven.”
LUK 7:49 De andere gasten begonnen onder elkaar te zeggen: “Wie is dit, dat Hij zelfs zonden vergeeft?”
LUK 7:50 Jezus zei tegen de vrouw: “Je geloof heeft je gered. Ga in vrede.”
LUK 8:1 Kort daarna reisde Jezus langs steden en dorpen, om daar het goede nieuws van Gods koninkrijk te verkondigen. De Twaalf waren bij Hem,
LUK 8:2 en ook enkele vrouwen die Hij had genezen van boze geesten en van aandoeningen: Maria die ‘van Magdala’ werd genoemd, bij wie zeven demonen waren uitgedreven;
LUK 8:3 Johanna, de vrouw van Chusas, het hoofd van de hofhouding van Herodes; Susanna en nog veel anderen. Met gebruik van eigen middelen voorzagen deze vrouwen in het onderhoud van Jezus en de Twaalf.
LUK 8:4 Toen er een grote menigte was bijeengekomen en mensen uit allerlei steden naar Jezus toe waren gekomen, vertelde Hij een parabel:
LUK 8:5 “Er was eens een zaaier die ging zaaien. Tijdens het zaaien viel er wat zaad naast het pad; het werd vertrappeld en de vogels pikten het op.
LUK 8:6 Ander zaad viel op de rots en toen het opkwam, verschroeide het omdat het geen vocht had.
LUK 8:7 Nog ander zaad viel tussen het onkruid, en toen het opkwam werd het door het onkruid verstikt.
LUK 8:8 Het overige zaad viel in goede aarde, en toen het was opgekomen, leverde het een honderdvoudige oogst op.” Toen Hij dit had gezegd, riep Hij: “Als je oren hebt om te horen, luister dan!”
LUK 8:9 Jezus' leerlingen vroegen Hem wat de parabel betekende.
LUK 8:10 Hij zei: “Het is jullie gegeven de geheimen van Gods koninkrijk te kennen, maar tot de anderen spreek Ik in parabels, zodat ze ‘wel zien maar niet begrijpen, en wel horen maar niet verstaan.’
LUK 8:11 De parabel betekent het volgende: Het zaad is de boodschap van God aan de mensen.
LUK 8:12 Het zaad naast het pad zijn de mensen die de boodschap hebben gehoord. Maar dan komt de duivel die uit hun hart wegnemen, zodat ze niet tot geloof komen en gered worden.
LUK 8:13 Het zaad op de rots zijn de mensen die de boodschap horen en met vreugde aanvaarden. Ze hebben echter geen wortels en ze geloven wel een tijdlang, maar zodra ze op de proef worden gesteld, geven ze op.
LUK 8:14 Het zaad dat tussen het onkruid viel, zijn de mensen die de boodschap hebben gehoord, maar bij wie deze verstikt raakt door de zorgen, rijkdom en geneugten van het leven, zodat ze geen rijpe oogst opleveren.
LUK 8:15 En het zaad in de goede aarde zijn de mensen die de boodschap met een eerlijk en goed hart hebben beluisterd, haar in zich opnemen, en vruchtdragen doordat ze standvastig zijn.
LUK 8:16 Niemand die een olielamp heeft aangestoken, verbergt haar onder een pot of zet haar onder een bed. Integendeel, hij zet haar op een standaard, zodat zij die binnenkomen het licht zien.
LUK 8:17 Er is niets geheim dat niet zichtbaar zal worden gemaakt, en niets verhuld dat niet zal worden bekendgemaakt en aan het licht zal komen.
LUK 8:18 Denk dus zorgvuldig na over wat jullie horen. Want aan wie heeft, zal nog meer worden gegeven, maar van wie niets heeft, zal zelfs hetgeen hij denkt te hebben worden afgenomen.”
LUK 8:19 Jezus' moeder en broers kwamen naar Hem toe, maar wegens de menigte lukte het hun niet om bij Hem te komen.
LUK 8:20 Er werd aan Hem verteld: “Uw moeder en uw broers staan buiten en ze willen U zien.”
LUK 8:21 Maar Jezus antwoordde: “Mijn moeder en mijn broers zijn zij die Gods evangelie horen en in praktijk brengen.”
LUK 8:22 Op een dag zei Jezus tegen zijn leerlingen: “Laten we naar de overkant van het meer varen.” Ze stapten in een boot en voeren weg.
LUK 8:23 Tijdens het varen viel Jezus in slaap. Er raasde een zware storm over het meer, de boot maakte water en ze raakten in gevaar.
LUK 8:24 Jezus' leerlingen gingen naar Hem toe, maakten Hem wakker en riepen: “Heer, Heer, we vergaan!” Jezus werd wakker en berispte de wind en de woeste golven. De storm ging liggen en het werd stil.
LUK 8:25 Jezus vroeg hun: “Waar was jullie geloof?” Bang en verwonderd zeiden ze tegen elkaar: “Wie is Hij toch, dat Hij zelfs bevelen aan de wind en het water geeft en dat die Hem gehoorzamen?”
LUK 8:26 Ze voeren naar het gebied van de Gerasenen; dat ligt tegenover Galilea.
LUK 8:27 Toen Jezus aan wal stapte, kwam er een man naar Hem toe, die demonen in zich had. Hij was uit de stad afkomstig, maar woonde tussen de graven in plaats van in een huis en hij droeg sinds lang geen kleren meer.
LUK 8:28 Toen hij Jezus zag, viel hij voor Hem op zijn knieën en riep hij: “Waarom bemoeit U zich met mij, Jezus, Zoon van de Allerhoogste God? Ik smeek U, folter mij alstublieft niet!”
LUK 8:29 Jezus had de onreine geest namelijk bevolen om uit de man weg te gaan. De man was al vele malen door de onreine geest overmand en hoewel hij geketend aan handen en voeten werd bewaakt, brak hij dan zijn boeien stuk en werd hij door de demon naar eenzame plaatsen gedreven.
LUK 8:30 Jezus vroeg hem: “Hoe heet je?” Hij antwoordde: “Legio”, want er waren veel demonen in hem komen wonen.
LUK 8:31 Ze smeekten Hem om hen niet naar de hel te verbannen.
LUK 8:32 Nu was er op de berg een grote kudde varkens aan het grazen. De demonen smeekten Jezus, toe te laten dat ze die varkens zouden binnendringen, en Hij liet het toe.
LUK 8:33 De demonen kwamen uit de man naar buiten en drongen de varkens binnen; de kudde stormde de helling af, het meer in, en ze verdronken.
LUK 8:34 Toen de varkenshoeders zagen wat er was gebeurd, renden ze weg en brachten ze verslag uit in de stad en de omliggende dorpen.
LUK 8:35 Daarom kwamen de mensen kijken wat er gebeurd was. Toen ze bij Jezus kwamen, zagen ze de man uit wie de demonen naar buiten waren gekomen, gekleed en bij zijn volle verstand aan Jezus' voeten zitten en ze werden bang.
LUK 8:36 Zij die hadden gezien hoe de bezeten man was genezen, vertelden het hun.
LUK 8:37 Alle mensen uit het gebied van de Gerasenen smeekten Jezus, bij hen weg te gaan, want ze waren door grote angst bevangen. Daarom stapte Hij in de boot en keerde Hij terug.
LUK 8:38 De man uit wie de demonen waren weggegaan, smeekte om met Hem te mogen meekomen. Maar Jezus stuurde hem weg met de woorden:
LUK 8:39 “Ga naar huis en vertel daar wat God voor jou heeft gedaan.” De man trok door de hele stad en verkondigde wat Jezus voor hem had gedaan.
LUK 8:40 Toen Jezus terugkwam, werd Hij door de menigte verwelkomd. Iedereen had op Hem gewacht.
LUK 8:41 Toen kwam er iemand die Jaïrus heette en synagogebestuurder was. Hij liet zich aan Jezus' voeten neervallen en smeekte Hem, naar zijn huis te komen.
LUK 8:42 Zijn enige dochter, die ongeveer twaalf jaar oud was, lag namelijk op sterven. Onderweg verdrong de mensenmassa zich rondom Jezus.
LUK 8:43 Er was ook een vrouw die al twaalf jaar last had van bloedingen, en hoewel ze haar hele levensonderhoud aan dokters had uitgegeven, was er niemand die haar had kunnen genezen.
LUK 8:44 Zij benaderde Jezus van achteren en raakte de kwast onderaan zijn mantel aan. Op dat moment stopte het bloeden.
LUK 8:45 Jezus vroeg: “Wie heeft Mij aangeraakt?” Iedereen ontkende en Petrus zei: “Heer, de menigte staat om U heen en dringt tegen U aan!”
LUK 8:46 Maar Jezus zei: “Iemand heeft Mij aangeraakt, want Ik heb gemerkt dat er kracht van Mij uitging.”
LUK 8:47 Toen de vrouw inzag dat ze niet onopgemerkt kon blijven, kwam ze bevend naar Hem toe en liet ze zich voor Hem neervallen. Ze verklaarde waar iedereen bij stond waarom ze Hem had aangeraakt en hoe ze op dat moment was genezen.
LUK 8:48 Jezus zei tegen haar: “Mijn dochter, je geloof heeft je genezen; ga in vrede.”
LUK 8:49 Terwijl Hij nog sprak, kwam iemand van het huishouden van de synagogebestuurder zeggen: “Uw dochtertje is gestorven, val de Leraar niet meer lastig.”
LUK 8:50 Toen Jezus dat hoorde, zei Hij tegen Jaïrus: “Wees niet bang, je moet enkel geloven; dan zal ze genezen.”
LUK 8:51 Toen Jezus bij het huis aankwam, liet Hij niet toe dat er iemand met Hem naar binnen ging, behalve Petrus, Johannes, Jakobus en de vader en moeder van het kind.
LUK 8:52 Iedereen was om haar aan het wenen en treuren, maar Jezus zei: “Stop met wenen, want ze is niet dood; ze slaapt.”
LUK 8:53 De mensen lachten Hem uit, want ze wisten dat ze was gestorven.
LUK 8:54 Maar Jezus nam haar hand vast en riep: “Kind, sta op!”
LUK 8:55 Haar geest keerde naar haar terug en ze stond meteen op. Hij zei dat men haar iets te eten moest geven.
LUK 8:56 Haar ouders waren buiten zichzelf van verbazing, maar Hij droeg hun op aan niemand te vertellen wat er was gebeurd.
LUK 9:1 Jezus riep de Twaalf bijeen en gaf hun macht en gezag over alle demonen en ook om ziekten te genezen.
LUK 9:2 Hij stuurde hen op pad om Gods koninkrijk te verkondigen en zieken te genezen.
LUK 9:3 Hij zei tegen hen: “Neem niets mee voor onderweg; geen wandelstok, geen reistas, geen brood, geen geld, zelfs geen extra kledij.
LUK 9:4 Wanneer jullie bij iemand te gast zijn, blijf dan bij die persoon logeren totdat je uit die plaats vertrekt.
LUK 9:5 Uit elke stad waar men jullie niet verwelkomt, moet je vertrekken en het stof van je voeten schudden als een teken van je afkeuring.”
LUK 9:6 Ze gingen op pad en trokken langs de dorpen, terwijl ze overal het evangelie verkondigden en mensen genazen.
LUK 9:7 De tetrarch Herodes hoorde wat er allemaal gebeurde en was zeer verbaasd, want er werd door sommigen beweerd dat Johannes uit de dood was verrezen.
LUK 9:8 Anderen zeiden dat Elia was verschenen, nog anderen dat een van de profeten uit vroeger tijden was verrezen.
LUK 9:9 Herodes zei echter: “Johannes heb ik laten onthoofden. Wie is dit dan, over Wie ik deze verhalen hoor?” Hij probeerde Jezus te ontmoeten.
LUK 9:10 Toen de apostelen terugkwamen, vertelden ze Jezus wat ze hadden gedaan. Hij trok zich terug naar een stadje dat Betsaïda heet en nam hen mee, zodat ze onder elkaar waren.
LUK 9:11 De massa kwam het echter te weten en volgde Hem. Hij verwelkomde de mensen en sprak hen toe over Gods koninkrijk. Ook genas Hij wie nood aan genezing had.
LUK 9:12 Tijdens de late namiddag kwamen de Twaalf naar Hem toe. Ze zeiden: “Stuur de mensen toch weg, zodat ze naar de dorpen en gehuchten in de omgeving kunnen gaan om onderdak en eten te zoeken, want we zijn hier op een afgelegen plaats.”
LUK 9:13 Jezus zei tegen hen: “Geven jullie hun maar te eten.” Zij antwoordden: “We hebben slechts vijf broden en twee vissen, tenzij we eropuit gaan om eten voor al deze mensen te kopen.”
LUK 9:14 Er waren ongeveer vijfduizend mannen. Jezus zei tegen zijn leerlingen: “Zeg dat ze in groepen van vijftig moeten plaatsnemen.”
LUK 9:15 Dat deden de leerlingen en iedereen nam plaats.
LUK 9:16 Jezus nam de vijf broden en de twee vissen, keek omhoog naar de hemel, sprak een zegengebed uit, brak de broden in stukken en gaf die aan zijn leerlingen. Zij deelden ze uit aan de mensen,
LUK 9:17 en ze aten allen totdat ze voldaan waren. Het overschot werd verzameld: twaalf manden vol met brokken.
LUK 9:18 Op een dag, toen Jezus aan het bidden was, met alleen zijn leerlingen bij zich, vroeg Hij hun: “Wie zeggen de mensen dat Ik ben?”
LUK 9:19 Ze antwoordden: “Johannes de Doper; anderen zeggen Elia, en nog anderen dat een profeet uit vroeger tijden verrezen is.”
LUK 9:20 Hij vroeg hun: “En jullie, wie zeggen jullie dat Ik ben?” Petrus antwoordde: “De door God gestuurde Messias.”
LUK 9:21 Jezus beval hun nadrukkelijk, dit aan niemand te vertellen.
LUK 9:22 Hij vervolgde: “De Mensenzoon zal veel lijden moeten doorstaan en door de oudsten en hoofdpriesters en Schriftgeleerden worden verworpen en gedood, en op de derde dag zal Hij weer tot leven worden gewekt.”
LUK 9:23 Hij zei tegen hen allen: “Als iemand met Mij wil meekomen, moet hij zichzelf verloochenen, dagelijks zijn kruis opnemen en Mij volgen.
LUK 9:24 Wie zijn leven wil redden, zal het verliezen, maar wie zijn leven loslaat voor Mij, zal het redden.
LUK 9:25 Wat heeft een mens eraan als hij de hele wereld wint maar zichzelf verliest of te gronde richt?
LUK 9:26 Als iemand zich voor Mij en mijn woorden schaamt, zal de Mensenzoon zich voor hem schamen wanneer Hij komt in de hemelse pracht die Hem, de Vader en de heilige engelen omringt.
LUK 9:27 Maar Ik verzeker jullie, sommigen die hier staan zullen niet sterven voordat ze Gods koninkrijk hebben gezien.”
LUK 9:28 Ongeveer acht dagen nadat Hij dit had gezegd, nam Hij Petrus, Johannes en Jakobus met zich mee om op een berg te gaan bidden.
LUK 9:29 Terwijl Hij bad, veranderde de aanblik van zijn gezicht en zijn kledij werd verblindend wit.
LUK 9:30 Plots waren er twee mannen met Hem in gesprek; het waren Mozes en Elia.
LUK 9:31 Ze waren verschenen in hemelse pracht en spraken over Jezus' heengaan – de taak die Hij binnenkort in Jeruzalem zou uitvoeren.
LUK 9:32 Petrus en zijn vrienden raakten door slaap overmand en toen ze wakker werden, zagen ze Jezus' hemelse pracht en de mannen die bij Hem stonden.
LUK 9:33 Toen die aanstalten maakten om bij Hem weg te gaan, zei Petrus tegen Jezus: “Heer, het is goed dat wij hier zijn. Laten we drie hutten bouwen, een voor U, een voor Mozes en een voor Elia.” Hij wist niet wat hij zei.
LUK 9:34 Terwijl hij nog sprak, kwam er een wolk die hen overdekte. Toen de wolk hen omhulde, werden ze bang.
LUK 9:35 Vanuit de wolk klonk een stem die zei: “Dit is mijn Zoon, de Uitverkorene. Luister naar Hem.”
LUK 9:36 Nadat de stem had gesproken, zagen Jezus' leerlingen dat Hij weer alleen was. Ze bewaarden het stilzwijgen en vertelden in die tijd aan niemand wat ze hadden gezien.
LUK 9:37 De volgende dag, toen ze van de berg afdaalden, ging een grote menigte Jezus tegemoet.
LUK 9:38 Een man riep vanuit de mensenmassa: “Leraar, ik smeek U om naar mijn zoon te kijken; hij is mijn enig kind.
LUK 9:39 Hij wordt steeds door een geest overmand en dan schreeuwt hij plots; dan laat hij hem stuiptrekken met een schuimende mond, en hij laat hem pas met rust wanneer hij hem volledig heeft uitgeput.
LUK 9:40 Ik heb uw leerlingen gesmeekt om hem uit te drijven, maar ze konden het niet.”
LUK 9:41 Jezus antwoordde: “O ongelovige en tegendraadse mensen, hoelang zal Ik nog bij jullie zijn en zal Ik jullie verdragen? Breng je zoon hier.”
LUK 9:42 Terwijl het kind naar Hem toekwam, gooide de demon hem stuiptrekkend op de grond. Jezus sprak de onreine geest bestraffend toe, genas het kind en droeg hem over aan zijn vader.
LUK 9:43 Iedereen was diep onder de indruk van Gods grootheid. Terwijl iedereen ontdaan was over alles wat Jezus deed, zei Hij tegen zijn leerlingen:
LUK 9:44 “Laat deze woorden goed tot jullie doordringen: binnenkort zal de Mensenzoon aan de mensen worden uitgeleverd.”
LUK 9:45 Maar ze begrepen deze uitspraak niet en de betekenis bleef voor hen verhuld, zodat ze het niet konden bevatten. Ze durfden Hem niet te vragen wat Hij bedoelde.
LUK 9:46 Onder Jezus' leerlingen ontstond een discussie over wie van hen de belangrijkste was.
LUK 9:47 Toen Jezus merkte wat er in hun hart omging, nam Hij een kind, zette het naast zich neer,
LUK 9:48 en zei Hij tegen hen: “Wie in mijn naam dit kind verwelkomt, verwelkomt Mij. En wie Mij verwelkomt, verwelkomt Degene die Mij heeft gezonden. Want wie van jullie de geringste is, is de belangrijkste.”
LUK 9:49 Johannes reageerde: “Heer, wij zagen iemand in uw naam demonen uitdrijven en wij wilden het hem verbieden omdat hij niet bij ons hoort.”
LUK 9:50 Jezus zei tegen hem: “Verbied het hem niet, want wie niet tegen jullie is, is voor jullie.”
LUK 9:51 Toen de tijd naderde dat Jezus in de hemel zou worden opgenomen, ging Hij vastberaden op weg naar Jeruzalem.
LUK 9:52 Hij stuurde boodschappers voor zich uit en zij gingen onderweg een Samaritaans dorp binnen om voorbereidingen te treffen voor zijn komst.
LUK 9:53 De dorpelingen weigerden echter Jezus te ontvangen, omdat Hij naar Jeruzalem onderweg was.
LUK 9:54 Toen Jakobus en Johannes, leerlingen van Jezus, dat zagen, vroegen ze: “Heer, wilt U dat we zeggen dat er vuur uit de hemel moet komen om hen te vernietigen?”
LUK 9:55 Jezus draaide zich echter naar hen toe en berispte hen.
LUK 9:56 Toen gingen ze naar een ander dorp.
LUK 9:57 Terwijl ze onderweg waren, zei iemand tegen Jezus: “Ik zal U volgen, waarheen U ook gaat.”
LUK 9:58 Jezus antwoordde: “Vossen hebben holen en vogels hebben nesten, maar de Mensenzoon heeft geen plaats om zijn hoofd te laten rusten.”
LUK 9:59 Tegen iemand anders zei Jezus: “Volg Mij”, maar die persoon zei: “Heer, laat mij eerst gaan zodat ik mijn vader kan begraven.”
LUK 9:60 Jezus antwoordde: “Laat de doden hun doden begraven; jij moet op pad gaan om Gods koninkrijk te verkondigen.”
LUK 9:61 Nog iemand anders zei: “Ik zal U volgen, Heer, maar laat me eerst afscheid nemen van mijn familie.”
LUK 9:62 Tegen hem zei Jezus: “Niemand die begint te ploegen en dan achterom kijkt, is geschikt om dienst te doen in Gods koninkrijk.”
LUK 10:1 Later stelde Jezus nog 72 personen aan. Hij stuurde hen twee aan twee voor zich uit, naar elke stad en plaats waarheen Hij zelf wilde gaan.
LUK 10:2 Hij zei tegen hen: “De oogst is wel groot, maar er zijn weinig arbeiders. Smeek daarom de Heer van de oogst om arbeiders naar zijn oogst te zenden.
LUK 10:3 Ga, Ik stuur jullie eropuit als lammeren onder de wolven.
LUK 10:4 Neem geen geldbuidel, geen reistas en geen extra schoenen mee, en stop nooit onderweg om iemand te begroeten.
LUK 10:5 Telkens wanneer jullie bij iemand te gast zijn, zeg dan bij het binnengaan van hun huis: ‘Ik wens de mensen in dit huis vrede toe.’
LUK 10:6 Als daar iemand is die jullie vredeswens waard is, zal hij de vrede ontvangen die je hem toewenst, maar anders zal je vredeswens geen effect op hem hebben.
LUK 10:7 Blijf in dat huis logeren en eet en drink wat je wordt voorgezet, want de arbeider is zijn loon waard. Trek niet van het ene huis naar het andere.
LUK 10:8 Wanneer je een stad binnenkomt en men je daar verwelkomt, eet dan wat je wordt voorgezet.
LUK 10:9 Genees er wie ziek is, en zeg tegen de mensen: ‘Gods koninkrijk is bijna bij jullie.’
LUK 10:10 Maar wanneer je een stad binnenkomt en men je daar niet verwelkomt, ga dan de straten van die stad op en zeg:
LUK 10:11 ‘Het stof van jullie stad dat nog aan onze voeten kleeft, vegen wij af als een teken van onze afkeuring. Maar jullie moeten weten dat Gods koninkrijk in aantocht is.’
LUK 10:12 Ik zeg jullie dat het op de Oordeelsdag draaglijker zal zijn voor Sodom dan voor die stad.
LUK 10:13 Wee jou, Chorazin, wee jou, Betsaïda, want als de wonderen die bij jullie zijn gebeurd, zouden hebben plaatsgevonden in Tyrus en Sidon, dan zou men daar allang in zak en as hebben gezeten en tot inkeer zijn gekomen.
LUK 10:14 Bij het Oordeel zal het draaglijker zijn voor de mensen van Tyrus en Sidon dan voor jullie.
LUK 10:15 En jij, Kafarnaüm, zal jij worden verheven naar de hemel? Nee, je zal worden verlaagd naar het dodenrijk.
LUK 10:16 Wie naar jullie luistert, luistert naar Mij, en wie jullie afwijst, wijst Mij af. En wie Mij afwijst, wijst Hem af die Mij heeft gezonden.”
LUK 10:17 De 72 kwamen vol vreugde terug. Ze zeiden: “Heer, zelfs de demonen onderwerpen zich aan ons wanneer wij uw naam noemen.”
LUK 10:18 Hij antwoordde: “Ik heb Satan als een bliksem uit de hemel zien vallen.
LUK 10:19 Ik heb jullie de macht gegeven om op slangen en schorpioenen te trappen en de vijand te overwinnen. Niets zal jullie kwaad kunnen doen.
LUK 10:20 Verheug je er echter niet over dat de geesten zich aan jullie onderwerpen, verheug je erover dat jullie namen in de hemel staan genoteerd.”
LUK 10:21 Op dat moment werd Jezus door de Heilige Geest vervuld met vreugde en Hij juichte: “Ik dank U, Vader, Heer van hemel en aarde, dat U deze dingen hebt verborgen voor wijzen en verstandigen, maar ze hebt onthuld aan eenvoudigen. Ja, Vader, want zo is het goed in uw ogen.
LUK 10:22 Mijn Vader heeft Mij alles toevertrouwd. Er is niemand die weet wie de Zoon is behalve de Vader, en niemand die weet wie de Vader is behalve de Zoon en zij aan wie de Zoon Hem wenst bekend te maken.”
LUK 10:23 Jezus richtte zich tot zijn leerlingen toen Hij met hen alleen was. Hij zei: “De ogen die zien wat jullie zien, zijn gezegend.
LUK 10:24 Want Ik zeg jullie: veel profeten en koningen wilden zien wat jullie zien, maar ze hebben het niet gezien. En ze wilden horen wat jullie horen, maar ze hebben het niet gehoord.”
LUK 10:25 Er was een Wetgeleerde die Jezus op de proef stelde met de vraag: “Leraar, wat moet ik doen om het eeuwig leven te ontvangen?”
LUK 10:26 Jezus vroeg hem: “Wat staat er in de Wet? Wilt u dat citeren?”
LUK 10:27 De man antwoordde: “Heb de Heer, je God, lief met heel je hart, met heel je ziel, met al je kracht en met heel je verstand, en heb je naaste lief zoals je jezelf liefhebt.”
LUK 10:28 Jezus zei: “U heeft het juiste antwoord gegeven. Doe dat, en u zal leven.”
LUK 10:29 De Wetgeleerde wilde zichzelf rechtvaardigen en vroeg aan Jezus: “Wie is mijn naaste?”
LUK 10:30 Jezus antwoordde: “Er was eens een man, die van Jeruzalem naar Jericho reisde en door rovers werd overvallen. Ze namen hem zijn kleren af, sloegen hem in elkaar, lieten hem halfdood achter en gingen weg.
LUK 10:31 Toevallig kwam er een priester langs diezelfde weg. Toen hij de man zag, ging hij aan de andere kant van de weg voorbij.
LUK 10:32 Ook was er een Leviet. Toen die langs die plaats kwam en de man zag, ging ook hij aan de andere kant voorbij.
LUK 10:33 Toen kwam er een Samaritaan voorbij, die op reis was. Toen hij de man zag, kreeg hij medelijden.
LUK 10:34 Hij ging naar hem toe, goot olie en wijn over zijn wonden en verbond die, zette hem op zijn eigen rijdier, bracht hem naar een herberg en verzorgde hem.
LUK 10:35 De volgende dag nam hij twee denarie en gaf die aan de herbergier met de woorden: ‘Zorg voor hem, en als het meer kost, zal ik u betalen wanneer ik terugkom.’
LUK 10:36 Wie van deze drie, denkt u, was een naaste voor de man die door rovers was overvallen?”
LUK 10:37 De Wetgeleerde antwoordde: “De persoon die mededogen betoonde.” Jezus zei tegen hem: “Ga nu hetzelfde doen.”
LUK 10:38 Onderweg ging Jezus in een dorp binnen, waar een vrouw die Marta heette Hem thuis verwelkomde.
LUK 10:39 Zij had een zus die Maria heette en die aan Jezus' voeten ging zitten om te luisteren, terwijl Hij vertelde.
LUK 10:40 Maar Marta werd in beslag genomen door de bediening van de gasten. Ze kwam Jezus vragen: “Heer, kan het U niet schelen dat mijn zus de bediening aan mij alleen overlaat? Zeg eens tegen haar dat ze mij moet helpen.”
LUK 10:41 De Heer antwoordde echter: “Marta, Marta, je bent bezorgd en je maakt je druk over allerlei zaken,
LUK 10:42 terwijl maar één ding nodig is. Maria heeft het juiste gekozen, en dat zal haar niet worden afgenomen.”
LUK 11:1 Op een dag was Jezus ergens aan het bidden. Toen Hij klaar was, vroeg een van zijn leerlingen Hem: “Heer, leer ons bidden, zoals Johannes dat aan zijn leerlingen heeft geleerd.”
LUK 11:2 Jezus zei tegen hen: “Wanneer jullie bidden, zeg dan: Vader, laat de heiligheid van uw naam worden geëerd. Laat uw koninkrijk komen.
LUK 11:3 Geef ons elke dag voldoende eten.
LUK 11:4 Vergeef ons onze zonden, want wij vergeven ieder die zich tegenover ons heeft schuldig gemaakt. En laat niet toe dat we in verzoeking komen.”
LUK 11:5 Jezus zei tegen hen: “Stel dat een van jullie een vriend heeft naar wie je midden in de nacht toe gaat en zegt: ‘Vriend, wil je mij drie broden geven,
LUK 11:6 want een kennis van mij die op reis is, is bij mij gekomen en ik heb niets om hem voor te zetten.’
LUK 11:7 En stel dat die vriend vanuit zijn huis roept: ‘Val me niet lastig, want de deur is al op slot en mijn kinderen en ik liggen al in bed. Ik kan niet opstaan om je iets te geven!’
LUK 11:8 Ik zeg jullie: zelfs als die vriend niet voor je opstaat en het aan je geeft omdat je zijn vriend bent, zal hij toch opstaan en je zoveel geven als je nodig hebt, omdat je aanhoudt.
LUK 11:9 Daarom zeg Ik jullie: vraag en het zal je gegeven worden, zoek en je zal vinden, klop en er zal voor je worden opengedaan.
LUK 11:10 Want ieder die vraagt, zal ontvangen, en wie zoekt, zal vinden, en voor wie klopt, zal worden opengedaan.
LUK 11:11 Wie van jullie die vader is, zal als zijn zoon om een vis vraagt, hem een slang geven in plaats van een vis?
LUK 11:12 Of als hij om een ei vraagt, geeft hij hem dan een schorpioen?
LUK 11:13 Dus als jullie, die slecht zijn, goede geschenken weten te geven aan je kinderen, is het toch veel zekerder dat jullie Vader vanuit de hemel de Heilige Geest zal geven aan wie het Hem vraagt?”
LUK 11:14 Jezus dreef eens een demon uit die niet kon spreken. Toen de demon was weggegaan, begon die persoon te spreken. De mensen stonden versteld,
LUK 11:15 maar sommigen zeiden: “Het is Beëlzebul, de heerser over de demonen, die Hem in staat stelt de demonen uit te drijven.”
LUK 11:16 Anderen stelden Jezus op de proef door Hem te vragen om een teken uit de hemel.
LUK 11:17 Jezus wist echter wat er in hen omging en zei tegen hen: “Ieder koninkrijk dat innerlijk verdeeld is, gaat te gronde, en verdeelde families komen ten val.
LUK 11:18 Als Satan innerlijk verdeeld is, hoe zal zijn koninkrijk dan standhouden? Jullie zeggen dat Ik de demonen uitdrijf doordat Beëlzebul Mij daartoe in staat stelt.
LUK 11:19 Maar als Ik de demonen uitdrijf doordat Beëlzebul Mij daartoe in staat stelt, wie stelt jullie aanhangers dan in staat om demonen uit te drijven? Die aanhangers zijn het bewijs dat jullie ongelijk hebben.
LUK 11:20 Maar als Ik demonen uitdrijf doordat God Mij daartoe in staat stelt, dan blijkt daaruit dat Gods koninkrijk bij jullie is gekomen.
LUK 11:21 Wanneer een goed bewapende, sterke man zijn paleis bewaakt, zijn zijn bezittingen veilig.
LUK 11:22 Maar wanneer er iemand komt die sterker is en hem verslaat, neemt de winnaar hem de wapenrusting af waarop hij had vertrouwd, en verdeelt hij de buit.
LUK 11:23 Wie niet voor Mij is, is tegen Mij, en wie niet met Mij bijeenbrengt, drijft uiteen.
LUK 11:24 Wanneer een onreine geest uit een mens is gekomen, trekt hij door dorre plaatsen op zoek naar een rustplaats, zonder die te vinden. Dan zegt hij: ‘Ik ga terug naar het huis waar ik vandaan kom.’
LUK 11:25 En wanneer hij aankomt, treft hij het huis geveegd en opgeruimd aan.
LUK 11:26 Dan gaat hij weg om zeven andere geesten op te halen die nog slechter zijn dan hijzelf, en ze nemen er hun intrek. Dan is die persoon er slechter aan toe dan eerst.”
LUK 11:27 Terwijl Jezus deze dingen zei, riep een vrouw vanuit de menigte: “Gezegend zijn de moederschoot waaruit U bent geboren en de borsten waarvan U heeft gedronken!”
LUK 11:28 Maar Jezus zei: “Het zijn veeleer de mensen die Gods boodschap horen en zich eraan houden, die gezegend zijn.”
LUK 11:29 Toen er nog meer mensen om Jezus heen kwamen staan, sprak Hij hen toe. Hij zei: “Jullie soort mensen is slecht. Jullie soort vraagt om een teken, maar het enige teken dat jullie zal worden gegeven is het teken van Jona.
LUK 11:30 Want zoals Jona een teken werd voor de mensen van Nineve, zo zal de Mensenzoon een teken zijn voor jullie soort.
LUK 11:31 Bij het Oordeel zal tegelijk met jullie soort de koningin van het zuiden verrijzen en zij zal jullie veroordelen, want zij kwam van een van de uithoeken van de aarde naar Salomo's wijsheid luisteren en hier is Iemand die groter is dan Salomo.
LUK 11:32 Bij het Oordeel zullen tegelijk met jullie soort de inwoners van Nineve verrijzen en zij zullen jullie veroordelen, want zij kwamen tot inkeer door Jona's verkondiging, en hier is Iemand die groter is dan Jona.
LUK 11:33 Niemand die een olielamp heeft aangestoken, zet haar in de kelder of onder een bak. Integendeel, hij zet haar op een standaard, zodat de mensen die binnenkomen het licht zien.
LUK 11:34 Je oog is de lamp van je lichaam; wanneer je oog helder is, is je hele lichaam verlicht, maar wanneer je oog troebel is, is je lichaam vol duisternis.
LUK 11:35 Zorg dus dat het licht binnenin jou geen duisternis wordt.
LUK 11:36 Als je hele lichaam verlicht is, en geen enkel deel ervan is duister, dan is het even goed verlicht als wanneer je door het licht van een lamp wordt beschenen.”
LUK 11:37 Nadat Jezus had gesproken, werd Hij door een farizeeër uitgenodigd voor een maaltijd. Jezus ging met hem mee naar huis en nam plaats.
LUK 11:38 De farizeeër was verbaasd toen hij zag dat Jezus zijn handen niet waste voor het eten.
LUK 11:39 Maar de Heer zei tegen hem: “Jullie farizeeën reinigen wel de buitenkant van de beker en de schaal, maar vanbinnen zitten jullie vol zelfzucht en slechtheid.
LUK 11:40 Dwazen, de Maker van de buitenkant heeft toch ook de binnenkant gemaakt?
LUK 11:41 Geef de inhoud weg als gift voor de armen; dan zal voor jullie alles rein zijn.
LUK 11:42 Maar wee jullie, farizeeën, want jullie geven God een tiende deel van de munt, de wijnruit en de andere kruiden, maar jullie negeren Gods gerechtigheid en liefde, terwijl dat de dingen zijn die je moet nastreven zonder het andere na te laten.
LUK 11:43 Wee jullie, farizeeën, want jullie houden ervan de beste plaatsen in de synagogen in te nemen en met respect te worden begroet op het marktplein.
LUK 11:44 Wee jullie, want jullie zijn als ongemarkeerde graven waar de mensen overheen wandelen zonder het te beseffen.”
LUK 11:45 Een van de Wetgeleerden reageerde: “Leraar, U beledigt ook ons door dat te zeggen.”
LUK 11:46 Maar Jezus zei: “Wat jullie Wetgeleerden betreft, wee ook jullie, want jullie leggen moeilijk te dragen lasten aan de mensen op, maar steken zelf geen vinger naar die lasten uit.
LUK 11:47 Wee jullie, want jullie bouwen grafmonumenten voor de profeten die door jullie voorouders zijn gedood.
LUK 11:48 Door dat te doen, bewijzen jullie dat je de daden van je voorouders goedkeurt, want zij hebben hen gedood en jullie bouwen graven voor hen.
LUK 11:49 Daarom heeft God in zijn wijsheid gezegd: ‘Ik zal profeten en apostelen naar hen toe sturen en ze zullen sommigen van hen doden en anderen vervolgen.’
LUK 11:50 Daarom zal jullie soort mensen verantwoordelijk worden gesteld voor het bloed van alle profeten dat vergoten is sinds de schepping van de wereld,
LUK 11:51 van het bloed van Abel tot het bloed van Zacharia, die werd omgebracht tussen het altaar en Gods huis. Jazeker, ik zeg jullie, jullie soort zal ervoor verantwoordelijk worden gesteld.
LUK 11:52 Wee jullie, Wetgeleerden, want jullie hebben de sleutel tot de kennis weggenomen zonder zelf naar binnen te gaan, en jullie houden de mensen tegen die naar binnen willen.”
LUK 11:53 Toen Jezus naar buiten ging, keerden de Schriftgeleerden en de farizeeën zich tegen Hem en bestookten ze Hem met allerlei vragen
LUK 11:54 om een strafbare uitspraak bij Hem uit te lokken.
LUK 12:1 Intussen waren er zoveel mensen toegestroomd, dat ze elkaar verdrongen. Jezus begon te spreken, in de eerste plaats tot zijn leerlingen: “Wees op je hoede voor de desem – dat wil zeggen: de hypocrisie – van de farizeeën.
LUK 12:2 Er is niets verborgen dat niet zal worden onthuld en er is niets geheim dat niet zal worden bekendgemaakt.
LUK 12:3 Wat jullie in het donker hebben gezegd, zal in het licht worden gehoord, en wat jullie in de binnenkamer hebben gefluisterd, zal van de daken worden verkondigd.
LUK 12:4 Mijn vrienden, Ik zeg jullie: wees niet bang voor wie wel het lichaam doden maar verder niets kunnen doen.
LUK 12:5 Ik zal jullie vertellen voor wie jullie wel bang moeten zijn: wees bang voor Degene die de macht heeft om je in de hel te gooien nadat je lichaam is gedood. Jazeker, Ik zeg jullie: voor Hem moeten jullie bang zijn.
LUK 12:6 Worden mussen niet per vijf verkocht voor twee kopermuntjes? Toch is er niet één die niet door God wordt opgemerkt.
LUK 12:7 En alle haren op je hoofd zijn geteld. Wees dus niet bang; jullie zijn veel meer waard dan mussen.
LUK 12:8 Ik zeg jullie: ieder die Mij erkent bij de mensen, zal door de Mensenzoon worden erkend bij Gods engelen.
LUK 12:9 Maar wie Mij verloochent bij de mensen, zal worden verloochend bij Gods engelen.
LUK 12:10 Ieder die iets lelijks zegt over de Mensenzoon, kan worden vergeven, maar wie de Heilige Geest belastert, zal niet worden vergeven.
LUK 12:11 Wanneer jullie voor de synagogen, heersers en gezaghebbers worden gesleept, maak je dan niet bezorgd over hoe je jezelf moet verdedigen of wat je moet zeggen,
LUK 12:12 want de Heilige Geest zal je op dat moment leren wat je moet zeggen.”
LUK 12:13 Iemand in de menigte zei tegen Jezus: “Leraar, zeg tegen mijn broer dat hij de erfenis met mij moet delen.”
LUK 12:14 Maar Jezus antwoordde: “Wie heeft Mij als rechter of bemiddelaar over jullie aangesteld?”
LUK 12:15 Toen zei Jezus tegen hen: “Pas op; wees op je hoede voor iedere vorm van hebzucht, want zelfs als iemand veel bezittingen heeft, is hij niet meester van zijn leven.”
LUK 12:16 Jezus vertelde hun een parabel: “Er was eens een rijk man, met land dat een grote oogst had opgeleverd.
LUK 12:17 Hij begon zich af te vragen: Wat zal ik doen? Ik heb geen plaats om mijn oogst op te slaan.
LUK 12:18 Toen zei hij: ‘Ik zal het volgende doen: ik zal mijn schuren afbreken en grotere bouwen. Daarin zal ik al mijn graan en mijn voorraden bewaren.
LUK 12:19 Dan zal ik tegen mezelf zeggen: Jongen, je hebt veel voorraden opgeslagen waar je vele jaren van kan leven. Ontspan je: eet, drink en geniet.’
LUK 12:20 Maar God zei tegen hem: ‘Jij dwaas, vannacht zal Ik je leven van je opeisen; wie krijgt dan wat je voor jezelf hebt opgespaard?’
LUK 12:21 Zo zal het de persoon vergaan die rijkdom voor zichzelf vergaart maar in Gods ogen niet rijk is.”
LUK 12:22 Jezus zei tegen zijn leerlingen: “Daarom zeg Ik jullie: wees niet ongerust over je leven, over wat je zal eten of drinken, of over je lichaam, over hoe je je zal kleden.
LUK 12:23 Het leven is immers meer dan eten en het lichaam is meer dan kledij.
LUK 12:24 Kijk naar de raven: zij zaaien of oogsten niet en ze hebben geen opslagruimte of schuur, maar toch geeft God hun te eten. Jullie zijn toch meer waard dan de vogels?
LUK 12:25 Wie van jullie kan door ongerust te zijn een uur aan zijn leven toevoegen?
LUK 12:26 Als jullie zelfs zoiets kleins niet kunnen, waarom zouden jullie dan bezorgd zijn over het overige?
LUK 12:27 Kijk hoe de wilde bloemen groeien: ze spinnen en weven niet en toch, zeg Ik jullie, was zelfs Salomo in al zijn pracht niet zo mooi gekleed als zij.
LUK 12:28 Als God het gras dat vandaag op het veld staat en morgen in de oven wordt gegooid, zo mooi kleedt, zal Hij jullie, kleingelovigen, dan niet nog beter kleden?
LUK 12:29 Vraag je niet voortdurend af wat je zal eten en drinken; wees niet bezorgd.
LUK 12:30 Dat zijn allemaal zaken die de volken van deze wereld najagen; je Vader weet dat je ze nodig hebt.
LUK 12:31 Geef daarentegen prioriteit aan Gods koninkrijk; dan zullen ook deze dingen aan jullie worden gegeven.
LUK 12:32 Wees niet bang, kleine kudde, want jullie Vader heeft in zijn goedheid besloten het koninkrijk aan jullie te geven.
LUK 12:33 Verkoop je bezittingen en geef aan de armen; zo maak je voor jezelf een geldbuidel die niet verslijt, een schat in de hemel die niet opraakt, waar geen dief in de buurt komt en die niet door motten wordt aangetast.
LUK 12:34 Want waar jullie schat is, daar zal ook jullie hart zijn.
LUK 12:35 Zorg dat jullie klaarstaan en dat je lamp brandt.
LUK 12:36 Wees als mensen die hun baas opwachten wanneer hij terugkeert van het huwelijksfeest, zodat ze meteen kunnen opendoen wanneer hij arriveert en aanklopt.
LUK 12:37 De knechten die de baas bij zijn terugkomst aantreft terwijl ze op de uitkijk staan, zijn gezegend. Ik verzeker jullie dat hij hen aan tafel zal laten plaatsnemen, zich zal klaarmaken en hen zal komen bedienen.
LUK 12:38 Ze zijn gezegend, of hij nu komt rond middernacht of in de vroege uurtjes.
LUK 12:39 Dit moeten jullie weten: als de huiseigenaar zou weten hoe laat de dief komt, zou hij niet in zijn huis laten inbreken.
LUK 12:40 Ook jullie moeten voorbereid zijn, want de Mensenzoon komt op een onverwacht tijdstip.”
LUK 12:41 Petrus vroeg: “Heer, is deze parabel voor ons bedoeld, of voor iedereen?”
LUK 12:42 De Heer antwoordde: “Wie is de trouwe en verstandige beheerder die door zijn heer over het personeel is aangesteld om hun op tijd hun portie eten te geven?
LUK 12:43 De dienaar die door zijn heer bij diens thuiskomst aan het werk wordt aangetroffen, is gezegend.
LUK 12:44 Ik verzeker jullie dat hij hem over al zijn bezittingen zal aanstellen.
LUK 12:45 Als de dienaar echter denkt: mijn heer komt nog lang niet, en als hij dan de knechten en dienstbodes begint te mishandelen en zelf eet, drinkt en dronken wordt,
LUK 12:46 dan zal de heer van die dienaar komen op een dag en een tijdstip die de dienaar niet verwacht of kent, hem de doodstraf opleggen en hem dezelfde bestemming geven als de misdadigers.
LUK 12:47 De dienaar die weet wat zijn heer wil, en er niet naar handelt en geen voorbereidingen treft, zal veel slaag krijgen.
LUK 12:48 Maar wie zonder het te beseffen dingen doet waarvoor hij straf verdient, zal weinig slaag krijgen. Want van ieder aan wie veel is gegeven, zal veel worden geëist, en van de mensen aan wie veel is toevertrouwd, zal veel worden gevraagd.
LUK 12:49 Ik ben gekomen om vuur op de aarde te werpen en Ik zou graag willen dat het nu reeds wordt aangestoken.
LUK 12:50 Maar er is een doop die Ik moet ondergaan en dat weegt zwaar op Mij zolang het nog niet is gebeurd.
LUK 12:51 Denken jullie dat Ik ben gekomen om vrede op aarde te brengen? Nee, zeg Ik jullie, Ik breng verdeeldheid.
LUK 12:52 Voortaan zal het zo zijn dat een familie van vijf personen verdeeld zal zijn: drie tegen twee en twee tegen drie.
LUK 12:53 Vaders zullen tegen hun zoon zijn en zonen tegen hun vader, moeders tegen hun dochter en dochters tegen hun moeder, schoonmoeders tegen hun schoondochter en schoondochters tegen hun schoonmoeder.”
LUK 12:54 Jezus zei tegen de mensenmassa: “Als jullie een wolk uit het westen zien komen, zeggen jullie meteen: ‘Er komt een bui.’ En dan gebeurt dat.
LUK 12:55 En als de wind uit het zuiden komt, zeggen jullie: ‘Vandaag wordt het heet.’ En dan gebeurt dat.
LUK 12:56 Jullie hypocrieten, jullie kunnen de dingen die jullie op aarde en in de lucht zien wel interpreteren; hoe is het mogelijk dat jullie de huidige tijd niet kunnen interpreteren?
LUK 12:57 Waarom kunnen jullie niet zelf beoordelen wat rechtvaardig is?
LUK 12:58 Wanneer je met je tegenstander onderweg bent naar de autoriteiten, probeer dan met hem tot een vergelijk te komen; anders kan je voor de rechter worden gesleept, zodat de rechter je aan de gerechtsdienaar uitlevert en de gerechtsdienaar je in de gevangenis gooit.
LUK 12:59 Ik verzeker je, je zal daar in geen geval uitkomen voordat je de laatste cent hebt betaald.”
LUK 13:1 In die tijd waren er mensen die Jezus vertelden over de Galileeërs die door Pilatus waren omgebracht tijdens het slachten van hun offerdieren voor God.
LUK 13:2 Jezus reageerde: “Denken jullie dat deze Galileeërs grotere zondaars waren dan de andere Galileeërs omdat ze dit lijden ondergingen?
LUK 13:3 Nee, zeg Ik jullie; als jullie niet tot inkeer komen, zullen ook jullie omkomen.
LUK 13:4 Of denken jullie dat de achttien mensen die omkwamen toen de toren van Siloam op hen viel, meer schuld droegen dan de andere inwoners van Jeruzalem?
LUK 13:5 Nee, zeg Ik jullie, als jullie niet tot inkeer komen, zullen jullie allen omkomen, net als zij.”
LUK 13:6 Jezus vertelde de volgende parabel: “Iemand had een vijgenboom in zijn wijngaard staan. Hij kwam kijken of er vijgen aan zaten, maar hij vond er geen.
LUK 13:7 Hij zei tegen de beheerder van de wijngaard: ‘Ik kom al drie jaar kijken of er vruchten aan deze vijgenboom groeien, zonder dat ik iets vind. Hak hem maar om, hij neemt alleen maar grond in beslag.’
LUK 13:8 De beheerder antwoordde: ‘Heer, laat hem nog een jaar staan, zodat ik de grond eromheen kan omspitten en bemesten.
LUK 13:9 Misschien groeien er volgend jaar vruchten aan. Maar zo niet, laten we hem dan omhakken.’”
LUK 13:10 Op een sabbat was Jezus in een synagoge aan het onderwijzen.
LUK 13:11 Daar was een vrouw die al achttien jaar ziek was door een geest; ze was krom en kon haar rug in het geheel niet rechten.
LUK 13:12 Toen Jezus haar zag, riep Hij haar bij zich. Hij zei tegen haar: “Mevrouw, u bent bevrijd van uw aandoening.”
LUK 13:13 Hij legde haar de handen op en op dat moment werd haar rug recht en ze verheerlijkte God.
LUK 13:14 De synagogebestuurder reageerde verontwaardigd, omdat Jezus de genezing had verricht op de sabbat. Hij zei tegen de mensen: “Er zijn zes dagen om te werken; kom op die dagen om je te laten genezen, maar niet op de sabbat.”
LUK 13:15 De Heer reageerde: “Hypocrieten, jullie maken toch allemaal op de sabbat je os of ezel van de voederbak los om hem naar de drinkbak te leiden?
LUK 13:16 En deze dochter van Abraham, die achttien jaar lang door de satan werd gevangengehouden, zou niet op de sabbat uit haar gevangenschap mogen worden bevrijd?”
LUK 13:17 Door dit te zeggen bracht Hij al zijn tegenstanders in verlegenheid, maar de hele menigte verheugde zich over de prachtige dingen die Hij had gedaan.
LUK 13:18 Jezus zei: “Waarop lijkt Gods koninkrijk en waarmee zal Ik het vergelijken?
LUK 13:19 Het is als een mosterdzaadje dat iemand in zijn tuin zaaide. Het groeide uit tot een boom en de vogels nestelden zich in zijn takken.”
LUK 13:20 Jezus vervolgde: “Waarmee zal Ik Gods koninkrijk vergelijken?
LUK 13:21 Het is als desem die door een vrouw werd vermengd met drie porties meel, totdat het deeg volledig doordesemd was.”
LUK 13:22 Jezus vervolgde zijn reis naar Jeruzalem en onderwees de mensen in de steden en dorpen waar Hij langstrok.
LUK 13:23 Iemand vroeg Hem: “Heer, zijn er maar weinig mensen die worden gered?” Jezus zei tegen hen:
LUK 13:24 “Doe alle moeite om door de smalle deur naar binnen te gaan, want Ik zeg jullie: velen zullen proberen naar binnen te gaan en er niet toe in staat zijn.
LUK 13:25 Wanneer de huiseigenaar de deur gesloten heeft, zullen jullie buiten staan, aankloppen en roepen: ‘Meneer, doe voor ons open!’ Hij zal antwoordden: ‘Ik ken jullie niet. Waar komen jullie vandaan?’
LUK 13:26 Dan zullen jullie zeggen: ‘We hebben toch bij u gegeten en gedronken en u heeft toch op onze straten onderwijs gegeven?’
LUK 13:27 Maar hij zal zeggen: ‘Ik weet niet wie jullie zijn of waar jullie vandaan komen. Ga allemaal weg, jullie zondaars!’
LUK 13:28 Daar zal worden geweend en met de tanden geknarst, wanneer jullie Abraham en Isaak en Jakob en alle profeten in Gods koninkrijk zullen zien, maar zelf zullen worden buitengegooid.
LUK 13:29 De mensen zullen uit het oosten en het westen komen, uit het noorden en het zuiden, en aan tafel plaatsnemen in Gods koninkrijk.
LUK 13:30 Er zijn namelijk laatsten die de eersten zullen zijn en er zijn eersten die de laatsten zullen zijn.”
LUK 13:31 Op dat moment kwamen er enkele farizeeën bij Jezus. Ze zeiden: “U kan beter van hier vertrekken en verder reizen, want Herodes wil U doden.”
LUK 13:32 Jezus antwoordde: “Ga die vos maar vertellen dat Ik vandaag en morgen nog demonen uitdrijf en mensen genees en dat Ik op de derde dag mijn doel zal bereiken.
LUK 13:33 Toch moet Ik vandaag, morgen en overmorgen doorreizen, want het is ondenkbaar dat een profeet omkomt buiten Jeruzalem.
LUK 13:34 Jeruzalem, Jeruzalem, jij die de profeten doodt en stenigt wie naar jou toe gestuurd zijn! Ik heb zo vaak je inwoners willen bijeenbrengen, zoals een hen haar kuikens onder haar vleugels bijeenbrengt. Maar jullie wilden dat niet.
LUK 13:35 Daarom zal jullie huis verlaten zijn. Ik zeg jullie: jullie zullen Mij niet meer zien totdat jullie uitroepen: ‘Gezegend is Hij die komt in de naam van de Heer.’”
LUK 14:1 Op een sabbat, toen Jezus bij een van de leiders van de farizeeën thuis was gaan eten, werd Hij nauwlettend in de gaten gehouden.
LUK 14:2 Recht voor Jezus stond iemand die aan oedeem leed.
LUK 14:3 Jezus reageerde door aan de Wetgeleerden en de farizeeën te vragen: “Is het toegestaan om op de sabbat te genezen? Of mag het niet?”
LUK 14:4 Zij zwegen. Jezus nam de persoon bij de hand, genas hem en liet hem gaan.
LUK 14:5 Tegen de anderen zei Hij: “Wie van jullie die een zoon of een os heeft die in een put valt, zou hem er niet meteen uit trekken, zelfs op de sabbat?”
LUK 14:6 Ook hierop hadden ze geen antwoord.
LUK 14:7 Jezus had gemerkt dat de gasten de ereplaatsen hadden gekozen en vertelde hun een parabel:
LUK 14:8 “Wanneer iemand jullie uitnodigt naar een huwelijksfeest, ga dan niet op de ereplaats zitten, want het is mogelijk dat hij iemand heeft uitgenodigd die meer voor hem betekent.
LUK 14:9 Dan zal de gastheer die jullie beiden had uitgenodigd, naar je toe komen en zeggen: ‘Sta je plaats af aan deze persoon.’ En dan moet je, tot je schaamte, genoegen nemen met de verste plaats aan tafel.
LUK 14:10 Dus als jullie zijn uitgenodigd, ga dan op de verste plaats zitten. Dan zal je gastheer naar je toe komen en tegen je zeggen: ‘Vriend, kom op een betere plaats zitten’. En dan ontvang je eer in de ogen van al je tafelgenoten.
LUK 14:11 Want ieder die zichzelf een eervolle plaats toebedeelt, zal een geringe plaats krijgen, en wie zichzelf een geringe plaats toebedeelt, zal een eervolle plaats krijgen.”
LUK 14:12 Tegen de gastheer zei Jezus: “Wanneer je 's middags of 's avonds een feestmaal geeft, nodig dan niet je vrienden, broers en zussen, familie en rijke buren uit, met de bedoeling dat zij op hun beurt jou zullen uitnodigen en jij op die manier iets zult terugkrijgen.
LUK 14:13 Nee, wanneer je een feestmaal geeft, nodig dan de armen, de mensen met een handicap, de verlamden en de blinden uit.
LUK 14:14 Dan zal je gezegend zijn, want hoewel zij jou niets kunnen teruggeven, zal je worden beloond bij de verrijzenis van de mensen die met God in het reine zijn.”
LUK 14:15 Eén van Jezus' tafelgenoten hoorde dat en zei: “Wat een zegen moet het zijn om te mogen deelnemen aan het feestmaal in Gods koninkrijk!”
LUK 14:16 Jezus antwoordde: “Iemand gaf eens een groot feestmaal en nodigde veel mensen uit.
LUK 14:17 Tegen het tijdstip waarop de maaltijd klaar was, stuurde hij zijn dienaar naar de genodigden met het bericht: ‘Kom, het is klaar.’
LUK 14:18 Ze lieten zich echter allen verontschuldigen. De een zei: ‘Ik heb een akker gekocht en moet die gaan bekijken; wilt u mij verontschuldigen?’
LUK 14:19 De ander zei: ‘Ik heb vijf paar ossen gekocht en ga ze uitproberen; wilt u mij verontschuldigen?’
LUK 14:20 Nog een ander zei: ‘Ik ben pas getrouwd en daarom kan ik niet komen.’
LUK 14:21 De dienaar ging naar zijn baas toe en vertelde het. De heer werd boos en zei tegen zijn dienaar: ‘Ga direct naar de straten en stegen van de stad en breng de armen, de mensen met een handicap, de blinden en de verlamden naar hier.’
LUK 14:22 De dienaar zei: ‘Meneer, dat bevel is uitgevoerd en er is nog altijd plaats.’
LUK 14:23 Toen zei de heer tegen de dienaar: ‘Ga naar de wegen en paden buiten de stad en dwing de mensen te komen, zodat mijn huis vol raakt.
LUK 14:24 Ik zeg jullie dat geen van de mensen die aanvankelijk waren uitgenodigd, van mijn feestmaal zal eten.’”
LUK 14:25 Er kwam nu een groot aantal mensen met Jezus mee. Hij keerde zich naar hen toe en zei:
LUK 14:26 “Als iemand bij Mij komt en Mij niet méér liefheeft dan zijn vader, moeder, vrouw, kinderen, broers en zussen en zelfs zijn eigen leven, dan kan hij niet mijn volgeling zijn.
LUK 14:27 Wie niet zijn kruis draagt en achter Mij aankomt, kan niet mijn volgeling zijn.
LUK 14:28 Wie van jullie zou een toren bouwen zonder eerst neer te zitten om uit te rekenen of hij voldoende geld heeft om de bouw af te maken?
LUK 14:29 Want als hij het fundament zou leggen en de bouw vervolgens niet zou kunnen afmaken, zou iedereen die het zag, hem uitlachen
LUK 14:30 en zeggen: die man is begonnen met bouwen maar kon het niet afmaken.
LUK 14:31 Of welke koning zou ten strijde trekken tegen een andere koning zonder eerst te overwegen of hij in staat is met tienduizend soldaten zijn tegenstander te verslaan, die met twintigduizend soldaten op hem afkomt?
LUK 14:32 En als hij weet dat hij zijn tegenstander niet zal kunnen verslaan, zal hij een delegatie sturen wanneer de ander nog ver weg is, en om vrede vragen.
LUK 14:33 Zo is het ook met jullie: wie niet al zijn bezittingen opgeeft, kan niet mijn volgeling zijn.
LUK 14:34 Zout is goed, maar als het zout smaakloos wordt, hoe kan het dan op smaak worden gebracht?
LUK 14:35 Het zout is zelfs ongeschikt geworden voor op de akker of de mesthoop; het wordt weggegooid. Als je oren hebt om te horen, luister dan!”
LUK 15:1 Alle belastinginners en zondaars kwamen naar Jezus luisteren.
LUK 15:2 De farizeeën en Schriftgeleerden mopperden: “Deze Man ontvangt zondaars en eet samen met hen.”
LUK 15:3 Daarom vertelde Hij hun de volgende parabel:
LUK 15:4 “Stel dat iemand van jullie honderd schapen heeft en er een van kwijtraakt. Zou hij dan niet de negenennegentig op het veld achterlaten en het verloren dier achternagaan totdat hij het terugvindt?
LUK 15:5 En wanneer hij het heeft gevonden, is hij verheugd en legt hij het op zijn schouders.
LUK 15:6 Dan gaat hij naar huis, roept hij zijn vrienden en buren bijeen en zegt hij tegen hen: ‘Verheug je samen met mij, want ik heb mijn verloren schaap teruggevonden.’
LUK 15:7 Ik zeg jullie dat het in de hemel ook zo is: daar zal meer vreugde zijn over één zondaar die tot inkeer komt dan over negenennegentig rechtvaardige mensen die geen inkeer nodig hebben.
LUK 15:8 Stel dat een vrouw tien zilveren munten heeft en er een van kwijtraakt. Zou ze dan niet een lamp aansteken, het huis schoonvegen en grondig zoeken totdat ze hem terugvindt?
LUK 15:9 En wanneer ze hem heeft gevonden, roept ze haar vriendinnen en buurvrouwen bijeen en zegt ze: ‘Verheug je samen met mij, want ik heb mijn verloren munt teruggevonden.’
LUK 15:10 Ik zeg jullie dat het met Gods engelen ook zo is: zij verheugen zich over één zondaar die zich bekeert.”
LUK 15:11 Jezus vertelde: “Een man had twee zonen.
LUK 15:12 De jongste zei tegen de vader: ‘Vader, geef mij mijn aandeel van de erfenis.’ Daarop verdeelde de vader zijn vermogen tussen de zonen.
LUK 15:13 Enkele dagen later maakte de jongste zoon alles te gelde en vertrok hij naar een ver land, waar hij zijn erfenis verbraste door losbandig te leven.
LUK 15:14 Toen hij alles had opgemaakt, brak in heel dat land een zware hongersnood uit en begon hij gebrek te lijden.
LUK 15:15 Daarom vroeg hij een van de burgers van dat land om werk en die stuurde hem de velden in om de varkens te hoeden.
LUK 15:16 Hij had graag zijn honger gestild met de schillen die door de varkens werden opgegeten, maar niemand gaf hem iets.
LUK 15:17 Toen kwam hij tot zichzelf en zei hij: ‘De dagloners van mijn vader hebben eten in overvloed, terwijl ik hier omkom van de honger.
LUK 15:18 Ik zal naar mijn vader toe gaan en tegen hem zeggen: vader, ik heb gezondigd tegen God en tegen u.
LUK 15:19 Ik ben het niet langer waard uw zoon genoemd te worden. Stel me aan als een van uw dagloners.’
LUK 15:20 Hij ging op weg, terug naar zijn vader. Maar zijn vader zag hem al van ver, kreeg medelijden, rende naar hem toe, omarmde hem en gaf hem een kus.
LUK 15:21 De zoon zei: ‘Vader, ik heb gezondigd tegen God en tegen u. Ik ben het niet langer waard uw zoon te worden genoemd.’
LUK 15:22 Maar de vader zei tegen zijn knechten: ‘Snel, breng het mooiste feestgewaad, trek hem dat aan en doe een ring aan zijn vinger en schoenen aan zijn voeten.
LUK 15:23 En haal dan het gemeste kalf, slacht het en laten we eten en feest vieren,
LUK 15:24 want mijn zoon hier was dood en is weer tot leven gekomen, ik was hem kwijt en hij is teruggevonden.’ Toen begonnen ze feest te vieren.
LUK 15:25 De oudste zoon was nog op het land, maar toen hij thuiskwam, hoorde hij muziek en feestgeluiden.
LUK 15:26 Hij riep een van de dienaren en vroeg wat er aan de hand was.
LUK 15:27 De dienaar zei: ‘Uw broer is thuisgekomen en uw vader heeft het gemeste kalf laten slachten, omdat hij hem veilig en wel heeft teruggekregen.’
LUK 15:28 De oudste zoon werd kwaad en wilde niet naar binnen. Toen kwam zijn vader naar buiten om hem over te halen.
LUK 15:29 Maar hij zei tegen zijn vader: ‘Ik heb u jarenlang gediend en ik heb nooit een bevel van u genegeerd, maar u heeft mij nooit een jonge geit gegeven om met mijn vrienden een feestje te houden.
LUK 15:30 En nu is die zoon van u gekomen, die uw vermogen aan hoeren heeft verkwist, en u heeft het gemeste kalf voor hem geslacht.’
LUK 15:31 De vader antwoordde: ‘Zoon, jij bent altijd bij mij geweest en alles wat van mij is, is van jou.
LUK 15:32 We konden toch niet anders dan verheugd zijn en feest vieren? Je broer hier was immers dood en nu leeft hij; hij was verloren en nu is hij teruggevonden.’”
LUK 16:1 Jezus vertelde zijn leerlingen: “Er was eens een rijk man, die werd gewaarschuwd dat de beheerder die hij in dienst had zijn bezittingen verkwanselde.
LUK 16:2 Hij riep de beheerder bij zich en zei: ‘Wat hoor ik nu over jou? Overhandig de boekhouding van mijn zaken die je beheert, want je mag niet langer mijn beheerder zijn.’
LUK 16:3 Toen dacht de beheerder: ‘Wat zal ik doen? Mijn baas neemt mij het beheer af. Ik ben niet sterk genoeg om op het land te werken en ik schaam me om te gaan bedelen.
LUK 16:4 Ik weet wat ik zal doen om te zorgen dat de mensen mij in hun huis zullen verwelkomen wanneer ik als beheerder ben ontslagen.’
LUK 16:5 Hij riep iedereen die bij zijn baas in de schuld stond, bij zich. Hij vroeg aan de eerste: ‘Hoeveel bent u mijn baas schuldig?’
LUK 16:6 Die antwoordde: ‘Honderd vaten olijfolie.’ Hij zei tegen hem: ‘Hier is uw schuldbewijs. Ga vlug zitten en maak er vijftig van.’
LUK 16:7 Hij vroeg aan een ander: ‘Hoeveel bent u hem schuldig?’ Hij antwoordde: ‘Honderd zakken graan.’ Hij zei tegen hem: ‘Neem uw schuldbewijs en maak er tachtig van.’
LUK 16:8 De heer prees de oneerlijke beheerder, omdat die iets slims had gedaan. De mensen van deze wereld gaan handiger met elkaar om dan de mensen die in het licht leven.
LUK 16:9 Ik zeg jullie: gebruik rijkdom die op oneerlijke wijze is verkregen, om vrienden te maken; dan zullen jullie wanneer het niets meer waard is, welkom zijn in de eeuwige woning.
LUK 16:10 Wie betrouwbaar is met weinig, is ook betrouwbaar met veel, en wie oneerlijk is met weinig, is ook oneerlijk met veel.
LUK 16:11 Als jullie dus niet betrouwbaar zijn geweest in het beheren van rijkdom die op oneerlijke wijze is verkregen, wie zal jullie dan vertrouwen met hetgeen werkelijk rijk maakt?
LUK 16:12 En als jullie niet betrouwbaar zijn geweest met andermans bezit, wie zal jullie dan geven wat jullie toebehoort?
LUK 16:13 Een huisknecht kan niet twee meesters dienen: hij zal ofwel een hekel aan de ene hebben en van de andere houden, of de ene trouw zijn en de andere verachten. Jullie kunnen niet God én het geld dienen.”
LUK 16:14 De farizeeën, die verzot op geld waren, hoorden dit alles en dreven de spot met Hem.
LUK 16:15 Jezus zei tegen hen: “Jullie doen de mensen denken dat jullie rechtvaardig zijn, maar God kent jullie hart. Wat door de mensen wordt hooggeschat, is weerzinwekkend in Gods ogen.
LUK 16:16 Tot de tijd van Johannes werden de Wet en de Profeten verkondigd; sindsdien wordt het evangelie van Gods koninkrijk verkondigd en probeert iedereen het met geweld binnen te dringen.
LUK 16:17 Het is echter gemakkelijker voor de hemel en de aarde om te vergaan, dan voor een pennenstreek in Gods Wet om te vervallen.
LUK 16:18 Ieder die zijn vrouw wegstuurt en met een ander trouwt, pleegt echtbreuk, en ook wie met een weggestuurde vrouw trouwt, pleegt echtbreuk.
LUK 16:19 Er was eens een rijk man. Hij kleedde zich in paarse stoffen en fijn linnen en genoot iedere dag van zijn welvaart.
LUK 16:20 Bij zijn huispoort lag een arme man, die Lazarus heette. Hij zat onder de zweren
LUK 16:21 en verlangde ernaar te kunnen eten wat er overschoot van de maaltijden van de rijke. Bovendien kwamen de honden aan zijn zweren likken.
LUK 16:22 Op een dag stierf de arme man en werd hij door de engelen weggedragen naar de plaats naast Abraham. Ook de rijke man stierf en werd begraven.
LUK 16:23 Terwijl hij in het dodenrijk zware pijn leed, keek hij op en zag hij Abraham, met Lazarus naast zich, in de verte.
LUK 16:24 Hij riep: ‘Vader Abraham, heb medelijden met mij en stuur Lazarus om zijn vinger in water te dopen en mijn tong af te koelen, want deze vlammen doen verschrikkelijk veel pijn.’
LUK 16:25 Maar Abraham zei: ‘Mijn kind, weet je nog dat je tijdens je leven het goede hebt ontvangen en Lazarus het slechte? Nu wordt hij hier getroost en lijd jij.
LUK 16:26 Bovendien gaapt er een grote kloof tussen ons en jou, zodat niemand van hier naar jou kan oversteken, of van daar naar ons.’
LUK 16:27 De rijke zei: ‘In dat geval smeek ik u, vader, dat u hem naar mijn familie stuurt.
LUK 16:28 Ik heb namelijk vijf broers. Laat hij hen waarschuwen, zodat zij niet ook op deze plaats van kwelling terechtkomen.’
LUK 16:29 Maar Abraham zei: ‘Zij hebben Mozes en de profeten; laten ze naar hen luisteren.’
LUK 16:30 Hij antwoordde: ‘Nee, vader Abraham, als er iemand vanuit het dodenrijk naar hen toe gaat, zullen ze tot inkeer komen.’
LUK 16:31 Maar Abraham zei: ‘Als ze niet naar Mozes en de profeten luisteren, zullen ze ook niet overtuigd raken als iemand uit de dood verrijst.’”
LUK 17:1 Jezus zei tegen zijn leerlingen: “Het is onvermijdelijk dat er struikelblokken komen, maar wee degene door wie ze komen.
LUK 17:2 Hij zou beter af zijn als men een molensteen om zijn nek zou hangen en hem in zee zou gooien dan dat hij een van deze eenvoudige mensen tot zonde aanzet.
LUK 17:3 Let dus goed op. Als je naaste jou onrecht aandoet, wijs hem dan terecht. En als hij tot inkeer komt, vergeef hem dan.
LUK 17:4 Al doet hij je zevenmaal per dag onrecht aan en komt hij zevenmaal bij je terug om te zeggen: ‘Het spijt me’, je moet hem steeds opnieuw vergeven.”
LUK 17:5 De apostelen vroegen aan de Heer: “Geef ons meer geloof.”
LUK 17:6 De Heer zei: “Als jullie geloof zouden hebben ter grootte van een mosterdzaadje, dan zouden jullie tegen deze moerbeiboom zeggen: Maak je uit de grond los en ga in de zee staan, en hij zou je direct gehoorzamen.
LUK 17:7 Wie van jullie een knecht heeft die voor hem ploegt of zijn schapen hoedt, zal tegen hem zeggen wanneer hij terugkomt van het veld: Kom snel binnen en ga aan tafel zitten?
LUK 17:8 Welnee, hij zal tegen hem zeggen: Maak wat eten klaar en bereid je voor om mij te bedienen terwijl ik eet en drink; daarna mag jij eten en drinken.
LUK 17:9 Hij bedankt de knecht toch niet omdat die doet wat hem is opgedragen?
LUK 17:10 Zo is het ook met jullie; wanneer jullie alles doen wat jullie is opgedragen, moeten jullie zeggen: ‘Wij zijn slechts knechten, we hebben gedaan wat we moesten doen.’”
LUK 17:11 Tijdens zijn reis naar Jeruzalem kwam Jezus door het grensgebied van Samaria en Galilea.
LUK 17:12 Toen Hij een dorp binnenging, kwamen er tien mannen naar Hem toe met een huidziekte die hen onrein maakte. Ze bleven op enige afstand staan
LUK 17:13 en riepen: “Heer Jezus, heb medelijden met ons!”
LUK 17:14 Toen Jezus hen zag, zei Hij: “Ga je aan de priesters tonen.” Terwijl ze nog onderweg waren, werden ze rein.
LUK 17:15 Eén van hen keerde terug toen hij zag dat hij genezen was, en hij verheerlijkte God luidkeels.
LUK 17:16 Hij liet zich aan Jezus' voeten neervallen om Hem te danken. Deze man was een Samaritaan.
LUK 17:17 Jezus reageerde: “Er zijn toch tien mensen rein gemaakt? Waar zijn de overige negen?
LUK 17:18 Is er niemand anders teruggekomen om God de eer te geven dan deze vreemdeling?”
LUK 17:19 En tegen de man zei Hij: “Sta op, je mag vertrekken; je geloof heeft je genezen.”
LUK 17:20 Toen de farizeeën aan Jezus vroegen wanneer Gods koninkrijk zou komen, antwoordde Hij: “De komst van Gods koninkrijk zal niet gepaard gaan met allerlei zichtbare tekenen.
LUK 17:21 Er zal niet gezegd worden: ‘kijk hier’ of ‘kijk daar’, want Gods koninkrijk is in jullie midden.”
LUK 17:22 Tegen zijn leerlingen zei Jezus: “Er zal een tijd komen dat jullie ernaar verlangen een glimp op te vangen van de tijd van de Mensenzoon, maar die niet zullen zien.
LUK 17:23 Er zal tegen jullie worden gezegd: ‘kijk daar’, of ‘kijk hier’. Ga er niet op af, ren er niet heen,
LUK 17:24 want zoals de bliksem van de ene naar de andere kant van de lucht flitst, zo zal het zijn met de Mensenzoon wanneer Hij komt.
LUK 17:25 Eerst moet Hij echter veel lijden doorstaan en door dit volk worden verworpen.
LUK 17:26 In de tijd van de Mensenzoon zal het zijn als in de tijd van Noach:
LUK 17:27 De mensen gingen door met eten, drinken en trouwen tot de dag dat Noach de ark binnenging en de zondvloed kwam, waardoor ze allen omkwamen.
LUK 17:28 Het zal zijn als in de tijd van Lot: de mensen aten en dronken, kochten en verkochten, plantten en bouwden,
LUK 17:29 maar op de dag dat Lot Sodom verliet, regende het vuur en zwavel uit de hemel, waardoor ze allen omkwamen.
LUK 17:30 Zo zal het ook zijn op de dag dat de Mensenzoon verschijnt.
LUK 17:31 Wie zich op die dag op het dakterras bevindt en bezittingen in huis heeft liggen, moet niet naar beneden gaan om ze op te halen. En wie op het land bezig is, moet niet naar huis terugkeren.
LUK 17:32 Denk maar aan de vrouw van Lot.
LUK 17:33 Wie zijn leven probeert te behouden, zal het verliezen en wie het loslaat, zal het behouden.
LUK 17:34 Ik zeg jullie: die nacht zullen twee mannen in een bed slapen, van wie de ene wordt weggenomen en de andere achtergelaten.
LUK 17:35 Van twee vrouwen die dan tezamen aan het malen zijn, wordt de ene weggenomen en de andere achtergelaten.”
LUK 17:37 Men vroeg Jezus: “Waar, Heer?”, en Hij zei tegen hen: “Waar het lijk ligt, daar verzamelen zich de gieren.”
LUK 18:1 Jezus vertelde een parabel om duidelijk te maken dat ze voortdurend moesten bidden zonder op te geven.
LUK 18:2 Hij zei: “Er was in een stad een rechter die geen ontzag voor God of respect voor de mensen had.
LUK 18:3 In diezelfde stad was er een weduwe die hem steeds opnieuw kwam vragen: ‘Verschaf mij recht tegenover mijn tegenpartij.’
LUK 18:4 Een tijdlang wilde hij niet, maar daarna dacht hij: ‘Ik heb geen ontzag voor God en geen respect voor de mensen,
LUK 18:5 maar deze weduwe valt me zodanig lastig dat ik haar recht zal verschaffen. Anders blijft ze terugkomen totdat ik toegeef.’”
LUK 18:6 De Heer vervolgde: “Luister naar de woorden van de onrechtvaardige rechter.
LUK 18:7 Zou God dan geen recht verschaffen aan de mensen die Hij heeft uitverkoren wanneer ze dag en nacht tot Hem roepen, en zou Hij hen lang laten wachten?
LUK 18:8 Ik zeg jullie dat Hij hun snel recht zal verschaffen. Maar zal de Mensenzoon geloof op aarde vinden wanneer Hij komt?”
LUK 18:9 Jezus vertelde ook een parabel aan enkele mensen die zichzelf als rechtvaardig beschouwden en op anderen neerkeken.
LUK 18:10 Hij zei: “Twee mensen gingen naar de tempel om te bidden; de één was farizeeër, de ander belastinginner.
LUK 18:11 De farizeeër ging rechtop staan en bad: ‘O God, ik dank U dat ik niet ben als de anderen: roofzuchtige, corrupte, overspelige mensen, of zelfs als deze belastinginner.
LUK 18:12 Ik vast tweemaal per week en ik geef tien procent van al mijn inkomsten weg.’
LUK 18:13 De belastinginner daarentegen bleef op een afstand staan en durfde zelfs niet omhoog te kijken, naar de hemel. Hij sloeg zichzelf op de borst en zei: ‘O God, schenk mij genade, want ik ben een zondaar.’
LUK 18:14 Ik zeg jullie: deze man, en niet de andere, was met God in het reine toen hij naar huis ging. Want ieder die zichzelf een eervolle plaats toebedeelt, zal een geringe plaats krijgen, en wie zichzelf een geringe plaats toebedeelt, zal een eervolle plaats krijgen.”
LUK 18:15 Er werden ook jonge kinderen bij Jezus gebracht met de bedoeling dat Hij hen zou aanraken, maar zijn leerlingen zagen het en ze berispten de mensen.
LUK 18:16 Jezus riep de kinderen echter bij zich. Hij zei: “Laat de kinderen bij Mij komen en houd hen niet tegen, want Gods koninkrijk is bestemd voor wie is zoals zij.
LUK 18:17 Ik verzeker jullie: wie Gods koninkrijk niet aanvaardt als een kind, zal het in geen geval binnengaan.”
LUK 18:18 Een vooraanstaand man vroeg aan Jezus: “Goede leraar, wat moet ik doen om het eeuwig leven te ontvangen?”
LUK 18:19 Jezus vroeg hem: “Waarom noem je Mij goed? Behalve God is niemand goed.
LUK 18:20 Je kent toch de geboden? Pleeg geen echtbreuk, pleeg geen moord, steel niet, leg geen leugenachtige verklaring af, eer je vader en moeder.”
LUK 18:21 De man zei: “Aan al die dingen heb ik me van jongs af aan gehouden.”
LUK 18:22 Toen Jezus dat hoorde, zei Hij tegen hem: “Er ontbreekt je nog één ding; verkoop alles wat je hebt en geef de opbrengst aan de armen. Dan zal je een schat in de hemel hebben. Kom dan terug en volg Mij.”
LUK 18:23 Toen de man dat hoorde, werd hij bedroefd, want hij was schatrijk.
LUK 18:24 Jezus keek hem aan en zei: “Wat is het moeilijk voor rijken om Gods koninkrijk binnen te gaan.
LUK 18:25 Het is gemakkelijker voor een kameel om door het oog van een naald te kruipen dan voor een rijke om Gods koninkrijk binnen te gaan.”
LUK 18:26 De mensen die dat hoorden, vroegen: “Maar wie kan dan worden gered?”
LUK 18:27 Jezus antwoordde: “Wat bij de mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God.”
LUK 18:28 Petrus zei: “Wij hebben achtergelaten wat we hadden, om U te volgen.”
LUK 18:29 Jezus antwoordde: “Ik verzeker jullie, er is niemand die zijn huis, vrouw, broers, zussen, ouders of kinderen heeft achtergelaten voor Gods koninkrijk,
LUK 18:30 die niet veel meer terugkrijgt in deze tijd en die niet in de toekomst het eeuwig leven zal ontvangen.”
LUK 18:31 Jezus nam de Twaalf apart en zei tegen hen: “Luister, we gaan naar Jeruzalem en alles wat de profeten over de Mensenzoon hebben geschreven, zal in vervulling gaan.
LUK 18:32 Hij zal aan de niet-Joden worden uitgeleverd en worden bespot, beledigd en bespuwd.
LUK 18:33 Zij zullen Hem geselen en vervolgens doden, maar op de derde dag zal Hij verrijzen.”
LUK 18:34 De leerlingen begrepen er niets van; zijn uitspraak was onbegrijpelijk voor hen en ze konden niet bevatten wat Hij had gezegd.
LUK 18:35 Toen Jezus dicht bij Jericho kwam, zat er een blinde man bij de weg te bedelen.
LUK 18:36 Toen hij hoorde dat er veel mensen voorbij wandelden, vroeg hij wat er aan de hand was.
LUK 18:37 Men vertelde hem dat Jezus van Nazaret voorbijkwam.
LUK 18:38 Toen begon hij te roepen: “Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij!”
LUK 18:39 De mensen die voorop wandelden, snauwden hem toe dat hij moest zwijgen, maar hij riep almaar luider: “Zoon van David, heb medelijden met mij!”
LUK 18:40 Jezus hield halt en gaf opdracht, de man bij Hem te brengen. Toen hij dichterbij kwam, vroeg Jezus:
LUK 18:41 “Wat wil je dat Ik voor je doe?” De man zei: “Heer, zorg dat ik weer zie.”
LUK 18:42 Jezus zei tegen hem: “Zie! Je geloof heeft je genezen.”
LUK 18:43 Op hetzelfde moment kon de man weer zien. Hij volgde Jezus en verheerlijkte God. Heel het volk zag dat en prees God.
LUK 19:1 Jezus ging Jericho binnen en trok door de stad.
LUK 19:2 Er was daar een man die Zacheüs heette; hij was hoofd-belastinginner en hij was rijk.
LUK 19:3 Zacheüs wilde zien wie Jezus was, maar wegens de menigte lukte dat niet. Hij was namelijk klein van gestalte.
LUK 19:4 Hij rende vooruit en klom in een vijgenboom, om Jezus te kunnen zien wanneer Hij zou voorbijkomen.
LUK 19:5 Toen Jezus bij die plaats aankwam, keek Hij omhoog en zei Hij: “Zacheüs, kom vlug naar beneden, want vandaag moet Ik bij jou thuis te gast zijn.”
LUK 19:6 Zacheüs kwam vlug naar beneden en heette Jezus hartelijk welkom in zijn huis.
LUK 19:7 Allen die het zagen, mopperden: “Jezus is te gast bij een zondaar.”
LUK 19:8 Maar Zacheüs stond recht en zei tegen de Heer: “Heer, ik zal de helft van mijn bezittingen aan de armen geven en ik zal aan iedereen die ik iets afhandig heb gemaakt, het viervoudige teruggeven.”
LUK 19:9 Jezus zei tegen hem: “Vandaag is redding aan deze familie geschonken, want ook deze man is een afstammeling van Abraham.
LUK 19:10 De Mensenzoon is gekomen om te zoeken en te redden wie verloren was.”
LUK 19:11 Terwijl de mensen nog luisterden, begon Jezus een parabel te vertellen. Hij was nu dicht bij Jeruzalem en de mensen verwachtten dat Gods koninkrijk heel binnenkort zou aanbreken.
LUK 19:12 Jezus zei: “Een edelman ging naar een ver land om daar het koningschap op zich te nemen en vervolgens terug te komen.
LUK 19:13 Hij riep tien van zijn dienaren bij zich en gaf hun tien mina. Hij zei tegen hen: ‘Gebruik dit geld om zaken te doen totdat ik terugkom.’
LUK 19:14 Maar zijn onderdanen hadden een hekel aan hem en stuurden een delegatie achter hem aan met de boodschap: wij willen niet dat deze man onze koning wordt.
LUK 19:15 Nadat hij het koningschap had ontvangen, kwam hij terug. Hij liet hij de dienaren aan wie hij het geld had gegeven, bij zich roepen om van hen te horen wat ze met het zakendoen hadden verdiend.
LUK 19:16 De eerste verscheen en zei: ‘Heer, uw mina heeft nog tien mina's opgeleverd.’
LUK 19:17 Hij zei tegen hem: ‘Goed gedaan, goede dienaar, want je bent betrouwbaar geweest met weinig. Daarom krijg je het gezag over tien steden.’
LUK 19:18 De tweede kwam zeggen: ‘Heer, uw mina heeft nog vijf mina's opgeleverd.’
LUK 19:19 Tegen hem zei hij: ‘Jij krijgt het gezag over vijf steden.’
LUK 19:20 Toen kwam de volgende zeggen: ‘Heer, hier is uw mina terug; ik heb hem in een doek bewaard.
LUK 19:21 Ik was bang, want ik wist dat u een veeleisend mens bent: u eist terug wat u niet heeft overhandigd en maait wat u niet heeft gezaaid.’
LUK 19:22 De edelman zei tegen hem: ‘Jij nutteloze dienaar, ik zal je oordelen op grond van je eigen woorden. Je wist dus dat ik een veeleisend mens ben die terugeist wat ik niet heb overhandigd en oogst wat ik niet heb gezaaid?
LUK 19:23 Waarom heb je mijn geld dan niet naar de bank gebracht? Dan had ik het na mijn terugkomst kunnen opnemen met rente!’
LUK 19:24 Tegen de omstaanders zei hij: ‘Neem hem zijn mina af en geef die aan de persoon die er tien heeft.’
LUK 19:25 Ze zeiden tegen hem: ‘Maar meneer, hij heeft er al tien!’
LUK 19:26 De edelman antwoordde: ‘Ik zeg jullie dat aan ieder die heeft, nog meer zal worden gegeven, maar van wie niets heeft, zal zelfs hetgeen hij heeft worden afgenomen.
LUK 19:27 En breng mijn vijanden die niet wilden dat ik hun koning zou worden, naar hier en dood hen voor mijn ogen.’”
LUK 19:28 Nadat Jezus deze dingen had gezegd, vervolgde Hij zijn reis naar Jeruzalem.
LUK 19:29 Toen Hij bijna bij Betfagé en Betanië was, bij de berg die Olijfberg wordt genoemd, stuurde Hij twee van zijn leerlingen vooruit.
LUK 19:30 Hij zei: “Ga naar het dorp vóór jullie. Bij het binnengaan zullen jullie een vastgebonden jonge ezel zien, die nog nooit door iemand is bereden. Maak hem los en breng hem hier.
LUK 19:31 Als iemand jullie vraagt: ‘Waarom maken jullie hem los?’, zeg dan: ‘De Heer heeft hem nodig.’”
LUK 19:32 De vooruitgestuurde leerlingen vertrokken en troffen alles aan zoals Jezus het hun had verteld.
LUK 19:33 Toen ze de jonge ezel losmaakten, vroegen de eigenaars hun: “Waarom maken jullie die jonge ezel los?”
LUK 19:34 Ze antwoordden: “De Heer heeft hem nodig.”
LUK 19:35 Ze brachten de jonge ezel bij Jezus, legden hun mantels erop en lieten Jezus erop plaatsnemen.
LUK 19:36 Terwijl Hij erop reed, spreidden de mensen hun mantels uit op de weg.
LUK 19:37 Toen Hij bijna bij het punt was waar de afdaling van de Olijfberg begint, begon de hele groep leerlingen verheugd en luidkeels God te prijzen voor alle wonderen die ze hadden gezien.
LUK 19:38 Ze riepen: “Gezegend is de Koning die komt in de naam van de Heer! Vrede in de hemel en eer aan de Allerhoogste!”
LUK 19:39 Sommige van de farizeeën in de menigte zeiden tegen Hem: “Leraar, wijs uw leerlingen terecht.”
LUK 19:40 Maar Jezus antwoordde: “Ik zeg jullie dat als zij zouden zwijgen, de stenen zouden roepen.”
LUK 19:41 Toen Hij nog dichterbij Jeruzalem kwam en de stad zag liggen, begon Hij erom te wenen.
LUK 19:42 Hij zei: “Had jij, ja jij, vandaag maar geweten welke zaken vrede brengen. Maar nu kan je ze niet zien.
LUK 19:43 Er komt een tijd dat je vijanden belegeringswerken zullen bouwen om je te omsingelen en je aan alle kanten in te sluiten.
LUK 19:44 Ze zullen je met de grond gelijk maken en je inwoners uitroeien. Ze zullen geen steen op de andere laten, omdat jij het tijdstip niet hebt erkend waarop God naar je omkeek.”
LUK 19:45 Jezus ging het tempelterrein op en begon de verkopers weg te jagen.
LUK 19:46 Hij zei tegen hen: “In de Schriften staat: ‘Mijn huis zal een gebedshuis zijn’, maar jullie hebben er een rovershol van gemaakt.”
LUK 19:47 Jezus onderwees dagelijks op het tempelterrein, maar de hoofdpriesters, de Schriftgeleerden en de leiders van het volk wilden Hem ombrengen.
LUK 19:48 Ze konden echter geen manier bedenken om dat te doen, want het hele volk hing aan zijn lippen.
LUK 20:1 Op een dag, toen Jezus op het tempelterrein het volk onderwees en het evangelie verkondigde, kwamen de hoofdpriesters en de Schriftgeleerden samen met de oudsten naar Hem toe.
LUK 20:2 Ze vroegen Hem: “Vertel ons, op grond van welke bevoegdheid doet U deze dingen en wie is het die U die bevoegdheid heeft gegeven?”
LUK 20:3 Jezus antwoordde: “Ik zal jullie ook een vraag stellen en dan mogen jullie Mij antwoord geven.
LUK 20:4 De doop van Johannes, kwam die van God of van de mensen?”
LUK 20:5 Ze overlegden met elkaar: “Als we zeggen: van God, zal Hij zeggen: Waarom geloven jullie hem dan niet?
LUK 20:6 Maar als we zeggen: van de mensen, zal heel het volk ons stenigen, want de mensen zijn ervan overtuigd dat Johannes een profeet was.”
LUK 20:7 Daarom antwoordden ze: “Wij weten niet vanwaar.”
LUK 20:8 Toen zei Jezus tegen hen: “Dan vertel Ik jullie ook niet op grond van welke bevoegdheid Ik deze dingen doe.”
LUK 20:9 Jezus vertelde de volgende parabel aan het volk: “Iemand plantte een wijngaard aan, verhuurde deze aan wijnbouwers en ging lange tijd op reis.
LUK 20:10 In de oogsttijd stuurde hij een knecht naar de wijnbouwers, opdat die hem zijn aandeel van de opbrengst van de wijngaard zouden geven. De wijnbouwers sloegen hem echter in elkaar en stuurden hem met lege handen weg.
LUK 20:11 Vervolgens zond hij nog een knecht naar hen toe. Ook die werd door hen in elkaar geslagen, vernederd en met lege handen weggestuurd.
LUK 20:12 Vervolgens zond hij een derde en ook hij werd verwond de wijngaard uitgegooid.
LUK 20:13 Toen zei de eigenaar van de wijngaard: ‘Wat zal ik doen? Ik zal mijn dierbare zoon sturen; misschien zullen ze hem respecteren.’
LUK 20:14 Maar toen de wijnbouwers de zoon zagen, overlegden ze met elkaar: ‘Dit is de erfgenaam. Laten we hem doden; dan zal de erfenis van ons zijn.’
LUK 20:15 Ze gooiden hem de wijngaard uit en doodden hem. Wat gaat de eigenaar van de wijngaard nu met hen doen?
LUK 20:16 Hij zal naar de wijnbouwers gaan, hen ombrengen en de wijngaard aan anderen geven.” Toen de mensen dat hoorden, zeiden ze: “Zoiets mag absoluut niet gebeuren!”
LUK 20:17 Jezus keek hen echter aan en zei: “Wat zou dit Schriftgedeelte dan betekenen: ‘De steen die de bouwers hebben afgekeurd, is de hoeksteen geworden’?
LUK 20:18 Ieder die over deze steen valt, raakt verbrijzeld, en degene op wie hij valt, wordt verpletterd.”
LUK 20:19 De Schriftgeleerden en de hoofdpriesters probeerden Jezus op dat moment op te pakken, maar ze waren bang voor het volk. Ze beseften dat de parabel die Hij had verteld, over hen ging.
LUK 20:20 Daarom hielden ze Hem in de gaten en stuurden ze spionnen die zich als integer voordeden, met de bedoeling om Hem in zijn eigen woorden te vangen en Hem dan aan de rechtspraak en het gezag van de gouverneur over te leveren.
LUK 20:21 De spionnen vroegen Jezus: “Leraar, wij weten dat uw uitspraken en uw onderwijs correct zijn, en dat U niet partijdig bent, maar naar waarheid onderwijst hoe men Gods weg moet bewandelen.
LUK 20:22 Is het toegestaan dat wij belasting aan de keizer betalen, of niet?”
LUK 20:23 Jezus merkte dat het een strikvraag was en zei tegen hen:
LUK 20:24 “Toon Mij een denarie. Wiens afbeelding en naam staan erop?” Ze antwoordden: “Van de keizer.”
LUK 20:25 Hij zei tegen hen: “Geef dan aan de keizer wat van de keizer is, en aan God wat van God is.”
LUK 20:26 Ze konden Hem niet in zijn eigen woorden vangen in de aanwezigheid van het volk. Ze verbaasden zich over zijn antwoord en zwegen.
LUK 20:27 Toen werd Jezus benaderd door enkele van de sadduceeën. (Zij beweren dat er geen verrijzenis is.) Zij vroegen:
LUK 20:28 “Leraar, volgens de geschriften van Mozes moet iemand van wie de broer sterft en een vrouw maar geen kinderen nalaat, met zijn schoonzus trouwen en zo voor nakomelingen zorgen voor zijn gestorven broer.
LUK 20:29 Maar er waren eens zeven broers. De eerste trouwde, maar hij stierf kinderloos.
LUK 20:30 Ook de tweede
LUK 20:31 en de derde trouwden met die vrouw, en zo verging het alle zeven: ze stierven zonder kinderen achter te laten.
LUK 20:32 Uiteindelijk stierf ook de vrouw.
LUK 20:33 Van wie wordt zij de echtgenote bij de verrijzenis? Ze zijn alle zeven met haar getrouwd geweest!”
LUK 20:34 Jezus zei tegen hen: “De mensen van de huidige wereld trouwen.
LUK 20:35 Maar de mensen die naar de volgende wereld mogen en uit de dood verrijzen, trouwen niet.
LUK 20:36 Dan kunnen ze ook niet meer sterven, want ze zijn dan als de engelen. En als verrezen mensen zijn ze kinderen van God.
LUK 20:37 Zelfs Mozes toont in het gedeelte over de doornstruik aan dat de doden verrijzen, want hij noemt de Heer ‘de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob.’
LUK 20:38 Hij is niet de God van doden maar van levenden, want voor Hem leven alle mensen.”
LUK 20:39 Sommige Schriftgeleerden antwoordden: “Leraar, U heeft dat goed gezegd.”
LUK 20:40 Niemand durfde Jezus nog vragen te stellen.
LUK 20:41 Jezus vroeg hen: “Waarom wordt er gezegd dat de Messias de Zoon van David is?
LUK 20:42 David zegt toch zelf in het boek Psalmen:
LUK 20:43 ‘De Heer zei tegen mijn Heer: neem plaats aan mijn rechterzijde, totdat Ik je vijanden aan Je heb onderworpen.’
LUK 20:44 David noemt Hem dus ‘Heer’. Hoe kan Hij dan ook zijn zoon zijn?”
LUK 20:45 Terwijl heel het volk luisterde, zei Jezus tegen zijn leerlingen:
LUK 20:46 “Pas op voor de Schriftgeleerden. Zij houden ervan rond te wandelen in prachtige gewaden. Ook zijn ze erop gesteld met respect te worden begroet op het marktplein en de beste plaatsen in te nemen in de synagogen en bij feestmalen.
LUK 20:47 Maar ze slokken de huizen van weduwen op en bidden lange gebeden voor de schijn. Ze zullen extra zwaar worden gestraft.”
LUK 21:1 Toen Jezus opkeek, zag Hij dat rijke mensen hun giften in de offerkist staken.
LUK 21:2 Ook zag Hij dat een arme weduwe er twee kopermuntjes in stak.
LUK 21:3 Hij zei: “Ik verzeker jullie dat deze arme weduwe meer heeft gegeven dan alle anderen,
LUK 21:4 want zij allen hebben hun gift gegeven vanuit hun overvloed, maar deze vrouw gaf vanuit haar armoede alles wat ze had om van te leven.”
LUK 21:5 Toen sommigen zeiden dat het tempelterrein met mooie stenen en aan God gewijde geschenken was versierd, zei Jezus:
LUK 21:6 “Er komt een tijd dat alles wat jullie hier zien verwoest zal worden; geen steen zal op de andere worden gelaten.”
LUK 21:7 Men vroeg Hem: “Leraar, wanneer zal dat zijn en wat zal het teken zijn dat het op het punt staat te gebeuren?”
LUK 21:8 Jezus zei: “Pas op, laat je niet misleiden, want er zullen veel mensen komen die zich mijn naam toe-eigenen, zich voor Mij uitgeven en zeggen: ‘Het is bijna zover.’ Loop niet achter hen aan.
LUK 21:9 Wanneer jullie horen van oorlogen en onlusten, wees dan niet angstig; die dingen moeten eerst gebeuren, maar het einde is dan nog niet meteen aangebroken.”
LUK 21:10 Jezus vervolgde: “Volken en koninkrijken zullen tegen elkaar oorlog voeren,
LUK 21:11 er zullen zware aardbevingen zijn, hongersnoden en epidemieën op allerlei plaatsen, en schrikwekkende en grote tekenen in de lucht.
LUK 21:12 Maar vooraleer dat alles gebeurt, zal men jullie oppakken en vervolgen; men zal jullie aan de synagogen uitleveren en gevangenzetten en jullie voor koningen en heersers leiden omwille van mijn naam.
LUK 21:13 Voor jullie is dat een kans om van Mij te getuigen.
LUK 21:14 Neem je daarom voor om geen verdedigingstoespraak voor te bereiden.
LUK 21:15 Ik zal je namelijk wijze woorden ingeven, die door geen van jullie tegenstanders zal kunnen worden betwist of weerlegd.
LUK 21:16 Jullie zullen zelfs door je ouders, broers, zussen, familie en vrienden worden verraden en sommigen van jullie zullen door hun toedoen worden gedood.
LUK 21:17 Iedereen zal jullie haten omwille van mijn naam.
LUK 21:18 Toch zal er geen haar op je hoofd verloren gaan.
LUK 21:19 Houd stand; dan zullen jullie het ware leven ontvangen.
LUK 21:20 Wanneer jullie zien dat Jeruzalem door legers wordt omsingeld, moeten jullie beseffen dat de stad binnenkort zal worden verwoest.
LUK 21:21 Dan moeten de mensen in Judea de bergen invluchten; zij die in de stad zijn, moeten vertrekken en zij die op het land zijn moeten de stad niet binnengaan.
LUK 21:22 Want dat is de periode van vergelding, wanneer alles wat in de Schriften staat, in vervulling gaat.
LUK 21:23 Het zal verschrikkelijk zijn voor vrouwen die in die periode zwanger zijn of borstvoeding geven, want het land zal zwaar lijden en het volk zal worden gestraft.
LUK 21:24 De mensen zullen met het zwaard worden omgebracht of naar het buitenland worden weggevoerd. Jeruzalem zal door de andere volken worden vertrappeld totdat de tijd van de niet-Joden voorbij is.
LUK 21:25 Dan zullen er wonderlijke tekenen zijn aan de zon, maan en sterren, en op aarde zullen de volken ontdaan van angst zijn door het bulderen en golven van de zee.
LUK 21:26 Mensen zullen flauwvallen van angst en bezorgdheid over wat er met de wereld zal gebeuren, want de hemellichamen zullen uit koers raken.
LUK 21:27 En dan zal men de Mensenzoon zien komen, op een wolk en met macht en grote hemelse pracht.
LUK 21:28 Wanneer deze dingen beginnen te gebeuren, ga dan op de uitkijk staan, want jullie staan op het punt te worden verlost.”
LUK 21:29 Hij vertelde hun een parabel: “Kijk eens naar de vijgenboom en naar alle andere bomen.
LUK 21:30 Zodra ze uitlopen, zien jullie dat en weten jullie dat het bijna zomer is.
LUK 21:31 Op dezelfde manier kunnen jullie, wanneer je deze dingen ziet gebeuren, weten dat Gods koninkrijk dichtbij is.
LUK 21:32 Ik verzeker jullie, dit volk zal niet vergaan voordat dit alles gebeurt.
LUK 21:33 De hemel en de aarde zullen vergaan, maar mijn woorden zullen nooit vergaan.
LUK 21:34 Pas op, laat je niet in beslag nemen door amusement, dronkenschap en de zorgen van het dagelijks leven, want die dag zal jullie plots overvallen,
LUK 21:35 zoals een val die dichtklapt. Die dag komt namelijk voor iedereen die op aarde leeft.
LUK 21:36 Wees dus waakzaam en bid voortdurend dat jullie in staat zullen zijn, te ontkomen aan al deze dingen die op het punt staan te gebeuren, en dat jullie voor de Mensenzoon zullen mogen verschijnen.”
LUK 21:37 Overdag gaf Jezus steeds onderwijs op het tempelterrein, maar 's avonds ging Hij de stad uit om de nacht door te brengen op de berg die Olijfberg heet.
LUK 21:38 En 's ochtends vroeg kwam al het volk naar het tempelterrein om naar Hem te luisteren.
LUK 22:1 Het was bijna het Feest van de Ongedesemde Broden, dat ook Pesach wordt genoemd.
LUK 22:2 De hoofdpriesters en Schriftgeleerden zochten naar een geschikte manier om Jezus uit de weg te ruimen, want ze waren bang voor de reactie van het volk.
LUK 22:3 Toen nam Satan bezit van Judas, die Iskariot wordt genoemd en een van de Twaalf was.
LUK 22:4 Hij ging naar de hoofdpriesters en de hoofden van de tempelwacht en besprak met hen hoe hij Jezus aan hen zou uitleveren.
LUK 22:5 Ze waren verheugd en spraken met hem af dat ze hem geld zouden betalen.
LUK 22:6 Hij stemde toe en zocht een gelegenheid om Hem aan hen uit te leveren zonder dat er veel volk bij zou zijn.
LUK 22:7 Toen de Dag van de Ongedesemde Broden aanbrak, waarop het Pesachlam geslacht moest worden,
LUK 22:8 stuurde Jezus Petrus en Johannes eropuit. Hij zei: “Ga de Pesachmaaltijd voor ons klaarmaken.”
LUK 22:9 Zij vroegen: “Waar wilt U dat we het klaarmaken?”
LUK 22:10 Jezus antwoordde: “Wanneer jullie de stad binnenkomen, zullen jullie een man tegenkomen die een kan water draagt. Volg hem en ga het huis binnen dat hij binnengaat.
LUK 22:11 Zeg dan tegen de eigenaar van dat huis: ‘De Leraar vraagt u: Waar is het vertrek waar Ik met mijn leerlingen de Pesachmaaltijd kan eten?’
LUK 22:12 Hij zal jullie een ingerichte bovenzaal tonen. Maak het daar klaar.”
LUK 22:13 Ze vertrokken, troffen alles aan overeenkomstig zijn beschrijving en maakten de Pesachmaaltijd klaar.
LUK 22:14 Toen het tijd was, ging Jezus met zijn leerlingen aan tafel.
LUK 22:15 Hij zei tegen hen: “Ik heb er intens naar uitgekeken, deze Pesachmaaltijd met jullie te eten voordat Ik zal lijden.
LUK 22:16 Want Ik zeg jullie: Ik zal het nooit meer eten voordat het zijn ware betekenis heeft gekregen in Gods koninkrijk.”
LUK 22:17 Jezus nam een beker, sprak een dankgebed uit, en zei: “Neem deze beker en laat hem onder jullie rondgaan.
LUK 22:18 Want Ik zeg jullie: vanaf nu zal Ik niet meer drinken van de vrucht van de druivelaar totdat Gods koninkrijk gekomen is.”
LUK 22:19 Jezus nam een brood, sprak een dankgebed uit, brak het in stukken en deelde die uit aan zijn leerlingen, terwijl Hij zei: “Dit is mijn lichaam, dat voor jullie wordt gegeven. Doe dit om Mij te gedenken.”
LUK 22:20 Nadat ze hadden gegeten nam Jezus op dezelfde wijze een beker en zei Hij: “Deze beker die voor jullie wordt uitgegoten, is het nieuwe verbond, dat wordt gesloten door middel van mijn bloed.
LUK 22:21 Toch bevindt mijn verrader zich samen met Mij aan tafel.
LUK 22:22 Want de Mensenzoon zal wel heengaan, zoals reeds is bepaald, maar wee degene door wie Hij wordt verraden.”
LUK 22:23 Ze begonnen met elkaar te discussiëren over wie van hen degene zou kunnen zijn die dit zou doen.
LUK 22:24 Ook ontstond onder hen onenigheid, over wie van hen als de belangrijkste werd beschouwd.
LUK 22:25 Jezus zei tegen hen: “Bij de andere volken is het zo dat hun koningen de baas over hen spelen en dat zij die macht over hen uitoefenen zich weldoener noemen.
LUK 22:26 Maar bij jullie is het zo niet. Integendeel, laat hij die de belangrijkste onder jullie is, als de minst belangrijke worden, en de leider als de dienaar.
LUK 22:27 Immers, wie is er belangrijker, iemand die aan tafel heeft plaatsgenomen of iemand die bedient? Is het niet de persoon die aan tafel heeft plaatsgenomen? Maar Ik gedraag me in jullie midden als iemand die bedient.
LUK 22:28 Jullie zijn het die in al mijn beproevingen trouw bij Mij zijn gebleven.
LUK 22:29 En zoals mijn Vader het koningschap aan Mij heeft toegekend, ken Ik dat aan jullie toe.
LUK 22:30 Daarom zullen jullie in mijn koninkrijk aan mijn tafel mogen eten en drinken en zullen jullie op een troon zitten en over de twaalf stammen van Israël rechtspreken.
LUK 22:31 Simon, Simon, de satan heeft toestemming gevraagd om jullie te zeven als graan.
LUK 22:32 Ik heb echter voor jou gebeden dat je geloof niet zal falen. Wanneer jij je herpakt hebt, versterk dan je broeders en zusters.”
LUK 22:33 Petrus antwoordde: “Heer, ik ben bereid om met U naar de gevangenis te gaan en te worden omgebracht.”
LUK 22:34 Maar Jezus zei: “Petrus, Ik zeg je, voordat de haan vandaag kraait, zal je driemaal ontkennen dat je Mij kent.”
LUK 22:35 Jezus vroeg zijn leerlingen: “Toen Ik jullie had uitgezonden zonder geldbuidel, reistas of schoenen, hadden jullie toen ergens gebrek aan?” Ze antwoordden: “Aan niets.”
LUK 22:36 Hij zei tegen hen: “Laat nu wie een geldbuidel heeft, ook een reistas meenemen, en laat wie geen zwaard heeft, zijn mantel verkopen om er een te kopen.
LUK 22:37 Want Ik zeg jullie, het volgende citaat uit de Schriften gaat over Mij en moet in vervulling gaan: ‘Hij werd als een misdadiger beschouwd.’ Wat er over Mij staat, gaat nu in vervulling.”
LUK 22:38 Ze zeiden: “Kijk, Heer, hier zijn twee zwaarden.” Hij antwoordde: “Genoeg hierover.”
LUK 22:39 Jezus ging de stad uit en begaf zich zoals gewoonlijk naar de Olijfberg. Zijn leerlingen volgden Hem.
LUK 22:40 Toen Hij daar aankwam, zei Hij tegen hen: “Bid dat jullie niet in verzoeking komen.”
LUK 22:41 Hij zonderde zich van hen af, ongeveer een steenworp bij hen vandaan, en knielde neer om te bidden.
LUK 22:42 Hij zei: “Vader, als U het wil, neem dan deze beker van Mij weg; laat echter niet gebeuren wat Ik wil, maar wat U wil.”
LUK 22:43 Toen verscheen er een engel uit de hemel, die Hem kracht gaf.
LUK 22:44 Jezus werd doodsbang. Hij bad nog vuriger en Hij zweette bloed, dat op de grond druppelde.
LUK 22:45 Nadat Hij had gebeden, stond Hij op en ging Hij naar zijn leerlingen toe. Hij zag dat ze van verdriet in slaap waren gevallen,
LUK 22:46 en zei tegen hen: “Hoe is het mogelijk dat jullie slapen? Sta op en bid, opdat jullie niet in verzoeking komen.”
LUK 22:47 Terwijl Hij nog sprak, kwam er een grote groep mensen aan, die werd geleid door de man die Judas heette. Hij was een van de Twaalf en ging naar Jezus toe om Hem een kus te geven.
LUK 22:48 Maar Jezus vroeg hem: “Judas, is het met een kus dat jij de Mensenzoon verraadt?”
LUK 22:49 Toen de mensen rondom Jezus zagen wat er stond te gebeuren, vroegen ze: “Heer, zullen we hen aanvallen met het zwaard?”
LUK 22:50 Een van hen viel de dienaar van de hogepriester aan en hakte zijn rechteroor af.
LUK 22:51 Maar Jezus zei: “Stop daarmee.” Hij raakte de man aan op de plaats van het oor en genas hem.
LUK 22:52 Toen zei Jezus tegen de hoofdpriesters, de hoofden van de tempelwacht en de oudsten die op Hem waren afgekomen: “Zijn jullie op Mij afgekomen als op een misdadiger, met zwaarden en knuppels?
LUK 22:53 Toen Ik dagelijks bij jullie op het tempelterrein was, hebben jullie mij niet opgepakt, maar dit is jullie moment – nu regeert de duisternis.”
LUK 22:54 Jezus werd gearresteerd, weggeleid en naar het huis van de hogepriester gebracht. Petrus volgde op een afstand.
LUK 22:55 Midden op de binnenplaats was een vuur aangestoken, waarrond mensen waren gaan zitten. Petrus bevond zich onder hen.
LUK 22:56 In het licht van het vuur zag een dienstmeisje hem zitten. Ze bekeek hem en zei: “Die man was ook bij Jezus.”
LUK 22:57 Petrus ontkende het: “Ik ken Hem niet.”
LUK 22:58 Een tijdje later zag iemand anders hem en zei: “Jij bent ook een van hen”, maar Petrus zei: “Nee, dat ben ik niet.”
LUK 22:59 Na verloop van ongeveer een uur beweerde nog iemand anders: “Die man was toch echt wel bij Hem, want hij is een Galileër.”
LUK 22:60 Petrus zei echter: “Ik weet niet waar je het over hebt.” Op hetzelfde moment, terwijl hij nog sprak, kraaide er een haan.
LUK 22:61 De Heer draaide zich om en keek Petrus aan. Toen herinnerde Petrus zich wat de Heer tegen hem had gezegd: “Voordat vandaag de haan kraait, zal jij Mij driemaal verloochenen.”
LUK 22:62 Hij ging naar buiten en weende bitter.
LUK 22:63 De mannen die Jezus bewaakten, bespotten en sloegen Hem.
LUK 22:64 Ook blinddoekten ze Hem en riepen ze: “Profeteer dan, wie heeft Je geslagen?”
LUK 22:65 Ze zeiden nog veel andere beledigende dingen tegen Hem.
LUK 22:66 Toen het licht werd, kwam de raad van volksoudsten, hoofdpriesters en Schriftgeleerden bijeen en werd Jezus aan de raad voorgeleid.
LUK 22:67 Ze zeiden: “Zeg ons of U de Messias bent.” Jezus antwoordde: “Als Ik het u zeg, zal u Mij niet geloven.
LUK 22:68 En als Ik u iets zou vragen, zou u niet antwoorden.
LUK 22:69 Maar vanaf nu zal de Mensenzoon aan de rechterzijde van de machtige God zitten.”
LUK 22:70 Ze vroegen allemaal: “Bent U dan de Zoon van God?” Hij antwoordde: “U zegt dat Ik dat ben.”
LUK 22:71 Toen zeiden ze: “Meer bewijs hebben we toch niet nodig? Nu hebben we het zelf uit zijn eigen mond gehoord.”
LUK 23:1 De voltallige raad stond op en leidde Jezus voor aan Pilatus.
LUK 23:2 De raadsleden begonnen hun beschuldiging als volgt: “Wij hebben vastgesteld dat deze Man een slechte invloed op ons volk heeft. Hij verbiedt het betalen van de keizerlijke belasting en beweert dat Hij de Messias is, een koning.”
LUK 23:3 Pilatus vroeg aan Jezus: “Bent U de koning van de Joden?” Jezus antwoordde: “U zegt het zelf.”
LUK 23:4 Pilatus zei tegen de hoofdpriesters en de mensenmassa: “Ik vind niets strafbaars aan deze man.”
LUK 23:5 Ze bleven echter volhouden: “Maar Hij hitst de mensen in heel Judea op met zijn leer; eerst deed Hij dat in Galilea en nu ook hier.”
LUK 23:6 Toen Pilatus dat hoorde, vroeg hij of Jezus een Galileër was.
LUK 23:7 En toen hij vernam dat Jezus uit het rechtsgebied van Herodes kwam, stuurde Pilatus Hem naar Herodes, die in die periode ook in Jeruzalem was.
LUK 23:8 Toen Herodes Jezus zag, was hij verheugd, want hij had er reeds lang naar verlangd Jezus te zien. Hij had namelijk over Hem gehoord en hoopte Hem een wonder te zien doen.
LUK 23:9 Hij stelde Hem heel veel vragen, maar Jezus gaf geen antwoord.
LUK 23:10 De hoofdpriesters en Schriftgeleerden stonden erbij en beschuldigden Hem in felle bewoordingen.
LUK 23:11 Toen vernederden en bespotten Herodes en zijn soldaten Jezus, kleedden ze Hem in een prachtig gewaad en stuurden ze Hem naar Pilatus terug.
LUK 23:12 Op die dag raakten Herodes en Pilatus met elkaar bevriend; voordien waren ze vijanden van elkaar.
LUK 23:13 Toen riep Pilatus de hoofdpriesters, leiders en het volk bijeen.
LUK 23:14 Hij zei tegen hen: “Jullie hebben deze Man aan mij voorgeleid als iemand die het volk misleidt. Ik heb Hem in jullie bijzijn verhoord en heb deze Man niet schuldig bevonden aan hetgeen waarvoor jullie Hem aanklagen.
LUK 23:15 Ook Herodes denkt niet dat Hij schuldig is, want hij heeft Hem naar ons teruggestuurd. Hij heeft dus niets gedaan waarop de doodstraf staat.
LUK 23:16 Daarom zal ik Hem geselen en laten gaan.”
LUK 23:18 Maar ze schreeuwden allen tezamen: “Weg met Hem! Laat Barabbas vrij.”
LUK 23:19 Barabbas was iemand die in de stad een opstand had geleid en voor moord in de gevangenis was gegooid.
LUK 23:20 Pilatus zei nogmaals tegen de mensen dat hij Jezus wilde vrijlaten.
LUK 23:21 Maar ze bleven schreeuwen: “Kruisig Hem! Kruisig Hem!”
LUK 23:22 Hij vroeg hun voor de derde keer: “Waarom? Wat heeft deze Man misdaan? Ik heb geen grond voor de doodstraf in Hem gevonden; daarom zal ik Hem laten geselen en vrijlaten.”
LUK 23:23 Ze bleven echter luidkeels eisen dat Hij gekruisigd zou worden en hun geschreeuw kreeg de overhand.
LUK 23:24 Hij besloot hun eis in te willigen:
LUK 23:25 de man die voor opstand en moord in de gevangenis was gegooid en om wiens vrijlating ze vroegen, liet hij vrij, maar met Jezus mochten ze doen wat ze wilden.
LUK 23:26 Toen de soldaten Jezus wegleidden, grepen ze een zekere Simon van Cyrene, die van het land de stad binnenkwam. Ze legden het kruis op zijn schouder en dwongen hem, het achter Jezus aan te dragen.
LUK 23:27 Jezus werd gevolgd door een grote groep mensen, waaronder vrouwen die luidruchtig om Hem treurden.
LUK 23:28 Hij draaide zich om en zei tegen hen: “Dochters van Jeruzalem, stop met wenen om Mij. Ween om jezelf en om je kinderen.
LUK 23:29 Er komt namelijk een tijd dat men zal zeggen: ‘Gezegend zijn de onvruchtbare vrouwen en zij die nooit kinderen hebben gebaard en gevoed.’
LUK 23:30 Dan zullen de mensen tegen de bergen zeggen: ‘Val op ons’, en tegen de heuvels: ‘Bedek ons.’
LUK 23:31 Want als mensen deze dingen doen wanneer de boom nog groen is, wat zal er dan gebeuren wanneer ze is verdord?”
LUK 23:32 Samen met Jezus werden ook twee misdadigers weggeleid om te worden terechtgesteld.
LUK 23:33 Toen ze bij de plaats aankwamen die Schedel wordt genoemd, kruisigden ze Jezus en de misdadigers; de ene hing rechts en de andere links van Hem.
LUK 23:34 Jezus zei: “Vader, vergeef hun, want ze beseffen niet wat ze doen.” Zijn kleren werden door middel van verloting verdeeld.
LUK 23:35 Het volk stond toe te kijken en de leiders dreven de spot met Hem. Ze zeiden: “Anderen heeft Hij gered, laat Hij nu zichzelf redden als Hij de door God beloofde Messias is, de Uitverkorene.”
LUK 23:36 Ook de soldaten lachten Hem uit; ze gingen naar Hem toe, boden Hem zure wijn aan
LUK 23:37 en zeiden: “Als Jij de koning van de Joden bent, red Jezelf dan.”
LUK 23:38 Boven Hem hing een bordje: “Dit is de koning van de Joden.”
LUK 23:39 Een van de misdadigers die naast Hem hing, beledigde Hem door te zeggen: “Ben Jij niet de Messias? Red dan Jezelf en ook ons.”
LUK 23:40 Maar de andere misdadiger wees hem terecht door te reageren: “Ben jij zelfs niet bang voor God? Jij hebt dezelfde veroordeling gekregen als Hij,
LUK 23:41 en voor ons is dat terecht, want wij krijgen het verdiende loon voor onze daden, maar deze Man heeft niets verkeerds gedaan.”
LUK 23:42 Ook zei hij: “Jezus, denk aan mij wanneer U uw koninkrijk binnengaat.”
LUK 23:43 Jezus zei tegen hem: “Ik verzeker je, vandaag zal je bij Mij in het paradijs zijn.”
LUK 23:44 Het was nu ongeveer twaalf uur en het werd donker in het hele land, tot drie uur 's middags.
LUK 23:45 De zon was verduisterd en het tempelgordijn scheurde in tweeën.
LUK 23:46 Toen riep Jezus luid: “Vader, Ik leg mijn geest in uw handen.” Nadat Hij dit had gezegd, stierf Hij.
LUK 23:47 Toen de centurio zag wat er was gebeurd, verheerlijkte hij God. Hij zei: “Deze man was werkelijk onschuldig.”
LUK 23:48 De vele mensen die op dit schouwspel waren afgekomen, zagen wat er gebeurde en gingen naar huis. Van verdriet sloegen ze zich op de borst.
LUK 23:49 Maar allen die Jezus hadden gekend, waaronder de vrouwen die Hem vanuit Galilea waren gevolgd, bleven op een afstand staan kijken.
LUK 23:50 Er was een man die Jozef heette, een lid van de Joodse raad. Hij was een goed en oprecht man.
LUK 23:51 Hij kwam uit Arimatea, een stad in Judea, en hij verwachtte Gods koninkrijk. Hij had niet ingestemd met het besluit en de handelwijze van de Joodse raad.
LUK 23:52 Hij ging naar Pilatus en vroeg om het lichaam van Jezus.
LUK 23:53 Hij haalde het van het kruis, wikkelde het in een linnen doek en legde het in een uitgehouwen graf waarin nog niemand was begraven.
LUK 23:54 Het was Voorbereidingsdag en de sabbat zou bijna beginnen.
LUK 23:55 De vrouwen die vanuit Galilea met Jezus waren meegekomen, volgden Jozef. Ze zagen het graf en hoe Jezus' lichaam erin werd gelegd.
LUK 23:56 Ze gingen naar huis om geurige oliën en balsem klaar te maken, en op de sabbat namen ze rust, zoals de Wet voorschrijft.
LUK 24:1 Op de eerste dag van de week, zodra het ochtend werd, gingen ze naar het graf met de geurige oliën die ze hadden klaargemaakt.
LUK 24:2 Ze zagen dat de steen van het graf was weggerold,
LUK 24:3 en toen ze naar binnen gingen, troffen ze het lichaam van de Heer Jezus niet aan.
LUK 24:4 Ze wisten zich geen raad met de situatie. Opeens stonden er twee mannen in oogverblindend stralende kleren bij hen.
LUK 24:5 De vrouwen waren zo bang dat ze naar de grond keken, maar de engelen zeiden tegen hen: “Waarom zoeken jullie bij de doden naar de Levende?
LUK 24:6 Hij is hier niet, Hij is verrezen. Weten jullie nog wat Hij jullie heeft verteld toen Hij nog in Galilea was?
LUK 24:7 Hij zei dat de Mensenzoon aan zondige mensen zou worden overgeleverd, zou worden gekruisigd en op de derde dag weer tot leven zou komen.”
LUK 24:8 Toen herinnerden de vrouwen zich wat Jezus had gezegd.
LUK 24:9 Ze keerden terug van het graf en rapporteerden dit alles aan de Elf en aan alle anderen.
LUK 24:10 De vrouwen die het aan de apostelen vertelden waren Maria van Magdala, Johanna, Maria de moeder van Jakobus en de andere vrouwen bij hen.
LUK 24:11 Hun woorden kwamen echter op de apostelen over als onzinnig gepraat. Ze geloofden hen niet,
LUK 24:12 maar Petrus rende naar het graf. Toen hij zich voorover boog en naar binnen keek, zag hij enkel de windsels. Hij ging naar huis en vroeg zich af wat er was gebeurd.
LUK 24:13 Diezelfde dag nog gingen twee van hen naar een dorp dat op elf kilometer van Jeruzalem ligt en Emmaüs heet.
LUK 24:14 Zij praatten met elkaar over alles wat er was gebeurd.
LUK 24:15 Terwijl ze aan het praten en discussiëren waren, kwam Jezus zelf naar hen toe en wandelde met hen mee.
LUK 24:16 Maar ze werden ervan weerhouden Hem te herkennen.
LUK 24:17 Hij vroeg hun: “Waarover zijn jullie onderweg met elkaar aan het discussiëren?” Ze hielden halt en keken triest.
LUK 24:18 Een van hen – hij heette Kleopas – zei tegen Hem: “Bent U dan de enige vreemdeling in Jeruzalem die niet op de hoogte is van de dingen die hier onlangs zijn gebeurd?”
LUK 24:19 Hij vroeg hun: “Welke dingen?” Ze antwoordden: “Wat er is gebeurd met Jezus van Nazaret. In de ogen van God en het hele volk was Hij een profeet, een man die krachtig optrad en sprak.
LUK 24:20 Maar de hoofdpriesters en onze leiders hebben Hem laten ter dood veroordelen en kruisigen.
LUK 24:21 Wij hadden zo gehoopt dat Hij Degene was die Israël zou verlossen. En nu is het al de derde dag sinds die dingen zijn gebeurd.
LUK 24:22 Maar ook hebben enkele van de vrouwen die bij ons zijn ons versteld doen staan toen ze vanochtend vroeg naar het graf waren gegaan,
LUK 24:23 en zijn lichaam niet aantroffen. Ze kwamen vertellen dat er engelen aan hen waren verschenen, die zeiden dat Hij leeft.
LUK 24:24 Enkelen van ons zijn naar het graf gegaan en zij troffen het precies zo aan als de vrouwen hadden verteld, maar Hem hebben ze niet gezien.”
LUK 24:25 Jezus zei tegen de mannen: “Wat zijn jullie onwetend en traag van begrip, dat jullie geen geloof hechten aan alles wat de profeten hebben gezegd!
LUK 24:26 Het was toch nodig dat de Messias zou lijden en zijn glorie zou binnengaan?”
LUK 24:27 Toen legde Hij hun uit wat er over Hem in al de Schriften staat, te beginnen met Mozes en verder in alle Profeten.
LUK 24:28 Toen ze het dorp naderden waarnaar ze onderweg waren, deed Jezus alsof Hij verder wilde gaan.
LUK 24:29 Zij drongen echter bij Hem aan: “Blijf bij ons logeren, want straks wordt het avond; het is al late namiddag.” Daarom ging Hij met hen naar huis en bleef Hij bij hen.
LUK 24:30 Toen Jezus met hen aan tafel had plaatsgenomen, nam Hij het brood, sprak Hij een zegengebed uit, brak Hij het brood in stukken en gaf Hij hun daarvan.
LUK 24:31 Toen gingen hun ogen open en herkenden ze Hem, maar meteen daarna was Hij uit hun zicht verdwenen.
LUK 24:32 Ze zeiden tegen elkaar: “Klopten onze harten niet sneller toen Hij ons onderweg toesprak en de Schriften aan ons uitlegde?”
LUK 24:33 Ze stonden meteen op en keerden naar Jeruzalem terug. Daar troffen ze de Elf gezamenlijk aan, samen met hun gasten.
LUK 24:34 De apostelen zeiden: “De Heer is werkelijk verrezen; Hij is aan Simon verschenen.”
LUK 24:35 Toen vertelden de twee reizigers wat zij onderweg hadden ervaren en hoe ze Jezus herkenden toen Hij het brood in stukken brak.
LUK 24:36 Terwijl ze dit aan het vertellen waren, stond Jezus opeens zelf in hun midden. Hij zei tegen hen: “Ik wens jullie vrede toe.”
LUK 24:37 Ze schrokken en waren erg bang; ze dachten dat ze een geest zagen.
LUK 24:38 Jezus zei tegen hen: “Waarom zijn jullie zo overstuur en twijfelen jullie zo?
LUK 24:39 Kijk naar mijn handen en voeten; jullie zien toch dat Ik het ben? Raak Me aan en kijk naar Mij; een geest heeft toch geen lichaam zoals jullie zien dat Ik heb?”
LUK 24:40 Nadat Hij dat had gezegd, toonde Hij hun zijn handen en voeten.
LUK 24:41 Toen ze het van vreugde en verbazing nog altijd niet konden geloven, vroeg Hij hun: “Hebben jullie hier iets te eten?”
LUK 24:42 Ze gaven Hem een stuk geroosterde vis.
LUK 24:43 Hij nam het aan en at het voor hun ogen op.
LUK 24:44 Toen zei Jezus tegen hen: “Dit zijn de dingen waarover Ik jullie had verteld toen Ik nog bij jullie was. Alles wat over Mij in de Wet van Mozes en in de Profeten en de Psalmen staat, moest in vervulling gaan.”
LUK 24:45 Toen schonk Hij hun het inzicht om de Schriften te begrijpen.
LUK 24:46 Hij zei tegen hen: “Er staat dat de Messias zou lijden en op de derde dag uit de dood zou verrijzen,
LUK 24:47 en dat in zijn naam de inkeer die tot vergeving van zonden leidt, aan alle volken verkondigd zou worden, te beginnen in Jeruzalem.
LUK 24:48 Jullie zijn daar getuigen van.
LUK 24:49 Ik zal het geschenk dat mijn Vader heeft beloofd, naar jullie toe sturen. Jullie moeten echter in de stad blijven totdat jullie worden toegerust met kracht die van boven komt.”
LUK 24:50 Hij leidde hen de stad uit, naar Betanië. Daar hief Hij zijn handen omhoog en zegende hen.
LUK 24:51 Terwijl Hij hen zegende, werd Hij in de hemel opgenomen, bij hen vandaan.
LUK 24:52 Ze aanbaden Jezus en keerden vol vreugde terug naar Jeruzalem.
LUK 24:53 Daar waren ze voortdurend op het tempelterrein God aan het prijzen.
JOH 1:1 In het begin was het Woord er al. Het Woord was bij God en het Woord was God.
JOH 1:2 Het Woord was reeds in het begin bij God.
JOH 1:3 Alles is door Hem, het Woord, ontstaan en er is niets dat buiten Hem om is ontstaan. Alles wat bestaat
JOH 1:4 heeft het leven aan Hem te danken en het leven was het licht voor de mensen.
JOH 1:5 Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet kunnen doven.
JOH 1:6 Er kwam iemand die Johannes heette. Hij was door God gezonden.
JOH 1:7 Hij kwam om getuige te zijn – om van het licht te getuigen, opdat door hem alle mensen zouden geloven.
JOH 1:8 Hij was zelf niet het licht; hij kwam van het licht getuigen.
JOH 1:9 Het ware licht, dat ieder mens verlicht, is naar de wereld gekomen.
JOH 1:10 Hij was in de wereld – de wereld die dankzij Hem was ontstaan – maar de wereld erkende Hem niet.
JOH 1:11 Hij kwam naar hetgeen van Hem was, maar zij die van Hem waren, hebben Hem niet aanvaard.
JOH 1:12 Er zijn er echter die Hem wel hebben aanvaard en die op Hem vertrouwen. Hun heeft Hij het voorrecht geschonken om Gods kinderen te worden,
JOH 1:13 door middel van een geboorte die niet lichamelijk is, en ook niet het gevolg is van een natuurlijke wens of de wil van een man; het is een geboorte die van God komt.
JOH 1:14 Het Woord is mens geworden en heeft bij ons gewoond. Wij hebben zijn grootheid gezien, de grootheid van de enige Zoon van de Vader, vol genade en waarheid.
JOH 1:15 Johannes getuigde van Hem door uit te roepen: “Hij is het van wie ik heb gezegd: Na mij komt Iemand die boven mij staat, want Hij bestond al voordat ik er was.”
JOH 1:16 En vanuit zijn overvloedige genade hebben wij almaar meer genade ontvangen.
JOH 1:17 Want de Wet werd gegeven via Mozes, maar genade en waarheid zijn er gekomen door Jezus Christus.
JOH 1:18 Niemand heeft ooit God gezien, maar de enige God, Hij die zich aan de zijde van de Vader bevindt, Hij is het die ervoor heeft gezorgd dat men God kan kennen.
JOH 1:19 Toen de Joodse leiders vanuit Jeruzalem priesters en Levieten naar Johannes stuurden om te vragen: “Wie bent u?”, was dit zijn getuigenis.
JOH 1:20 Hij verklaarde eenduidig en onomwonden: “Ik ben niet de Messias.”
JOH 1:21 Ze vroegen hem: “Wie bent u dan? Bent u Elia?” Hij zei: “Nee, ook niet.” “Bent u de profeet?” Hij antwoordde: “Nee.”
JOH 1:22 Toen vroegen ze: “Wie bent u dan? We moeten de mensen die ons hebben gestuurd toch een antwoord geven! Wie zegt u dat u bent?”
JOH 1:23 Hij zei: “Zoals de profeet Jesaja zei: ‘Ik ben een stem die roept in de wildernis: Maak de weg van de Heer vrij.’”
JOH 1:24 De mensen die door de farizeeën waren gestuurd,
JOH 1:25 vroegen verder: “Waarom doopt u dan, als u niet de Messias bent en ook niet Elia, noch de profeet?”
JOH 1:26 Johannes antwoordde: “Ik doop met water, maar tussen jullie staat Iemand die jullie niet herkennen.
JOH 1:27 Hij is het, die na mij komt. Ik ben het niet waard om zijn schoenriem los te maken.”
JOH 1:28 Dit gebeurde in Betanië, aan de overkant van de Jordaan, waar Johannes aan het dopen was.
JOH 1:29 De volgende dag zag Johannes Jezus naar zich toe komen. Hij zei: “Daar is het lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt.
JOH 1:30 Hij is het van wie ik heb gezegd: ‘Na mij komt Iemand die boven mij staat, want Hij bestond al voordat ik er was.’
JOH 1:31 Ik wist niet wie Hij was, maar ik kwam dopen met water zodat Hij aan Israël kon worden geopenbaard.”
JOH 1:32 Johannes getuigde: “Ik zag dat de Geest uit de hemel neerdaalde als een duif en op Hem bleef rusten.
JOH 1:33 Ik wist niet wie Hij was, maar Degene die mij had gestuurd om met water te dopen, zei tegen mij: ‘De persoon op wie je de Geest ziet neerdalen en blijven rusten, Hij is het die doopt met de Heilige Geest.’
JOH 1:34 Ik heb het zelf gezien; ik verklaar: Hij is de Zoon van God.”
JOH 1:35 De volgende dag stond Johannes er opnieuw met twee van zijn leerlingen.
JOH 1:36 Hij keek naar Jezus, die daar langs kwam en zei: “Daar is het lam van God.”
JOH 1:37 De twee leerlingen hoorden wat hij zei en gingen achter Jezus aan.
JOH 1:38 Jezus draaide zich om, zag dat ze Hem volgden, en vroeg hen: “Wat willen jullie?” Zij antwoordden: “Rabbi” (dat betekent: Leraar), “waar verblijft U?”
JOH 1:39 Jezus zei tegen hen: “Kom maar mee, dan zullen jullie het zien.” Ze kwamen met Hem mee en zagen waar Hij verbleef. Het was ongeveer vier uur 's middags en ze bleven de rest van die dag bij Hem.
JOH 1:40 Eén van de twee die Johannes hadden horen spreken en die met Jezus waren meegegaan, was Andreas, de broer van Simon Petrus.
JOH 1:41 Hij zocht onmiddellijk zijn broer Simon op en zei tegen hem: “Wij hebben de Messias gevonden.” (Messias betekent: Christus, gezalfde.)
JOH 1:42 Andreas bracht Simon bij Jezus. Jezus keek hem aan en zei: “Jij bent Simon, de zoon van Johannes. Voortaan zal je Kefas genoemd worden.” (Die naam betekent: Petrus, rots.)
JOH 1:43 De volgende dag besloot Jezus naar Galilea te gaan. Hij zocht Filippus op en zei tegen hem: “Kom met Mij mee.”
JOH 1:44 Filippus kwam uit Betsaïda, de thuisstad van Andreas en Petrus.
JOH 1:45 Filippus zocht Natanaël op en zei tegen hem: “We hebben Hem gevonden, over Wie Mozes schreef in de Wet en over wie ook de profeten schreven. Het is Jezus, de zoon van Jozef, uit Nazaret.”
JOH 1:46 Natanaël vroeg hem: “Kan uit Nazaret iets goeds komen?” Filippus antwoordde: “Kom maar mee, dan zal je het zien.”
JOH 1:47 Jezus zag Natanaël aankomen en zei: “Daar is een echte Israëliet, iemand die door en door eerlijk is.”
JOH 1:48 Natanaël vroeg Hem: “Hoe kent U mij?” Jezus antwoordde: “Ik had je al gezien voordat Filippus je riep, toen je onder de vijgenboom zat.”
JOH 1:49 Natanaël verklaarde: “Rabbi, U bent de Zoon van God, U bent de koning van Israël.”
JOH 1:50 Jezus antwoordde: “Geloof jij omdat Ik tegen je zei dat Ik je onder de vijgenboom zag zitten? Jij zal grotere dingen zien.”
JOH 1:51 Jezus vervolgde: “Ik zeg jullie nadrukkelijk, jullie zullen de hemel zien opengaan en Gods engelen zien opstijgen en neerdalen op de Mensenzoon.”
JOH 2:1 Op de derde dag was er in Kana in Galilea een huwelijksfeest en Jezus' moeder was daar.
JOH 2:2 Jezus en zijn leerlingen waren ook voor het huwelijksfeest uitgenodigd.
JOH 2:3 Toen de wijn opraakte, zei Jezus' moeder tegen Hem: “Ze hebben geen wijn meer.”
JOH 2:4 Jezus antwoordde: “Wat hebben wij daarmee te maken? Mijn moment is nog niet gekomen.”
JOH 2:5 Zijn moeder zei tegen de mensen die opdienden: “Doe wat Hij tegen jullie zegt.”
JOH 2:6 Nu stonden daar zes stenen watervaten voor het joodse reinigingsritueel, elk met een inhoud van tachtig tot honderd liter.
JOH 2:7 Jezus zei tegen de mensen die opdienden: “Vul die vaten met water.” Ze vulden ze tot de rand.
JOH 2:8 Jezus zei tegen hen: “Schep er nu wat uit en breng het naar de ceremoniemeester.” Dat deden ze.
JOH 2:9 De ceremoniemeester proefde van het water dat wijn was geworden. Hij wist niet waar het vandaan kwam, maar de mensen die opdienden wisten dat wel. De ceremoniemeester riep de bruidegom,
JOH 2:10 en zei tegen hem: “Iedereen zet eerst de goede wijn voor, en wanneer de gasten dronken zijn, de minder goede. Maar jij hebt de goede wijn bewaard tot nu.”
JOH 2:11 Dit was het eerste wonderlijke teken dat Jezus verrichtte, in Kana in Galilea. Zo toonde Hij zijn grootheid – en zijn leerlingen geloofden in Hem.
JOH 2:12 Daarna ging Hij naar Kafarnaüm, met zijn moeder, zijn broers en zijn leerlingen. Daar bleven ze enkele dagen.
JOH 2:13 Binnenkort zou het Joodse Pesachfeest plaatsvinden en Jezus ging naar Jeruzalem.
JOH 2:14 Op het tempelterrein trof Hij de verkopers van runderen, schapen en duiven aan en zag Hij de geldwisselaars zakendoen.
JOH 2:15 Hij maakte een zweep van touw en verjoeg alle mensen van het tempelterrein, en ook de schapen en runderen. Verder duwde Hij de tafels van de geldwisselaars omver, zodat hun geld op de grond viel.
JOH 2:16 Tegen de verkopers van de duiven zei Hij: “Neem ze hier weg, maak van het huis van mijn Vader geen marktplaats.”
JOH 2:17 Toen herinnerden zijn leerlingen zich dat in de Schriften staat: “Mijn inzet voor uw huis zal alles van mij vragen.”
JOH 2:18 De Joodse leiders zeiden tegen Jezus: “Doe eens een wonderlijk teken om te bewijzen dat U het recht hebt om deze dingen te doen!”
JOH 2:19 Jezus antwoordde: “Breek deze tempel maar af; dan zal Ik hem in drie dagen heropbouwen.”
JOH 2:20 Toen zeiden de Joodse leiders: “De bouw van deze tempel heeft 46 jaar in beslag genomen, en U gaat hem in drie dagen heropbouwen?”
JOH 2:21 Met “de tempel” bedoelde Jezus echter zijn lichaam.
JOH 2:22 Later, toen Hij uit de dood was verrezen, herinnerden zijn leerlingen zich dat Hij dit had gezegd; toen geloofden ze de Schriften en hetgeen Jezus had gezegd.
JOH 2:23 Tijdens het Pesachfeest, toen Jezus in Jeruzalem was, kwamen velen tot geloof in Hem, omdat ze de wonderlijke tekenen zagen die Hij verrichtte.
JOH 2:24 Jezus vertrouwde zich echter niet aan hen toe, omdat Hij iedereen doorzag.
JOH 2:25 Niemand hoefde Hem uitleg over de mens te geven, want Hij wist wat er in de mens omgaat.
JOH 3:1 Een van de Joodse leiders was een man die Nikodemus heette, een farizeeër.
JOH 3:2 Op een nacht ging hij naar Jezus toe en zei: “Rabbi, wij weten dat U een leraar bent die van God komt, want niemand kan de wonderlijke tekenen verrichten die U verricht, tenzij met Gods hulp.”
JOH 3:3 Jezus antwoordde: “Ik zeg je nadrukkelijk, niemand kan Gods koninkrijk zien, tenzij hij opnieuw wordt geboren.”
JOH 3:4 Nikodemus vroeg Hem: “Hoe kan een mens geboren worden als hij reeds volwassen is? Hij kan toch niet in de schoot van zijn moeder terugkeren en een tweede keer geboren worden?”
JOH 3:5 Jezus antwoordde: “Ik zeg je nadrukkelijk, niemand kan Gods koninkrijk binnengaan, tenzij hij wordt geboren uit water en door de Geest.
JOH 3:6 Het menselijk lichaam wordt geboren uit de mens, maar het geestelijke wordt geboren door het werk van Gods Geest.
JOH 3:7 Wees niet verbaasd dat Ik tegen je heb gezegd dat je opnieuw geboren moet worden.
JOH 3:8 De wind waait waar hij naartoe wil en je kan zijn geluid horen, maar je weet niet waar hij vandaan komt en waar hij naartoe gaat. Zo is het ook met iedereen die door het werk van de Geest is geboren.”
JOH 3:9 Nikodemus vroeg Hem: “Hoe kan dat?”
JOH 3:10 Jezus antwoordde: “Jij bent het die Israël onderwijst en jij begrijpt dit niet?
JOH 3:11 Ik zeg je nadrukkelijk, wij spreken over wat wij weten, en wij getuigen van wat wij hebben gezien. En toch aanvaarden jullie onze getuigenis niet.
JOH 3:12 Als jullie Mij niet geloven wanneer ik over aardse zaken spreek, hoe zullen jullie Mij dan geloven wanneer ik over hemelse zaken spreek?
JOH 3:13 Er is nog nooit iemand naar de hemel gegaan; alleen Hij die uit de hemel is gekomen, de Mensenzoon, is er geweest.
JOH 3:14 En zoals Mozes in de wildernis de slang omhooghief, zo moet de Mensenzoon worden omhooggeheven,
JOH 3:15 opdat ieder die in Hem gelooft het eeuwig leven zal hebben.
JOH 3:16 Zo had God de wereld lief: door zijn enige Zoon te geven, opdat ieder die in Hem gelooft het eeuwig leven zou hebben en niet verloren zou gaan.
JOH 3:17 God heeft de Zoon niet naar de wereld gezonden om de wereld te veroordelen, maar om de wereld te redden.
JOH 3:18 Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar wie niet gelooft, is reeds veroordeeld omdat hij niet zijn vertrouwen op Gods enige Zoon heeft gesteld.
JOH 3:19 Het zit zo met het Oordeel: het licht is naar de wereld gekomen, maar de mensen hielden meer van het duister dan van het licht, want hun daden waren slecht.
JOH 3:20 Ieder die kwaad doet, haat het licht; hij weigert naar het licht toe te komen, omdat zijn daden dan worden onthuld.
JOH 3:21 Maar wie oprecht leeft, komt naar het licht toe, zodat zal blijken dat hij zijn daden heeft verricht uit gehoorzaamheid aan God.”
JOH 3:22 Later ging Jezus met zijn leerlingen naar het gebied Judea. Hij verbleef daar enige tijd en doopte.
JOH 3:23 Ook Johannes doopte, in Enon, dicht bij Salim. Daar was veel water en de mensen kwamen ernaartoe om te worden gedoopt.
JOH 3:24 Johannes was toen nog niet gevangengezet.
JOH 3:25 Enkele leerlingen van Johannes kregen onenigheid met een Joodse leider over het Joodse reinigingsritueel.
JOH 3:26 Ze gingen naar Johannes toe en vroegen hem: “Rabbi, de Man die bij u was aan de overkant van de Jordaan, die u heeft aangeduid, Hij is aan het dopen en de mensen gaan allemaal naar Hem toe.”
JOH 3:27 Johannes antwoordde: “Een mens kan enkel ontvangen wat hem vanuit de hemel wordt geschonken.
JOH 3:28 Jullie zijn er zelf getuige van dat ik heb gezegd: ‘Ik ben de Messias niet, maar ik ben voor Hem uitgestuurd.’
JOH 3:29 Wie de bruid krijgt, is de bruidegom, maar de beste vriend van de bruidegom staat naar de bruidegom te luisteren en verheugt zich wanneer hij de stem van de bruidegom hoort. Dat geldt ook voor mij: ik ben vervuld met vreugde.
JOH 3:30 Hij moet meer aanzien krijgen, en ik minder.”
JOH 3:31 Hij die van boven komt, staat boven allen; wie uit de aarde voortkomt, is aards en spreekt op aardse wijze. Hij die uit de hemel komt en boven alles staat,
JOH 3:32 getuigt van hetgeen Hij heeft gezien en gehoord, en niemand aanvaardt zijn getuigenis.
JOH 3:33 Maar wie zijn getuigenis wel aanvaardt, bevestigt zo dat God betrouwbaar is.
JOH 3:34 Hij die door God gezonden is, spreekt de woorden van God, want God schenkt de Geest zonder enige beperking.
JOH 3:35 De Vader heeft de Zoon lief en heeft Hem alle macht gegeven.
JOH 3:36 Wie in de Zoon gelooft, heeft het eeuwig leven. Wie daarentegen weigert de Zoon te gehoorzamen, zal het leven niet ervaren, maar Gods straf ondervinden.
JOH 4:1 Jezus kwam te weten dat de farizeeën hadden gehoord dat Hij meer volgelingen maakte en doopte dan Johannes.
JOH 4:2 (Het was echter niet Jezus zelf die doopte, maar zijn leerlingen.)
JOH 4:3 Daarom verliet Hij Judea en reisde Hij terug naar Galilea.
JOH 4:4 Hij moest door Samaria heen,
JOH 4:5 en zo kwam Hij bij de Samaritaanse stad Sichar, dicht bij het stuk grond dat Jakob aan zijn zoon Jozef had nagelaten.
JOH 4:6 Daar bevond zich de Jakobsbron. Vermoeid van de reis ging Jezus bij de bron zitten. Het was ongeveer twaalf uur 's middags.
JOH 4:7 Toen er een vrouw uit Samaria water kwam putten, vroeg Jezus haar: “Wilt u Mij wat te drinken geven?”
JOH 4:8 Zijn leerlingen waren namelijk naar de stad gegaan om eten te kopen.
JOH 4:9 De Samaritaanse vrouw vroeg: “Hoe kan U, een Jood, mij, een Samaritaanse, om drinken vragen?” Joden gaan namelijk niet om met Samaritanen.
JOH 4:10 Jezus antwoordde: “Als je zou weten wat God kan geven en Wie het is die jou om drinken vraagt, dan zou jij Hém om drinken vragen en Hij zou je het water geven dat leven geeft.”
JOH 4:11 De vrouw zei: “Meneer, U hebt geen emmer en de put is diep; hoe komt U dan aan dat water dat leven geeft?
JOH 4:12 U bent toch niet machtiger dan onze voorvader Jakob, die ons de bron heeft nagelaten? Hij heeft er zelf van gedronken, en ook zijn zonen en zijn vee.”
JOH 4:13 Jezus antwoordde: “Ieder die van dit water drinkt, zal opnieuw dorst krijgen.
JOH 4:14 Maar wie van het water drinkt dat Ik hem geef, zal nooit meer dorst krijgen. Integendeel, het water dat Ik geef, zal binnenin hem een bron worden, waaruit water opwelt tot in het eeuwig leven.”
JOH 4:15 De vrouw vroeg: “Meneer, geef mij dit water! Dan zal ik geen dorst meer krijgen en hoef ik niet meer hierheen te komen om water te putten.”
JOH 4:16 Jezus zei: “Ga je man roepen en kom dan samen terug.”
JOH 4:17 De vrouw antwoordde: “Ik heb geen man.” Jezus zei tegen haar: “Het klopt wat je zegt; je hebt geen man.
JOH 4:18 Je hebt namelijk vijf mannen gehad, en degene die je nu hebt is je man niet. Wat je hebt gezegd, is waar.”
JOH 4:19 De vrouw antwoordde: “Meneer, ik zie dat U een profeet bent.
JOH 4:20 Onze voorvaders hebben God aanbeden op deze berg, maar jullie zeggen dat Jeruzalem de plaats is waar men God behoort te aanbidden.”
JOH 4:21 Jezus zei: “Geloof Mij, mevrouw, er komt een tijd dat jullie de Vader noch op deze berg noch in Jeruzalem zullen aanbidden.
JOH 4:22 Jullie aanbidden God zonder Hem te kennen, wij kennen de God die wij aanbidden. De redding komt immers van het Joodse volk.
JOH 4:23 Er komt echter een tijd – en het is nu al zover – dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden door de kracht van de Geest en in overeenstemming met de waarheid. De Vader wil door dat soort mensen worden aanbeden.
JOH 4:24 God is Geest en wie Hem aanbidt, moet Hem aanbidden door de kracht van de Geest en in overeenstemming met de waarheid.”
JOH 4:25 De vrouw zei: “Ik weet dat de Messias komt, Hij die Christus wordt genoemd. Wanneer Hij komt, zal Hij ons alles uitleggen.”
JOH 4:26 Jezus zei: “Die persoon ben Ik, je spreekt met Hem.”
JOH 4:27 Op dat moment kwamen zijn leerlingen terug. Ze waren verbaasd dat Jezus met een vrouw praatte. Maar niemand vroeg: “Waarom doet U dat?”, of: “Waarom praat U met haar?”
JOH 4:28 De vrouw liet haar emmer achter, ging naar de stad, en zei tegen de mensen:
JOH 4:29 “Kom kijken, er is Iemand die me alles heeft verteld wat ik heb gedaan. Zou Hij de Messias zijn?”
JOH 4:30 Ze kwamen de stad uit, naar Jezus toe.
JOH 4:31 Intussen drongen Jezus' leerlingen bij Hem aan: “Rabbi, eet toch iets!”
JOH 4:32 Maar Hij zei: “Ik leef van voedsel dat jullie niet kennen.”
JOH 4:33 De leerlingen vroegen elkaar: “Niemand heeft Hem toch eten gebracht?”
JOH 4:34 Maar Jezus zei tegen hen: “Mijn voedsel is dat Ik doe wat Hij wil, die Mij heeft gestuurd, en dat Ik het werk voltooi dat Hij Mij heeft gegeven.
JOH 4:35 Zeggen jullie niet: Nog vier maanden en dan komt de oogst? Let op, Ik zeg tegen jullie: als je goed kijkt, zie je dat de velden wit zijn, klaar voor de oogst.
JOH 4:36 De maaier ontvangt reeds loon; hij verzamelt een opbrengst voor het eeuwig leven. Zo komt het dat de zaaier zich samen met de maaier verheugt.
JOH 4:37 Hier is het gezegde ‘De één zaait, de ander maait’ van toepassing.
JOH 4:38 Ik heb jullie uitgezonden om een oogst binnen te halen waarvoor jullie niet hebben gewerkt. Anderen hebben gewerkt, en jullie oogsten de vruchten van hun werk.”
JOH 4:39 Door de getuigenis van de vrouw die zei: “Hij heeft me alles verteld wat ik ooit heb gedaan”, kwamen veel Samaritanen uit die stad tot geloof in Jezus.
JOH 4:40 Daarom kwamen de Samaritanen Jezus vragen bij hen te blijven. Hij bleef er twee dagen,
JOH 4:41 en door hetgeen Hij vertelde kwamen nog meer mensen tot geloof.
JOH 4:42 Zij zeiden tegen de vrouw: “Wij geloven niet langer omwille van wat jij hebt gezegd; nu we zelf naar Hem hebben geluisterd, beseffen we dat Hij werkelijk de redder van de wereld is.”
JOH 4:43 Na die twee dagen vervolgde Jezus zijn reis naar Galilea.
JOH 4:44 Jezus had zelf verklaard dat een profeet in zijn thuisstad geen erkenning krijgt.
JOH 4:45 Maar toen Hij in Galilea aankwam, verwelkomden de Galileeërs Hem. Ze waren namelijk bij het feest in Jeruzalem geweest en hadden gezien wat Hij tijdens het feest had gedaan.
JOH 4:46 Hij kwam opnieuw in Kana in Galilea, waar Hij het water in wijn had veranderd. Er was toen in Kapernaüm een koninklijk functionaris, van wie de zoon ernstig ziek was.
JOH 4:47 Toen hij hoorde dat Jezus vanuit Judea naar Galilea was gekomen, ging hij naar Hem toe en smeekte hij Hem om zijn zoon, die op sterven lag, te komen genezen.
JOH 4:48 Jezus zei tegen hem: “Willen jullie dan niet geloven tenzij jullie tekenen en wonderen zien?”
JOH 4:49 Maar de koninklijk functionaris antwoordde: “Heer, kom alstublieft mee, voordat mijn kind sterft.”
JOH 4:50 Jezus antwoordde: “Ga gerust naar huis, je zoon is gezond.” De man geloofde wat Jezus tegen hem had gezegd en vertrok.
JOH 4:51 Hij was nog onderweg, toen zijn dienaren hem tegemoetkwamen met het bericht dat zijn kind gezond was.
JOH 4:52 Hij vroeg wanneer het kind beter was geworden. Ze antwoordden: “Gisteren om één uur 's middags is de koorts verdwenen.”
JOH 4:53 De vader besefte dat dit het tijdstip was waarop Jezus had gezegd: “Je zoon is gezond.” Hij kwam tot geloof, en ook iedereen die bij hem in huis woonde.
JOH 4:54 Dit was de tweede keer dat Jezus een wonderlijk teken verrichtte nadat Hij vanuit Judea naar Galilea was teruggekomen.
JOH 5:1 Later reisde Jezus naar Jeruzalem voor een Joods feest.
JOH 5:2 Nu is er bij de Schaapspoort in Jeruzalem een badhuis met vijf zuilengalerijen; in het Aramees heet het Betzata.
JOH 5:3 Daar lagen veel mensen met ernstige aandoeningen: ze waren blind, verlamd of hadden een andere handicap.
JOH 5:5 Er was daar iemand die al 38 jaar aan zijn aandoening leed.
JOH 5:6 Jezus zag hem liggen, wist dat hij al lange tijd aan die aandoening leed en vroeg hem: “Wil je gezond worden?”
JOH 5:7 De man antwoordde: “Meneer, ik heb niemand om me het bad in te helpen wanneer het water in beweging komt. Telkens als ik ga, is een ander mij voor.”
JOH 5:8 Jezus zei: “Sta op, neem je mat op en wandel.”
JOH 5:9 De man werd meteen gezond; hij nam zijn mat op en wandelde rond. Dit gebeurde op een sabbat.
JOH 5:10 Daarom zeiden de Joodse leiders tegen de genezen man: “Het is sabbat, je mag je mat niet dragen.”
JOH 5:11 Maar hij antwoordde: “Hij die mij gezond gemaakt heeft, zei tegen mij: ‘Neem je draagmat op en wandel.’”
JOH 5:12 Zij vroegen hem: “Wie is die Man die tegen je zei dat je je draagmat moest opnemen en moest wandelen?”
JOH 5:13 Maar de man die genezen was, wist niet wie het was, want Jezus had zich teruggetrokken in de menigte die zich daar bevond.
JOH 5:14 Later trof Jezus hem aan op het tempelterrein. Hij zei tegen hem: “Luister. Je bent nu genezen. Zorg dat je niet meer zondigt; anders zal je iets ergers overkomen.”
JOH 5:15 De man vertrok en vertelde aan de Joodse leiders dat het Jezus was die hem gezond had gemaakt.
JOH 5:16 Toen begonnen de Joodse leiders Jezus tegen te werken, omdat Hij dit op een sabbat had gedaan.
JOH 5:17 Maar Jezus zei tegen hen: “Mijn Vader is altijd al aan het werk; daarom werk Ik ook.”
JOH 5:18 Dit versterkte de Joodse leiders in hun bedoeling Jezus te doden, omdat Hij niet alleen de Joodse sabbatsregels had overtreden, maar ook God zijn Vader had genoemd en zichzelf dus aan God gelijkstelde.
JOH 5:19 Jezus reageerde daarop: “Ik zeg jullie nadrukkelijk, de Zoon kan niets uit zichzelf doen, Hij kan enkel doen wat Hij de Vader ziet doen. Alles wat de Vader doet, doet de Zoon ook.
JOH 5:20 De Vader houdt van de Zoon en toont Hem alles wat Hij doet. Hij zal Hem nog grotere daden tonen dan deze, en jullie zullen versteld staan.
JOH 5:21 Want zoals de Vader de doden doet verrijzen en hen doet leven, zo doet ook de Zoon leven wie Hij wil.
JOH 5:22 De Vader oordeelt over niemand; Hij heeft het Oordeel volledig aan de Zoon toevertrouwd.
JOH 5:23 Daarom zullen alle mensen de Zoon eren zoals ze de Vader eren. Wie de Zoon niet eert, eert ook de Vader niet, die Hem heeft gestuurd.
JOH 5:24 Ik zeg jullie nadrukkelijk, wie luistert naar hetgeen Ik zeg en gelooft in Degene die Mij heeft gestuurd, heeft het eeuwig leven en valt niet onder het Oordeel. Hij is overgegaan van de dood naar het leven.
JOH 5:25 Ik zeg jullie nadrukkelijk, er komt een tijd – en het is nu al zover – dat de doden de stem van de Zoon van God zullen horen en zij die Hem horen, zullen leven.
JOH 5:26 De Vader heeft de macht om leven te geven, en diezelfde macht om leven te geven heeft Hij aan de Zoon geschonken.
JOH 5:27 Bovendien heeft Hij Hem de macht gegeven om het Oordeel te voltrekken, omdat Hij de aangekondigde Mensenzoon is.
JOH 5:28 Verbaas je hierover niet. Er komt namelijk een tijd dat alle doden zijn stem zullen horen.
JOH 5:29 Zij die het goede hebben gedaan, zullen verrijzen om het leven te ontvangen en zij die het verkeerde hebben gedaan, zullen verrijzen om het Oordeel te ondergaan.
JOH 5:30 Ik kan niets doen uit Mijzelf; Ik oordeel op basis van wat Ik hoor, en mijn oordeel is rechtvaardig, omdat Ik niet gericht ben op mijn eigen wil, maar op de wil van Degene die Mij gestuurd heeft.
JOH 5:31 Als Ik van Mijzelf getuig, is mijn getuigenis niet rechtsgeldig.
JOH 5:32 Er is echter iemand anders die van Mij getuigt en Ik weet dat de getuigenis die hij van Mij geeft, betrouwbaar is.
JOH 5:33 Jullie hebben mensen naar Johannes gestuurd en zijn getuigenis is waar.
JOH 5:34 Ik heb het niet nodig dat mensen van Mij getuigen, maar Ik zeg dit opdat jullie worden gered.
JOH 5:35 Johannes was de lamp die brandde en licht gaf, en jullie waren een tijdlang bereid om van zijn licht te genieten.
JOH 5:36 Ik beschik over een getuigenis die zwaarder doorweegt dan die van Johannes. De daden die de Vader Mij te doen geeft, de daden die Ik doe, die getuigen van Mij dat de Vader Mij heeft gezonden.
JOH 5:37 En verder getuigt de Vader die Mij heeft gestuurd van Mij, maar jullie hebben nog nooit zijn stem gehoord of zijn gezicht gezien.
JOH 5:38 Zijn getuigenis is jullie niet bijgebleven, omdat jullie niet geloven in Degene die Hij gezonden heeft.
JOH 5:39 Jullie bestuderen de Schriften, omdat jullie denken dat zij het eeuwig leven bevatten, maar ook die getuigen van Mij.
JOH 5:40 En toch willen jullie niet bij Mij komen om het leven te ontvangen.
JOH 5:41 Ik ben niet uit op goedkeuring van mensen,
JOH 5:42 maar Ik ken jullie: jullie hebben geen liefde voor God in je hart.
JOH 5:43 Ik ben gekomen in de naam van mijn Vader en jullie aanvaarden Mij niet, maar als iemand anders op eigen gezag komt, aanvaarden jullie die persoon wel.
JOH 5:44 Hoe kunnen jullie geloven als jullie graag goedkeuring van elkaar ontvangen in plaats van naar Gods goedkeuring te streven?
JOH 5:45 Denk niet dat Ik jullie bij de Vader zal aanklagen. Het is Mozes, op wie jullie je hoop stellen, die jullie aanklaagt.
JOH 5:46 Als jullie Mozes zouden geloven, zouden jullie ook Mij geloven, want hetgeen hij schreef gaat over Mij.
JOH 5:47 Maar als jullie niet geloven wat hij schreef, hoe zullen jullie dan geloven wat Ik zeg?”
JOH 6:1 Later vertrok Jezus naar de overkant van het Meer van Galilea. (Dit wordt ook het Meer van Tiberias genoemd.)
JOH 6:2 Een grote menigte volgde Hem, want de mensen hadden de wonderlijke tekenen gezien die Hij had verricht bij mensen met ernstige aandoeningen.
JOH 6:3 Toen ging Jezus de berg op. Daar ging Hij zitten met zijn leerlingen.
JOH 6:4 Het was bijna Pesach, het Joodse paasfeest.
JOH 6:5 Jezus keek om zich heen en zag dat er een grote menigte naar Hem toekwam. Toen vroeg Hij aan Filippus: “Waar zullen we brood kopen, zodat deze mensen kunnen eten?”
JOH 6:6 Hij zei dit om Filippus op de proef te stellen, want Hij wist wat Hij van plan was.
JOH 6:7 Filippus antwoordde: “Zelfs tweehonderd denarie zou onvoldoende zijn om ervoor te zorgen dat iedereen wat eten zou krijgen.”
JOH 6:8 Een van zijn andere leerlingen – Andreas, de broer van Simon Petrus – zei tegen Hem:
JOH 6:9 “Er is hier een jongen die vijf gerstebroden en twee vissen heeft, maar wat hebben we daar aan voor zoveel mensen?”
JOH 6:10 Jezus zei: “Zeg tegen de mensen dat ze moeten plaatsnemen.” Er was op die plaats veel gras en de mensen namen plaats. Het aantal mannen bedroeg ongeveer vijfduizend.
JOH 6:11 Toen nam Jezus de broden. Hij sprak het dankgebed uit en liet aan de mensen die hadden plaatsgenomen zoveel uitdelen als ze wilden. Hetzelfde deed hij met de vissen.
JOH 6:12 Toen de mensen voldoende hadden gegeten, zei Jezus tegen zijn leerlingen: “Verzamel de overgebleven brokken, zodat er niets verloren gaat.”
JOH 6:13 Ze verzamelden de brokken van de vijf gerstebroden die waren overgelaten door de mensen die hadden gegeten. Ze vulden er twaalf manden mee.
JOH 6:14 Bij het zien van het wonderlijke teken dat Jezus had verricht, zeiden de mensen: “Deze Man is werkelijk de profeet die naar de wereld zou komen.”
JOH 6:15 Jezus merkte dat ze Hem onder dwang wilden meenemen om Hem tot koning uit te roepen. Daarom trok Hij zich weer terug, de berg op, om alleen te zijn.
JOH 6:16 Toen het avond werd, gingen zijn leerlingen naar het meer.
JOH 6:17 Ze stapten in een boot om het meer over te steken, naar Kafarnaüm. Het was al donker geworden en Jezus was nog niet naar hen toe gekomen.
JOH 6:18 Doordat er een harde wind stond, werd het meer woelig.
JOH 6:19 Toen ze ongeveer vijf of zes kilometer hadden geroeid, zagen ze Jezus over het meer wandelen. Hij kwam dicht bij de boot en ze werden bang.
JOH 6:20 Maar Hij zei tegen hen: “Ik ben het. Wees niet bang.”
JOH 6:21 Ze wilden Hem aan boord nemen, maar de boot kwam meteen op hun plaats van bestemming aan wal.
JOH 6:22 De volgende dag kwam de menigte die aan de overkant van het meer was gebleven tot het besef dat er slechts één bootje was geweest en dat Jezus niet samen met zijn leerlingen in de boot was gestapt, maar dat zijn leerlingen zonder Hem waren vertrokken.
JOH 6:23 Dicht bij de plaats waar men het brood had gegeten nadat de Heer het dankgebed had uitgesproken, kwamen andere bootjes uit Tiberias aan.
JOH 6:24 Toen de mensen zagen dat Jezus er niet was en zijn leerlingen ook niet, stapten ze in die bootjes en voeren ze naar Kafarnaüm om naar Hem te zoeken.
JOH 6:25 Toen ze Jezus aan de overkant van het meer hadden gevonden, vroegen ze Hem: “Rabbi, wanneer bent U hier aangekomen?”
JOH 6:26 Jezus antwoordde: “Ik zeg jullie nadrukkelijk, jullie zoeken Mij niet omdat jullie wonderlijke tekenen hebben gezien, maar omdat jullie je hebben volgegeten met de broden.
JOH 6:27 Zet je niet in voor voedsel dat bederft, maar voor het voedsel dat goed blijft tot in het eeuwig leven. De Mensenzoon zal het jullie geven, want God de Vader heeft zijn stempel van goedkeuring op Hem gedrukt.”
JOH 6:28 De mensen vroegen Hem: “Hoe kunnen we ervoor zorgen dat we doen wat God wil dat we doen?”
JOH 6:29 Jezus antwoordde: “Wat God wil dat jullie doen is: geloven in Degene die Hij heeft gezonden.”
JOH 6:30 Ze vroegen Jezus: “Welk wonderlijke teken gaat U verrichten, zodat wij het kunnen zien en U dan geloven? Wat gaat U doen?
JOH 6:31 Onze voorouders aten het manna toen ze in de wildernis waren. Er staat immers in de Schriften: ‘Hij gaf hun brood uit de hemel te eten.’”
JOH 6:32 Jezus antwoordde: “Ik zeg jullie nadrukkelijk, het was niet Mozes die jullie het brood uit de hemel gaf, maar mijn Vader. Hij geeft jullie het ware brood uit de hemel.
JOH 6:33 Want het brood van God is het brood dat uit de hemel neerdaalt en leven aan de wereld geeft.”
JOH 6:34 Ze zeiden tegen Hem: “Heer, geef ons voortdurend dat brood.”
JOH 6:35 Jezus zei tegen hen: “Ik ben het brood dat leven geeft. Wie bij Mij komt, zal nooit meer honger hebben, en wie in Mij gelooft, zal nooit meer dorst hebben.
JOH 6:36 Maar zoals Ik jullie al gezegd heb: jullie hebben Mij gezien en toch geloven jullie niet.
JOH 6:37 Ieder die de Vader aan Mij toevertrouwt, zal bij Mij komen en wie bij Mij komt, zal niet door Mij worden weggestuurd.
JOH 6:38 Ik ben namelijk niet uit de hemel neergedaald om te doen wat Ik zelf wil, maar om te doen wat Hij wil, die Mij gestuurd heeft.
JOH 6:39 En wat Hij die Mij gestuurd heeft wil, is dat Ik geen van de mensen die Hij Mij heeft toevertrouwd, verloren laat gaan, maar dat Ik hen doe verrijzen op de Laatste Dag.
JOH 6:40 Dit is wat mijn Vader wil: dat ieder die de Zoon ziet en in Hem gelooft, het eeuwig leven zal hebben en dat Ik hem op de Laatste Dag zal doen verrijzen.”
JOH 6:41 De Joodse leiders begonnen over Jezus te mopperen, omdat Hij had gezegd: “Ik ben het brood dat uit de hemel is neergedaald.”
JOH 6:42 Ze zeiden: “Is dit niet Jezus de zoon van Jozef? Wij weten wie zijn vader en moeder zijn. Hoe kan Hij dan zeggen: ‘Ik ben uit de hemel neergedaald?’”
JOH 6:43 Jezus zei tegen hen: “Mopper niet zo onder elkaar.
JOH 6:44 Niemand kan bij Mij komen tenzij de Vader, die Mij heeft gestuurd, hem naar Mij toe leidt. Dan zal Ik hem op de Laatste Dag doen verrijzen.
JOH 6:45 In de Profeten staat: ‘Zij zullen allen door God worden onderwezen.’ Ieder die naar de Vader luistert en van Hem heeft geleerd, komt bij Mij.
JOH 6:46 Niemand heeft de Vader gezien; alleen Hij die door God is gestuurd heeft de Vader gezien.
JOH 6:47 Ik zeg jullie nadrukkelijk, wie gelooft, heeft het eeuwig leven.
JOH 6:48 Ik ben het brood dat leven geeft.
JOH 6:49 Jullie voorouders aten manna toen ze in de wildernis waren, en ze zijn gestorven.
JOH 6:50 Maar dit is het brood dat uit de hemel is neergedaald; wie ervan eet, zal niet sterven.
JOH 6:51 Ik ben het brood dat leven geeft en dat uit de hemel is neergedaald; als iemand van dit brood eet, zal hij voor eeuwig leven. Het brood dat Ik geef om de wereld te doen leven is mijn lichaam.”
JOH 6:52 De Joodse leiders begonnen met elkaar te ruziën. Ze zeiden: “Hoe kan Hij ons zijn lichaam te eten geven?”
JOH 6:53 Jezus zei tegen hen: “Ik zeg jullie nadrukkelijk, als jullie niet van het lichaam van de Mensenzoon eten en van zijn bloed drinken, kunnen jullie het eeuwig leven niet in je hebben.
JOH 6:54 Wie van mijn lichaam eet en van mijn bloed drinkt, heeft het eeuwig leven, en op de Laatste Dag zal Ik hem doen verrijzen.
JOH 6:55 Want mijn lichaam is het ware voedsel en mijn bloed de ware drank.
JOH 6:56 Wie van mijn lichaam eet en van mijn bloed drinkt, hoort bij Mij en Ik bij hem.
JOH 6:57 Zoals Ik leef dankzij de Vader die het leven geeft, de Vader die Mij heeft gezonden, zo is het ook met wie van Mij eet: hij zal leven dankzij Mij.
JOH 6:58 Dit is het brood dat uit de hemel is neergedaald. Het is niet zoals het brood dat de voorouders aten. Zij zijn gestorven, maar wie van dit brood eet, zal voor eeuwig leven.”
JOH 6:59 Dit is wat Hij zei in de synagoge in Kafarnaüm, toen Hij daar onderwees.
JOH 6:60 Veel van zijn leerlingen die hiernaar hadden geluisterd, zeiden: “Dit zijn harde woorden; wie kan ernaar luisteren?”
JOH 6:61 Jezus had door dat zijn leerlingen hierover aan het mopperen waren. Daarom vroeg Hij hen: “Ergeren jullie je hieraan?
JOH 6:62 Wat als jullie de Mensenzoon zien teruggaan naar waar Hij eerder was?
JOH 6:63 Het is de Geest die leven geeft; menselijke inspanningen baten niet. Wat Ik jullie heb verteld, is van de Geest en geeft leven.
JOH 6:64 Maar sommigen van jullie geloven niet.” Jezus wist namelijk vanaf het begin wie er niet geloofden en wie het was die Hem zou verraden.
JOH 6:65 Hij zei: “Daarom had Ik tegen jullie gezegd dat niemand bij Mij kan komen tenzij de Vader hem ertoe in staat stelt.”
JOH 6:66 Vanaf toen keerden veel van zijn leerlingen zich van Hem af; ze wilden niet meer met Hem omgaan.
JOH 6:67 Jezus vroeg aan de Twaalf: “Willen ook jullie niet weggaan?”
JOH 6:68 Simon Petrus antwoordde: “Heer, naar wie zouden we toe gaan? De woorden die U spreekt, bieden het eeuwig leven.
JOH 6:69 Wij geloven en beseffen dat U de door God gestuurde Heilige bent.”
JOH 6:70 Jezus zei tegen Petrus: “Ik heb jullie zelf gekozen, alle twaalf, maar één van jullie is een duivel.”
JOH 6:71 Hij bedoelde Judas, de zoon van Simon Iskariot. Hij was een van de Twaalf en hij was het die Jezus zou verraden.
JOH 7:1 Later reisde Jezus rond in Galilea. Hij wilde niet in Judea rondreizen, want de Joodse leiders waren van plan Hem te doden.
JOH 7:2 Binnenkort zou het Joodse Loofhuttenfeest plaatsvinden.
JOH 7:3 Daarom zeiden Jezus' broers tegen Hem: “Vertrek toch; ga naar Judea. Dan kunnen je leerlingen de bijzondere dingen zien die Jij doet.
JOH 7:4 Immers, niemand die bekend wil zijn, gaat in het geheim te werk. Als Jij al die bijzondere dingen doet, maak Jezelf dan aan de wereld bekend!”
JOH 7:5 Zelfs zijn broers geloofden namelijk niet in Hem.
JOH 7:6 Jezus antwoordde: “Mijn moment is nog niet gekomen, maar voor jullie is elk tijdstip goed.
JOH 7:7 De wereld kan jullie niet haten, maar ze haat Mij, omdat Ik verklaar dat de dingen die zij doet, slecht zijn.
JOH 7:8 Gaan jullie maar naar het feest. Ik ga niet naar dit feest omdat mijn moment nog niet is gekomen.”
JOH 7:9 Nadat Hij dit tegen hen had gezegd, bleef Hij in Galilea.
JOH 7:10 Maar toen zijn broers naar het feest waren vertrokken, ging Hij zelf ook – onopvallend en in het geheim.
JOH 7:11 Tijdens het feest zochten de Joodse leiders naar Jezus. Ze vroegen: “Waar is Hij?”
JOH 7:12 Onder de mensen werd veel over Hem gefluisterd. Sommigen zeiden: “Hij is een goed mens”. Anderen zeiden: “Welnee, Hij misleidt het volk.”
JOH 7:13 Maar uit angst voor de Joodse leiders sprak niemand openlijk over Jezus.
JOH 7:14 Halverwege het feest ging Jezus naar het tempelterrein; daar onderwees Hij.
JOH 7:15 De Joodse leiders verbaasden zich. Ze vroegen: “Hoe weet die Man dat allemaal? Hij heeft geen onderwijs genoten.”
JOH 7:16 Jezus reageerde: “Mijn onderwijs komt niet van Mijzelf, maar van Degene die Mij heeft gestuurd.
JOH 7:17 Als iemand ernaar verlangt, te doen wat God wil, zal hij weten of mijn onderwijs van God komt, of dat Ik spreek namens Mijzelf.
JOH 7:18 Wie namens zichzelf spreekt, is uit op eer voor zichzelf, maar wie wil dat degene die hem heeft gestuurd de eer krijgt, is oprecht en heeft geen kwaad in de zin.
JOH 7:19 Heeft Mozes jullie niet de Wet gegeven? Maar niemand van jullie houdt zich aan de Wet. Waarom willen jullie Mij doden?”
JOH 7:20 De menigte antwoordde: “U heeft een demon in U. Wie probeert U te doden?”
JOH 7:21 Jezus antwoordde: “Ik heb één bijzondere daad verricht en jullie verbazen je allemaal.
JOH 7:22 Mozes heeft jullie de besnijdenis gegeven – niet dat de besnijdenis van Mozes komt; ze komt van de aartsvaders – en daarom besnijden jullie jongetjes ook op de sabbat.
JOH 7:23 Maar als iemand op de sabbat wordt besneden om te vermijden dat de Wet van Mozes wordt overtreden, waarom zijn jullie dan boos dat Ik iemand gezond heb gemaakt op de sabbat?
JOH 7:24 Stop met oordelen op basis van uiterlijkheden, en oordeel op basis van wat rechtvaardig is.”
JOH 7:25 Sommige inwoners van Jeruzalem vroegen: “Is dit niet de Man die ze willen doden?
JOH 7:26 Maar kijk, Hij spreekt in het openbaar en ze zeggen er niets van. Zouden de autoriteiten misschien beseffen dat Hij de Messias is?
JOH 7:27 Van deze Man weten we echter waar Hij vandaan komt, terwijl niemand weet waar de Messias vandaan komt.”
JOH 7:28 Toen Jezus op het tempelterrein aan het onderwijzen was, riep Hij uit: “Jullie weten wie Ik ben en waar Ik vandaan kom. Maar Ik ben niet namens Mijzelf gekomen. Hij die Mij gestuurd heeft, is de waarheid en jullie kennen Hem niet.
JOH 7:29 Ik ken Hem, omdat Ik bij Hem vandaan kom; Hij heeft Mij gezonden.”
JOH 7:30 Toen probeerden ze Hem te arresteren, maar niemand slaagde erin Hem te grijpen, want zijn moment was nog niet gekomen.
JOH 7:31 Toch geloofden veel mensen in Hem. Zij zeiden: “Wanneer de Messias komt, zal Hij toch niet meer wonderlijke tekenen verrichten dan deze Man?”
JOH 7:32 De farizeeën hoorden dat de mensen dit over Jezus fluisterden en de hoofdpriesters en farizeeën stuurden tempelwachters om Hem te arresteren.
JOH 7:33 Toen zei Jezus: “Ik zal nog even bij jullie zijn; dan ga Ik terug naar Degene die Mij heeft gestuurd.
JOH 7:34 Jullie zullen Mij zoeken zonder Mij te vinden en waar Ik dan zal zijn, kunnen jullie niet komen.”
JOH 7:35 De Joodse mensen zeiden tegen elkaar: “Waar zou Hij naartoe gaan, dat wij Hem niet zullen vinden? Hij zal toch niet naar de Joodse diaspora in het buitenland gaan, om de Grieken te onderwijzen?
JOH 7:36 Wat bedoelde Hij toen Hij zei: ‘Jullie zullen Mij zoeken zonder Mij te vinden en waar Ik dan zal zijn, kunnen jullie niet komen’?”
JOH 7:37 Op de laatste en belangrijkste dag van het feest ging Jezus voor de menigte staan en riep Hij uit: “Als iemand dorst heeft, laat hij dan bij Mij komen en drinken.
JOH 7:38 Zoals in de Schriften staat over wie in Mij gelooft: uit zijn binnenste zullen rivieren stromen van water dat leven geeft.”
JOH 7:39 Hij zei dit over de Geest, die de mensen die in Jezus geloofden, zouden ontvangen. De Geest was er echter nog niet, want Jezus was nog niet naar Gods glorie teruggekeerd.
JOH 7:40 Toen sommige mensen deze woorden hoorden, zeiden ze: “Deze Man is werkelijk de profeet.”
JOH 7:41 Anderen zeiden: “Hij is de Messias.” Nog anderen zeiden: “De Messias komt toch niet uit Galilea?
JOH 7:42 Zeggen de Schriften niet dat de Messias een van de afstammelingen van David zal zijn en uit Betlehem, de woonplaats van David, zal komen?”
JOH 7:43 Zo ontstond er verdeeldheid onder de mensen over Wie Hij was.
JOH 7:44 Sommigen probeerden Jezus te arresteren, maar niemand slaagde erin Hem te grijpen.
JOH 7:45 Toen gingen de tempelwachters terug naar de hoofdpriesters en farizeeën. Die vroegen hen: “Waarom hebben jullie Hem niet meegebracht?”
JOH 7:46 De tempelwachters antwoordden: “Er heeft nog nooit iemand gesproken zoals Hij.”
JOH 7:47 De farizeeën reageerden: “Heeft Hij jullie misschien ook misleid?
JOH 7:48 Geen van de leiders en geen van de farizeeën gelooft toch in Hem?
JOH 7:49 Maar deze massa heeft geen besef van de Wet en zij is vervloekt!”
JOH 7:50 Nikodemus, die eerder bij Jezus was geweest en die een van de farizeeën was, vroeg hen:
JOH 7:51 “Volgens onze wetten mag een mens toch niet worden veroordeeld zonder dat hij eerst wordt verhoord en zonder dat wordt onderzocht wat hij heeft gedaan?”
JOH 7:52 Ze antwoordden: “Kom jij soms ook uit Galilea? Ga het maar na, dan zal je ontdekken dat uit Galilea geen profeet kan komen.”
JOH 7:53 Toen ging iedereen naar huis.
JOH 8:1 Jezus vertrok naar de Olijfberg.
JOH 8:2 Toen Hij de volgende ochtend naar het tempelterrein terugkeerde, kwam heel het volk naar Hem toe. Hij ging zitten en onderwees hen.
JOH 8:3 Toen brachten de Schriftgeleerden en de farizeeën een vrouw naar Hem toe, die op overspel betrapt was. Ze zetten haar in het midden,
JOH 8:4 en zeiden tegen Jezus: “Leraar, deze vrouw is op heterdaad op overspel betrapt.
JOH 8:5 Mozes heeft ons in de Wet bevolen dat zo'n vrouw gestenigd moet worden. Wat vindt U?”
JOH 8:6 Ze zeiden dit om Hem op de proef te stellen, om iets te hebben waarvan ze Hem zouden kunnen beschuldigen. Maar Jezus boog zich voorover en schreef met zijn vinger op de grond.
JOH 8:7 Toen ze bleven doorvragen, ging Hij rechtop zitten en zei Hij tegen hen: “Wie van jullie heeft nog nooit gezondigd? Laat die persoon de eerste steen naar haar gooien.”
JOH 8:8 Hij boog zich opnieuw voorover en schreef op de grond.
JOH 8:9 Toen ze dat hoorden, vertrokken ze een voor een, te beginnen met de oudsten. Jezus bleef alleen achter met de vrouw die in het midden had gestaan.
JOH 8:10 Jezus ging weer rechtop zitten en vroeg haar: “Waar zijn ze? Heeft niemand je veroordeeld?”
JOH 8:11 Ze zei: “Niemand, meneer.” Jezus zei: “Ik veroordeel je ook niet. Je mag gaan. Zorg dat je voortaan niet meer zondigt.”
JOH 8:12 Opnieuw sprak Jezus de mensen toe. Hij zei: “Ik ben het licht voor de wereld. Wie Mij volgt, leeft niet meer in het duister, maar heeft het licht dat leven geeft.”
JOH 8:13 De farizeeën zeiden tegen Hem: “U getuigt van Uzelf; uw getuigenis is dus niet rechtsgeldig.”
JOH 8:14 Jezus antwoordde: “Al getuig Ik van Mezelf, mijn getuigenis is rechtsgeldig, omdat Ik weet waar Ik vandaan kom en waar Ik naartoe ga. Jullie daarentegen weten niet waar Ik vandaan kom of waar Ik naartoe ga.
JOH 8:15 Jullie oordelen aan de hand van menselijke maatstaven; Ik oordeel niemand.
JOH 8:16 Maar zelfs als Ik oordeel, dan is mijn oordeel rechtsgeldig, want Ik ben niet alleen. Ik ben samen met de Vader, die Mij heeft gestuurd.
JOH 8:17 Zelfs in jullie Wet staat dat de getuigenis van twee personen rechtsgeldig is.
JOH 8:18 Van Mij getuigen Ikzelf en de Vader die Mij gestuurd heeft.”
JOH 8:19 Ze vroegen Hem: “Waar is uw vader dan?” Jezus antwoordde: “Jullie kennen noch Mij, noch mijn Vader. Als jullie Mij zouden kennen, zouden jullie ook mijn Vader kennen.”
JOH 8:20 Dit is wat Jezus zei toen Hij onderwees in de buurt van de offerkist op het tempelterrein. En niemand arresteerde Hem, want zijn moment was nog niet gekomen.
JOH 8:21 Opnieuw sprak Jezus de mensen toe. “Ik ga weg, jullie zullen Mij zoeken en jullie zullen sterven in je zondige staat. Waar Ik naartoe ga, kunnen jullie niet komen.”
JOH 8:22 De Joodse leiders zeiden: “Hij zegt: ‘Waar Ik naartoe ga, kunnen jullie niet komen.’ Hij gaat toch geen zelfmoord plegen?”
JOH 8:23 Hij zei tegen hen: “Jullie zijn van beneden, Ik ben van boven. Jullie zijn van deze wereld, Ik ben niet van deze wereld.
JOH 8:24 Ik heb tegen jullie gezegd dat jullie zullen sterven in je zondige staat. Als jullie niet geloven dat Ik ben wie Ik ben, zullen jullie sterven in je zondige staat.”
JOH 8:25 Ze vroegen Hem: “Wie bent U dan?” Jezus zei tegen hen: “Wat Ik jullie van in het begin heb gezegd.
JOH 8:26 Er is veel dat Ik over jullie kan zeggen om jullie te veroordelen, maar Hij die Mij heeft gestuurd, spreekt de waarheid en wat Ik de wereld vertel, heb Ik van Hem gehoord.”
JOH 8:27 Ze beseften niet dat Hij hun over de Vader vertelde.
JOH 8:28 Jezus zei tegen hen: “Wanneer jullie de Mensenzoon omhoogheffen, zullen jullie weten dat Ik ben wie Ik ben en dat Ik niets namens Mijzelf doe, maar dat Ik zeg wat de Vader Mij heeft geleerd.
JOH 8:29 Hij die Mij heeft gestuurd, is bij Mij. Hij heeft Mij niet in de steek gelaten, want Ik doe altijd wat Hem bevalt.”
JOH 8:30 Toen Hij dit zei, kwamen velen tot geloof in Hem.
JOH 8:31 Jezus zei tegen de Joodse mensen die in Hem geloofden: “Als jullie je houden aan hetgeen Ik zeg, zijn jullie werkelijk leerlingen van Mij.
JOH 8:32 Dan zullen jullie de waarheid kennen en de waarheid zal jullie bevrijden.”
JOH 8:33 Ze antwoordden: “Wij zijn afstammelingen van Abraham en wij zijn nooit iemands slaaf geweest. Hoe kan U dan zeggen dat we bevrijd zullen worden?”
JOH 8:34 Jezus antwoordde: “Ik zeg jullie nadrukkelijk, ieder die zondigt, is slaaf van de zonde.
JOH 8:35 Een slaaf blijft niet altijd bij de familie, maar de zoon blijft voor altijd.
JOH 8:36 Als de Zoon jullie bevrijdt, zullen jullie werkelijk vrij zijn.
JOH 8:37 Ik weet dat jullie Abrahams afstammelingen zijn. Maar toch zoeken jullie naar een mogelijkheid om Mij te doden, omdat jullie in je hart geen ruimte hebben voor hetgeen Ik zeg.
JOH 8:38 Ik vertel hetgeen Ik bij de Vader heb gezien, terwijl jullie doen wat jullie van jullie vader hebben gehoord.”
JOH 8:39 Ze antwoordden: “Onze vader is Abraham.” Jezus zei tegen hen: “Als jullie kinderen van Abraham zouden zijn, zouden jullie de dingen doen die Abraham deed.
JOH 8:40 Maar in plaats daarvan proberen jullie Mij te doden – Mij, een mens die jullie de waarheid vertelt die Hij van God heeft gehoord – en Abraham heeft zoiets niet gedaan.
JOH 8:41 Jullie doen wat jullie vader doet.” Ze antwoordden: “Wij zijn geen onwettige kinderen, wij hebben één Vader: God.”
JOH 8:42 Jezus zei tegen hen: “Als God jullie Vader zou zijn, dan zouden jullie liefdevol met Mij omgaan, want Ik kom van God. Ik ben niet namens Mijzelf gekomen; Hij heeft Mij gezonden.
JOH 8:43 Waarom begrijpen jullie niet wat Ik zeg? Omdat jullie het niet kunnen verdragen om mijn woorden te horen.
JOH 8:44 Jullie vader is de duivel en jullie doen graag wat hij verlangt. Hij was een moordenaar vanaf het begin en hij houdt zich niet aan de waarheid, omdat er in hem geen waarheid is. Wanneer hij liegt, spreekt hij uit zichzelf. Hij is een leugenaar, de vader van de leugen.
JOH 8:45 Maar omdat Ik de waarheid spreek, geloven jullie Mij niet.
JOH 8:46 Wie van jullie kan Mij terechtwijzen voor een zonde die Ik gedaan zou hebben? Als Ik de waarheid spreek, waarom geloven jullie Mij dan niet?
JOH 8:47 Hij die God als Vader heeft, luistert naar Gods woorden. De reden waarom jullie niet luisteren, is dat God niet jullie Vader is.”
JOH 8:48 De Joodse leiders antwoordden: “Het is terecht dat wij zeggen dat U een Samaritaan bent en een demon in U heeft.”
JOH 8:49 Jezus antwoordde: “Ik heb geen demon in Me, Ik eer mijn Vader en jullie eren Mij niet.
JOH 8:50 Ik wil geen eer voor Mijzelf – er is er Eén die dat voor Mij wil, en Hij is het die beslist.
JOH 8:51 Ik zeg jullie nadrukkelijk, wie zich houdt aan hetgeen Ik zeg, zal nooit de dood ervaren.”
JOH 8:52 De Joodse leiders zeiden tegen Hem: “Nu weten wij zeker dat U een demon in U heeft. Abraham is dood, en de profeten ook, maar U zegt dat wie zich houdt aan hetgeen U zegt, nooit de dood zal ervaren.
JOH 8:53 U bent toch niet beter dan onze voorvader Abraham? Hij is dood, en de profeten ook. Wie denkt U wel dat U bent?”
JOH 8:54 Jezus antwoordde: “Als Ik Mijzelf eer geef, is die eer niets waard. Maar het is de Vader die Mij eer geeft en jullie zeggen dat Hij jullie God is.
JOH 8:55 En toch kennen jullie Hem niet. Maar Ik ken Hem wel. Als Ik zou zeggen dat Ik Hem niet ken, zou Ik een leugenaar zijn, net als jullie. Maar Ik ken Hem wel en Ik houd Mij aan hetgeen Hij zegt.
JOH 8:56 Jullie voorvader Abraham verheugde zich op mijn komst en was blij toen hij die zag.”
JOH 8:57 De Joodse leiders zeiden tegen Hem: “U bent nog geen vijftig jaar oud en U zegt dat U Abraham heeft gezien?”
JOH 8:58 Jezus zei tegen hen: “Ik zeg jullie nadrukkelijk, Ik ben er al van voordat Abraham geboren werd.”
JOH 8:59 Toen raapten ze stenen op om Jezus daarmee te bekogelen. Maar Hij onttrok zich aan hun zicht en verliet het tempelterrein.
JOH 9:1 In het voorbijgaan zag Jezus iemand die reeds vanaf zijn geboorte blind was.
JOH 9:2 Zijn leerlingen vroegen Hem: “Rabbi, die man is blind geboren. Wie heeft daar schuld aan, hij of zijn ouders?”
JOH 9:3 Jezus antwoordde: “Het is niet zijn schuld, noch die van zijn ouders; hij is blind geboren opdat de mensen Gods daden zouden zien.
JOH 9:4 En die daden, waarvoor Hij Mij heeft gestuurd, moeten Wij doen zolang het nog licht is. Straks wordt het nacht en dan kan niemand iets doen.
JOH 9:5 Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik het licht voor de wereld.”
JOH 9:6 Na dat te hebben gezegd, spuwde Hij op de grond. Met het speeksel maakte Hij slijk, en Hij streek dat slijk op de ogen van de man.
JOH 9:7 Toen zei Hij tegen hem: “Ga je wassen in het Badhuis van Siloam.” (Siloam betekent: gezonden.) De man vertrok, waste zich en toen hij terugkwam kon hij zien.
JOH 9:8 De buren en de mensen die hem vroeger altijd hadden zien bedelen, vroegen: “Is dat niet die man die altijd zat te bedelen?”
JOH 9:9 Sommigen zeiden: “Dat is hem.” Anderen zeiden: “Nee, maar hij lijkt op hem.” Hijzelf zei: “Ik ben het.”
JOH 9:10 Ze vroegen hem: “Hoe kan het dat je nu kan zien?”
JOH 9:11 Hij antwoordde: “Iemand die Jezus heet maakte slijk, streek dat op mijn ogen, en zei: ‘Ga naar Siloam om je te wassen.’ Dus ging ik daarheen, waste me, en toen kon ik zien.”
JOH 9:12 Ze vroegen hem: “Waar is die Man?” Hij antwoordde: “Ik weet het niet.”
JOH 9:13 Toen werd de man die blind was geweest, bij de farizeeën gebracht.
JOH 9:14 De dag waarop Jezus slijk had gemaakt en zijn ogen had genezen, was een sabbat.
JOH 9:15 Ook de farizeeën vroegen hem hoe het kwam dat hij nu kon zien. Hij antwoordde: “Die man streek slijk op mijn ogen. Toen heb ik me gewassen en nu kan ik zien.”
JOH 9:16 Sommige van de farizeeën zeiden: “Die Man komt niet van God, want Hij houdt zich niet aan de sabbat.” Anderen zeiden: “Hoe zou een zondig mens zulke wonderlijke tekenen kunnen verrichten?” Er ontstond verdeeldheid onder hen.
JOH 9:17 Ze vroegen verder aan de man die blind was geweest: “Wat zeg jij van Hem? Want jij bent het die door zijn toedoen kan zien.” De man zei: “Hij is een profeet.”
JOH 9:18 De Joodse leiders weigerden te geloven dat de man blind was geweest en nu kon zien. Daarom lieten ze zijn ouders ophalen
JOH 9:19 en vroegen hun: “Is dit jullie zoon? Kunnen jullie bevestigen dat hij blind geboren is? Hoe komt het dat hij nu kan zien?”
JOH 9:20 De ouders antwoordden: “Wij weten dat dit onze zoon is en dat hij blind is geboren.
JOH 9:21 Maar hoe het komt dat hij nu kan zien, of wie hem heeft genezen, dat weten we niet. Vraag het hem zelf maar. Hij is oud genoeg om voor zichzelf te spreken.”
JOH 9:22 Zijn ouders zeiden dit omdat ze bang waren voor de Joodse leiders. De Joodse leiders waren namelijk overeengekomen dat wie zou belijden dat Jezus de Messias was, uit de synagoge zou worden verbannen.
JOH 9:23 Het was daarom dat zijn ouders zeiden: “Hij is oud genoeg. Vraag het hem zelf maar.”
JOH 9:24 Ze riepen de man die blind was geweest terug en zeiden tegen hem: “Geef God de eer. We weten toch dat die Man een zondaar is?”
JOH 9:25 Hij antwoordde: “Of Hij een zondaar is, weet ik niet. Maar één ding weet ik wel: ik was blind, en nu kan ik zien.”
JOH 9:26 Ze vroegen hem: “Wat heeft Hij met je gedaan? Hoe heeft Hij ervoor gezorgd dat je nu kan zien?”
JOH 9:27 Hij antwoordde: “Dat heb ik u al gezegd en u weigerde te luisteren. Waarom wilt u het opnieuw horen? Of wilt u ook leerlingen van Hem worden?”
JOH 9:28 Ze verwensten hem en zeiden: “Jij bent zijn leerling, maar wij zijn leerlingen van Mozes.
JOH 9:29 Van Mozes weten we dat God tot hem sprak, maar van deze Man weten we zelfs niet waar Hij vandaan komt.”
JOH 9:30 De man antwoordde: “Is dat niet raar? Jullie weten niet waar Hij vandaan komt en toch heeft Hij gezorgd dat ik nu kan zien.
JOH 9:31 We weten dat God niet luistert naar zondaars, maar wel naar wie Hem vereert en doet wat Hij wil.
JOH 9:32 Het is nog nooit vertoond dat een blind geboren persoon is genezen.
JOH 9:33 Als die Man niet van God zou komen, dan zou Hij toch niets kunnen doen?”
JOH 9:34 Ze antwoordden: “Jij bent altijd al een zondaar geweest, vanaf je geboorte, en jij wil ons de les lezen?” Toen joegen ze hem weg.
JOH 9:35 Jezus hoorde dat de man was weggejaagd, zocht hem op en vroeg: “Geloof je in de Mensenzoon?”
JOH 9:36 De man antwoordde: “Wie is Hij, meneer? Als ik dat weet, zal ik in Hem geloven.”
JOH 9:37 Jezus zei tegen hem: “Je hebt Hem gezien en je spreekt met Hem.”
JOH 9:38 De man zei: “Ik geloof, Heer”, en knielde voor Hem.
JOH 9:39 Toen zei Jezus: “Ik ben naar deze wereld gekomen om scheiding te brengen: zij die blind zijn, zullen zien en zij die denken te zien, zullen ontdekken dat ze blind zijn.”
JOH 9:40 Enkele farizeeën die erbij stonden, hoorden wat Hij zei en vroegen Hem: “Zijn wij dan ook blind?”
JOH 9:41 Jezus antwoordde: “Als jullie blind zouden zijn, zou jullie geen schuld treffen. Maar omdat jullie beweren dat jullie kunnen zien, blijft jullie schuld bestaan.
JOH 10:1 Ik zeg jullie nadrukkelijk, wie de schaapskooi niet binnengaat door de deur, maar op een andere plaats naar binnen klimt, is een dief, een rover.
JOH 10:2 Wie echter door de deur naar binnen gaat, is de herder van de schapen.
JOH 10:3 Voor hem doet de bewaker open en de schapen luisteren naar zijn stem. Hij roept zijn schapen bij hun naam en leidt hen naar buiten.
JOH 10:4 En wanneer hij al zijn schapen naar buiten heeft geleid, gaat hij voor hen uit. De schapen volgen hem omdat ze zijn stem kennen.
JOH 10:5 Een vreemde zullen ze zeker niet volgen. Integendeel, ze zullen van hem weglopen, omdat ze de stem van vreemden niet kennen.”
JOH 10:6 Jezus vertelde hun deze parabel, maar ze begrepen niet wat Hij bedoelde.
JOH 10:7 Jezus vervolgde: “Ik zeg jullie nadrukkelijk, Ik ben de deur voor de schapen.
JOH 10:8 Allen die vóór Mij kwamen, waren dieven en rovers, maar naar hen hebben de schapen niet geluisterd.
JOH 10:9 Ik ben de deur. Als iemand door Mij naar binnen gaat, zal hij gered zijn. Hij zal vrij naar binnen en buiten kunnen gaan en hij zal weidegrond vinden.
JOH 10:10 De dief komt enkel om te stelen, te slachten en te vernietigen; Ik ben gekomen opdat zij het leven zullen hebben en het hun aan niets zal ontbreken.
JOH 10:11 Ik ben de goede herder. De goede herder is bereid om voor de schapen zijn leven te geven.
JOH 10:12 Een loonarbeider is niet de herder en niet de eigenaar van de schapen. Hij ziet de wolf komen, laat de schapen in de steek en slaat op de vlucht. Dan valt de wolf de schapen aan en jaagt hij hen uiteen.
JOH 10:13 Dat gebeurt omdat de loonarbeider niet om de schapen geeft.
JOH 10:14 Ik ben de goede herder. Ik ken mijn schapen en mijn schapen kennen Mij.
JOH 10:15 Precies zo kent de Vader Mij en ken Ik de Vader. Ik geef mijn leven voor de schapen.
JOH 10:16 Ik heb ook andere schapen, die niet bij deze kudde horen. Ook hen moet Ik leiden en ook zij zullen naar mijn stem luisteren. Ze zullen samen één kudde vormen, met één herder.
JOH 10:17 De Vader heeft Mij lief omdat Ik mijn leven geef om het later terug te nemen.
JOH 10:18 Niemand ontneemt Mij het leven; Ik doe er vrijwillig afstand van en Ik heb de bevoegdheid om het terug te nemen. Dat is de opdracht die Ik van mijn Vader heb gekregen.”
JOH 10:19 Omwille van deze woorden raakten de Joodse leiders opnieuw onderling verdeeld.
JOH 10:20 Velen van hen zeiden: “Hij heeft een demon in Zich, Hij is gek. Waarom luisteren jullie naar Hem?”
JOH 10:21 Maar anderen zeiden: “Die woorden komen niet van iemand die bezeten is door een demon; een demon kan geen blindheid genezen.”
JOH 10:22 Toen werd in Jeruzalem Chanoeka gevierd; het was winter.
JOH 10:23 Jezus wandelde over het tempelterrein, door de Zuilengalerij van Salomo.
JOH 10:24 De Joodse leiders kwamen om Hem heen staan en vroegen Hem: “Hoelang houdt U ons nog in het ongewisse? Als U de Messias bent, zeg het dan duidelijk.”
JOH 10:25 Jezus antwoordde: “Ik heb het jullie al gezegd en jullie geloven het niet. De daden die Ik doe in de naam van mijn Vader, tonen aan wie Ik ben.
JOH 10:26 Maar jullie geloven het niet omdat jullie niet bij mijn schapen horen.
JOH 10:27 Mijn schapen luisteren naar Mij. Ik ken hen en zij volgen Mij.
JOH 10:28 Ik geef hun het eeuwig leven; zij zullen nooit verloren gaan en niemand zal hen uit mijn handen roven.
JOH 10:29 Wat mijn Vader Mij heeft toevertrouwd, gaat alles te boven en niemand kan hen uit de handen van de Vader roven.
JOH 10:30 De Vader en Ik vormen een eenheid.”
JOH 10:31 De Joodse leiders raapten opnieuw stenen op om Hem te stenigen.
JOH 10:32 Daarom zei Jezus tegen hen: “Ik heb in opdracht van de Vader veel goede dingen gedaan en jullie hebben ze gezien; voor welke daad willen jullie Mij stenigen?”
JOH 10:33 De Joodse leiders antwoordden: “We willen U niet stenigen voor een goede daad, maar voor godslastering. U beweert dat U God bent, maar U bent slechts een mens.”
JOH 10:34 Jezus antwoordde: “Er staat toch in jullie Wet: ‘Ik zei: jullie zijn goden’?
JOH 10:35 De Schriften verliezen nooit hun zeggingskracht. Als mensen tot wie God spreekt goden worden genoemd,
JOH 10:36 waarom word Ik, die door de Vader ben aangesteld en naar de wereld gezonden, dan door jullie van godslastering beschuldigd omdat Ik zeg dat Ik de Zoon van God ben?
JOH 10:37 Als de dingen die Ik doe, niet afkomstig zijn van mijn Vader, geloof Mij dan niet.
JOH 10:38 Maar als de dingen die Ik doe wel van Hem komen, geloof die dan, zelfs als je Mij niet gelooft. Dan zullen jullie weten en beseffen dat de Vader en Ik een volkomen eenheid vormen.”
JOH 10:39 Ze probeerden nogmaals Hem te arresteren, maar Hij wist aan hen te ontkomen.
JOH 10:40 Hij vertrok opnieuw naar de overkant van de Jordaan, naar de plaats waar Johannes voorheen had gedoopt, en verbleef daar.
JOH 10:41 Veel mensen kwamen naar Hem toe. Ze zeiden: “Johannes verrichtte weliswaar geen wonderlijke tekenen, maar alles wat hij over deze Man heeft gezegd, is waar.”
JOH 10:42 Veel mensen kwamen daar tot geloof in Jezus.
JOH 11:1 Er was iemand ziek: Lazarus van Betanië, de woonplaats van Maria en haar zuster Marta.
JOH 11:2 Dit was de Maria die de Heer met nardusolie zou zalven en die zijn voeten met haar haren zou drogen. Het was haar broer Lazarus die ziek was.
JOH 11:3 De zussen stuurden iemand naar Jezus toe om te zeggen: “Heer, uw goede vriend is ziek.”
JOH 11:4 Toen Jezus dat hoorde, zei Hij: “Deze ziekte zal niet eindigen in de dood, maar in eer voor God: hierdoor zal de grootheid van de Zoon van God zichtbaar worden.”
JOH 11:5 Jezus was goed bevriend met Marta en haar zus, en met Lazarus.
JOH 11:6 Nadat Hij had gehoord dat Lazarus ziek was, bleef Hij nog twee dagen waar Hij was.
JOH 11:7 Daarna zei Hij tegen zijn leerlingen: “Laten we weer naar Judea gaan.”
JOH 11:8 De leerlingen zeiden tegen Hem: “Rabbi, de mensen in Judea hebben onlangs nog geprobeerd U te stenigen, en U wilt weer daarnaartoe?”
JOH 11:9 Jezus antwoordde: “Duurt de dag geen twaalf uur? Wie overdag wandelt, struikelt niet, omdat hij ziet door het daglicht.
JOH 11:10 Maar wie 's nachts wandelt, struikelt omdat hij niet over licht beschikt.”
JOH 11:11 Nadat Hij dat gezegd had, zei Hij tegen hen: “Onze vriend Lazarus is ingeslapen, maar Ik ga hem wakker maken.”
JOH 11:12 De leerlingen zeiden tegen Hem: “Heer, als hij is ingeslapen, zal hij genezen.”
JOH 11:13 Jezus bedoelde dat Lazarus dood was, maar zij dachten dat Hij het had over de gewone slaap.
JOH 11:14 Toen zei Jezus onomwonden tegen hen: “Lazarus is dood.
JOH 11:15 Maar Ik ben blij voor jullie dat Ik er niet bij was, want nu kunnen jullie leren geloven. Laten we naar hem toe gaan.”
JOH 11:16 Tomas, die ook Didymus wordt genoemd, zei tegen de andere leerlingen: “Laten wij ook maar gaan, dan kunnen we met Hem sterven.”
JOH 11:17 Toen Jezus aankwam, ontdekte Hij dat Lazarus al vier dagen in het graf lag.
JOH 11:18 Betanië ligt dicht bij Jeruzalem, op ongeveer drie kilometer afstand.
JOH 11:19 Er waren veel Joodse mensen naar Marta en Maria toe gekomen om hen te troosten na het overlijden van hun broer.
JOH 11:20 Toen Marta hoorde dat Jezus eraan kwam, ging ze Hem tegemoet. Maria bleef thuis.
JOH 11:21 Marta zei tegen Jezus: “Heer, als U hier was geweest, zou mijn broer niet zijn gestorven.
JOH 11:22 Maar zelfs nu weet ik dat God U alles zal geven wat U van Hem vraagt.”
JOH 11:23 Jezus antwoordde: “Je broer zal verrijzen.”
JOH 11:24 Marta zei: “Ik weet dat hij zal verrijzen, bij de verrijzenis op de Laatste Dag.”
JOH 11:25 Jezus antwoordde: “Ik ben de verrijzenis en het leven; wie in Mij gelooft zal leven, ook als hij sterft.
JOH 11:26 En ieder die leeft en in Mij gelooft, zal nooit sterven. Geloof je dat?”
JOH 11:27 Ze zei: “Ja, Heer, ik geloof dat U de Messias bent, de Zoon van God die naar de wereld zou komen.”
JOH 11:28 Nadat ze dat had gezegd, ging ze terug om haar zus Maria te halen. Ze vertelde haar onder vier ogen: “De Leraar is hier en Hij wil je spreken.”
JOH 11:29 Toen Maria dat hoorde, stond ze snel op om Jezus tegemoet te gaan.
JOH 11:30 Jezus was hun woonplaats nog niet binnengekomen, maar Hij bevond zich nog op de plaats waar Marta Hem had ontmoet.
JOH 11:31 De Joodse mensen die bij haar thuis waren om haar te troosten, zagen dat Maria snel opstond en naar buiten ging. Daarom volgden ze haar, in de veronderstelling dat ze naar het graf ging om daar te wenen.
JOH 11:32 Toen Maria op de plaats kwam waar Jezus was en Hem zag, viel ze aan zijn voeten neer en zei: “Heer, als U hier was geweest, zou mijn broer niet zijn gestorven.”
JOH 11:33 Toen Jezus zag hoe ze weende en hoe ook de Joodse mensen die met haar waren meegekomen aan het wenen waren, raakte Hij zwaar misnoegd en ontsteld.
JOH 11:34 Hij vroeg: “Waar hebben jullie Hem neergelegd?” Ze zeiden tegen Hem: “Kom maar kijken, Heer.”
JOH 11:35 Toen begon Jezus te wenen.
JOH 11:36 De Joodse mensen zeiden: “Kijk eens hoe goed Hij met hem bevriend was!”
JOH 11:37 Maar sommigen van hen zeiden: “Die Man heeft een blinde genezen; had Hij niet kunnen voorkomen dat Lazarus stierf?”
JOH 11:38 Toen Jezus bij het graf kwam – een grot die met een steen was afgesloten – raakte Hij opnieuw zwaar misnoegd.
JOH 11:39 Jezus zei: “Neem die steen weg.” Marta, de zus van de overledene, zei: “Maar Heer, de stank! Het is al de vierde dag dat hij er ligt.”
JOH 11:40 Jezus zei: “Heb Ik je niet verteld dat je Gods grootheid zal zien als je gelooft?”
JOH 11:41 Toen namen ze de steen weg. Jezus keek omhoog en zei: “Vader, Ik dank U dat U mijn gebed heeft verhoord.
JOH 11:42 Ik weet dat U mijn gebed altijd verhoort, maar Ik zeg dit omwille van de mensen die hier staan, opdat ze zullen geloven dat U Mij heeft gezonden.”
JOH 11:43 Nadat Jezus dit had gezegd, riep Hij luid: “Lazarus, kom naar buiten!”
JOH 11:44 De dode kwam naar buiten; zijn handen en voeten waren nog in lijkdoeken gewikkeld en zijn gezicht met een doek omwonden. Jezus zei: “Maak hem uit de doeken los en laat hem gaan.”
JOH 11:45 Veel van de Joodse mensen die met Maria waren meegekomen en hadden gezien wat Jezus had gedaan, kwamen tot geloof in Hem.
JOH 11:46 Maar anderen gingen naar de farizeeën en vertelden hun wat Jezus had gedaan.
JOH 11:47 Daarom riepen de hoofdpriesters en de farizeeën de Joodse Raad bijeen. Ze vroegen: “Wat zullen we doen nu deze Man zoveel wonderlijke tekenen verricht?
JOH 11:48 Als we Hem zo laten voortdoen, zal iedereen in Hem geloven. En dan zullen de Romeinen ingrijpen door ons heiligdom en ons volk van ons af te nemen.”
JOH 11:49 Maar één van hen – Kajafas; hij was dat jaar hogepriester – zei tegen hen: “Jullie begrijpen het echt niet!
JOH 11:50 Beseffen jullie niet dat het beter is dat één mens sterft voor het volk dan dat de hele natie te gronde gaat?”
JOH 11:51 Deze woorden kwamen niet van hemzelf, maar als de hogepriester van dat jaar profeteerde hij dat Jezus voor het Joodse volk zou sterven.
JOH 11:52 En niet alleen voor het Joodse volk, maar ook om Gods kinderen die verspreid over de wereld wonen, tot één volk samen te voegen.
JOH 11:53 Vanaf die dag maakten de Joodse leiders plannen om Hem te doden.
JOH 11:54 Daarom begaf Jezus zich niet langer in het openbaar onder de Joodse mensen. Hij vertrok daarvandaan naar de rand van de wildernis, naar een stadje dat Efraïm heette. Daar verbleef Hij met zijn leerlingen.
JOH 11:55 Het Joodse Pesachfeest was bijna aangebroken en veel mensen reisden vóór het Pesachfeest vanuit het hele land naar Jeruzalem, om daar de reinigingsceremonie te ondergaan.
JOH 11:56 Ze zochten naar Jezus en wanneer ze op het tempelterrein stonden vroegen ze elkaar: “Wat denken jullie? Zou Hij naar het feest komen?”
JOH 11:57 De hoofdpriesters en de farizeeën hadden bevolen dat als iemand wist waar Jezus was, hij hen moest verwittigen, zodat ze Hem zouden kunnen arresteren.
JOH 12:1 Zes dagen voor het Pesachfeest kwam Jezus naar Betanië. Daar woonde Lazarus, die Hij uit de dood had opgewekt.
JOH 12:2 Ter ere van Jezus werd een feestmaal gegeven en Marta diende op, terwijl Lazarus met Jezus en de andere gasten aan de maaltijd deelnam.
JOH 12:3 Toen nam Maria dure, zuivere nardusolie met een gewicht van ruim driehonderd gram en zalfde daarmee Jezus' voeten. Ze droogde ze af met haar haren en het hele huis rook naar de olie.
JOH 12:4 Maar Judas Iskariot – hij was een van Jezus' leerlingen en zou Hem later uitleveren – zei:
JOH 12:5 “Deze olie had verkocht kunnen worden voor driehonderd denarie en de opbrengst had aan de armen kunnen worden gegeven. Waarom is dat niet gebeurd?”
JOH 12:6 Hij zei dit niet omdat hij zich om de armen bekommerde, maar omdat hij een dief was. Hij beheerde de kas en stal van de inkomsten.
JOH 12:7 Jezus zei: “Laat haar met rust; ze wil het gebruiken om mijn lichaam te zalven ter voorbereiding van mijn begrafenis.
JOH 12:8 Er zullen altijd arme mensen bij jullie zijn, maar Ik zal niet altijd bij jullie zijn.”
JOH 12:9 Toen bekend raakte dat Jezus daar was, kwam een grote groep Joodse mensen naar hen toe; niet alleen voor Jezus maar ook om Lazarus te zien, die door Hem uit de dood was opgewekt.
JOH 12:10 De hoofdpriesters daarentegen maakten plannen om ook Lazarus te doden,
JOH 12:11 want wegens hem waren er veel Joodse mensen die zich van hen afkeerden en tot geloof in Jezus kwamen.
JOH 12:12 De volgende dag hoorde de grote menigte die naar het feest was gekomen dat Jezus naar Jeruzalem onderweg was.
JOH 12:13 Ze namen de takken van palmbomen en gingen de stad uit, Hem tegemoet, terwijl ze uitriepen: “Hosanna! Gezegend is Hij die komt in de naam van de Heer, de koning van Israël.”
JOH 12:14 Jezus leende een jonge ezel en ging erop zitten, zoals in de Schriften staat:
JOH 12:15 “Wees niet bang, dochter van Sion, je koning is in aantocht en Hij zit op een jonge ezel.”
JOH 12:16 Zijn leerlingen begrepen dit aanvankelijk niet, maar nadat Jezus naar Gods glorie was teruggekeerd, herinnerden zij zich dat dit over Hem in de Schriften staat en dat het zo met Hem was gebeurd.
JOH 12:17 De vele mensen die erbij waren geweest toen Jezus Lazarus uit het graf had geroepen en uit de dood had opgewekt, waren daarvan blijven getuigen.
JOH 12:18 Daarom kwam de menigte Hem tegemoet; men had gehoord dat Hij dit wonderlijke teken had verricht.
JOH 12:19 De farizeeën zeiden tegen elkaar: “Jullie zien dat jullie niets hebben bereikt. Kijk, de hele wereld loopt achter Hem aan.”
JOH 12:20 Onder de mensen die naar het feest gingen om God te aanbidden, bevonden zich enkele Grieken.
JOH 12:21 Zij benaderden Filippus uit Betsaïda in Galilea met het verzoek: “Meneer, wij zouden Jezus graag willen ontmoeten.”
JOH 12:22 Filippus ging het aan Andreas vertellen, en Andreas en Filippus gingen het aan Jezus vertellen.
JOH 12:23 Jezus antwoordde: “Het moment waarop de grootheid van de Mensenzoon zichtbaar wordt, is gekomen.
JOH 12:24 Ik zeg jullie nadrukkelijk, als een graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft het één korrel. Maar wanneer hij sterft, levert hij veel nieuwe graankorrels op.
JOH 12:25 Wie aan zijn leven verknocht is, zal het verliezen, maar wie in deze wereld zijn leven veracht, zal het behouden voor het eeuwig leven.
JOH 12:26 Wie Mij wil dienen, moet Mij volgen; dan zal mijn dienaar daar zijn waar Ik ben. En als iemand Mij dient, zal hij door de Vader worden geëerd.
JOH 12:27 Nu ben Ik hevig ontsteld. Zal Ik bidden: Vader, red Mij uit deze situatie? Nee! Ik ben immers gekomen om deze situatie te doorstaan.
JOH 12:28 Vader, toon uw grootheid!” Toen kwam er een stem uit de hemel: “Ik heb tot nu toe steeds mijn grootheid getoond en Ik zal ook nu mijn grootheid tonen.”
JOH 12:29 De menigte die erbij stond en die de stem had gehoord, zei dat het had gedonderd. Anderen zeiden dat een engel Jezus had toegesproken.
JOH 12:30 Maar Jezus zei: “Die stem heeft niet gesproken voor Mij, maar voor jullie.
JOH 12:31 Nu zal het oordeel over deze wereld worden geveld, nu zal de heerser van deze wereld worden onttroond.
JOH 12:32 En wanneer Ik vanaf de aarde ben omhooggeheven, zal Ik alle mensen naar Mij toe halen.”
JOH 12:33 Hij zei dit om aan te geven welke dood Hij zou sterven.
JOH 12:34 Toen antwoordden de mensen: “Wij hebben uit de Wet begrepen dat de Messias voor eeuwig zal blijven. Hoe kan U zeggen dat de Mensenzoon omhooggeheven moet worden? En wie is die Mensenzoon?”
JOH 12:35 Jezus zei tegen hen: “Het licht zal nog even bij jullie zijn. Wandel terwijl het nog licht is en laat je niet door het donker overvallen. Wie in het donker wandelt, weet niet waar hij heengaat.
JOH 12:36 Geloof in het licht zolang jullie het licht nog bij jullie hebben; dan zijn jullie kinderen van het licht.” Nadat Jezus dit had gezegd, ging Hij weg en trok Hij zich terug uit het openbare leven.
JOH 12:37 Ondanks dat Jezus voor hun ogen veel wonderlijke tekenen had verricht, geloofden de mensen niet in Hem.
JOH 12:38 Zo zijn de volgende woorden van de profeet Jesaja in vervulling gegaan: “Heer, wie geloofde wat hij van ons heeft gehoord? En aan wie heeft de Heer zijn macht geopenbaard?”
JOH 12:39 De reden dat ze niet konden geloven is dat Jesaja ook heeft gezegd:
JOH 12:40 “Hij heeft hun ogen verblind en hun hart verstard. Zo komt het dat hun ogen niet zien, hun hart niet begrijpt en zij zich niet bekeren om zich door Mij te laten genezen.”
JOH 12:41 Jesaja had dat gezegd omdat hij Jezus' grootheid had gezien; daarom sprak hij over Hem.
JOH 12:42 Toch geloofden ook veel van de Joodse leiders in Jezus. Maar omwille van de farizeeën zeiden ze dat niet openlijk, want ze wilden niet uit de synagoge verbannen worden.
JOH 12:43 Ze stelden meer prijs op goedkeuring van mensen dan op goedkeuring van God.
JOH 12:44 Jezus sprak luid en duidelijk: “Wie in Mij gelooft, gelooft niet in Mij maar in Degene die Mij heeft gestuurd.
JOH 12:45 En wie Mij ziet, ziet Degene die Mij heeft gestuurd.
JOH 12:46 Ik ben het licht dat naar de wereld is gekomen, opdat ieder die in Mij gelooft, niet in de duisternis hoeft te blijven.
JOH 12:47 En als iemand hoort wat Ik zeg en het negeert, ben Ik het niet die hem veroordeelt. Ik ben niet gekomen om de wereld te veroordelen, maar om de wereld te redden.
JOH 12:48 Wie Mij afwijst en niet aanvaardt wat Ik zeg, heeft reeds een rechter: op de Laatste Dag zal hij worden veroordeeld door de woorden die Ik heb gesproken.
JOH 12:49 Ik heb namelijk niet namens Mijzelf gesproken. De Vader die Mij heeft gestuurd, Hij heeft Mij opgedragen wat Ik precies moet zeggen.
JOH 12:50 En Ik weet dat hetgeen Hij Mij opdraagt, het eeuwig leven brengt. Daarom zeg Ik precies wat de Vader tegen Mij heeft gezegd.”
JOH 13:1 Het was vlak voor het Pesachfeest. Jezus wist dat zijn moment was gekomen: Hij zou vanuit deze wereld naar de Vader toe gaan. Hij had de mensen in deze wereld die bij Hem horen lief en heeft hen tot het einde liefgehad.
JOH 13:2 Na de maaltijd gebeurde het volgende: de duivel had het idee om Jezus te verraden al in het hart van Judas, zoon van Simon van Iskariot, gelegd.
JOH 13:3 Jezus wist dat de Vader Hem alle macht had gegeven en dat Hij van God kwam en naar God zou terugkeren.
JOH 13:4 Hij stond op van tafel, trok zijn bovenkleed uit en sloeg een handdoek om.
JOH 13:5 Toen goot Hij water in het waskruikje en begon Hij de voeten van zijn leerlingen te wassen. Hij droogde ze met de handdoek die Hij had omgeslagen.
JOH 13:6 Toen Hij bij Simon Petrus kwam, protesteerde deze: “Heer, U wil mijn voeten wassen?”
JOH 13:7 Jezus antwoordde: “Je begrijpt nu nog niet wat Ik doe, maar je zal het later begrijpen.”
JOH 13:8 Petrus zei: “U mijn voeten wassen? Dat nooit!” Maar Jezus antwoordde: “Als Ik je niet was, kan je niet bij Mij horen.”
JOH 13:9 Toen zei Simon Petrus: “Heer, was in dat geval niet enkel mijn voeten, maar ook mijn handen en hoofd.”
JOH 13:10 Jezus antwoordde: “Wie reeds in bad is geweest, hoeft enkel zijn voeten nog te wassen, maar is verder helemaal schoon. Jullie zijn dus schoon, maar niet allemaal.”
JOH 13:11 Hij wist namelijk wie Hem zou uitleveren; het was daarom dat Hij zei: “Jullie zijn niet allemaal schoon.”
JOH 13:12 Toen Hij hun voeten had gewassen, trok Hij zijn bovenkleed weer aan, nam weer plaats aan tafel, en vroeg: “Begrijpen jullie wat Ik heb gedaan?
JOH 13:13 Jullie noemen Mij Leraar en Heer, en dat is terecht, want dat is wat Ik ben.
JOH 13:14 En als Ik, de Heer en Leraar, jullie voeten heb gewassen, dan moeten jullie ook elkaars voeten wassen.
JOH 13:15 Ik heb jullie het voorbeeld gegeven; hetgeen Ik bij jullie heb gedaan, moeten jullie ook doen.
JOH 13:16 Ik zeg jullie nadrukkelijk, een slaaf staat niet boven zijn meester en een afgezant staat niet boven degene die hem heeft gestuurd.
JOH 13:17 Je bent gezegend als je dit niet alleen begrijpt, maar het ook in praktijk brengt.”
JOH 13:18 “Ik heb het niet over jullie allen. Ik weet wie Ik heb uitgekozen, maar in de Schriften staat: ‘Hij die samen met mij brood at, heeft zich tegen Mij gekeerd’, en dat moet in vervulling gaan.
JOH 13:19 Ik zeg het jullie reeds nu, voordat het zover is, opdat jullie wanneer het gebeurt, zullen geloven dat Ik het ben.
JOH 13:20 Ik zeg jullie nadrukkelijk, wie iemand verwelkomt die door Mij is gezonden, verwelkomt Mij en wie Mij verwelkomt, verwelkomt Degene die Mij heeft gezonden.”
JOH 13:21 Nadat Hij dit had gezegd, raakte Jezus hevig ontsteld. Hij verklaarde: “Ik zeg jullie nadrukkelijk, een van jullie zal Mij verraden.”
JOH 13:22 Zijn leerlingen keken elkaar aan en vroegen zich vertwijfeld af wie Hij bedoelde.
JOH 13:23 Eén van zijn leerlingen, de leerling van wie Jezus veel hield, bevond zich naast Jezus aan tafel.
JOH 13:24 Simon Petrus gaf die leerling een teken dat die Jezus moest vragen wie Hij bedoelde.
JOH 13:25 De leerling boog zich dicht naar Jezus toe en vroeg: “Heer, wie is het?”
JOH 13:26 Jezus antwoordde: “Ik zal een stuk brood in de schaal dopen en de persoon aan wie Ik het geef, die is het.” Daarop doopte Jezus een stuk brood in de schotel en gaf het aan Judas, zoon van Simon Iskariot.
JOH 13:27 Zodra deze het stuk brood had aangenomen, drong Satan in hem binnen. Jezus zei tegen hem: “Ga nu doen wat je van plan bent.”
JOH 13:28 Niemand aan tafel begreep waarom Hij dit tegen hem zei.
JOH 13:29 Omdat Judas de kas beheerde, meenden sommigen dat Jezus hem opdroeg om iets te kopen dat nodig was voor het feest, of om iets te geven aan de armen.
JOH 13:30 Meteen nadat Judas het stuk brood had aangenomen, ging hij naar buiten, de nacht in.
JOH 13:31 Toen Judas weg was, zei Jezus: “Nu wordt de grootheid van de Mensenzoon zichtbaar en wordt in Hem ook Gods grootheid zichtbaar.
JOH 13:32 En wanneer de Mensenzoon Gods grootheid zichtbaar heeft gemaakt, zal God zelf ook de grootheid van de Mensenzoon zichtbaar maken. Dat zal heel binnenkort gebeuren.
JOH 13:33 Lieve kinderen, Ik zal nog even bij jullie zijn. Dan zullen jullie Mij zoeken, en wat Ik tegen iedereen heb gezegd, zeg Ik nu ook tegen jullie: waar Ik naartoe ga, kunnen jullie niet komen.
JOH 13:34 Ik geef jullie een nieuw gebod: ga liefdevol met elkaar om. Zoals Ik jullie heb liefgehad, moeten jullie elkaar liefhebben.
JOH 13:35 Hieraan zal iedereen jullie herkennen als mijn leerlingen: aan jullie liefde voor elkaar.”
JOH 13:36 Simon Petrus vroeg Hem: “Heer, waar gaat U naartoe?” Jezus antwoordde: “Waar Ik naartoe ga, kan jij Mij nu niet volgen, maar later zal je Me daarheen volgen.”
JOH 13:37 Petrus vroeg Hem: “Heer, waarom kan ik U nu nog niet volgen? Ik ben bereid om mijn leven voor U te geven.”
JOH 13:38 Jezus antwoordde: “Jij bent bereid om voor Mij je leven te geven? Ik zeg je nadrukkelijk, voordat er een haan kraait, zal jij Mij driemaal hebben verloochend.
JOH 14:1 Raak niet ontsteld; vertrouw op God en vertrouw op Mij.
JOH 14:2 In het paleis van mijn Vader is veel woonruimte. Anders zou Ik toch niet tegen jullie hebben gezegd dat Ik erheen ga om te zorgen dat er plaats voor jullie zal zijn?
JOH 14:3 En nadat Ik erheen ben gegaan om te zorgen dat er plaats voor jullie zal zijn, kom Ik terug om jullie op te halen, zodat jullie zullen zijn waar Ik ook ben.
JOH 14:4 Waar Ik naartoe ga, daarheen kennen jullie de weg.”
JOH 14:5 Tomas zei tegen Hem: “Heer, wij weten niet waar U naartoe gaat. Hoe kunnen we dan de weg kennen?”
JOH 14:6 Jezus zei tegen hem: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand kan bij de Vader komen, tenzij door Mij.
JOH 14:7 Als jullie Mij kennen, kennen jullie ook de Vader. Daarom kennen jullie Hem en jullie hebben Hem zelfs gezien.”
JOH 14:8 Filippus zei tegen Jezus: “Heer, toon ons de Vader; dat is alles wat we vragen.”
JOH 14:9 Jezus antwoordde: “Ik ben al zo lang bij jullie, Filippus, en je kent Mij nog altijd niet? Wie Mij heeft gezien, heeft de Vader gezien. Hoe kan je dan vragen: ‘Toon ons de Vader’?
JOH 14:10 Geloof je niet dat de Vader en Ik een volkomen eenheid vormen? De woorden die Ik tot jullie spreek, heb Ik niet van Mijzelf, ze zijn het werk van de Vader met Wie Ik een volkomen eenheid vorm.
JOH 14:11 Geloof Me wanneer Ik tegen jullie zeg dat de Vader en Ik een volkomen eenheid vormen, of geloof anders omwille van de dingen die de Vader heeft gedaan.
JOH 14:12 Ik zeg jullie nadrukkelijk, wie op Mij vertrouwt, zal dezelfde dingen doen die Ik heb gedaan. Hij zal zelfs grotere dingen doen, want Ik ga naar de Vader,
JOH 14:13 en wat jullie ook vragen in mijn naam, zal Ik doen, opdat de grootheid van de Vader zichtbaar zal zijn in de Zoon.
JOH 14:14 Wat jullie Mij ook vragen in mijn naam, Ik zal het doen.
JOH 14:15 Als jullie Mij liefhebben, houden jullie je aan mijn geboden.
JOH 14:16 En Ik zal de Vader vragen om jullie een andere Raadgever te geven, die voor altijd bij jullie zal zijn:
JOH 14:17 de Geest die de waarheid brengt. De wereld kan Hem niet ontvangen, omdat ze Hem niet ziet en Hem niet kent. Maar jullie kennen Hem wel, omdat Hij bij jullie blijft en in jullie zal wonen.
JOH 14:18 Ik zal jullie niet verweesd achterlaten, Ik kom bij jullie terug.
JOH 14:19 Nog even en dan zal de wereld Mij niet meer zien. Maar jullie zullen Mij wel zien en omdat Ik leef, zullen ook jullie leven.
JOH 14:20 Dan zullen jullie begrijpen dat mijn Vader en Ik een eenheid vormen en dat jullie een eenheid vormen met Mij.
JOH 14:21 Wie mijn geboden kent en zich eraan houdt, die heeft Mij werkelijk lief. En als iemand Mij liefheeft, zal de Vader hem liefdevol behandelen. En ook Ik zal hem liefdevol behandelen en Ik zal hem tonen wie Ik ben.”
JOH 14:22 Toen vroeg Judas (niet Judas Iskariot): “Heer, hoe komt het dat U wel aan ons zal tonen wie U bent, maar niet aan de wereld?”
JOH 14:23 Jezus antwoordde: “Wie Mij liefheeft, houdt zich aan hetgeen Ik zeg. Mijn Vader zal hem liefhebben en wij zullen bij hem komen en voor altijd bij hem zijn.
JOH 14:24 Maar wie Mij niet liefheeft, houdt zich niet aan hetgeen Ik zeg. En wat jullie Mij horen zeggen, komt niet van Mij, maar van Degene die Mij heeft gestuurd, mijn Vader.
JOH 14:25 Ik zeg dit tegen jullie nu Ik nog bij jullie ben.
JOH 14:26 Maar de Raadgever, de Heilige Geest, die de Vader in mijn naam naar jullie zal sturen – Hij is het die jullie al het overige zal leren en jullie alles in herinnering zal brengen wat Ik tegen jullie heb gezegd.
JOH 14:27 Ik laat jullie mijn vrede na; Ik geef jullie vrede. De vrede die Ik geef, is niet als de vrede die de wereld geeft. Raak niet ontsteld, wees niet bang.
JOH 14:28 Jullie hebben gehoord wat Ik tegen jullie heb gezegd: Ik ga weg en Ik zal bij jullie terugkomen. Als jullie Mij zouden liefhebben, zouden jullie je verheugen omdat Ik naar de Vader ga, want de Vader staat boven Mij.
JOH 14:29 Ik zeg het jullie nu reeds, voordat het zover is, opdat jullie zullen geloven dat Ik het ben wanneer het gebeurt.
JOH 14:30 Ik zal niet lang meer met jullie spreken, want de heerser van de wereld is in aantocht. Hij heeft weliswaar niets over Mij te zeggen,
JOH 14:31 maar dit gebeurt opdat de wereld zal weten dat Ik de Vader liefheb en doe wat de Vader Mij heeft opgedragen. Kom, laten we hier weggaan.
JOH 15:1 Ik ben de ware wijnstok en mijn Vader is de wijnbouwer.
JOH 15:2 Hij verwijdert elke rank aan Mij die geen vrucht draagt. En elke rank die wel vrucht draagt, snoeit Hij, opdat deze meer vrucht zou dragen.
JOH 15:3 Jullie zijn reeds gesnoeid door de woorden die Ik tot jullie heb gesproken.
JOH 15:4 Blijf met Mij verbonden; dan blijf Ik met jullie verbonden. De rank kan uit zichzelf geen vrucht dragen; dat kan enkel als hij met de wijnstok verbonden blijft. Precies zo kunnen jullie enkel vrucht dragen als je met Mij verbonden blijft.
JOH 15:5 Ik ben de wijnstok; jullie zijn de ranken. Als iemand met Mij verbonden blijft – en Ik met hem – draagt hij veel vrucht, want los van Mij kunnen jullie niets doen.
JOH 15:6 Wie niet met Mij verbonden blijft, is als een rank die wordt weggegooid en die verdort. De weggegooide ranken worden verzameld, in het vuur gegooid en verbrand.
JOH 15:7 Maar als jullie met Mij verbonden blijven en jullie je houden aan hetgeen Ik jullie heb verteld, mogen jullie vragen wat je wil, en het zal gebeuren.
JOH 15:8 De grootheid van mijn Vader wordt zichtbaar wanneer jullie veel vrucht dragen en daardoor laten zien dat jullie mijn leerlingen zijn.
JOH 15:9 Ik heb jullie lief zoals de Vader Mij liefheeft. Blijf verbonden met mijn liefde.
JOH 15:10 Jullie blijven verbonden met mijn liefde door je aan mijn geboden te houden, net zoals Ik met de liefde van mijn Vader verbonden blijf door Me aan zijn geboden te houden.
JOH 15:11 Ik heb deze dingen tegen jullie gezegd opdat de vreugde die Ik heb, ook in jullie aanwezig zal zijn en opdat jullie vreugde volkomen zal zijn.
JOH 15:12 Mijn gebod voor jullie is: heb elkaar lief op dezelfde manier als Ik jullie heb liefgehad.
JOH 15:13 Er is geen grotere liefde dan dat je je leven geeft voor je vrienden.
JOH 15:14 En jullie zijn mijn vrienden als jullie doen wat Ik jullie opdraag.
JOH 15:15 Ik noem jullie niet langer dienaren, want een dienaar weet niet wat zijn meester doet. Nee, Ik noem jullie vrienden, want Ik heb alles wat Ik van mijn Vader heb vernomen, aan jullie bekendgemaakt.
JOH 15:16 Jullie hebben Mij niet uitgekozen, Ik heb jullie uitgekozen en jullie aangesteld om eropuit te gaan en vrucht te dragen, blijvende vrucht. Dan zal de Vader jullie alles geven wat jullie in mijn naam van Hem vragen.
JOH 15:17 Ik beveel jullie dus: ga liefdevol met elkaar om.
JOH 15:18 Als de wereld jullie haat, besef dan dat ze Mij haatte voordat ze jullie haatte.
JOH 15:19 Als jullie bij de wereld zouden horen, zou de wereld van jullie houden omdat jullie van haar zouden zijn. Maar omdat Ik jullie uit de wereld heb uitgekozen, zijn jullie niet van de wereld en haat de wereld jullie.
JOH 15:20 Onthoud wat Ik jullie heb verteld: een slaaf staat niet boven zijn meester. Als de mensen Mij hebben vervolgd, zullen ze ook jullie vervolgen, maar als ze zich hielden aan hetgeen Ik zei, dan zullen ze zich ook houden aan hetgeen jullie zeggen.
JOH 15:21 Dit alles zullen ze jullie aandoen omwille van mijn naam, omdat ze Degene die Mij heeft gestuurd niet kennen.
JOH 15:22 Ze zouden niet schuldig zijn geweest als Ik niet was gekomen om hen toe te spreken, maar nu hebben ze geen excuus voor hun schuld.
JOH 15:23 Wie Mij haat, haat ook mijn Vader.
JOH 15:24 Ze zouden niet schuldig zijn geweest als Ik niet te midden van hen de dingen had gedaan die niemand anders ooit heeft gedaan. Maar ze hebben die daden gezien en ze haten zowel Mij als mijn Vader.
JOH 15:25 Zo gaat in vervulling wat in hun Wet staat: ‘Ze haatten Mij zonder reden.’
JOH 15:26 Wanneer de Raadgever komt die Ik van bij de Vader naar jullie zal sturen – de Geest die van de Vader afkomstig is en die de waarheid brengt – dan zal Hij van Mij getuigen.
JOH 15:27 En ook jullie zullen getuigen, omdat jullie vanaf het begin bij Mij zijn geweest.
JOH 16:1 Ik vertel jullie deze dingen opdat jullie niet zullen struikelen.
JOH 16:2 Men zal jullie uit de synagoge verbannen en er komt een tijd dat iedereen die jullie ter dood brengt, zal denken dat hij God een dienst bewijst.
JOH 16:3 De reden dat de mensen dat zullen doen is dat ze noch de Vader, noch Mij kennen.
JOH 16:4 Maar Ik vertel jullie deze dingen, zodat wanneer ze gebeuren, jullie je zullen herinneren dat Ik het heb gezegd. Ik heb ze jullie niet eerder verteld omdat Ik toen nog bij jullie was.
JOH 16:5 Nu ga ik naar Degene die Mij heeft gestuurd. Toch vraagt niemand van jullie: ‘Waar gaat U naartoe?’
JOH 16:6 Maar nu Ik dit tegen jullie heb gezegd, is jullie hart vol verdriet.
JOH 16:7 Maar Ik zeg jullie de waarheid: het is beter voor jullie dat Ik ga. Want als Ik niet ga, zal de Raadgever niet bij jullie komen, maar als Ik wel ga, zal Ik Hem naar jullie toe sturen.
JOH 16:8 En wanneer Hij gekomen is, zal Hij de wereld overtuigen van zonde, rechtvaardigheid en veroordeling.
JOH 16:9 Hij zal de mensen overtuigen van hun zonde, namelijk dat ze niet in Mij geloven.
JOH 16:10 Hij zal hen overtuigen van Gods rechtvaardigheid, want Ik ga naar de Vader en dan zien jullie Mij niet meer.
JOH 16:11 En Hij zal hen overtuigen van veroordeling, want de heerser van de huidige wereld is veroordeeld.
JOH 16:12 Ik heb jullie nog veel meer te vertellen, maar jullie kunnen het nu nog niet aan.
JOH 16:13 Echter, wanneer de Geest die de waarheid brengt is gekomen, zal Hij jullie leiden naar het inzicht in de volkomen waarheid. Want hetgeen Hij zal zeggen, zal niet van Hemzelf komen; Hij zal zeggen wat Hij te horen krijgt. En Hij zal jullie vertellen welke dingen zullen gebeuren.
JOH 16:14 Hij zal mijn grootheid zichtbaar maken door hetgeen Hij van Mij ontvangt aan jullie door te geven.
JOH 16:15 Alles wat van de Vader is, is ook van Mij. Daarom heb Ik gezegd: Hij zal van Mij ontvangen en aan jullie doorgeven.
JOH 16:16 Nog even en dan zien jullie Mij niet meer, en kort daarna zien jullie Mij terug.”
JOH 16:17 Toen vroegen enkele van zijn leerlingen aan elkaar: “Wat zou Hij bedoelen met: ‘Nog even en dan zien jullie Mij niet meer, en kort daarna zien jullie Mij terug’, en: ‘Omdat Ik naar de Vader ga?’”
JOH 16:18 Ook vroegen ze: “Wat bedoelt Hij met ‘even’? We begrijpen niet wat Hij zegt.”
JOH 16:19 Jezus besefte dat ze het Hem wilden vragen. Daarom vroeg Hij hun: “Proberen jullie te begrijpen wat Ik bedoelde toen Ik zei: ‘Nog even en dan zien jullie Mij niet meer, en kort daarna zien jullie Mij terug’?
JOH 16:20 Ik zeg jullie nadrukkelijk, jullie zullen wenen en rouwen, maar de wereld zal zich verheugen. Jullie zullen bedroefd zijn, maar jullie verdriet zal in vreugde veranderen.
JOH 16:21 Een vrouw lijdt pijn tijdens de geboorte van haar kind, wanneer haar moment is gekomen. Maar zodra het kind er is, denkt ze niet meer aan de pijn, wegens de vreugde dat er een kind ter wereld is gekomen.
JOH 16:22 Ook jullie lijden pijn, maar Ik zal jullie terugzien. En dan zal er vreugde in je hart zijn en niemand zal die vreugde van je afnemen.
JOH 16:23 Op die dag hoeven jullie niets meer aan Mij te vragen. Ik zeg jullie nadrukkelijk, de Vader zal jullie alles geven wat jullie van Hem vragen in mijn naam.
JOH 16:24 Tot nu toe hebben jullie niets gevraagd in mijn naam. Vraag en je zal ontvangen, en dan zal je vreugde volkomen zijn.
JOH 16:25 Ik heb deze dingen tegen jullie gezegd in de vorm van beeldspraak. Er komt echter een tijd dat Ik niet langer in beelden tot jullie zal spreken; dan zal Ik jullie onomwonden over de Vader vertellen.
JOH 16:26 Dan zullen jullie vragen in mijn naam en hoef Ik niet te zeggen dat Ik het voor jullie aan de Vader zal vragen.
JOH 16:27 De Vader zelf houdt van jullie omdat jullie van Mij houden en geloven dat Ik van de Vader afkomstig ben.
JOH 16:28 Ik ben inderdaad van de Vader afkomstig. Ik ben naar de wereld gekomen, maar nu vertrek Ik uit de wereld, terug naar de Vader.”
JOH 16:29 Zijn leerlingen zeiden: “Kijk, nu spreekt U onomwonden en niet in beelden.
JOH 16:30 Nu weten wij dat U alles weet en dat niemand U vragen hoeft te stellen. Daarom geloven wij dat U van God afkomstig bent.”
JOH 16:31 Jezus antwoordde: “Geloven jullie nu?
JOH 16:32 Er komt een tijd – en het is nu al zover – dat jullie zullen worden uiteengejaagd, elk een andere kant uit, en dat jullie Mij alleen zullen laten. Ik ben echter niet alleen, de Vader is bij Mij.
JOH 16:33 Ik heb deze dingen tegen jullie gezegd opdat jullie bij Mij vrede zullen vinden. In de wereld zullen jullie verdrukking lijden, maar houd moed, Ik heb de wereld overwonnen.”
JOH 17:1 Nadat Jezus dit had gezegd, keek Hij omhoog, naar de hemel, en bad Hij: “Vader, nu is het moment gekomen. Maak de grootheid van uw Zoon zichtbaar, dan zal de Zoon uw grootheid zichtbaar maken.
JOH 17:2 U heeft Hem immers de macht over de hele mensheid gegeven, opdat Hij het eeuwig leven zou schenken aan de mensen die U aan Hem heeft toevertrouwd.
JOH 17:3 Het eeuwig leven, dat is dat zij U kennen, de enige, ware God, en ook Degene die U heeft gezonden: Jezus Christus.
JOH 17:4 Ik heb op aarde Uw grootheid zichtbaar gemaakt door het werk uit te voeren dat U Mij heeft gegeven.
JOH 17:5 En nu, Vader, bekleed Mij bij U opnieuw met de grootheid die Ik bij U had voordat de wereld bestond.
JOH 17:6 Ik heb de mensen die U Mij vanuit de wereld heeft gegeven, getoond wie U bent. Zij waren van U en U heeft hen aan Mij toevertrouwd. Ze hebben zich gehouden aan hetgeen U heeft gezegd.
JOH 17:7 Nu beseffen zij dat alles wat U Mij gegeven heeft, van U komt,
JOH 17:8 want Ik heb de woorden die U Mij had gegeven, aan hen doorgegeven. En omdat zij die hebben aanvaard, beseffen ze dat Ik werkelijk van U kom en geloven ze dat U Mij heeft gezonden.
JOH 17:9 Ik bid voor hen. Ik bid niet voor de wereld, maar voor de mensen die U Mij heeft toevertrouwd, want ze zijn van U.
JOH 17:10 Ja, alles wat van Mij is, is van U, en alles wat van U is, is van Mij. In hen is mijn grootheid zichtbaar geworden.
JOH 17:11 Binnenkort zal Ik niet meer in de wereld zijn; Ik kom naar U toe. Maar zij zijn dan nog wel in de wereld. Heilige Vader, bescherm hen met uw macht, de macht die U Mij heeft gegeven, zodat zij een eenheid zullen vormen zoals U en Ik een eenheid vormen.
JOH 17:12 Zolang Ik bij hen was, heb Ik hen beschermd met uw macht, de macht die U Mij heeft verleend. Ik heb over hen gewaakt en geen van hen is verloren gegaan, behalve hij die voor de ondergang bestemd was. Zo is hetgeen in de Schriften staat in vervulling gegaan.
JOH 17:13 Nu kom Ik naar U toe en Ik zeg dit terwijl Ik nog in de wereld ben, opdat zij vol zullen zijn van mijn vreugde.
JOH 17:14 Ik heb uw boodschap aan hen doorgegeven. En nu haat de wereld hen, omdat zij niet meer bij de wereld horen, net zoals Ik niet bij de wereld hoor.
JOH 17:15 Ik vraag U niet hen uit de wereld weg te nemen, maar hen te beschermen tegen de duivel.
JOH 17:16 Ze zijn niet van de wereld, net zoals Ik niet van de wereld ben.
JOH 17:17 Maak van hen, door middel van de waarheid, mensen die aan U zijn toegewijd. Hetgeen U zegt, is de waarheid.
JOH 17:18 Ik heb hen naar de wereld gezonden, net zoals U Mij naar de wereld had gezonden.
JOH 17:19 En omwille van hen geef Ik Mij aan U over, opdat ook zij, door middel van de waarheid, aan U toegewijd zullen zijn.
JOH 17:20 Ik bid niet alleen voor hen, maar ook voor de mensen die door hun getuigenis tot geloof in Mij komen.
JOH 17:21 Ik bid dat zij allen een eenheid mogen vormen, zoals U, Vader, en Ik met elkaar verbonden zijn. Laat hen een eenheid vormen door hun verbondenheid met Ons, opdat de wereld zal geloven dat U Mij heeft gezonden.
JOH 17:22 De grootheid die U Mij heeft gegeven, heb Ik aan hen doorgegeven, opdat zij een eenheid mogen vormen, zoals Wij een eenheid vormen –
JOH 17:23 Ik met hen en U met Mij. Ik bid dat ze een volkomen eenheid mogen vormen. Dan zal de wereld weten dat U Mij heeft gezonden en dat U hen liefheeft, net zoals U Mij liefheeft.
JOH 17:24 Vader, Ik wil graag dat de mensen die U Mij heeft toevertrouwd bij Mij zullen zijn daar waar Ik ben, en dat zij mijn grootheid zullen zien – de grootheid die U Mij heeft gegeven omdat U Mij reeds liefhad vóór de schepping van de wereld.
JOH 17:25 Rechtvaardige Vader, de wereld kent U niet, maar Ik ken U en zij beseffen dat U Mij heeft gezonden.
JOH 17:26 Ik heb hun duidelijk gemaakt Wie U bent, en Ik zal dat blijven doen; dan zal uw liefde voor Mij ook hen vervullen en zal Ik in hen wonen.”
JOH 18:1 Nadat Jezus dit had gebeden, ging Hij met zijn leerlingen naar de overkant van de Kidronbeek. Daar was een tuin, die Hij met zijn leerlingen binnenging.
JOH 18:2 Judas, die Hem wilde uitleveren, kende die plaats ook, want Jezus was er vaak met zijn leerlingen samengekomen.
JOH 18:3 Judas ging er ook heen, met een eenheid soldaten en met de tempelwachters die door de hoofdpriesters en de farizeeën waren gestuurd. Ze hadden lantaarns, fakkels en wapens bij zich.
JOH 18:4 Jezus, die precies wist wat er met Hem zou gebeuren, ging naar hen toe en vroeg: “Wie zoeken jullie?”
JOH 18:5 Ze antwoordden: “Jezus van Nazaret.” Jezus zei: “Dat ben Ik.” Judas, die Hem wilde uitleveren, stond bij hen.
JOH 18:6 Toen Jezus zei: “dat ben Ik”, deinsden de mannen achteruit en vielen ze op de grond.
JOH 18:7 Hij vroeg nogmaals: “Wie zoeken jullie?” Ze zeiden: “Jezus van Nazaret.”
JOH 18:8 Jezus reageerde: “Ik heb jullie al verteld dat Ik het ben. Dus als jullie Mij zoeken, laat deze mensen dan gaan.”
JOH 18:9 Zo ging in vervulling wat Hij eerder had gezegd: “Ik heb geen van de mensen verloren die U Mij had toevertrouwd.”
JOH 18:10 Toen trok Simon Petrus het zwaard dat hij bij zich had, haalde ermee uit naar de dienaar van de hogepriester en hakte zijn rechteroor af. De dienaar heette Malchus.
JOH 18:11 Maar Jezus zei tegen Petrus: “Steek dat zwaard weer in zijn schede. Zou Ik niet drinken van de beker die de Vader Mij heeft gegeven?”
JOH 18:12 De eenheid soldaten, de tribuun en de Joodse tempelwachters arresteerden Jezus en boeiden Hem.
JOH 18:13 Ze brachten Hem eerst naar Annas, de schoonvader van Kajafas. Kajafas was dat jaar hogepriester,
JOH 18:14 en hij was het die de Joodse leiders de raad had gegeven dat het beter is dat één mens sterft voor het volk.
JOH 18:15 Simon Petrus en een andere leerling volgden Jezus. Die andere leerling kende de hogepriester en ging met Jezus mee, de binnenplaats van het huis van de hogepriester op.
JOH 18:16 Maar Petrus bleef buiten staan, bij de poort. De andere leerling, die de hogepriester kende, ging terug, sprak met de portierster en nam Petrus mee naar binnen.
JOH 18:17 Dit dienstmeisje, de portierster, vroeg aan Petrus: “Ben jij niet ook een van de leerlingen van die Man?” Petrus zei: “Nee, dat ben ik niet.”
JOH 18:18 De dienaren en de tempelwachters stonden zich te warmen bij een vuur dat ze hadden aangelegd tegen de kou. Petrus ging bij hen staan om zich te warmen.
JOH 18:19 De hogepriester ondervroeg Jezus over zijn leerlingen en over zijn leer.
JOH 18:20 Jezus antwoordde: “Ik heb altijd in het openbaar tot de wereld gesproken; Ik onderwees in synagogen en in de tempel, waar alle Joodse mensen bijeenkomen. Ik heb nooit in het geheim gesproken.
JOH 18:21 Waarom stelt u Mij die vragen? Vraag het maar aan de mensen die hebben gehoord wat Ik hun vertelde; zij weten heel goed wat Ik heb gezegd.”
JOH 18:22 Toen Hij dat zei, gaf een van de tempelwachters die bij Jezus stond, Hem een klap en zei: “Is dat hoe je de hogepriester antwoordt?”
JOH 18:23 Jezus antwoordde: “Als Ik iets verkeerds heb gezegd, vertel dan wat er verkeerd aan is. Maar als hetgeen Ik zei de waarheid is, waarom sla je me dan?”
JOH 18:24 Toen stuurde Annas Jezus geboeid naar hogepriester Kajafas.
JOH 18:25 Intussen stond Simon Petrus zich te warmen. Iemand vroeg hem: “Ben jij misschien ook een van zijn leerlingen?” Maar hij ontkende het: “Nee, dat ben ik niet.”
JOH 18:26 Een van de dienaren van de hogepriester was familie van de persoon van wie Petrus het oor had afgehakt. Hij vroeg: “Heb ik jou niet bij Hem gezien in die tuin?”
JOH 18:27 Petrus ontkende het opnieuw en meteen kraaide er een haan.
JOH 18:28 Toen brachten ze Jezus van het huis van Kajafas naar het paleis van de gouverneur. Het was vroeg in de ochtend. Om te voorkomen dat ze onrein zouden worden en dus niet van de Pesachmaaltijd zouden mogen eten, gingen ze het paleis niet binnen.
JOH 18:29 Daarom kwam Pilatus naar buiten om hen te woord te staan. Hij vroeg: “Welke beschuldiging brengen jullie tegen deze persoon in?”
JOH 18:30 Ze antwoordden: “Als Hij geen boosdoener zou zijn, zouden we Hem niet aan u uitleveren.”
JOH 18:31 Pilatus antwoordde: “Nemen jullie Hem mee, en oordeel zelf over Hem volgens jullie Wet.” Maar de Joodse leiders antwoordden: “Wij mogen niemand ter dood brengen.”
JOH 18:32 En zo is in vervulling gegaan wat Jezus had gezegd over de wijze waarop Hij zou sterven.
JOH 18:33 Pilatus ging het paleis weer binnen en liet Jezus voorleiden. Hij vroeg Hem: “Bent U de koning van de Joden?”
JOH 18:34 Jezus antwoordde: “Komt die vraag van uzelf of hebben anderen u dat over Mij verteld?”
JOH 18:35 Pilatus reageerde: “Ik ben toch geen Jood? Uw eigen volk en de hoofdpriesters hebben U aan mij uitgeleverd. Wat hebt U gedaan?”
JOH 18:36 Jezus antwoordde: “Mijn koningschap hoort niet bij deze wereld. Als mijn koningschap bij deze wereld zou horen, dan zouden mijn mensen zich hebben ingespannen om te voorkomen dat Ik aan de Joden werd uitgeleverd. Maar mijn koningschap is niet van hier.”
JOH 18:37 Pilatus vroeg Hem: “U bent dus koning?” Jezus antwoordde: “Ik ben koning, zoals u zegt. Hiervoor ben Ik geboren en hiervoor ben ik naar de wereld gekomen: om van de waarheid te getuigen. Ieder die zich op de waarheid richt, luistert naar hetgeen Ik zeg.”
JOH 18:38 Pilatus vroeg Hem: “Wat is waarheid?” Nadat hij dat had gezegd, ging hij weer naar buiten, naar de Joodse leiders. Hij zei tegen hen: “Ik heb niets gevonden waarvoor Hij veroordeeld zou moeten worden.
JOH 18:39 Maar volgens jullie gewoonte laat ik ter gelegenheid van het Pesachfeest op jullie verzoek iemand vrij. Willen jullie dat ik de koning van de Joden vrijlaat?”
JOH 18:40 Toen begonnen ze te schreeuwen: “Niet Hem, maar Barabbas!” Barabbas was een misdadiger.
JOH 19:1 Toen liet Pilatus Jezus wegleiden en geselen.
JOH 19:2 De soldaten vlochten een kroon van doorntakken en zetten die op zijn hoofd. Ook trokken ze Hem een paarse mantel aan.
JOH 19:3 Keer op keer stapten ze naar Hem toe, zeiden dan: “gegroet, koning van de Joden”, en sloegen Hem in het gezicht.
JOH 19:4 Pilatus kwam nogmaals naar buiten en zei: “Kijk, ik breng Hem naar buiten. Zo weten jullie dat ik niets heb gevonden waarvoor Hij veroordeeld zou moeten worden.”
JOH 19:5 Toen kwam Jezus naar buiten; Hij droeg de kroon van doorntakken en de paarse mantel. Pilatus zei: “Kijk naar die Mens.”
JOH 19:6 Zodra de hoofdpriesters en tempelwachters Jezus zagen, riepen ze: “Kruisig Hem, kruisig Hem!” Pilatus zei: “Neem Hem mee en kruisig Hem zelf. Ik heb niets gevonden waarvoor Hij veroordeeld zou moeten worden.”
JOH 19:7 De Joodse leiders antwoordden: “Maar wij hebben een Wet die stipuleert dat Hij moet sterven omdat Hij beweert dat Hij de Zoon van God is.”
JOH 19:8 Toen Pilatus die woorden hoorde, schrok hij hevig.
JOH 19:9 Hij ging het paleis weer binnen en vroeg Jezus: “Waar komt U vandaan?” Maar Jezus gaf geen antwoord.
JOH 19:10 Toen zei Pilatus: “Zegt U niets tegen mij? Weet U niet dat ik het gezag heb om U vrij te laten, maar ook het gezag om U te laten kruisigen?”
JOH 19:11 Jezus antwoordde: “U zou geen enkel gezag over Mij hebben als het u niet van boven zou zijn geschonken. Daarom draagt degene die Mij aan u heeft uitgeleverd meer schuld dan u.”
JOH 19:12 Pilatus probeerde nogmaals Jezus vrij te laten, maar de Joodse mensen schreeuwden: “Als u die Man vrijlaat, bent u geen vriend van de keizer. Want ieder die zichzelf tot koning uitroept, is een tegenstander van de keizer.”
JOH 19:13 Toen Pilatus die woorden hoorde, liet hij Jezus naar buiten leiden en ging hij op de rechterstoel zitten, op een plaats die het Mozaïekterras genoemd wordt, of Gabbata in het Aramees.
JOH 19:14 Het was Voorbereidingsdag, de dag voor Pesach. Het was ongeveer twaalf uur. Pilatus zei tegen de Joodse mensen: “Dit is jullie koning.”
JOH 19:15 Maar ze schreeuwden: “Weg met Hem! Weg met Hem! Kruisig Hem!” Pilatus vroeg hun: “Moet ik jullie koning dan laten kruisigen?” De hoofdpriesters antwoordden: “De enige koning die wij hebben is de keizer!”
JOH 19:16 Toen droeg Pilatus Jezus aan hen over om te worden gekruisigd en zij leidden Hem weg.
JOH 19:17 Jezus droeg zelf zijn kruis toen Hij de stad verliet, naar de zogeheten Schedelplaats, die in het Aramees Golgota wordt genoemd.
JOH 19:18 Daar werd Hij gekruisigd, samen met twee anderen, één aan elke kant met Jezus in het midden.
JOH 19:19 Pilatus had een bordje laten maken dat op het kruis werd aangebracht; er stond op: “Jezus van Nazaret, de koning van de Joden.”
JOH 19:20 Het was geschreven in het Aramees, het Latijn en het Grieks. Omdat de plaats waar Jezus werd gekruisigd dicht bij de stad lag, werd dit opschrift door veel van de Joodse mensen gelezen.
JOH 19:21 De Joodse hoofdpriesters protesteerden bij Pilatus: “Er moet niet staan: ‘de koning van de Joden’, maar: ‘Hij beweerde: Ik ben de koning van de Joden.’”
JOH 19:22 Pilatus antwoordde: “Wat ik heb laten schrijven, blijft er staan.”
JOH 19:23 Nadat ze Jezus hadden gekruisigd, namen de soldaten zijn kledij in beslag. De bovenkledij werd in vieren gedeeld en elke soldaat kreeg een deel. Maar zijn onderkleed was naadloos, in een stuk van boven naar onder geweven.
JOH 19:24 Daarom zeiden ze tegen elkaar: “Laten we het niet in stukken scheuren, maar onder elkaar verloten.” Zo ging in vervulling wat in de Schriften staat: “Mijn kleren hebben ze onder elkaar verdeeld en mijn kledij hebben ze verloot.” Dat was precies wat de soldaten deden.
JOH 19:25 Dicht bij het kruis van Jezus stonden zijn moeder, de zuster van zijn moeder, Maria de vrouw van Klopas, en Maria van Magdala.
JOH 19:26 Toen Jezus zijn moeder zag staan, en naast haar de leerling van wie Hij veel hield, zei Hij tegen zijn moeder: “Kijk, hij is je zoon.”
JOH 19:27 Daarna zei Hij tegen die leerling: “Kijk, zij is je moeder.” Toen nam de leerling haar bij zich in huis.
JOH 19:28 Daarna zei Jezus, omdat Hij wist dat Hij zijn werk had voltooid: “Ik heb dorst.” Hij zei dit opdat de Schriften in vervulling zouden gaan.
JOH 19:29 Er stond daar een vat met zure wijn. Iemand doopte een spons in die zure wijn, stak de spons op een hyssopstengel en bracht die omhoog naar Jezus' lippen.
JOH 19:30 Nadat Jezus er wat van had gedronken, zei Hij: “Het is voltooid.” Toen boog Hij zijn hoofd en stierf Hij.
JOH 19:31 Omdat het Voorbereidingsdag was en de Joodse mensen niet wilden dat de lichamen tijdens de sabbat – en dan nog wel een bijzondere sabbat – aan het kruis zouden blijven hangen, verzochten ze Pilatus dat de benen van de gekruisigden gebroken zouden worden en de lichamen verwijderd.
JOH 19:32 Toen kwamen de soldaten de benen breken van de ene en van de andere man die samen met Jezus waren gekruisigd.
JOH 19:33 Maar toen ze bij Jezus kwamen, zagen ze dat Hij reeds was gestorven en braken ze zijn benen niet.
JOH 19:34 Wel stak een van de soldaten met een speer in zijn zij. Er kwam meteen bloed en water uit.
JOH 19:35 Dit is de getuigenis van iemand die het zelf heeft gezien en zijn getuigenis is betrouwbaar. Hij weet dat hij de waarheid spreekt en hij doet dat opdat ook jullie het geloven.
JOH 19:36 Dit is gebeurd als vervulling van hetgeen in de Schriften staat: “Geen van zijn beenderen zal worden verbrijzeld.”
JOH 19:37 En op een andere plaats in de Schriften staat: “Ze zullen naar Hem kijken die ze hadden doorstoken.”
JOH 19:38 Daarna verzocht Jozef van Arimatea – hij was een leerling van Jezus, maar in het geheim, omdat hij bang was voor de Joodse leiders – Pilatus om toelating om Jezus' lichaam op te halen. Pilatus liet het toe en dus kwam Jozef Jezus' lichaam ophalen.
JOH 19:39 Ook kwam Nikodemus – de man die ooit 's nachts bij Jezus was gekomen – een mengsel van mirre en aloë brengen, dat ongeveer dertig kilo woog.
JOH 19:40 Ze wikkelden Jezus' lichaam met de balsem in linnen doeken, zoals gebruikelijk is bij een Joodse begrafenis.
JOH 19:41 Vlak bij de plaats waar Jezus was gekruisigd, bevond zich een tuin met daarin een nieuw graf, waarin nog niemand was bijgezet.
JOH 19:42 Omdat het voor de Joodse mensen Voorbereidingsdag was en het graf dichtbij was, legden ze Jezus daarin.
JOH 20:1 Vroeg op de eerste dag van de week, toen het nog donker was, ging Maria van Magdala naar het graf. Ze zag dat de steen voor de ingang van het graf was verwijderd.
JOH 20:2 Ze rende naar Simon Petrus en naar een andere leerling van Jezus, de leerling van wie Hij veel hield, en zei tegen hen: “De Heer is uit het graf weggenomen en we weten niet waar Hij is neergelegd.”
JOH 20:3 Toen gingen Petrus en die andere leerling naar het graf.
JOH 20:4 Ze renden samen, maar de andere leerling was sneller dan Petrus en kwam als eerste bij het graf aan.
JOH 20:5 Hij boog zich voorover, keek naar binnen en zag de windsels liggen, maar ging niet naar binnen.
JOH 20:6 Toen kwam ook Simon Petrus, die achter hem had gelopen. Hij ging het graf binnen en zag de doeken liggen.
JOH 20:7 De doek die om Jezus' hoofd gewikkeld was geweest, bevond zich niet bij de andere doeken maar lag opgerold apart.
JOH 20:8 Nu ging de andere leerling, die als eerste bij het graf was aangekomen, ook naar binnen. Hij keek en hij geloofde.
JOH 20:9 Maar ze begrepen nog niet dat in de Schriften staat dat Jezus uit de dood moest verrijzen.
JOH 20:10 Zijn leerlingen gingen terug naar huis,
JOH 20:11 terwijl Maria bij het graf stond te wenen. Al wenend boog ze voorover om in het graf te kijken.
JOH 20:12 Daar zag ze twee in het wit geklede engelen zitten op de plaats waar Jezus' lichaam had gelegen, de ene aan het hoofdeinde en de andere aan het voeteneinde.
JOH 20:13 Ze vroegen haar: “Waarom huil je?” Ze antwoordde: “Mijn Heer is weggenomen en ik weet niet waar Hij is neergelegd.”
JOH 20:14 Nadat ze dat had gezegd, keek ze om en zag ze Jezus staan, maar ze besefte niet dat Hij het was.
JOH 20:15 Jezus vroeg haar: “Waarom huil je? Wie zoek je?” Ze dacht dat Hij de tuinman was en antwoordde: “Meneer, als u hem hebt verplaatst, vertel me dan waar u Hem hebt neergelegd. Dan zal ik Hem laten ophalen.”
JOH 20:16 Jezus zei tegen haar: “Maria”. Toen keerde ze zich naar Hem toe en zei in het Aramees: “Rabboeni”. Dat betekent: Leraar.
JOH 20:17 Jezus zei tegen haar: “Laat Me los, want Ik ben nog niet naar mijn Vader opgestegen. Maar ga naar mijn broeders toe en zeg tegen hen: ‘Ik ga terug naar mijn Vader, die ook jullie Vader is, naar mijn God die ook jullie God is.’”
JOH 20:18 Maria van Magdala ging naar Jezus' leerlingen en verkondigde: “Ik heb de Heer gezien.” Ook vertelde ze wat Hij tegen haar had gezegd.
JOH 20:19 Op de avond van diezelfde dag, de eerste dag van de week, toen Jezus' leerlingen bijeenkwamen en de deur op slot hadden gedaan uit angst voor de Joodse leiders, kwam Hij in hun midden staan. Hij zei tegen hen: “Ik wens jullie vrede toe.”
JOH 20:20 Nadat Hij dat had gezegd, toonde Hij hun zijn handen en zijn zij. De leerlingen waren verheugd om de Heer te zien.
JOH 20:21 Jezus vervolgde: “Ik wens jullie vrede toe. Zoals de Vader Mij heeft gezonden, zend Ik jullie.”
JOH 20:22 Nadat Hij dat had gezegd, blies Hij over hen en zei Hij: “Ontvang de Heilige Geest.
JOH 20:23 Als jullie iemands zonden vergeven, dan zijn ze vergeven. Maar als jullie iemands zonden niet vergeven, dan blijven die zonden hem toegerekend.”
JOH 20:24 Een van de Twaalf, Tomas bijgenaamd Didymus, was er niet toen Jezus bij hen was gekomen.
JOH 20:25 Toen de andere leerlingen hem vertelden: “Wij hebben de Heer gezien”, antwoordde hij: “Zolang ik de wonden van de spijkers in zijn handen niet heb gezien, de plaats waar de spijkers hebben gezeten niet met mijn vinger heb aangeraakt en met mijn hand niet zijn zij heb gevoeld, geloof ik het niet.”
JOH 20:26 Een week later waren Jezus' leerlingen opnieuw bijeen en was ook Tomas erbij. Hoewel de deuren op slot waren, kwam Hij in hun midden staan. Hij zei: “Ik wens jullie vrede toe.”
JOH 20:27 Toen zei Hij tegen Tomas: “Geef je vinger hier en bekijk mijn handen; geef Me je hand en leg die in mijn zij. Wees niet langer ongelovig, maar geloof.”
JOH 20:28 Tomas antwoordde: “Mijn Heer, mijn God!”
JOH 20:29 Jezus vervolgde: “Je gelooft omdat je Mij hebt gezien? Gezegend zijn zij die geloven zonder te hebben gezien.”
JOH 20:30 Jezus heeft in het bijzijn van zijn leerlingen nog veel meer wonderlijke tekenen verricht, maar die staan niet in dit boek vermeld.
JOH 20:31 Wat wel in dit boek staat, is op schrift gesteld met de bedoeling dat jullie geloven dat Jezus de Messias is, de Zoon van God, en dat jullie, door te geloven, leven zullen bezitten omdat jullie bij Hem horen.
JOH 21:1 Later vertoonde Jezus zich nogmaals aan zijn leerlingen, bij het Meer van Tiberias. Dat gebeurde als volgt:
JOH 21:2 Simon Petrus, Tomas die Didymus wordt genoemd, Natanaël uit Kana in Galilea, de zonen van Zebedeüs en nog twee van Jezus' leerlingen waren bijeen.
JOH 21:3 Simon Petrus zei: “Ik ga vissen.” De anderen zeiden: “Wij komen met je mee.” Ze gingen naar de boot en stapten in, maar die nacht vingen ze niets.
JOH 21:4 Toen de ochtend aanbrak, stond Jezus op de oever, maar de leerlingen beseften niet dat het Jezus was.
JOH 21:5 Jezus vroeg hen: “Hebben jullie niets gevangen?” Ze antwoordden: “Nee.”
JOH 21:6 Hij zei tegen hen: “Werp het net uit aan de rechterkant van de boot. Dan zullen jullie wél vis vangen.” Ze wierpen het net uit en toen zat er zoveel vis in dat ze het niet terug aan boord konden krijgen.
JOH 21:7 Toen zei de leerling van wie Jezus veel hield tegen Petrus: “Het is de Heer.” Toen Simon Petrus hoorde dat het de Heer was, trok hij zijn bovenkleed aan – want hij was nauwelijks gekleed – en sprong in het water.
JOH 21:8 De andere leerlingen voeren erheen in het bootje, terwijl ze het net met de vissen meesleepten. Ze bevonden zich namelijk niet ver van de oever, op bijna honderd meter afstand.
JOH 21:9 Toen ze uitstapten, de oever op, zagen ze dat daar een vuur was aangelegd. Er lag vis op en er was ook brood.
JOH 21:10 Jezus zei tegen hen: “Breng wat van de vissen die jullie hebben gevangen.”
JOH 21:11 Simon Petrus ging weer aan boord en trok het net aan land. Het zat vol grote vissen: wel 153, en toch scheurde het niet.
JOH 21:12 Jezus zei tegen hen: “Kom eten.” Geen van zijn leerlingen durfde Hem te vragen: “Wie bent U?”, want ze beseften dat het de Heer was.
JOH 21:13 Jezus kwam dichterbij, nam het brood en gaf hun ervan. Hetzelfde deed Hij met de vis.
JOH 21:14 Dit was de derde keer dat Jezus zich aan zijn leerlingen vertoonde nadat Hij uit de dood was verrezen.
JOH 21:15 Nadat ze hadden gegeten, zei Jezus tegen Simon Petrus: “Simon, zoon van Johannes, heb jij Mij meer lief dan de anderen hier?” Hij antwoordde: “Ja Heer, U weet dat ik van U hou.” Jezus zei: “Weid mijn lammeren.”
JOH 21:16 Jezus vroeg hem een tweede keer: “Simon, zoon van Johannes, heb jij Mij lief?” Hij antwoordde: “Ja Heer, U weet dat ik van U hou.” Jezus zei tegen hem: “Weid mijn schapen.”
JOH 21:17 Jezus vroeg hem voor de derde keer: “Simon, zoon van Johannes, hou jij van Mij?” Petrus werd bedroefd omdat Jezus hem voor de derde keer vroeg: “Hou jij van Mij?” Hij antwoordde: “Heer, U weet alles. U weet dat ik van U hou.” Jezus zei tegen hem: “Weid mijn schapen.
JOH 21:18 Ik zeg je nadrukkelijk, toen je jonger was, deed je zelf je gordel om en ging je naar de plaats waar je wilde zijn. Maar wanneer je oud bent geworden, zal je je handen uitstrekken en een ander zal jou je gordel omdoen en je naar een plaats brengen waar je niet wil zijn.”
JOH 21:19 Jezus zei dit om aan te geven hoe Petrus zou sterven tot eer van God. Vervolgens zei Hij tegen hem: “Volg Mij.”
JOH 21:20 Petrus draaide zich om en zag dat de leerling van wie Jezus veel hield hen volgde. Dit was ook de leerling die zich tijdens het Pesachmaal naast Jezus aan tafel had bevonden en die zich naar Hem toe gebogen had om te vragen: “Heer, wie is het die U zal verraden?”
JOH 21:21 Toen Petrus hem zag, vroeg hij aan Jezus: “Heer, wat zal er met hem gebeuren?”
JOH 21:22 Jezus antwoordde: “Als Ik wil dat hij hier blijft totdat Ik terugkom, is dat jouw zaak toch niet? Zorg jij maar dat je Mij volgt.”
JOH 21:23 Zo ontstond onder de christenen het gerucht dat die leerling niet zou sterven. Jezus had echter niet tegen Petrus gezegd dat hij niet zou sterven, maar: “Als Ik wil dat hij hier blijft totdat Ik terugkom, is dat jouw zaak toch niet?”
JOH 21:24 Dat was dezelfde leerling die deze dingen verklaart en ze op schrift heeft gesteld. En zoals wij weten is deze getuigenis betrouwbaar.
JOH 21:25 Jezus heeft nog veel andere dingen gedaan. Als die allemaal op schrift gesteld zouden worden, zou de wereld volgens mij te klein zijn voor de boeken die dan geschreven zouden worden.
ACT 1:1 Aan Theofilus. In mijn eerste werk beschreef ik alles wat Jezus heeft gedaan en onderwezen, vanaf het begin
ACT 1:2 tot de dag dat Hij in de hemel werd opgenomen, nadat Hij door de kracht van de Heilige Geest instructies had gegeven aan de apostelen die Hij had gekozen.
ACT 1:3 Na zijn lijden had Jezus de apostelen veertig dagen lang getoond dat Hij leefde, door dikwijls aan hen te verschijnen en hun te vertellen over Gods koninkrijk.
ACT 1:4 Terwijl ze een keer samen de maaltijd gebruikten, gaf Hij hun de opdracht: “Vertrek niet uit Jeruzalem, maar wacht op de vervulling van de belofte van mijn Vader waarover Ik jullie heb verteld.
ACT 1:5 Want Johannes doopte met water, maar jullie zullen over enkele dagen worden gedoopt met de Heilige Geest.”
ACT 1:6 Zij die waren samengekomen, vroegen Hem: “Heer, gaat U ongeveer nu het koningschap van Israël herstellen?”
ACT 1:7 Hij antwoordde: “Jullie hoeven de tijden en momenten niet te kennen die de Vader op grond van zijn eigen gezag heeft bepaald.
ACT 1:8 Maar wanneer de Heilige Geest over jullie komt, zullen jullie kracht ontvangen en mijn getuigen worden, zowel in Jeruzalem als in heel Judea en Samaria, zelfs tot in de uithoeken van de aarde.”
ACT 1:9 Na dit te zeggen werd Hij voor hun ogen weggenomen naar omhoog, en een wolk nam Hem uit hun zicht.
ACT 1:10 Terwijl Hij bij hen vandaan ging en ze nog naar de hemel tuurden, stonden er opeens twee mannen in witte kleren bij hen.
ACT 1:11 Ze zeiden: “Galileeërs, wat staan jullie naar de hemel te kijken? Deze Jezus, die van bij jullie in de hemel is opgenomen, zal op dezelfde wijze terugkomen als jullie Hem naar de hemel hebben zien gaan.”
ACT 1:12 Toen keerden de apostelen naar Jeruzalem terug, vanaf de berg die Olijfberg heet en dicht bij Jeruzalem ligt – op een sabbatsreis verwijderd.
ACT 1:13 Daar aangekomen gingen ze naar de bovenzaal waar ze verbleven. Dit waren Petrus, Johannes, Jakobus en Andreas, Filippus, Tomas, Bartolomeüs en Matteüs, Jakobus, de zoon van Alfeüs, Simon de Zeloot en Judas, de zoon van Jakobus.
ACT 1:14 Zij waren allen voortdurend en eensgezind aan het bidden, samen met een aantal vrouwen, waaronder Jezus' moeder Maria, en met zijn broers.
ACT 1:15 Het was in die periode dat Petrus te midden van de gelovigen – een groep van ongeveer 120 personen – opstond en zei:
ACT 1:16 “Geloofsgenoten, het Schriftgedeelte moest in vervulling gaan, waarin de Heilige Geest bij monde van David profeteerde over Judas, die de mensen die Jezus arresteerden naar Hem toe geleid heeft.
ACT 1:17 Judas werd als een van ons beschouwd en had een aandeel in onze dienende taak gekregen.
ACT 1:18 Hij kocht een stuk grond met het loon voor het kwaad dat hij had gedaan. Daar viel hij voorover, zijn lichaam scheurde open en zijn ingewanden puilden naar buiten.
ACT 1:19 Dat raakte bekend onder alle inwoners van Jeruzalem. Daarom heet dat stuk grond in hun taal Akeldama, wat ‘bloedgrond’ betekent.
ACT 1:20 Want in het boek Psalmen staat: ‘Laat zijn woonplaats verlaten zijn en laat er niemand wonen’ en ‘Laat een ander zijn positie als verantwoordelijke overnemen’.
ACT 1:21 Daarom moet iemand anders, die de hele tijd bij ons is geweest toen de Heer Jezus onder ons leefde –
ACT 1:22 te beginnen met zijn doop door Johannes tot de dag dat Hij bij ons is weggenomen naar omhoog – samen met ons getuige van zijn verrijzenis zijn.”
ACT 1:23 Er werden twee kandidaten voorgesteld: Jozef Barsabbas die ook wel Justus werd genoemd, en Mattias.
ACT 1:24 De gelovigen baden: “Heer, U kent de harten van alle mensen, wilt U aanwijzen wie van deze twee U heeft uitgekozen
ACT 1:25 om de dienende taak als apostel over te nemen van Judas, die deze positie heeft verlaten en nu op de plaats is die hem toekomt.”
ACT 1:26 Er werd tussen hen geloot en het lot viel op Mattias. Zo werd hij een apostel, samen met de andere elf.
ACT 2:1 Toen de dag van Pinksteren was aangebroken, waren ze allen op één plaats bij elkaar.
ACT 2:2 Plots kwam uit de hemel een geluid dat leek op dat van een hevige windvlaag. Het vulde het hele huis waar ze zich bevonden.
ACT 2:3 Toen verscheen bij hen iets dat leek op vlammen die zich verspreidden en op elk van hen bleven rusten.
ACT 2:4 Ze raakten allen vervuld van de Heilige Geest en begonnen te spreken in vreemde talen, zoals de Geest het hun ingaf om uit te spreken.
ACT 2:5 Nu woonden er in Jeruzalem Joodse mensen die God respecteerden en die uit alle landen in de wereld afkomstig waren.
ACT 2:6 Toen dit gebeurde, kwamen velen van hen op het geluid af; ze waren verbaasd dat iedereen hen in zijn eigen taal hoorde spreken.
ACT 2:7 Verwonderd en perplex vroegen ze: “Maar die mensen die daar spreken zijn toch allen Galileeërs?
ACT 2:8 Hoe kan het dan dat ieder van ons hen hoort in de taal van zijn geboortestreek?
ACT 2:9 Parten, Meden, Elamieten, inwoners van Mesopotamië, Judea, Kappadocië, Pontus, Asia,
ACT 2:10 Frygië, Pamfylië, Egypte en de streek rondom Cyrene in Libië, maar ook bezoekers uit Rome
ACT 2:11 – zowel Joden als mensen die zich tot het jodendom hadden bekeerd – en Kretenzen en Arabieren, we horen hen in onze eigen talen spreken over Gods machtige daden!”
ACT 2:12 Verwonderd en verward vroegen ze elkaar: “Wat zou dit toch betekenen?”
ACT 2:13 Anderen zeiden echter spottend: “Ze hebben te veel zoete wijn gedronken.”
ACT 2:14 Toen stond Petrus op, samen met de andere apostelen, en sprak hen op luide toon toe: “Joden en alle inwoners van Jeruzalem, luister en laat mijn woorden goed tot jullie doordringen.
ACT 2:15 Deze mensen zijn niet dronken zoals jullie denken, want het is nog maar negen uur in de ochtend!
ACT 2:16 Wat hier gebeurt, is wat door de profeet Joël werd aangekondigd:
ACT 2:17 ‘Tegen het einde van de tijd, zegt God, zal Ik mijn Geest uitstorten over alle mensen. Jullie zonen en dochters zullen profeteren; jullie jongeren zullen visioenen krijgen en jullie ouderen dromen.
ACT 2:18 In die dagen stort Ik mijn Geest uit over mijn dienaren en dienaressen en zij zullen profeteren.
ACT 2:19 Ik zal wonderen doen in de hemel boven en tekenen op de aarde beneden: bloed, vuur en rookpluimen.
ACT 2:20 De zon zal duister worden en de maan bloedrood, voordat de grote en glorierijke Dag van de Heer aanbreekt.
ACT 2:21 En het zal zo zijn dat ieder die de Heer aanroept, gered zal worden.’
ACT 2:22 Israëlieten, luister naar dit nieuws: God heeft jullie gewezen op Jezus van Nazaret. Zoals jullie weten heeft God immers door deze Man machtige daden, wonderen en tekenen gedaan waar jullie zelf bij waren.
ACT 2:23 En overeenkomstig Gods onveranderlijke plan en voorkennis werd Jezus aan jullie overgeleverd. Jullie hebben Hem door slechte mensen laten kruisigen en doden.
ACT 2:24 God heeft Hem echter tot leven gewekt en Hem zo bevrijd van de kwelling van de dood, want het was onmogelijk dat Hij in zijn greep zou blijven.
ACT 2:25 David schreef namelijk over Hem: ‘Ik hield de Heer voortdurend voor ogen. Omdat Hij aan mijn zijde is, wankel ik niet.
ACT 2:26 Daarom is mijn hart blij en jubelt mijn tong. Mijn hele lichaam leeft in hoop,
ACT 2:27 want U laat mijn ziel niet in het dodenrijk achter en U laat uw toegewijde niet tot ontbinding overgaan.
ACT 2:28 U maakt de paden van het leven aan mij bekend, U vervult mij met vreugde door uw aanwezigheid.’
ACT 2:29 Volksgenoten, wat onze voorvader David betreft kan ik jullie met stelligheid zeggen dat hij gestorven en begraven is en dat zijn graf vandaag nog bij ons is.
ACT 2:30 Maar hij was een profeet en hij wist dat God hem had gezworen dat een van zijn afstammelingen op zijn troon zou zitten.
ACT 2:31 Hij voorzag de verrijzenis van de Messias en zei dat Hij niet in het dodenrijk zou worden achtergelaten en dat zijn lichaam niet tot ontbinding zou overgaan.
ACT 2:32 Deze Jezus is door God weer tot leven gewekt; wij allen zijn daar getuige van.
ACT 2:33 Hij is verheven naar Gods rechterzijde, ontving de Heilige Geest die de Vader had beloofd, en heeft geschonken wat jullie nu zien en horen.
ACT 2:34 Want David is niet naar de hemel gegaan, maar toch zegt hij: ‘De Heer zei tegen mijn Heer: Neem plaats aan Mijn rechterzijde,
ACT 2:35 totdat Ik je vijanden aan je heb onderworpen.’
ACT 2:36 Daarom mogen alle Israëlieten er zeker van zijn dat God deze Jezus, die jullie hadden gekruisigd, tot zowel Heer als Messias heeft aangesteld.”
ACT 2:37 Toen de mensen dit hoorden, werden ze diep in hun harten geraakt en vroegen ze Petrus en de andere apostelen: “Vrienden, wat moeten we doen?”
ACT 2:38 Petrus antwoordde: “Jullie moeten allemaal tot inkeer komen en je laten dopen in de naam van Jezus Christus, opdat jullie zonden worden vergeven en jullie als geschenk de Heilige Geest ontvangen.
ACT 2:39 Want de belofte geldt voor jullie, voor jullie kinderen en voor alle mensen ver weg, voor iedereen die de Heer onze God zal roepen.”
ACT 2:40 Hij vervolgde zijn getuigenis met nog meer argumenten en spoorde hen aan: “Laat je redden uit deze corrupte wereld!”
ACT 2:41 De mensen die Petrus' boodschap aanvaardden, werden gedoopt. Die dag werd hun aantal uitgebreid met ongeveer drieduizend personen.
ACT 2:42 Ze wijdden zich aan het onderwijs van de apostelen, het onderling samenzijn, de gezamenlijke maaltijd en de gebeden.
ACT 2:43 De vele wonderen en tekenen die door de apostelen werden gedaan, vervulden iedereen met ontzag.
ACT 2:44 Alle gelovigen bleven bijeen en hadden alles gemeenschappelijk.
ACT 2:45 Ze verkochten eigendommen en bezittingen en verdeelden de opbrengst naar behoefte onder iedereen.
ACT 2:46 Elke dag kwamen ze trouw en eensgezind bijeen op het tempelterrein; thuis braken ze het brood en aten ze gezamenlijk met een blij en oprecht hart.
ACT 2:47 Ze loofden God en het hele volk was hen gunstig gezind. En elke dag werden meer mensen gered en door de Heer aan hen toegevoegd.
ACT 3:1 Op een dag waren Petrus en Johannes onderweg naar het tempelterrein. Het was 3 uur 's middags, de tijd van het gebed.
ACT 3:2 Ook werd er een man daarheen gedragen, die vanaf zijn geboorte aan zijn voeten verlamd was. Hij werd elke dag naar de tempelpoort gebracht die Schone Poort heet, zodat hij om aalmoezen kon vragen aan de mensen die het tempelterrein opgingen.
ACT 3:3 Toen hij zag dat Petrus en Johannes het tempelterrein zouden opgaan, vroeg hij hen om een aalmoes.
ACT 3:4 Petrus en Johannes keken hem in de ogen en Petrus zei: “Kijk ons eens aan.”
ACT 3:5 Hij vestigde zijn aandacht op hen in de verwachting iets van hen te krijgen.
ACT 3:6 Toen zei Petrus: “Goud of zilver heb ik niet, maar ik geef je wat ik wel heb. In naam van Jezus Christus van Nazaret: sta op en wandel!”
ACT 3:7 Hij greep hem bij zijn rechterhand en hielp hem overeind. Op hetzelfde moment werden zijn voeten en enkels gezond.
ACT 3:8 Hij sprong op, ging overeind staan en begon te stappen. Toen ging hij met hen het tempelterrein op, waar hij rondwandelde, sprong en God prees.
ACT 3:9 Alle mensen die daar waren, zagen hem wandelen en God prijzen.
ACT 3:10 Ze herkenden hem als de man die altijd om aalmoezen vroeg bij de Schone Poort van de tempel, en ze waren vol verwondering en verbijstering over wat er met hem was gebeurd.
ACT 3:11 Terwijl hij zich aan Petrus en Johannes vastklampte, stroomden alle mensen die daar waren nieuwsgierig naar hen toe, op de plaats die de Zuilengalerij van Salomo heet.
ACT 3:12 Toen Petrus dat zag, sprak hij de mensen toe: “Israëlieten, waarom verbazen jullie je hierover en waarom staren jullie ons aan alsof het door onze kracht of godsdienstigheid is dat deze man nu kan wandelen?
ACT 3:13 De God van Abraham, Isaak en Jakob, de God van onze voorvaders, heeft zijn dienaar Jezus verheerlijkt, die door jullie was uitgeleverd en afgewezen voor de ogen van Pilatus, zelfs toen die Hem wilde vrijlaten.
ACT 3:14 Jullie hebben de Heilige en Rechtvaardige afgewezen en vroegen om gratie voor een moordenaar.
ACT 3:15 Jullie hebben de Gever van het leven vermoord, maar God heeft Hem uit de dood doen verrijzen, en wij zijn daarvan getuige.
ACT 3:16 Op basis van het geloof in de kracht van Jezus is deze man, die jullie zien en kennen, sterk geworden. Het is dankzij de kracht van Jezus en het geloof dat Hij schenkt, dat deze man volkomen gezond is geworden in het bijzijn van jullie allen.
ACT 3:17 Volksgenoten, ik weet dat jullie – en ook jullie leiders – uit onwetendheid hebben gehandeld.
ACT 3:18 Maar zo heeft God vervuld wat Hij vooraf had aangekondigd bij monde van alle profeten, namelijk dat zijn Messias zou lijden.
ACT 3:19 Kom dus tot inkeer en bekering, opdat jullie zonden worden uitgewist
ACT 3:20 en opdat de Heer tijden van rust zal geven en Hij de Messias zal zenden, die reeds voor jullie is aangesteld: Jezus.
ACT 3:21 Jezus moet in de hemel blijven tot het tijdstip waarop God alle dingen herstelt, zoals Hij lang geleden bij monde van de heilige profeten heeft beloofd.
ACT 3:22 Mozes zei immers al: ‘De Heer jullie God zal uit jullie eigen mensen een profeet voor jullie doen opstaan die is zoals ik; luister naar alles wat Hij jullie vertelt.
ACT 3:23 Ieder die niet naar die profeet luistert, zal uit het volk worden verwijderd.’
ACT 3:24 En inderdaad hebben alle profeten, vanaf Samuel en zijn opvolgers, in hun uitspraken de huidige periode aangekondigd.
ACT 3:25 Jullie zijn de erfgenamen van de profeten en van het verbond dat God met jullie voorouders heeft gesloten. Hij zei tegen Abraham: ‘Door jouw afstammelingen zullen alle volken op aarde worden gezegend.’
ACT 3:26 Nu God zijn dienaar heeft doen verrijzen, heeft Hij Hem eerst naar jullie gezonden om jullie te zegenen door elk van jullie van zijn slechte levenswandel af te brengen.”
ACT 4:1 Terwijl Petrus en Johannes het volk toespraken, kwamen de priesters, de sadduceeën en het hoofd van de tempelwacht op hen af.
ACT 4:2 Ze ergerden zich omdat Petrus en Johannes, door het volk over Jezus te onderwijzen, de verrijzenis uit de dood verkondigden.
ACT 4:3 Ze arresteerden hen en omdat het al avond was, zetten ze hen gevangen tot de volgende dag.
ACT 4:4 Maar veel van de mensen die de toespraak hadden gehoord, kwamen tot geloof en het aantal gelovigen nam toe tot ongeveer vijfduizend.
ACT 4:5 De volgende dag kwamen de Joodse leiders, oudsten en Schriftgeleerden in Jeruzalem bijeen.
ACT 4:6 Annas de hogepriester was erbij, en ook Kajafas, Johannes, Alexander en de overige leden van de familie van de hogepriester.
ACT 4:7 Ze lieten Petrus en Johannes voorleiden en vroegen hen: “Door welke kracht of in wiens naam hebben jullie dit gedaan?”
ACT 4:8 Petrus raakte vervuld van de Heilige Geest en zei tegen hen: “Leiders en oudsten van het volk,
ACT 4:9 als wij vandaag worden verhoord vanwege een goede daad die wij hebben verricht voor een persoon met een handicap, zodat hij daarvan is genezen,
ACT 4:10 dan moet u allen – en ook het hele volk Israël – weten dat deze persoon gezond voor u staat door de kracht van Jezus Christus van Nazaret, die u heeft gekruisigd maar die God uit de dood heeft doen verrijzen.
ACT 4:11 Jezus is de steen die door u, de bouwers, werd afgekeurd maar die de hoeksteen is geworden.
ACT 4:12 Het is door Hem dat we gered moeten worden; de redding is bij niemand anders te vinden. Er is in de hele wereld geen enkele andere redder voor de mensen.”
ACT 4:13 Toen ze de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes zagen en beseften dat dit niet-opgeleide, gewone mannen waren, waren ze verbijsterd. Ze herkenden hen als mensen die met Jezus hadden opgetrokken.
ACT 4:14 En omdat ze de genezen persoon bij hen zagen staan, hadden ze geen weerwoord.
ACT 4:15 Ze stuurden hen de zaal uit en overlegden met elkaar.
ACT 4:16 Ze zeiden: “Wat zullen we met deze mensen doen? Voor alle inwoners van Jeruzalem is het duidelijk dat er door hen een opmerkelijk teken is verricht. Dat kunnen we niet ontkennen.
ACT 4:17 Laten we, om te voorkomen dat dit verder onder het volk bekend raakt, hen waarschuwen dat ze in geen geval nog iemand in zijn naam mogen toespreken.”
ACT 4:18 Ze riepen hen binnen en verboden hun streng om in de naam van Jezus te spreken of te onderwijzen.
ACT 4:19 Maar Petrus en Johannes antwoordden: “Is het correct tegenover God om naar u te luisteren in plaats van naar Hem? Oordeelt u zelf!
ACT 4:20 Wij kunnen echter niet zwijgen over wat we hebben gezien en gehoord.”
ACT 4:21 Nadat ze Petrus en Johannes verder dreigend hadden toegesproken, lieten ze hen vrij, omdat ze geen manier konden vinden om hen te straffen. Dat kwam door het volk: iedereen verheerlijkte God voor wat er was gebeurd.
ACT 4:22 De man die door dit wonder was genezen, was meer dan veertig jaar oud.
ACT 4:23 Na hun vrijlating gingen Petrus en Johannes naar hun eigen mensen om verslag uit te brengen van wat de hoofdpriesters en oudsten tegen hen hadden gezegd.
ACT 4:24 Toen zij het hoorden, baden ze eensgezind luidop tot God: “Machtige Heer, U bent de Maker van de hemel, de aarde en de zee met alles wat daarin.
ACT 4:25 Door de Heilige Geest sprak U bij monde van uw dienaar en onze voorvader David: ‘Waarom gaan de vreemde volken tekeer en smeden ze dwaze plannen?
ACT 4:26 De koningen van de aarde stellen zich op en de heersers verzamelen zich tegen de Heer en zijn Messias.’
ACT 4:27 Want inderdaad hebben Herodes, Pontius Pilatus, de niet-Joden en het volk Israël zich in deze stad tegen uw heilige Dienaar Jezus, uw Gezalfde, verzameld
ACT 4:28 om te doen wat U, in uw macht en volgens uw wil, reeds had besloten dat er zou gebeuren.
ACT 4:29 En nu, Heer, kijk naar hun dreigementen en stel uw nederige dienaren in staat om in alle vrijmoedigheid uw Woord te verkondigen.
ACT 4:30 Strek uw hand uit om te genezen en doe tekenen en wonderen door de kracht van uw heilige dienaar Jezus.”
ACT 4:31 Nadat ze hadden gebeden, beefde de plaats waar ze bijeen waren. Ze raakten allen vervuld van de Heilige Geest en verkondigden vrijmoedig het Woord van God.
ACT 4:32 De groep gelovigen was volkomen eensgezind en niemand beschouwde zijn eigendommen als zijn eigen bezit, maar ze hadden alles gemeenschappelijk.
ACT 4:33 De apostelen bleven met grote kracht getuigen over de verrijzenis van de Heer Jezus, en Zijn rijke genade rustte op hen allen.
ACT 4:34 Ook leed niemand onder hen gebrek. Er waren namelijk eigenaars die hun land of huizen verkochten en de opbrengst daarvan
ACT 4:35 ter beschikking van de apostelen stelden; het werd naar behoefte onder iedereen verdeeld.
ACT 4:36 Er was een leviet die uit Cyprus afkomstig was, Jozef, die door de apostelen Barnabas werd genoemd, wat “zoon van bemoediging” betekent.
ACT 4:37 Hij bezat een akker en verkocht die. De opbrengst bracht hij bij de apostelen en stelde het hun ter beschikking.
ACT 5:1 Iemand die Ananias heette, verkocht samen met zijn vrouw Saffira een stuk grond.
ACT 5:2 Met medeweten van zijn vrouw hield hij een deel van de opbrengst achter. De rest bracht hij naar de apostelen en stelde het hun ter beschikking.
ACT 5:3 Maar Petrus zei: “Ananias, hoe is het mogelijk dat de satan je hart heeft vervuld, zodat je de Heilige Geest probeert te bedriegen door een deel van de opbrengst van het stuk grond achter te houden?
ACT 5:4 Vóór de verkoop was het toch jouw eigendom? En erna beschikte je toch zelf over de opbrengst? Hoe is het mogelijk dat je tot het besluit was gekomen om dit te doen? Je hebt niet tegen mensen gelogen, maar tegen God.”
ACT 5:5 Toen Ananias deze woorden hoorde, viel hij neer en stierf. En ieder die ervan hoorde, schrok hevig.
ACT 5:6 De jonge mannen wikkelden hem in doeken, droegen hem weg en begroeven hem.
ACT 5:7 Ongeveer drie uur later kwam zijn vrouw binnen. Zij wist niet wat er gebeurd was.
ACT 5:8 Petrus vroeg haar: “Vertel eens, hebben jullie het stuk grond voor dit bedrag verkocht?” Zij antwoordde: “Ja, voor dit bedrag.”
ACT 5:9 Toen zei Petrus tegen haar: “Hoe is het mogelijk dat jullie met elkaar hebben afgesproken om de Geest van de Heer op de proef te stellen? De voetstappen van de mensen die je man hebben begraven zijn al te horen bij de deur. En ook jou zullen ze wegdragen.”
ACT 5:10 Op hetzelfde moment viel ze voor zijn voeten neer en stierf. Toen de jongemannen binnenkwamen, troffen ze haar dood aan. Ze droegen haar weg en begroeven haar bij haar man.
ACT 5:11 De hele kerkgemeenschap en ieder die ervan hoorde, werd erg bang.
ACT 5:12 De apostelen verrichtten veel tekenen en wonderen onder het volk. Alle gelovigen kwamen eensgezind bijeen in de Zuilengalerij van Salomo.
ACT 5:13 Van de anderen durfde niemand zich bij hen aan te sluiten, maar het volk sprak lovend over hen.
ACT 5:14 Toch kwamen nog meer mannen én vrouwen tot het geloof in de Heer.
ACT 5:15 Men droeg zelfs de zieken de straat op en legde hen daar op bedden en matten, in de hoop dat ten minste Petrus' schaduw in het voorbijgaan op sommigen van hen zou vallen.
ACT 5:16 Ook uit de plaatsen rondom Jeruzalem kwamen grote aantallen mensen naar hen toe. Ze brachten zieken en door onreine geesten gekwelden mee en die werden allen genezen.
ACT 5:17 Toen kwam de hogepriester in actie met al zijn medestanders; dat waren de sadduceeën. Vervuld van afgunst
ACT 5:18 arresteerden ze de apostelen en sloten ze hen op in de gevangenis.
ACT 5:19 Maar 's nachts opende een engel van de Heer de gevangenisdeuren en leidde hen naar buiten.
ACT 5:20 Hij zei: “Ga op het tempelterrein staan en vertel al het nieuws over dit nieuwe leven aan de mensen.”
ACT 5:21 De apostelen luisterden; rond zonsopgang gingen ze het tempelterrein op en onderwezen verder. Inmiddels kwamen de hogepriester en zijn medestanders aan. Ze riepen de hele Joodse raad – de voltallige raad van oudsten van de Israëlieten – bijeen en gaven opdracht om de apostelen op te halen uit de gevangenis.
ACT 5:22 Maar toen de tempelwachters in de gevangenis aankwamen, vonden ze hen daar niet. Ze gingen terug en brachten verslag uit:
ACT 5:23 “We stelden vast dat de gevangenis zorgvuldig afgesloten was, en de bewakers stonden bij de deuren, maar toen we die openden, troffen we binnen niemand aan.”
ACT 5:24 Toen het hoofd van de tempelwacht en de hoofdpriesters die woorden hoorden, vroegen ze zich vertwijfeld af wat er aan de hand was.
ACT 5:25 Toen kwam iemand hen verwittigen: “De mannen die u gevangen had gezet, staan op het tempelterrein het volk te onderwijzen.”
ACT 5:26 Het hoofd van de tempelwacht ging er met zijn agenten op af en haalde de apostelen op zonder gebruik van geweld, want ze waren bang dat het volk hen anders zou stenigen.
ACT 5:27 De opgehaalde apostelen werden voor de Joodse raad geleid. De hogepriester vroeg hun:
ACT 5:28 “Wij hebben jullie toch streng verboden om in de naam van die Man te onderwijzen? Maar nu zijn jullie bezig om jullie leer in heel Jeruzalem te verspreiden en willen jullie ons aansprakelijk stellen voor zijn dood!”
ACT 5:29 Petrus en de andere apostelen antwoordden: “Men moet God meer gehoorzamen dan de mensen.
ACT 5:30 De God van onze voorouders heeft Jezus doen verrijzen, nadat u Hem had omgebracht door Hem aan een kruis te hangen.
ACT 5:31 God heeft Hem verheven naar de plaats aan zijn rechterzijde, als heerser en redder, opdat Hij inkeer en vergeving van zonden aan Israël zou schenken.
ACT 5:32 Daarvan zijn wij getuigen, evenals de Heilige Geest, die door God wordt geschonken aan de mensen die Hem gehoorzamen.”
ACT 5:33 Toen de leden van de Joodse raad dat hoorden, werden ze woedend en wilden ze de apostelen ombrengen.
ACT 5:34 Maar een farizeeër die Gamaliël heette, een Wetgeleerde die door het hele volk werd gerespecteerd, stond op in de vergadering en liet de apostelen kort naar buiten sturen.
ACT 5:35 Vervolgens sprak hij de vergadering toe: “Israëlieten, overweeg zorgvuldig wat u met deze mannen gaat doen.
ACT 5:36 Want enige tijd geleden trad Teudas op. Hij beweerde dat hij een bijzonder man was en ongeveer vierhonderd mensen sloten zich bij hem aan. Hij werd omgebracht en zijn aanhang viel uiteen; er bleef niets van over.
ACT 5:37 Verder trad Judas de Galileeër op, in de dagen van de volkstelling. Hij leidde een aantal mensen in een opstand. Ook hij is omgekomen en zijn aanhang werd uiteengedreven.
ACT 5:38 En wat de voorliggende zaak betreft zeg ik u: laat deze mensen met rust. Laat hen gaan. Want als dit plan en deze activiteiten mensenwerk zijn, zullen ze worden vernietigd.
ACT 5:39 Maar als dit van God is, kan u het niet vernietigen en kan zelfs blijken dat u God aan het tegenwerken bent.” De leden van de Joodse raad lieten zich door hem overtuigen.
ACT 5:40 Ze riepen de apostelen naar binnen, geselden hen, verboden hun streng om in de naam van Jezus te spreken en lieten hen vrij.
ACT 5:41 De apostelen verlieten de Joodse raad, vol vreugde omdat ze waardig waren geacht om vernedering te ondergaan omwille van Jezus.
ACT 5:42 En elke dag waren ze zonder ophouden op het tempelterrein en aan huis aan het onderwijzen en verkondigen dat Jezus de Messias is.
ACT 6:1 Terwijl het aantal volgelingen van Jezus in die tijd almaar toenam, begonnen de Griekstaligen te klagen over de Arameestaligen, omdat de Griekstalige weduwen over het hoofd werden gezien bij de dagelijkse voedselbedeling.
ACT 6:2 Daarom riepen de Twaalf de hele groep volgelingen van Jezus bijeen en zeiden: “Het zou ongepast zijn als wij de verkondiging van het Woord van God zouden verwaarlozen om maaltijden uit te delen.
ACT 6:3 Daarom, geloofsgenoten: kies uit jullie midden zeven mannen die een goede reputatie hebben en die vervuld van de Geest en vol wijsheid zijn. Hen zullen wij voor deze taak aanstellen.
ACT 6:4 En wij zullen ons blijven bezighouden met het gebed en het verkondigen van de boodschap van God.”
ACT 6:5 De hele gemeenschap was tevreden met dit voorstel. Men koos Stefanus, een man vol van geloof en de Heilige Geest, en ook Filippus, Prochorus, Nikanor, Timon, Parmenas en Nikolaüs uit Antiochië, een bekeerling tot het jodendom.
ACT 6:6 Ze stelden hen aan de apostelen voor en die baden voor hen en legden hun de handen op.
ACT 6:7 Het Woord van God bleef zich verspreiden en het aantal volgelingen van Jezus in Jeruzalem nam sterk toe. Ook een grote groep priesters aanvaardde het geloof.
ACT 6:8 Stefanus was vol genade en kracht en deed grote wonderen en tekenen onder het volk.
ACT 6:9 Maar sommige leden van de zogeheten Synagoge van de Vrijgelaten Slaven – ze waren afkomstig uit Cyrene, Alexandrië, Cilicië en Asia – gingen met Stefanus in discussie.
ACT 6:10 Ze konden echter niet op tegen de wijsheid die de Geest hem gaf bij het spreken.
ACT 6:11 Daarom zetten ze enkele mannen ertoe aan te beweren: “Wij hebben hem lasterlijke taal horen spreken tegen Mozes en God.”
ACT 6:12 Ze hitsten zowel het volk als de oudsten en de Schriftgeleerden op. Vervolgens pakten ze Stefanus op. Ze leidden hem voor de Joodse raad.
ACT 6:13 Ook lieten ze valse getuigen naar voren komen, die zeiden: “Deze man spreekt zich zonder ophouden uit tegen dit heiligdom en tegen de Wet.
ACT 6:14 Want we hebben hem horen zeggen dat die Jezus van Nazaret deze plaats zal afbreken en de gebruiken zal veranderen die Mozes aan ons heeft overgeleverd.”
ACT 6:15 Iedereen die in de Joodse raad zitting had, keek naar Stefanus en zag dat zijn gezicht eruitzag als dat van een engel.
ACT 7:1 De hogepriester vroeg: “Is dat waar?”
ACT 7:2 Stefanus antwoordde: “Volksgenoten en leiders, luister. De hemelse God verscheen aan onze voorvader Abraham toen die nog in Mesopotamië was, voordat hij zich in Haran vestigde.
ACT 7:3 God zei tegen hem: ‘Verlaat je land en je familie en ga naar het land dat Ik je zal tonen.’
ACT 7:4 Toen vertrok Abraham uit het land van de Chaldeeën en vestigde hij zich in Haran. Nadat zijn vader was gestorven, stuurde God hem naar dit land, waar u nu woont.
ACT 7:5 God gaf hem hier geen grond in eigendom, zelfs geen klein stukje. Wel beloofde God dat Hij het land later aan hem en zijn afstammelingen in bezit zou geven, hoewel Abraham toen nog geen kinderen had.
ACT 7:6 God zei dat zijn afstammelingen als vreemdelingen in het land van anderen zouden verblijven, die hen tot slaven zouden maken en hen vierhonderd jaar lang slecht zouden behandelen.
ACT 7:7 ‘Maar Ik zal het volk dat zij als slaven dienen veroordelen’, zei God, ‘en daarna zullen ze wegtrekken en Mij hier vereren.’
ACT 7:8 Toen gaf God Abraham het verbond van de besnijdenis. Later kreeg Abraham een zoon, Isaak, en hij besneed hem op de achtste dag na zijn geboorte. Isaak werd vader van Jakob en Jakob van de twaalf stamvaders.
ACT 7:9 De stamvaders werden afgunstig op Jozef en verkochten hem naar Egypte. Maar God was bij hem
ACT 7:10 en bevrijdde hem uit al zijn ellende. God schonk Jozef wijsheid en zorgde dat hij in de gunst kwam bij Farao, de koning van Egypte. Die stelde hem aan als bestuurder van Egypte en hoofd van zijn hofhouding.
ACT 7:11 Er brak echter hongersnood uit in heel Egypte en Kanaän. De ellende was groot en onze voorouders konden geen eten meer vinden.
ACT 7:12 Toen Jakob hoorde dat er graan was in Egypte, stuurde hij onze voorvaders daar een eerste keer heen.
ACT 7:13 Bij het tweede bezoek maakte Jozef zich aan zijn broers bekend en kwam Farao Jozefs afkomst te weten.
ACT 7:14 Toen stuurde Jozef hen terug om zijn vader Jakob en zijn hele familie op te halen, 75 personen.
ACT 7:15 En zo kwam Jakob in Egypte terecht, waar hij en onze voorouders zijn gestorven.
ACT 7:16 Ze werden naar Sichem overgebracht en bijgezet in het graf dat Abraham voor een geldbedrag had gekocht van de Chamorieten in Sichem.
ACT 7:17 En naarmate het tijdstip naderde waarop God de belofte zou vervullen die Hij aan Abraham gedaan had, werd het volk Israël in Egypte groter en talrijker.
ACT 7:18 Later werd iemand anders koning van Egypte, iemand die niet wist wie Jozef was.
ACT 7:19 Hij ging bedrieglijk met ons volk om en behandelde onze voorouders slecht: hij dwong hen hun baby's buiten achter te laten, zodat ze zouden sterven.
ACT 7:20 In die tijd werd Mozes geboren. Hij was bijzonder mooi. Drie maanden lang werd voor hem gezorgd door zijn eigen familie.
ACT 7:21 Maar toen hij buiten werd achtergelaten, werd hij door de dochter van Farao geadopteerd en als haar eigen zoon opgevoed.
ACT 7:22 Mozes werd opgeleid in alle wijsheid van de Egyptenaren en was krachtig in woord en daad.
ACT 7:23 Toen hij veertig jaar oud werd, besloot hij zijn verwanten, de Israëlieten, te bezoeken.
ACT 7:24 Hij zag dat een van hen werd mishandeld, schoot hem te hulp en zorgde voor vergelding door de Egyptenaar dood te slaan.
ACT 7:25 Hij dacht dat zijn volksgenoten wel zouden beseffen dat God hem zou gebruiken om hen te bevrijden, maar ze begrepen het niet.
ACT 7:26 De volgende dag zag hij Israëlieten met elkaar vechten. Hij probeerde hen met elkaar te verzoenen door te zeggen: ‘Mannen, jullie zijn volksgenoten. Waarom doen jullie elkaar kwaad?’
ACT 7:27 De man die zijn volksgenoot mishandelde, duwde Mozes weg en zei: ‘Wie heeft jou als leider en rechter over ons aangesteld?
ACT 7:28 Wil je mij ombrengen zoals je gisteren die Egyptenaar hebt omgebracht?’
ACT 7:29 Toen Mozes dat hoorde, vluchtte hij. Hij woonde als vreemdeling in het land Midian en kreeg daar twee zonen.
ACT 7:30 Na verloop van veertig jaar verscheen in de wildernis bij de berg Sinaï een engel aan Mozes, in de vlammen van een brandende doornstruik.
ACT 7:31 Mozes verwonderde zich over wat hij zag. Toen hij dichterbij kwam om het beter te bekijken, klonk de stem van de Heer:
ACT 7:32 ‘Ik ben de God van je voorvaders, de God van Abraham, Isaak en Jakob.’ Mozes begon te beven en durfde niet te kijken.
ACT 7:33 Toen zei de Heer tegen hem: ‘Trek je schoenen uit, want de plaats waar je staat is heilige grond.
ACT 7:34 Ik heb gezien dat mijn volk wordt mishandeld in Egypte, Ik heb hun zuchten gehoord en Ik ben gekomen om hen te bevrijden. Kom hier, dan zend Ik je naar Egypte.’
ACT 7:35 Dit is de Mozes die de mensen hadden afgewezen door te zeggen: ‘Wie heeft jou als leider en rechter aangesteld?’ Maar God gebruikte een engel die in de doornstruik aan hem verscheen om hem naar hen toe te sturen als leider en verlosser.
ACT 7:36 Hij leidde hen weg en deed wonderen en tekenen in het land Egypte, bij de Rode Zee en in de woestijn, veertig jaar lang.
ACT 7:37 Dit is de Mozes die tegen de Israëlieten zei: ‘God zal uit jullie eigen mensen een profeet zoals ik voor jullie doen opstaan.’
ACT 7:38 Hij was bij ons volk in de woestijn, bij onze voorouders en bij de engel die tot hem sprak op de berg Sinaï. Hij ontving levende woorden om aan ons door te geven.
ACT 7:39 Onze voorouders weigerden hem echter te gehoorzamen; ze wezen hem af en verlangden terug naar Egypte.
ACT 7:40 Ze zeiden tegen Aäron: ‘Maak goden die de weg voor ons zullen leiden. Want we weten niet wat er gebeurd is met die Mozes, die ons het land Egypte heeft uitgeleid.’
ACT 7:41 Het was in die periode dat ze een afgodsbeeld in de vorm van een kalf maakten, er offers aan brachten en zich verheugden over iets dat ze eigenhandig gemaakt hadden.
ACT 7:42 Maar God keerde zich van hen af en gaf hen over aan de verering van de hemellichamen, zoals in het boek van de profeten staat: ‘Hebben jullie Mij veertig jaar lang in de woestijn offers en slachtoffers gebracht, Israëlieten?
ACT 7:43 Nee, jullie hebben de tent voor de verering van Moloch meegedragen en de ster van de god Refan, en de afgodsbeelden die jullie hebben gemaakt om te aanbidden. Daarom zal ik jullie wegvoeren tot voorbij Babylon.’
ACT 7:44 Onze voorouders in de woestijn hadden de tent bij zich die op Gods aanwezigheid wees – gemaakt volgens de instructies die Hij aan Mozes had gegeven en volgens het voorbeeld dat Mozes had gezien.
ACT 7:45 Onze latere voorouders brachten de tent mee toen ze onder leiding van Jozua het land veroverden op de volken die God voor hen verdreef. De tent bleef in het land tot de tijd van David.
ACT 7:46 David vond genade bij God en hij wilde graag voorzien in een heiligdom voor Jakobs God.
ACT 7:47 Het was echter Salomo die een tempel voor Hem bouwde.
ACT 7:48 Toch woont de Allerhoogste niet in heiligdommen die door mensen zijn gebouwd. Zoals de profeet zegt:
ACT 7:49 ‘De hemel is mijn troon en de aarde mijn voetenbank. Wat voor huis ga je dan voor Mij bouwen, zegt de Heer, of op welke plaats zal Ik verblijven?
ACT 7:50 Heb Ik dit alles niet zelf gemaakt?’
ACT 7:51 Koppige mensen, onbesneden van hart en oren, jullie verzetten je altijd tegen de Heilige Geest, net als jullie voorouders!
ACT 7:52 Wie van de profeten hebben jullie voorouders niet vervolgd? Zij hebben zelfs de mensen gedood die de komst van de Rechtvaardige hebben aangekondigd. En nu zijn jullie zijn verraders en moordenaars geworden,
ACT 7:53 jullie die de Wet door de tussenkomst van engelen hebben ontvangen, maar er niet naar leven!”
ACT 7:54 Toen de leden van de Joodse raad dat hoorden, werden ze zo kwaad op hem dat ze begonnen te knarsetanden.
ACT 7:55 Maar Stefanus, vervuld van de Heilige Geest, tuurde naar de hemel. Hij zag Gods hemelse pracht en Jezus die aan Gods rechterzijde stond.
ACT 7:56 “Kijk”, zei hij, “ik zie dat de hemel is geopend en dat de Mensenzoon aan Gods rechterzijde staat.”
ACT 7:57 Toen begonnen ze luid te schreeuwen, bedekten hun oren en stormden met zijn allen op hem af.
ACT 7:58 Ze sleurden hem de stad uit en begonnen hem te stenigen. De getuigen gaven hun mantels in bewaring bij een jongeman die Saulus heette.
ACT 7:59 Terwijl ze hem stenigden, bad Stefanus: “Heer Jezus, ontvang mijn geest.”
ACT 7:60 Hij viel op zijn knieën en schreeuwde: “Heer, reken hun deze zonde niet aan.” Na die woorden stierf hij.
ACT 8:1 Saulus stemde in met de moord op Stefanus. Diezelfde dag barstte er een grote vervolging van de kerkgemeenschap in Jeruzalem los; met uitzondering van de apostelen raakten allen verspreid over de gebieden Judea en Samaria.
ACT 8:2 Stefanus werd begraven door mensen die God respecteerden en er werd diep om hem gerouwd.
ACT 8:3 Maar Saulus begon de kerkgemeenschap te gronde te richten: hij drong het ene huis na het andere binnen, sleurde zowel mannen als vrouwen weg en liet hen gevangenzetten.
ACT 8:4 Zij die verspreid raakten, trokken rond en verkondigden het evangelie.
ACT 8:5 Filippus ging naar de stad Samaria en verkondigde daar de Messias.
ACT 8:6 Toen de mensenmassa Filippus hoorde spreken en de wonderlijke tekenen zag die hij deed, luisterde iedereen geboeid naar zijn boodschap.
ACT 8:7 Bij veel mensen met onreine geesten kwamen die luid schreeuwend naar buiten en velen die verlamd of slecht ter been waren, werden genezen.
ACT 8:8 Daarom was er veel vreugde in die stad.
ACT 8:9 Nu was er iemand die Simon heette en die al enige tijd magie had bedreven in de stad. Hij deed de mensen van Samaria versteld staan en beweerde dat hij een bijzonder persoon was.
ACT 8:10 Alle mensen, van de geringste tot de aanzienlijkste, luisterden geboeid naar hem en zeiden: “Hij is de god die de Grote Macht wordt genoemd.”
ACT 8:11 Ze luisterden zo geboeid naar hem omdat zijn magie lange tijd indruk op hen had gemaakt.
ACT 8:12 Maar toen ze Filippus gingen geloven, die het goede nieuws over Gods koninkrijk en over Jezus Christus verkondigde, werden ze gedoopt, zowel mannen als vrouwen.
ACT 8:13 Ook Simon zelf kwam tot geloof. Hij werd gedoopt en bleef voortdurend bij Filippus in de buurt, want hij was onder de indruk van de tekenen en grote wonderen die hij zag.
ACT 8:14 Toen de apostelen in Jeruzalem hoorden dat Samaria het Woord van God had aanvaard, stuurden ze Petrus en Johannes naar de nieuwe gelovigen.
ACT 8:15 Eenmaal aangekomen baden ze voor hen, dat ze de Heilige Geest mochten ontvangen,
ACT 8:16 want Hij was op nog geen van hen neergedaald; ze waren enkel gedoopt in de naam van de Heer Jezus.
ACT 8:17 Toen legden Petrus en Johannes hun de handen op en ontvingen zij de Heilige Geest.
ACT 8:18 Toen Simon zag dat de Geest werd gegeven via handoplegging door de apostelen, bood hij hun geld aan en zei:
ACT 8:19 “Geef mij ook deze macht, zodat iedereen bij wie ik de handen opleg, de Heilige Geest zal ontvangen.”
ACT 8:20 Maar Petrus zei tegen hem: “Laat jouw geld samen met jou ten onder gaan als je denkt dat je Gods gave met geld kan kopen.
ACT 8:21 Jij krijgt geen enkel aandeel in wat wij doen, want je houding tegenover God is niet oprecht.
ACT 8:22 Bekeer je dus van dit kwaad en bid de Heer om je te vergeven voor de slechte bedoelingen in je hart,
ACT 8:23 want ik zie dat je vol afgunst bent en in het kwaad verstrikt zit.”
ACT 8:24 Simon antwoordde: “Bid voor mij tot de Heer, dat niets van wat jullie hebben gezegd mij zal overkomen.”
ACT 8:25 Nadat Petrus en Johannes hadden gepredikt en het Woord van de Heer hadden gesproken, keerden ze terug naar Jeruzalem. Onderweg verkondigden ze in veel Samaritaanse dorpen het evangelie.
ACT 8:26 En tegen Filippus zei een engel van de Heer: “Ga op reis in zuidelijke richting, naar de weg van Jeruzalem naar Gaza.” Dit is een verlaten weg.
ACT 8:27 Daarom ging hij op pad. Daar bevond zich een Ethiopiër, een eunuch van de hofhouding van de kandake, de Ethiopische koningin. Hij beheerde haar hele schatkist en was naar Jeruzalem geweest om God te aanbidden.
ACT 8:28 Op de terugweg zat hij in zijn wagen het boek van de profeet Jesaja te lezen.
ACT 8:29 Toen zei de Geest tegen Filippus: “Ga naar die wagen toe en blijf erbij.”
ACT 8:30 Toen Filippus erheen ging, hoorde hij de Ethiopiër uit de profeet Jesaja voorlezen. Hij vroeg hem: “Begrijpt u wat u aan het lezen bent?”
ACT 8:31 Hij antwoordde: “Hoe zou ik dat kunnen zonder dat iemand mij uitleg geeft?” En hij stond erop dat Filippus zou instappen en bij hem zou komen zitten.
ACT 8:32 Hij was het volgende Schriftgedeelte aan het lezen: “Hij werd als een schaap naar de slacht geleid, als een lam dat stil is bij zijn scheerder deed hij zijn mond niet open.
ACT 8:33 In zijn vernedering werd zijn recht hem ontnomen. Wie kan over zijn afstammelingen vertellen? Want zijn leven werd van de aarde weggenomen.”
ACT 8:34 De eunuch vroeg aan Filippus: “Mag ik u vragen over wie de profeet het hier heeft? Over zichzelf of iemand anders?”
ACT 8:35 Filippus begon te vertellen en met dit Schriftgedeelte als uitgangspunt verkondigde hij hem het evangelie van Jezus.
ACT 8:36 Terwijl ze nog onderweg waren, kwamen ze bij water. De eunuch zei: “Kijk, water! Wat zou mij ervan weerhouden om gedoopt te worden?”
ACT 8:38 Hij liet de wagen tot stilstand brengen, ze gingen allebei het water in en Filippus doopte de eunuch.
ACT 8:39 En toen ze uit het water kwamen, nam de Geest van de Heer Filippus weg. De eunuch zag hem niet meer, en hij vervolgde zijn reis vol vreugde.
ACT 8:40 Filippus bleek in Azotus te zijn. Hij verkondigde het evangelie in alle steden waar hij langstrok, totdat hij in Caesarea aankwam.
ACT 9:1 Saulus ging nog altijd tegen de volgelingen van de Heer tekeer door hen met de dood te bedreigen. Hij ging naar de hogepriester
ACT 9:2 en vroeg hem om brieven voor de synagogen in Damascus, opdat hij, als hij daar mensen zou vinden die bij de Weg hoorden, hen zou kunnen gevangennemen en naar Jeruzalem brengen, zowel mannen als vrouwen.
ACT 9:3 Maar terwijl hij onderweg was – hij was al bijna bij Damascus – werd hij plots beschenen door een licht uit de hemel.
ACT 9:4 Hij viel op de grond en hoorde een stem tegen hem zeggen: “Saul, Saul, waarom vervolg je Mij?”
ACT 9:5 Hij vroeg: “Wie bent U, Heer?” De stem zei: “Ik ben Jezus, degene die jij vervolgt.
ACT 9:6 Maar kom overeind en ga de stad in. Dan zal aan je worden verteld wat je moet doen.”
ACT 9:7 Zijn medereizigers stonden sprakeloos: ze hoorden wel de stem, maar zagen niemand.
ACT 9:8 Saulus stond op van de grond en hoewel hij zijn ogen open had, zag hij niets. Ze namen hem bij de hand en leidden hem zo Damascus binnen.
ACT 9:9 Drie dagen lang kon hij niet zien en at en dronk hij niet.
ACT 9:10 Nu bevond zich in Damascus een volgeling van Jezus die Ananias heette. In een visioen zei de Heer tegen hem: “Ananias!” Hij antwoordde: “Hier ben ik, Heer!”
ACT 9:11 De Heer zei tegen hem: “Sta op, ga naar de straat die de Rechte Straat heet en vraag bij het huis van Judas naar iemand uit Tarsus die Saulus heet. Hij is aan het bidden
ACT 9:12 en heeft in een visioen een man zien binnenkomen die Ananias heet en die hem de handen oplegde om hem weer te laten zien.”
ACT 9:13 Ananias antwoordde echter: “Heer, ik heb van veel mensen over deze man gehoord, dat hij de mensen in Jeruzalem die bij U horen veel kwaad heeft aangedaan.
ACT 9:14 En hij heeft van de hoofdpriesters de volmacht gekregen om iedereen hier gevangen te nemen die U aanbidt.”
ACT 9:15 Maar de Heer zei tegen Ananias: “Ga, want Ik heb deze man uitverkoren om aan de niet-Joden en hun leiders, maar ook aan het volk Israël, te verkondigen wie Ik ben.
ACT 9:16 Ik zal hem tonen hoezeer hij zal moeten lijden omwille van Mij.”
ACT 9:17 Ananias vertrok, ging het huis binnen, legde Saulus de handen op en zei: “Saul, broeder, de Heer die aan jou is verschenen toen je naar hier onderweg was – Jezus – heeft mij gestuurd opdat je weer zal zien en met de Heilige Geest wordt vervuld.”
ACT 9:18 Meteen was het alsof er vliezen van Saulus' ogen vielen. Hij kon weer zien, stond op en werd gedoopt.
ACT 9:19 Nadat hij had gegeten, kwam Saulus weer op krachten. Hij bleef enkele dagen bij de volgelingen van Jezus in Damascus
ACT 9:20 en begon meteen in de synagogen te verkondigen dat Jezus de Zoon van God is.
ACT 9:21 Alle mensen die hem hoorden spreken, waren perplex en zeiden: “Is dit niet de man die in Jeruzalem de mensen die Jezus aanroepen vervolgde en die hier is gekomen om hen gevangen te nemen en aan de hoofdpriesters voor te leiden?”
ACT 9:22 Saulus' optreden werd steeds krachtiger en hij bracht de Joodse mensen die in Damascus woonden in verwarring door aan te tonen dat Jezus de Messias is.
ACT 9:23 Na een aantal dagen spanden enkele Joodse mensen samen om hem te doden.
ACT 9:24 Hun plan raakte echter bij Saulus bekend. Dag en nacht bewaakten ze de stadspoorten om hem te kunnen doden.
ACT 9:25 Maar Saulus' volgelingen namen hem 's nachts mee en lieten hem in een korf door een opening in de stadsmuur naar beneden zakken.
ACT 9:26 In Jeruzalem aangekomen, probeerde Saulus zich bij de volgelingen van Jezus aan te sluiten. Maar iedereen was bang voor hem, men geloofde niet dat hij een volgeling van Jezus was geworden.
ACT 9:27 Barnabas nam hem echter onder zijn hoede en bracht hem bij de apostelen. Hij vertelde hun hoe Saulus onderweg de Heer had gezien en Hij tot hem had gesproken, en hoe Saulus in Damascus vrijmoedig in de naam van Jezus had gesproken.
ACT 9:28 Saulus bleef bij hen en bewoog zich vrij binnen Jeruzalem, terwijl hij vrijmoedig sprak in de naam van de Heer.
ACT 9:29 Hij praatte en discussieerde ook met de Griekstalige Joden, maar zij probeerden hem om te brengen.
ACT 9:30 Toen de gelovigen dat te weten kwamen, brachten ze hem naar Caesarea en stuurden hem verder naar Tarsus.
ACT 9:31 De kerkgemeenschap in heel Judea, Galilea en Samaria kende vrede, werd opgebouwd, leefde in ontzag voor de Heer, werd bemoedigd door de Heilige Geest en groeide in aantal.
ACT 9:32 Petrus reisde door het hele land en kwam zo bij de gelovigen die in Lydda woonden.
ACT 9:33 Hij trof daar iemand aan die Eneas heette en al acht jaar verlamd en bedlegerig was.
ACT 9:34 Petrus zei tegen hem: “Eneas, Jezus Christus geneest je. Sta op en maak je bed op.” Eneas stond meteen op.
ACT 9:35 Alle inwoners van Lydda en Saron zagen hem en bekeerden zich tot de Heer.
ACT 9:36 Nu was er in Joppe een volgelinge van Jezus die Tabita heette. Dat wordt vertaald als Dorkas. Zij deed veel goede daden en gaf aan de armen.
ACT 9:37 Het was in die tijd dat zij ziek werd en stierf. Ze werd gewassen en in een bovenzaal opgebaard.
ACT 9:38 Lydda is dicht bij Joppe en toen de volgelingen van Jezus hoorden dat Petrus daar was, stuurden ze twee mannen naar hem toe met het verzoek: “Kom zonder uitstel bij ons.”
ACT 9:39 Petrus ging meteen met hen mee. Eenmaal aangekomen brachten ze hem naar de bovenzaal. Alle weduwen kwamen huilend om hem heen staan en toonden hem de tunieken en mantels die Dorkas had gemaakt toen ze nog leefde.
ACT 9:40 Petrus stuurde iedereen naar buiten, knielde neer en bad. Vervolgens keerde hij zich tot het lichaam en zei: “Tabita, sta op.” Ze opende haar ogen en toen ze Petrus zag, ging ze overeind zitten.
ACT 9:41 Hij nam haar bij de hand en hielp haar opstaan. En nadat hij de gelovigen, inclusief de weduwen, had geroepen, toonde hij hun dat ze leefde.
ACT 9:42 Dit raakte in heel Joppe bekend en velen kwamen tot geloof in de Heer.
ACT 9:43 Petrus bleef enige tijd in Joppe, bij een leerlooier die Simon heette.
ACT 10:1 Er was in Caesarea iemand die Cornelius heette, een centurio van wat de Italiaanse legerafdeling werd genoemd.
ACT 10:2 Hij en zijn hele huishouden hadden eerbied en ontzag voor God, en hij gaf veel aan de armen van het volk en bad aanhoudend tot God.
ACT 10:3 Op een dag, rond drie uur 's middags, had Cornelius een visioen waarin hij duidelijk zag dat er een engel van God bij hem binnenkwam en tegen hem zei: “Cornelius!”
ACT 10:4 Hij keek hem verschrikt aan en vroeg: “Wat is er, meneer?” De engel antwoordde: “Je gebeden en je giften voor de armen hebben God bereikt en Hij heeft er acht op geslagen.
ACT 10:5 Stuur dus mannen naar Joppe om een zekere Simon op te halen, die Petrus wordt genoemd.
ACT 10:6 Hij logeert bij een zekere Simon de leerlooier, die in een huis aan zee woont.”
ACT 10:7 Zodra de engel die met hem had gesproken was vertrokken, riep Cornelius twee van zijn huisslaven en een soldaat die in zijn dienst was en ontzag voor God had.
ACT 10:8 Nadat hij hun alles had uitgelegd, stuurde hij hen naar Joppe.
ACT 10:9 De volgende dag, toen ze onderweg waren en in de buurt van de stad kwamen, was Petrus het dakterras opgegaan om te bidden. Het was ongeveer twaalf uur.
ACT 10:10 Hij kreeg honger en wilde iets eten. Terwijl men iets voor hem klaarmaakte, kreeg hij een visioen.
ACT 10:11 Hij zag dat de hemel openging en er een voorwerp naar beneden kwam dat op een groot laken leek en aan de vier hoeken naar de aarde werd neergelaten.
ACT 10:12 Er zaten allerlei viervoetige dieren en wilde reptielen en vogels in.
ACT 10:13 Hij hoorde een stem tegen hem zeggen: “Ga je gang, Petrus, slacht en eet.”
ACT 10:14 Maar Petrus antwoordde: “Dat nooit, Heer, want ik heb nog nooit iets gegeten dat verwerpelijk of onrein is.”
ACT 10:15 Petrus hoorde de stem nogmaals: “Wat God rein heeft verklaard, mag jij niet als onrein behandelen.”
ACT 10:16 Dit gebeurde driemaal. Meteen daarna werd het voorwerp naar de hemel opgetrokken.
ACT 10:17 Terwijl Petrus zich verwonderd afvroeg wat het visioen dat hij had gezien betekende, stonden de mannen die door Cornelius waren gestuurd en die naar het huis van Simon hadden gevraagd, al voor de poort.
ACT 10:18 Ze riepen: “Logeert Simon die Petrus wordt genoemd hier?”
ACT 10:19 Terwijl Petrus nog over het visioen nadacht, zei de Geest tegen hem: “Luister, er zijn drie mannen naar je op zoek.
ACT 10:20 Sta op, ga naar beneden en ga zonder aarzelen met hen mee, want Ik heb hen gestuurd.”
ACT 10:21 Petrus ging naar beneden en zei tegen de mannen: “Ik ben degene die jullie zoeken. Wat is de reden van jullie komst?”
ACT 10:22 Ze zeiden: “Cornelius, een centurio, een integere man met ontzag voor God, en die een goede reputatie heeft bij het hele Joodse volk, heeft van een engel van God de opdracht ontvangen om u naar zijn huis uit te nodigen en te luisteren naar wat u te zeggen hebt.”
ACT 10:23 Petrus liet hen binnen en verleende hun onderdak. De volgende ochtend ging hij met hen op pad. Enkele gelovigen uit Joppe reisden mee.
ACT 10:24 De dag erna kwamen ze in Caesarea aan. Cornelius was Petrus aan het opwachten en had zijn familie en beste vrienden bijeengeroepen.
ACT 10:25 Toen Petrus op het punt stond om naar binnen te gaan, kwam Cornelius naar hem toe en liet zich aan Petrus' voeten vallen om hem te eren.
ACT 10:26 Maar die deed hem opstaan door te zeggen: “Ga maar staan, ik ben slechts een mens.”
ACT 10:27 Terwijl hij met hem praatte, ging Petrus mee naar binnen, waar hij zag dat er een groot aantal mensen was bijeengekomen.
ACT 10:28 Hij zei tegen hen: “Zoals u weet is het voor een Jood verboden om met vreemdelingen om te gaan of hen te bezoeken. Maar God heeft mij getoond dat ik geen enkel mens verwerpelijk of onrein moet noemen.
ACT 10:29 Dus toen ik werd uitgenodigd, ben ik zonder bezwaar gekomen. Daarom vraag ik u, om welke reden hebt u mij laten ophalen?”
ACT 10:30 Cornelius antwoordde: “Drie dagen geleden was ik rond deze tijd, rond drie uur 's middags, thuis aan het bidden, toen er plots een man in blinkende kleren voor me stond.
ACT 10:31 Hij zei: ‘Cornelius, God heeft je gebed gehoord en Hij heeft acht geslagen op je giften voor de armen.
ACT 10:32 Stuur daarom iemand naar Joppe om Simon op te halen, die Petrus wordt genoemd. Hij logeert in het huis van Simon de leerlooier, bij de zee.’
ACT 10:33 Ik heb u meteen laten ophalen en u hebt er goed aan gedaan om te komen. Wij allen zijn hier in Gods tegenwoordigheid aanwezig om te luisteren naar alles wat de Heer u beveelt aan ons te zeggen.”
ACT 10:34 Toen nam Petrus het woord. Hij zei: “Nu begrijp ik werkelijk dat er bij God geen favoritisme is,
ACT 10:35 maar dat iedereen, uit welk volk ook, die ontzag voor Hem heeft en een rechtvaardig leven leidt, welkom bij Hem is.
ACT 10:36 De boodschap die Hij aan de Israëlieten heeft gezonden, de verkondiging van het evangelie van vrede door Jezus Christus, is als volgt: Hij is Heer over alle mensen.
ACT 10:37 U weet wat er in heel Judea is gebeurd, vanaf het begin in Galilea na de doop die Johannes verkondigde,
ACT 10:38 hoe God Jezus van Nazaret met de Heilige Geest en met macht heeft gezalfd en hoe Jezus al rondtrekkende goede daden deed en mensen genas die in de macht van de duivel waren, omdat God met Hem was.
ACT 10:39 Wij zijn ooggetuigen van alles wat Hij heeft gedaan in het Joodse land en in Jeruzalem. Hij werd gedood door kruisiging,
ACT 10:40 maar God heeft Hem op de derde dag doen verrijzen en heeft ervoor gezorgd dat Hij werd gezien.
ACT 10:41 Niet door het hele volk, maar door ooggetuigen die reeds door God waren uitgekozen, door ons die met Jezus hebben gegeten en gedronken nadat Hij uit de dood was verrezen.
ACT 10:42 Hij heeft ons opgedragen, aan het volk te verkondigen en te getuigen dat Hij degene is die door God is aangesteld tot rechter van de levenden en de doden.
ACT 10:43 Alle profeten getuigen over Hem dat ieder die in Hem gelooft, dankzij Hem vergeving van zonden ontvangt.”
ACT 10:44 Terwijl Petrus nog sprak, kwam de Heilige Geest over alle mensen die naar zijn woorden luisterden.
ACT 10:45 De besneden gelovigen die met Petrus waren meegekomen, stonden ervan versteld dat de Heilige Geest nu ook als een geschenk over niet-Joden was uitgestort.
ACT 10:46 Ze hoorden hen namelijk in tongentaal spreken en God de hoogste eer geven. Toen zei Petrus:
ACT 10:47 “Wie zou deze mensen, die net als wij de Heilige Geest hebben ontvangen, ervan kunnen weerhouden om in water te worden gedoopt?”
ACT 10:48 Hij droeg hun op, zich in de naam van Jezus Christus te laten dopen. Toen vroegen ze hem om enkele dagen te blijven.
ACT 11:1 De apostelen en de gelovigen in heel Judea hoorden dat ook niet-Joden het Woord van God hadden aanvaard.
ACT 11:2 Maar toen Petrus naar Jeruzalem ging, namen de besneden gelovigen hem dat kwalijk.
ACT 11:3 Ze zeiden: “Jij bent bij onbesneden mensen thuis geweest en hebt met hen gegeten.”
ACT 11:4 Petrus legde hun echter het hele verhaal uit, vanaf het begin. Hij zei:
ACT 11:5 “Ik was in de stad Joppe aan het bidden en werd overvallen door een visioen. Ik zag een voorwerp dat op een groot laken leek en dat aan de vier hoeken uit de hemel werd neergelaten. Het kwam vlak voor mij terecht.
ACT 11:6 Toen ik erin keek, zag ik viervoetige landdieren en wilde beesten en reptielen en vogels.
ACT 11:7 En ik hoorde een stem, die tegen mij zei: ‘Ga je gang, Petrus, slacht en eet.’
ACT 11:8 Maar ik zei: ‘Dat nooit, Heer, want ik heb nog nooit iets gegeten dat verwerpelijk of onrein is.’
ACT 11:9 De stem uit de hemel sprak nogmaals: ‘Wat God rein heeft verklaard, mag jij niet als onrein behandelen.’
ACT 11:10 Dit gebeurde driemaal; daarna werd alles opgetrokken, terug naar de hemel.
ACT 11:11 En precies op dat moment stonden er drie mannen bij het huis waar ik logeerde. Ze waren vanuit Caesarea naar mij toe gezonden.
ACT 11:12 De Geest zei tegen me dat ik zonder aarzelen met hen moest meegaan. Deze zes geloofsgenoten hier kwamen ook mee, en we zijn het huis van de man binnengegaan.
ACT 11:13 Hij vertelde ons hoe hij een engel in zijn huis had zien staan, die zei: ‘Stuur iemand naar Joppe om Simon op te halen, die Petrus wordt genoemd.
ACT 11:14 Hij zal woorden tot je spreken waardoor jij en je hele huishouden gered zullen worden.’
ACT 11:15 Ik was nauwelijks begonnen met spreken toen de Heilige Geest over hen kwam zoals in het begin ook over ons.
ACT 11:16 En ik herinnerde mij de woorden van de Heer. Hij had gezegd: ‘Johannes doopte met water, maar jullie zullen worden gedoopt met de Heilige Geest.’
ACT 11:17 Dus als God hun hetzelfde geschenk heeft gegeven als aan ons toen wij tot geloof in de Heer Jezus Christus waren gekomen, wie ben ik dan om te proberen God tegen te houden?”
ACT 11:18 Toen ze dit hoorden, waren ze gerustgesteld en verheerlijkten ze God met de woorden: “Blijkbaar heeft God ook aan de niet-Joodse volken de inkeer geschonken die tot het leven leidt.”
ACT 11:19 Inmiddels waren zij die verspreid waren geraakt wegens de onderdrukking na wat er met Stefanus was gebeurd, naar Fenicië, Cyprus en Antiochië getrokken. Ze verkondigden het evangelie uitsluitend aan Joodse mensen.
ACT 11:20 Maar sommigen van hen – afkomstig van Cyprus en Cyrene – spraken na hun aankomst in Antiochië ook met Griekstaligen en verkondigden hun het evangelie – Jezus is Heer.
ACT 11:21 De zegen van de Heer rustte op hen. Een groot aantal mensen kwam tot geloof en bekeerde zich tot de Heer.
ACT 11:22 Het nieuws hierover bereikte de kerkgemeenschap in Jeruzalem en men stuurde Barnabas naar Antiochië.
ACT 11:23 Toen die aankwam en zag dat Gods genade aan het werk was, was hij verheugd en spoorde hij allen aan, van harte aan de Heer toegewijd te blijven.
ACT 11:24 Barnabas was een goed mens, vol van de Heilige Geest en geloof. En een groot aantal mensen werd voor de Heer gewonnen.
ACT 11:25 Barnabas vertrok naar Tarsus om Saulus op te zoeken.
ACT 11:26 En toen hij hem had gevonden, nam hij hem mee naar Antiochië. Een jaar lang kwamen Barnabas en Saulus met de kerkgemeenschap bijeen en onderwezen ze een groot aantal mensen. Het was in Antiochië dat de volgelingen van Jezus voor het eerst christenen werden genoemd.
ACT 11:27 In die periode kwamen er profeten uit Jeruzalem naar Antiochië.
ACT 11:28 Een van hen – hij heette Agabus – stond op en voorspelde door toedoen van de Geest dat er een grote hongersnood zou komen in het hele Romeinse rijk. (Die kwam er in de tijd van Claudius.)
ACT 11:29 Daarom besloten de volgelingen van Jezus, elk naar vermogen bijstand te sturen naar hun geloofsgenoten die in Judea woonden.
ACT 11:30 En dat deden ze door Barnabas en Saulus met de gift naar de oudsten te sturen.
ACT 12:1 Rond die tijd liet koning Herodes sommige kerkleden grijpen en mishandelen.
ACT 12:2 Jakobus, de broer van Johannes, liet hij met het zwaard doden.
ACT 12:3 En toen hij zag dat hij de Joodse mensen daarmee een plezier had gedaan, liet hij vervolgens ook Petrus oppakken. Dat gebeurde tijdens het Feest van de Ongedesemde Broden.
ACT 12:4 Na de arrestatie zette hij Petrus gevangen onder bewaking van vier groepen van vier soldaten, met de bedoeling hem na Pesach in het openbaar te berechten.
ACT 12:5 Terwijl Petrus onder bewaking gevangen zat, werd door de kerkgemeenschap vurig voor hem tot God gebeden.
ACT 12:6 In de nacht voordat Herodes hem zou laten voorleiden, lag Petrus met twee ketenen geboeid te slapen tussen twee soldaten in, terwijl twee bewakers de wacht hielden voor de deur van de gevangenis.
ACT 12:7 Plots kwam er een engel van de Heer naar Petrus toe en scheen er licht in de cel. De engel stootte Petrus in zijn zij, maakte hem wakker en zei: “Vlug, sta op.” Daarbij vielen de ketenen van zijn polsen.
ACT 12:8 De engel zei tegen hem: “Doe je riem om en trek je sandalen aan.” Dat deed Petrus. Verder zei de engel: “Sla je mantel om en kom mee.”
ACT 12:9 Petrus volgde hem naar buiten, maar besefte niet dat de dingen die de engel deed werkelijk gebeurden; hij dacht dat hij een visioen had.
ACT 12:10 Ze gingen de eerste en de tweede wacht voorbij en kwamen bij de ijzeren poort die toegang geeft tot de stad. Die ging vanzelf voor hen open. Nadat ze naar buiten waren gegaan, wandelden ze een straat door en ineens verliet de engel Petrus.
ACT 12:11 Toen kwam Petrus tot zichzelf en zei: “Nu weet ik zeker dat de Heer zijn engel heeft gestuurd en mij heeft bevrijd uit de handen van Herodes en van alles wat het Joodse volk verwachtte.”
ACT 12:12 Toen dit tot hem was doorgedrongen, ging hij naar het huis van Maria, de moeder van Johannes die Markus wordt genoemd. Daar waren veel mensen samen aan het bidden.
ACT 12:13 Toen Petrus bij de buitendeur aanklopte, kwam er een dienstmeisje luisteren wie er was. Zij heette Roda.
ACT 12:14 Zij herkende Petrus' stem en was zo blij dat ze, in plaats van de deur te openen, naar binnen rende en berichtte dat Petrus voor de poort stond.
ACT 12:15 Maar ze zeiden tegen haar: “Je bent niet goed wijs.” Ze hield echter vol dat het waar was. Dus zeiden ze: “Het zal zijn engel wel zijn.”
ACT 12:16 Petrus bleef echter kloppen en toen ze opendeden en hem zagen, stonden ze perplex.
ACT 12:17 Petrus gebaarde met zijn hand dat ze moesten zwijgen en vertelde hun hoe de Heer hem uit de gevangenis had geleid. Hij zei: “Vertel dit aan Jakobus en de gelovigen.” Toen ging hij naar buiten en vertrok hij naar een andere plaats.
ACT 12:18 Toen het ochtend werd, ontstond er grote commotie onder de soldaten over wat er met Petrus gebeurd kon zijn.
ACT 12:19 Herodes liet naar hem zoeken, maar hij werd niet gevonden. Toen verhoorde Herodes de bewakers, liet hen executeren en vertrok uit Judea naar Caesarea, waar hij een tijdlang bleef.
ACT 12:20 Nu was het zo dat Herodes kwaad was op de bevolking van Tyrus en Sidon. Zij kwamen gezamenlijk naar hem toe. En nadat ze Blastus, de kamerheer van de koning, voor zich hadden gewonnen, verzochten ze Herodes om vrede, omdat hun gebied economisch van hem afhankelijk was.
ACT 12:21 Op de afgesproken dag nam Herodes in koninklijk ornaat op zijn troon plaats en sprak hen toe.
ACT 12:22 Het volk jubelde: “Dit is de stem van een god, niet van een mens.”
ACT 12:23 Op hetzelfde moment werd Herodes getroffen door een engel van de Heer, omdat hij niet de eer aan God had gegeven. Hij werd door wormen aangevreten en stierf.
ACT 12:24 Maar het Woord van God verspreidde zich en kreeg steeds meer aanhang.
ACT 12:25 Nadat Barnabas en Saulus hun opdracht hadden voltooid, keerden ze vanuit Jeruzalem terug. Ze brachten Johannes, die ook wel Markus genoemd wordt, mee.
ACT 13:1 In de kerkgemeenschap in Antiochië bevonden zich profeten en leraars: Barnabas, Simeon die Niger wordt genoemd, Lucius van Cyrene, Manaën die met de tetrarch Herodes was opgegroeid, en Saulus.
ACT 13:2 Ze waren de Heer aan het aanbidden en aan het vasten, toen de Heilige Geest zei: “Maak Barnabas en Saulus vrij voor de taak waarvoor Ik hen heb geroepen.”
ACT 13:3 Ze vastten en baden voor hen, legden hun de handen op en stuurden hen op pad.
ACT 13:4 Barnabas en Saulus, die dus door de Heilige Geest waren uitgezonden, gingen naar Seleucië en voeren daarvandaan naar Cyprus.
ACT 13:5 In Salamis aangekomen verkondigden ze het Woord van God in de Joodse synagogen. Ze hadden Johannes bij zich als assistent.
ACT 13:6 Ze trokken door het hele eiland, naar Pafos, waar ze een Joodse magiër aantroffen, een valse profeet die Barjezus heette.
ACT 13:7 Hij maakte deel uit van de entourage van de proconsul Sergius Paulus, een verstandig man die Barnabas en Saulus bij zich uitnodigde omdat hij graag naar het Woord van God wilde luisteren.
ACT 13:8 Elymas de magiër – dat is de vertaling van zijn naam – werkte hen echter tegen: hij probeerde de proconsul van het geloof af te houden.
ACT 13:9 Maar Saulus – ook Paulus genoemd – raakte vervuld van de Heilige Geest, keek Elymas strak aan en zei:
ACT 13:10 “Jij duivelszoon vol van allerlei bedrog en sluwheid, vijand van alle gerechtigheid, stop jij dan nooit met het verdraaien van de rechte wegen van de Heer?
ACT 13:11 Daarom zal de Heer je straffen: je zal een tijdlang blind zijn en het zonlicht niet zien.” Op hetzelfde moment werd Elymas overvallen door nevel en duisternis en zocht hij al rondtastend naar iemand die hem bij de hand kon leiden.
ACT 13:12 Toen de proconsul zag wat er gebeurd was, was hij zo diep onder de indruk van de leer over de Heer, dat hij tot geloof kwam.
ACT 13:13 Paulus en zijn entourage voeren weg van Pafos. Maar toen ze in Perge in Pamfylië waren aangekomen, verliet Johannes hen om naar Jeruzalem terug te keren.
ACT 13:14 Zij reisden echter vanuit Perge verder naar Antiochië in Pisidië. Daar gingen ze op de sabbat naar de synagoge en namen plaats.
ACT 13:15 Na de voorlezing uit de Wet en de Profeten stuurden de synagogebestuurders iemand naar hen toe om te vragen: “Volksgenoten, als jullie een bemoedigend woord hebben voor de mensen, spreek dan maar.”
ACT 13:16 Paulus stond op, maakte een handgebaar en zei: “Israëlieten en anderen die ontzag voor God hebben, luister.
ACT 13:17 De God van ons volk Israël heeft onze voorouders uitverkoren en ons volk machtig gemaakt toen het in het land Egypte verbleef. Met veel machtsvertoon leidde Hij hen weg
ACT 13:18 en in de wildernis verdroeg Hij veertig jaar lang hun gedrag.
ACT 13:19 In het land Kanaän roeide Hij zeven volken uit om het land aan ons volk in eigendom te geven.
ACT 13:20 Dat duurde ongeveer 450 jaar. Vervolgens gaf Hij rechters, tot de tijd van de profeet Samuel.
ACT 13:21 Toen vroeg ons volk om een koning en God gaf Saul, de zoon van Kis, uit de stam Benjamin. Dat duurde veertig jaar.
ACT 13:22 God zette hem af en stelde David aan als hun koning. Hij verklaarde over hem: ‘In David, de zoon van Isaï, heb ik een man naar mijn hart gevonden, die alles zal doen wat Ik wil.’
ACT 13:23 Uit Davids afstammelingen heeft God zoals beloofd een redder voor Israël voortgebracht: Jezus.
ACT 13:24 Maar voordat Jezus kwam, verkondigde Johannes aan het hele volk Israël een doop van inkeer.
ACT 13:25 En toen hij zijn opdracht bijna had voltooid, zei Johannes: ‘Ik ben niet de persoon die jullie denken dat ik ben. Maar let goed op, na mij komt er Iemand anders en ik ben het niet waard om zijn schoenen voor Hem los te maken.’
ACT 13:26 Volksgenoten, afstammelingen van Abraham, en ook jullie anderen die ontzag voor God hebben, het nieuws van deze redding is aan ons bekendgemaakt.
ACT 13:27 De inwoners van Jeruzalem en hun leiders hebben Hem niet herkend. Door Jezus te veroordelen, vervulden zij de woorden van de profeten die elke sabbat worden voorgelezen.
ACT 13:28 Hoewel ze geen enkele grond voor een doodvonnis konden vinden, vroegen ze Pilatus om zijn doodstraf.
ACT 13:29 En na alles te hebben uitgevoerd dat over Hem was geschreven, haalden ze Hem van het kruis en legden Hem in een graf.
ACT 13:30 God heeft Hem echter uit de dood doen verrijzen.
ACT 13:31 In de loop van vele dagen verscheen Hij aan de mensen die met Hem samen uit Galilea naar Jeruzalem waren gereisd en die nu over Hem getuigen aan het Joodse volk.
ACT 13:32 En wij verkondigen jullie het goede nieuws: wat God aan onze voorouders had beloofd,
ACT 13:33 heeft Hij voor ons, hun afstammelingen, vervuld door Jezus te doen verrijzen. Zo staat het ook in Psalm 2: ‘Jij bent mijn Zoon, vandaag heb Ik Je verwekt.’
ACT 13:34 Dat God Jezus uit de dood zou doen verrijzen zodat Hij niet tot ontbinding zou overgaan, had Hij reeds voorspeld met deze woorden: ‘De betrouwbare, heilige zegeningen die aan David waren beloofd, zal Ik aan jullie geven.’
ACT 13:35 En elders zegt Hij: ‘U zal uw toegewijde niet tot ontbinding laten overgaan.’
ACT 13:36 David zelf is gestorven, nadat hij de mensen van zijn eigen volk had gediend volgens Gods plan. Hij is bij zijn voorouders begraven en zijn lichaam is vergaan.
ACT 13:37 Maar het lichaam van de Persoon die God heeft doen verrijzen, is niet vergaan.
ACT 13:38 Daarom, vrienden, moeten jullie weten dat dankzij Hem de vergeving van zonden aan jullie wordt verkondigd.
ACT 13:39 Ieder die in Hem gelooft, wordt vrijgesproken van alle schuld waarvoor geen vrijspraak mogelijk was op basis van de Wet van Mozes.
ACT 13:40 Pas dus op dat jullie niet overkomt wat in de Profeten als volgt wordt omschreven:
ACT 13:41 ‘Kijk, spotters, verwonder je en verdwijn, want Ik ga in jullie tijd iets doen dat jullie niet zullen geloven wanneer iemand het jullie vertelt.’”
ACT 13:42 Toen Paulus en Barnabas naar buiten gingen, drong men er bij hen op aan, de volgende sabbat opnieuw over dit onderwerp te spreken.
ACT 13:43 Na afloop van de samenkomst gingen veel van de Joden en van de mensen die God vereerden en zich tot het jodendom hadden bekeerd, met Paulus en Barnabas mee. Die spraken met hen om hen aan te sporen zich aan Gods genade vast te houden.
ACT 13:44 De volgende sabbat kwam bijna de hele stad bijeen om het Woord van de Heer te horen.
ACT 13:45 Toen de Joden de mensenmassa zagen, werden ze door afgunst overmand. Ze spraken de woorden van Paulus tegen en belasterden hem.
ACT 13:46 Paulus en Barnabas zeiden echter vrijmoedig: “Het was nodig om het Woord van God eerst aan jullie te vertellen. Maar nu jullie het afwijzen en zelf aangeven dat jullie het eeuwig leven niet waard zijn, richten wij ons voortaan tot de niet-Joden.
ACT 13:47 Want de Heer heeft ons opgedragen: ‘Ik heb je aangesteld tot een licht voor de volken, om redding te brengen tot aan de uithoeken van de aarde.’”
ACT 13:48 Toen de niet-Joden dit hoorden, verheugden ze zich en verheerlijkten ze het Woord van de Heer. Iedereen die voor het eeuwig leven bestemd was, kwam tot geloof.
ACT 13:49 Het Woord van de Heer raakte in de hele omgeving bekend.
ACT 13:50 Toen stookten de Joden de voorname vrouwen die God vereerden en de leiders van de stad op tegen Paulus en Barnabas, ontketenden een vervolging en verdreven hen uit hun gebied.
ACT 13:51 Maar Paulus en Barnabas schudden het stof van hun voeten als een teken van afkeuring en gingen naar Ikonium.
ACT 13:52 De nieuwe volgelingen van Jezus waren echter vervuld van vreugde en van de Heilige Geest.
ACT 14:1 In Ikonium gebeurde hetzelfde: Paulus en Barnabas gingen naar de Joodse synagoge en een groot aantal Joden en Grieken kwam tot geloof.
ACT 14:2 Maar de Joden die het geloof afwezen, stookten de niet-Joden op en brachten hen in een vijandige stemming ten opzichte van de christenen.
ACT 14:3 Paulus en Barnabas bleven daar lange tijd en spraken vrijmoedig over de Heer. En Hij bevestigde de verkondiging van zijn genade, door hen in staat te stellen tekenen en wonderen te doen.
ACT 14:4 De mensen in de stad raakten verdeeld: sommigen waren voor de Joden, anderen voor de apostelen.
ACT 14:5 Toen bepaalde niet-Joden, Joden en hun leiders op het punt stonden om Paulus en Barnabas te mishandelen en te stenigen,
ACT 14:6 kwamen die het te weten en vluchtten ze naar de Lykaonische steden Lystra en Derbe en het omliggende gebied.
ACT 14:7 Ook daar verkondigden ze het evangelie.
ACT 14:8 In Lystra was een man die geen macht over zijn voeten had; hij was verlamd vanaf zijn geboorte en had nooit kunnen stappen.
ACT 14:9 Toen hij naar Paulus' boodschap aan het luisteren was, keek deze hem recht aan en zag hij dat de man het geloof had om te worden genezen.
ACT 14:10 Toen riep Paulus: “Ga recht op je voeten staan!” De man sprong op en begon te stappen.
ACT 14:11 Toen de mensen zagen wat Paulus had gedaan, begonnen ze luid in het Lykaonisch te roepen: “De goden zijn in mensengedaante naar ons neergedaald!”
ACT 14:12 Ze noemden Barnabas Zeus en Paulus Hermes, omdat Paulus de woordvoerder was.
ACT 14:13 Vlak buiten de stad was een tempel van Zeus. De priester bracht stieren en bloemenkransen naar de stadspoorten en wilde samen met de mensenmassa offers aan hen brengen.
ACT 14:14 Maar de apostelen – Barnabas en Paulus – hoorden daarvan, scheurden hun kleren, stortten zich in de menigte en riepen:
ACT 14:15 “Vrienden, waarom doen jullie dat? Wij zijn mensen, net als jullie, en het goede nieuws dat wij verkondigen is dat jullie je van deze zinloosheid moeten afkeren naar de levende God, die de hemel en de aarde en de zee met alles daarin heeft gemaakt.
ACT 14:16 In het verleden heeft Hij toegelaten dat alle volken hun eigen gang gingen.
ACT 14:17 Toch liet Hij van zich weten, want Hij toonde zijn goedheid door vanuit de hemel regen en vruchtbare seizoenen aan jullie te geven en te zorgen dat jullie overvloedig te eten hebben en tevreden zijn.”
ACT 14:18 Hoewel ze dit zeiden, konden ze de menigte er ternauwernood van weerhouden, offers aan hen te brengen.
ACT 14:19 Toen arriveerden er echter Joodse mensen uit Antiochië en Ikonium, die de mensenmassa voor zich wonnen. Ze stenigden Paulus en sleepten hem de stad uit, in de veronderstelling dat hij dood was.
ACT 14:20 Maar toen de volgelingen van Jezus om hem heen gingen staan, stond hij op en ging hij de stad binnen. De volgende dag vertrok hij met Barnabas naar Derbe.
ACT 14:21 In die stad verkondigden ze het evangelie en maakten ze veel volgelingen van Jezus. Vervolgens keerden ze terug naar Lystra, Ikonium en Antiochië.
ACT 14:22 Daar bemoedigden ze de volgelingen van Jezus en spoorden hen aan om bij het geloof te blijven. “We moeten nog veel ellende doorstaan voordat we Gods koninkrijk binnengaan”, zeiden ze.
ACT 14:23 In elke kerkgemeenschap stelden ze oudsten aan, die ze in gebed en vasten opdroegen aan de Heer op wie ze hun vertrouwen hadden gesteld.
ACT 14:24 Nadat ze door Pisidië waren gereisd, kwamen ze in Pamfylië.
ACT 14:25 En nadat ze in Perge het woord hadden verkondigd, gingen ze naar Attalia.
ACT 14:26 Daarvandaan voeren ze terug naar Antiochië, waar ze eerder aan Gods genade waren toevertrouwd voor de taak die ze nu hadden voltooid.
ACT 14:27 Na hun aankomst riepen ze de kerkgemeenschap bijeen en brachten ze verslag uit van wat God door hen had gedaan en hoe Hij de deur van het geloof had geopend voor de niet-Joden.
ACT 14:28 Ze bleven lange tijd bij de volgelingen van Jezus.
ACT 15:1 Toen kwamen er mensen uit Judea, die de christenen in Antiochië leerden: “Als jullie niet worden besneden volgens het gebruik dat door Mozes is opgelegd, kunnen jullie niet gered worden.”
ACT 15:2 En omdat Paulus en Barnabas hen krachtig tegenspraken en er grote onenigheid ontstond, werd besloten Paulus, Barnabas en enkele anderen uit hun midden naar de apostelen en oudsten in Jeruzalem te sturen om de kwestie met hen te bespreken.
ACT 15:3 Nadat de kerkgemeenschap hen uitgeleide had gedaan, reisden ze door Fenicië en Samaria, waar ze alle christenen blij maakten door hun uitgebreid te vertellen over de bekering van de niet-Joden.
ACT 15:4 In Jeruzalem aangekomen, werden ze door de kerkgemeenschap, de apostelen en de oudsten verwelkomd en brachten ze verslag uit over hetgeen God met hen had gedaan.
ACT 15:5 Maar enkele farizeeën die tot geloof waren gekomen, stonden op en zeiden: “Die mensen moeten worden besneden en ze moeten worden verplicht zich aan de Wet van Mozes te houden.”
ACT 15:6 Daarom kwamen de apostelen en oudsten bijeen om zich over deze kwestie te beraden.
ACT 15:7 Nadat er uitgebreid was gediscussieerd, stond Petrus op en sprak hen toe: “Geloofsgenoten, zoals jullie weten, heeft God mij enige tijd geleden uit jullie midden uitgekozen, opdat de niet-Joden de boodschap van het evangelie uit mijn mond zouden horen en tot geloof zouden komen.
ACT 15:8 En God, die het hart van de mensen kent, heeft dat bevestigd door hun de Heilige Geest te schenken, zoals eerder aan ons.
ACT 15:9 Hij maakt geen onderscheid tussen ons en hen, want Hij heeft hun harten gereinigd door het geloof.
ACT 15:10 Waarom stellen jullie God dan op de proef door een juk op de schouders van de volgelingen van Jezus te leggen dat noch onze voorvaders noch wijzelf konden dragen?
ACT 15:11 Want wij geloven dat het door de genade van de Heer Jezus is dat wij – en ook zij – gered worden.”
ACT 15:12 Alle aanwezigen werden stil en luisterden naar het verslag van Barnabas en Paulus over de tekenen en wonderen die God door hen had gedaan onder de niet-Joden.
ACT 15:13 Toen ze waren uitgesproken, reageerde Jakobus: “Geloofsgenoten, luister naar mij.
ACT 15:14 Simeon heeft uiteengezet hoe God reeds in het begin van plan was om uit de niet-Joden mensen uit te kiezen die voortaan zijn naam zouden dragen.
ACT 15:15 De woorden van de profeten stemmen hiermee overeen, want er staat:
ACT 15:16 ‘Daarna kom Ik terug en herbouw ik de vervallen hut van David; Ik zal de ruïnes ervan herbouwen en herstellen,
ACT 15:17 opdat het overgebleven deel van de mensheid de Heer zal zoeken, zelfs de volken die Ik heb geroepen om mijn naam te dragen, zegt de Heer die deze dingen doet,
ACT 15:18 dingen die Hem altijd al bekend zijn.’
ACT 15:19 Daarom ben ik van oordeel dat we het niet moeilijk moeten maken voor de niet-Joden die zich tot God bekeren,
ACT 15:20 maar dat we hun moeten schrijven dat ze zich moeten onthouden van dingen die onrein zijn omdat ze aan afgoden zijn gewijd, van seksueel wangedrag, van vlees van verstikte dieren en van bloed.
ACT 15:21 Want de Wet van Mozes wordt vanouds in elke stad verkondigd en elke sabbat in de synagogen voorgelezen.”
ACT 15:22 Toen besloten de apostelen en de oudsten samen met de hele kerkgemeenschap, enkele van hun eigen mannen uit te kiezen en die samen met Paulus en Barnabas naar Antiochië te sturen. Dit waren Judas (die Barsabbas wordt genoemd) en Silas, mannen die leiders waren onder de christenen.
ACT 15:23 Ze gaven hun de volgende brief mee: “Van: de apostelen en de oudsten, jullie geloofsgenoten. Aan: onze niet-Joodse geloofsgenoten in Antiochië, Syrië en Cilicië. Gegroet!
ACT 15:24 Wij hebben gehoord dat jullie zijn verontrust door mensen die bij ons vandaan komen maar geen mandaat van ons hadden, en die jullie met hun uitspraken diep hebben geschokt.
ACT 15:25 Daarom hebben wij gezamenlijk besloten, mannen uit te kiezen die we naar jullie toe sturen, samen met onze vrienden Barnabas en Paulus.
ACT 15:26 Die twee hebben hun levens op het spel gezet voor onze Heer Jezus Christus.
ACT 15:27 Wij sturen dus Judas en Silas mee; zij zullen ons schrijven mondeling bevestigen.
ACT 15:28 Want de Heilige Geest is van oordeel – en wij ook – dat jullie geen zwaardere last moet worden opgelegd dan de volgende vereisten:
ACT 15:29 je onthouden van vlees van afgodenoffers, bloed, vlees van verstikte dieren en seksueel wangedrag. Als jullie die dingen vermijden, handelen jullie juist. Het ga jullie goed.”
ACT 15:30 Nadat ze afscheid hadden genomen, reisden de mannen naar Antiochië, waar ze alle christenen bijeenriepen en de brief overhandigden.
ACT 15:31 De christenen lazen de brief en waren verheugd over de bemoedigende inhoud.
ACT 15:32 Judas en Silas, die allebei ook profeet waren, bemoedigden en versterkten de christenen door hen langdurig toe te spreken.
ACT 15:33 Nadat ze daar enige tijd waren geweest, lieten de christenen hen met hun vredeswens terugkeren naar degenen die hen hadden gezonden.
ACT 15:35 Maar Paulus en Barnabas bleven in Antiochië, waar zij en veel anderen het Woord van de Heer onderwezen en verkondigden.
ACT 15:36 Na een aantal dagen zei Paulus tegen Barnabas: “Laten we teruggaan naar iedere stad waar we het Woord van de Heer hebben verkondigd, om de christenen te bezoeken en te kijken hoe het met hen gaat.”
ACT 15:37 Barnabas wilde ook Johannes meenemen, die Markus wordt genoemd.
ACT 15:38 Paulus vond het echter beter om hem niet mee te nemen, omdat hij hen in Pamfylië had verlaten en het werk niet met hen had voortgezet.
ACT 15:39 Het meningsverschil was zo groot dat ze uiteengingen. Barnabas voer naar Cyprus en nam Markus mee.
ACT 15:40 Paulus koos Silas en vertrok, nadat hij door de christenen aan de genade van de Heer was opgedragen.
ACT 15:41 Hij reisde door Syrië en Cilicië en bemoedigde daar de kerkgemeenschappen.
ACT 16:1 Paulus kwam aan in Derbe en in Lystra. Daar trof hij een volgeling van Jezus aan die Timoteüs heette, de zoon van een gelovige Joodse vrouw en een Griekse vader.
ACT 16:2 De christenen in Lystra en Ikonium spraken lovend over hem.
ACT 16:3 Paulus wilde hem meenemen op reis en liet hem besnijden omwille van de Joodse mensen die in dat gebied woonden, want iedereen wist dat zijn vader een niet-Jood was.
ACT 16:4 Op hun tocht langs de steden vertelden ze de christenen over het besluit dat de apostelen en oudsten in Jeruzalem hadden genomen en waaraan men zich voortaan moest houden.
ACT 16:5 De kerkgemeenschappen werden gesterkt in het geloof en het aantal christenen nam elke dag toe.
ACT 16:6 Paulus en zijn reisgenoten trokken door het gebied van Frygië en Galatië, omdat de Heilige Geest niet toeliet dat ze het woord verkondigden in Asia.
ACT 16:7 Toen ze Mysië bereikten, probeerden ze Bitynië binnen te gaan, maar Jezus' Geest weerhield hen daarvan.
ACT 16:8 Dus reisden ze verder door Mysië en kwamen aan in Troas.
ACT 16:9 's Nachts kreeg Paulus een visioen. Hij zag een Macedoniër staan, die hem smeekte: “Kom naar Macedonië en help ons!”
ACT 16:10 Onmiddellijk nadat hij dat visioen had gehad, wilden we naar Macedonië vertrekken, omdat we eruit opmaakten dat God ons had geroepen om het evangelie aan de mensen daar te verkondigen.
ACT 16:11 We voeren uit Troas weg, zetten koers naar Samotrake en voeren de volgende dag verder naar Neapolis.
ACT 16:12 Vervolgens reisden we naar Filippi, een stad in Macedonië, de belangrijkste in dat gebied en een Romeinse kolonie. In die stad bleven we enkele dagen.
ACT 16:13 Op de sabbat gingen we naar een plaats bij de rivier buiten de stadspoort, waarvan we vermoedden dat het een plaats van gebed was. We namen plaats en spraken met de vrouwen die waren bijeengekomen.
ACT 16:14 Daar was een vrouw die God vereerde. Ze heette Lydia, kwam uit de stad Tyatira en was handelaar in paarse stoffen. Terwijl zij luisterde, opende de Heer haar hart, zodat ze op Paulus' boodschap inging.
ACT 16:15 Nadat zij en haar huishouden waren gedoopt, verzocht ze: “Als jullie mij beschouwen als gelovige in de Heer, kom dan in mijn huis logeren.” Ze drong er bij ons op aan.
ACT 16:16 Op een dag toen we naar de plaats van gebed gingen, kwam ons een slavin tegemoet die een waarzeggende geest had. Haar eigenaars verdienden veel aan haar toekomstvoorspellingen.
ACT 16:17 Zij kwam voortdurend achter Paulus en ons aan en riep dan: “Deze mensen zijn dienaren van de Allerhoogste God, zij verkondigen hoe men gered kan worden.”
ACT 16:18 Ze deed dit vele dagen achtereen. Uiteindelijk raakte Paulus zo geïrriteerd dat hij zich omdraaide en tegen de geest zei: “Ik beveel je in naam van Jezus Christus om uit haar weg te gaan.” Op dat moment ging de geest uit haar weg.
ACT 16:19 Toen haar eigenaars zagen dat hun bron van inkomsten weg was, grepen ze Paulus en Silas en sleurden hen naar de stadsbestuurders op het marktplein.
ACT 16:20 Ze leidden hen aan de magistraten voor en zeiden: “Deze mensen brengen onze stad in oproer. Het zijn Joden
ACT 16:21 en ze verkondigen praktijken die wij, Romeinen, niet mogen aanvaarden of naleven.”
ACT 16:22 Nu keerde ook de menigte zich tegen Paulus en Silas en de stadsbestuurders bevalen hun de kleren van het lijf te rukken en hen met stokken af te ranselen.
ACT 16:23 Nadat ze hun veel slagen hadden toegebracht, gooiden ze hen in de gevangenis en droegen de cipier op, hen streng te bewaken.
ACT 16:24 Omdat hij die opdracht had gekregen, zette hij hen in de binnenste cel en sloot hij hun voeten in een blok.
ACT 16:25 Rond middernacht – Paulus en Silas waren tot God aan het bidden en zingen en de andere gevangenen waren naar hen aan het luisteren –
ACT 16:26 was er ineens een zware aardbeving. Het fundament van de gevangenis schudde ervan. Meteen gingen alle deuren open en raakten alle boeien los.
ACT 16:27 De cipier, die wakker was geworden en de geopende deuren van de gevangenis zag, trok zijn zwaard om zichzelf om te brengen, want hij dacht dat de gevangenen waren ontsnapt.
ACT 16:28 Maar Paulus riep luid: “Doe uzelf geen kwaad, we zijn allemaal hier!”
ACT 16:29 De cipier liet licht brengen, haastte zich naar binnen en viel bevend voor Paulus en Silas neer.
ACT 16:30 Hij bracht hen naar buiten en vroeg: “Heren, wat moet ik doen om te worden gered?”
ACT 16:31 Ze zeiden: “Geloof in de Heer Jezus en u zal gered zijn, u en uw huishouden.”
ACT 16:32 Ze verkondigden het Woord van de Heer, aan hem en aan iedereen in zijn huis.
ACT 16:33 Hij nam hen nog op dat uur van de nacht mee om hun wonden te laten wassen. Ook werden hij en zijn hele huishouden onmiddellijk gedoopt.
ACT 16:34 Hij leidde hen zijn huis binnen en zette hun een maaltijd voor. Hij en zijn hele huishouden waren dolblij dat ze tot geloof in God waren gekomen.
ACT 16:35 Toen het ochtend werd, stuurden de magistraten de gerechtsdienaren met de boodschap: “Laat die mannen maar vrij.”
ACT 16:36 De cipier bracht het volgende bericht over aan Paulus: “De magistraten hebben laten weten dat u vrijgelaten moet worden. U mag vertrekken. Ga in vrede.”
ACT 16:37 Maar Paulus antwoordde: “Ze hebben ons zonder proces in het openbaar stokslagen laten geven hoewel we Romeinse staatsburgers zijn, en ze hebben ons in de gevangenis gegooid. En nu sturen ze ons onopgemerkt weg? Nee hoor, laat ze zelf maar komen om ons uitgeleide te doen.”
ACT 16:38 De gerechtsdienaren brachten deze woorden over aan de magistraten. Die schrokken toen ze hoorden dat Paulus en Silas Romeinen waren.
ACT 16:39 Ze kwamen hun excuses aanbieden, leidden hen de gevangenis uit en verzochten hen de stad te verlaten.
ACT 16:40 Uit de gevangenis gekomen, gingen Paulus en Silas naar Lydia. En toen ze de christenen daar hadden gezien en bemoedigd, vertrokken ze.
ACT 17:1 Ze trokken door Amfipolis en Apollonia en kwamen in Tessalonica, waar een Joodse synagoge was.
ACT 17:2 Zoals hij gewoon was, ging Paulus erheen en drie sabbatten lang debatteerde hij met de Joden op basis van de Schriften.
ACT 17:3 Hij legde uit en toonde aan dat de Messias moest lijden en uit de dood verrijzen. Hij zei: “Deze Messias is Jezus, die ik aan jullie verkondig.”
ACT 17:4 Sommigen van hen raakten overtuigd en sloten zich bij Paulus en Silas aan, evenals een groot aantal Grieken die God vereerden en veel voorname vrouwen.
ACT 17:5 Maar de andere Joden werden afgunstig en met enkele slechte mensen die ze uit het straatvolk hadden verzameld, vormden ze een bende waarmee ze de stad in oproer brachten. Ze bestormden het huis van Jason met de bedoeling Paulus en Silas door het volk te laten berechten.
ACT 17:6 Maar toen ze hen niet vonden, sleurden ze Jason en enkele andere christenen naar het stadsbestuur en riepen: “De mensen die het hele rijk op zijn kop hebben gezet, zijn ook hier aangekomen,
ACT 17:7 en Jason heeft hen in huis gehaald. Ze overtreden allemaal de decreten van de keizer door te zeggen dat er een andere koning is: Jezus!”
ACT 17:8 Het volk en de stadsbestuurders raakten in verwarring toen ze dit hoorden.
ACT 17:9 Ze lieten Jason en de anderen een borgsom betalen en lieten hen gaan.
ACT 17:10 Zodra het nacht werd, stuurden de christenen Paulus en Silas naar Berea. Daar aangekomen gingen ze naar de Joodse synagoge.
ACT 17:11 De mensen daar waren vriendelijker dan in Tessalonica. Ze aanvaardden de boodschap met veel enthousiasme en raadpleegden dagelijks de Schriften om te controleren of deze dingen juist waren.
ACT 17:12 Velen van hen kwamen tot geloof, en ook een groot aantal voorname niet-Joodse vrouwen en veel niet-Joodse mannen.
ACT 17:13 Maar toen de Joden in Tessalonica ontdekten dat het Woord van God nu ook door Paulus werd verkondigd in Berea, gingen ze daarheen om de mensen op te hitsen en verwarring te zaaien.
ACT 17:14 De christenen stuurden Paulus meteen weg, naar de kust, maar Silas en Timoteüs bleven achter.
ACT 17:15 De mensen die Paulus begeleidden, brachten hem tot Athene. Toen keerden ze terug met de boodschap voor Silas en Timoteüs, dat die zich zo snel mogelijk bij hem moesten voegen.
ACT 17:16 Terwijl Paulus in Athene op hen wachtte, zag hij dat de stad vol afgodsbeelden stond. Dat choqueerde hem.
ACT 17:17 Daarom debatteerde hij in de synagoge met de Joden en de mensen die God vereerden, en sprak hij op het marktplein de mensen toe die hij daar dagelijks aantrof.
ACT 17:18 Ook enkele epicurese en stoïcijnse filosofen debatteerden met hem. Sommigen zeiden: “Wat probeert die praatjesmaker te vertellen?” Anderen zeiden: “Kennelijk is hij een prediker van vreemde goden,” omdat hij het evangelie van Jezus en de verrijzenis verkondigde.
ACT 17:19 Dus nodigden ze Paulus uit om mee te komen naar de Areopagus. Daar vroegen ze: “Mogen wij weten wat die nieuwe leer is waarover u spreekt?
ACT 17:20 U vertelt dingen die ons vreemd in de oren klinken en we willen graag weten wat ze betekenen.”
ACT 17:21 Alle Atheners en de vreemdelingen die er woonden besteedden hun tijd namelijk aan niets anders dan het praten over en luisteren naar nieuwe ideeën.
ACT 17:22 Daarom ging Paulus in de Areopagus staan en sprak hij de mensen toe: “Inwoners van Athene, ik zie dat jullie in alle opzichten heel godsdienstig zijn.
ACT 17:23 Want toen ik rondwandelde en bekeek wat jullie vereren, trof ik ook een altaar aan met het opschrift ‘aan een onbekende god’. Wat jullie dus vereren maar niet kennen, zal ik nu aan jullie bekendmaken.
ACT 17:24 De God die de wereld en alles daarin heeft gemaakt, de Heer van hemel en aarde, woont niet in tempels die door mensen zijn gemaakt.
ACT 17:25 Ook wordt Hij niet door mensenhanden onderhouden alsof Hij iets nodig heeft: Hij geeft alle mensen het leven, hun adem, in feite alles.
ACT 17:26 Uit één mens heeft Hij alle volken gemaakt om de hele aardbodem te bewonen en Hij heeft bepaald in welke tijden en binnen welke grenzen ze zouden leven.
ACT 17:27 God deed dat met de bedoeling dat ze Hem zouden zoeken en Hem misschien al rondtastend zouden vinden. Toch is Hij niet ver van ieder van ons.
ACT 17:28 Want ‘in Hem leven wij, bewegen wij en bestaan wij’. Zoals enkele van uw dichters hebben gezegd: ‘Ook wij zijn van Hem afkomstig.’
ACT 17:29 Maar als wij uit God afkomstig zijn, moeten we niet denken dat het goddelijke is als een gouden, zilveren of stenen beeld dat voortkomt uit de artistieke bekwaamheid van een mens.
ACT 17:30 Vroeger heeft God die onwetendheid gedoogd, maar nu roept Hij alle mensen overal op, tot inkeer te komen.
ACT 17:31 Hij heeft namelijk een dag vastgesteld waarop Hij de hele wereld rechtvaardig zal oordelen door de Man die Hij heeft aangesteld. En Hij heeft het bewijs hiervoor aan alle mensen geleverd door Hem uit de dood te doen verrijzen.”
ACT 17:32 Toen ze over de verrijzenis van doden hoorden, dreven sommigen daar de spot mee, maar anderen zeiden: “Hierover willen we nog wel eens naar u luisteren.”
ACT 17:33 Zo vertrok Paulus uit hun midden.
ACT 17:34 Maar enkele mensen sloten zich bij hem aan en kwamen tot geloof, waaronder Dionysius de Areopagiet, een vrouw die Damaris heette en een aantal anderen.
ACT 18:1 Hierna vertrok Paulus uit Athene naar Korinte.
ACT 18:2 Daar ontmoette hij een Joodse man die Aquila heette en uit Pontus afkomstig was. Hij was onlangs met zijn vrouw Priscilla uit Italië aangekomen, omdat Claudius had bevolen dat alle Joodse mensen uit Rome moesten vertrekken. Paulus ging bij hen op bezoek,
ACT 18:3 en omdat hij hetzelfde beroep had, bleef hij bij hen wonen en werken. Ze waren namelijk tentenmakers van beroep.
ACT 18:4 Elke sabbat debatteerde Paulus in de synagoge en probeerde hij zowel Joden als Grieken te overtuigen.
ACT 18:5 Maar nadat Silas en Timoteüs uit Macedonië waren aangekomen, concentreerde Paulus zich op de verkondiging van het Woord. Hij verklaarde aan de Joodse mensen dat Jezus de Messias is.
ACT 18:6 Toen zij hem echter tegenspraken en bespotten, schudde hij het stof van zijn kleren en zei tegen hen: “Jullie zijn verantwoordelijk voor je eigen ondergang. Ik heb er geen schuld aan. Voortaan ga ik naar de niet-Joden.”
ACT 18:7 Hij verliet de synagoge en trok in bij iemand die God vereerde. Die man heette Titius Justus en zijn huis stond naast de synagoge.
ACT 18:8 Crispus, de synagogebestuurder, kwam met zijn hele huishouden tot geloof in de Heer. Ook veel andere Korintiërs die naar Paulus hadden geluisterd, kwamen tot geloof en werden gedoopt.
ACT 18:9 's Nachts zei de Heer in een visioen tegen Paulus: “Wees niet bang, blijf spreken en zwijg niet,
ACT 18:10 want Ik ben bij je en niemand zal je aanvallen of kwaad doen, want er zijn in deze stad veel mensen die bij Mij horen.”
ACT 18:11 Paulus bleef een jaar en zes maanden en leerde hun het Woord van God.
ACT 18:12 Maar toen Gallio proconsul van Achaje was geworden, keerden de Joden in Korinte zich gezamenlijk tegen Paulus en brachten hem naar Gallio's rechterstoel.
ACT 18:13 Ze zeiden: “Deze man haalt de mensen over om God te vereren op een manier die in strijd is met de wet.”
ACT 18:14 Net toen Paulus op het punt stond iets te zeggen, zei Gallio tegen de Joden: “Als het hier zou gaan om een misdrijf of een kwaadaardig vergrijp, zou het terecht zijn dat ik jullie aanhoor.
ACT 18:15 Maar omdat deze onenigheid woorden, namen en jullie eigen wetten betreft, moeten jullie zelf maar zien. Over deze dingen wil ik geen rechter zijn.”
ACT 18:16 En hij stuurde hen bij de rechterstoel vandaan.
ACT 18:17 Toen vielen ze allemaal Sostenes de synagogebestuurder aan; ze sloegen hem voor de rechterstoel in elkaar. Maar Gallio trok zich er niets van aan.
ACT 18:18 Paulus bleef nog een aantal dagen in Korinte, maar nam toen afscheid van de christenen daar en voer met Priscilla en Aquila naar Syrië. Hij liet echter eerst in Kenchreeën zijn haren knippen, omdat hij een plechtige gelofte had afgelegd.
ACT 18:19 Toen ze in Efeze aankwamen, liet hij Prisca en Aquila achter, maar ging zelf naar de synagoge om met de Joodse mensen te debatteren.
ACT 18:20 Toen die hem vroegen wat langer te blijven, sloeg hij dat af.
ACT 18:21 Maar bij zijn vertrek zei hij: “Als God het wil, kom ik later bij jullie terug.” Toen voer hij uit Efeze weg.
ACT 18:22 Hij ging aan land in Caesarea, ging naar Jeruzalem om de kerkgemeenschap daar te begroeten en reisde verder naar Antiochië.
ACT 18:23 Nadat hij daar enige tijd was geweest, vertrok hij om door het gebied van Galatië en door Frygië te trekken en alle volgelingen van Jezus daar te versterken.
ACT 18:24 Intussen kwam er een Joodse man naar Efeze die Apollos heette en uit Alexandrië afkomstig was. Hij was hoogopgeleid en had een grondige kennis van de Schriften.
ACT 18:25 Hij had onderricht ontvangen over de Weg van de Heer en sprak met veel enthousiasme. Wat hij over Jezus leerde was correct, maar hij kende enkel de doop van Johannes.
ACT 18:26 Hij begon vrijmoedig in de synagoge te spreken. Toen Priscilla en Aquila hem hadden horen spreken, namen ze hem apart en legden ze de Weg van God nauwkeuriger aan hem uit.
ACT 18:27 En toen hij naar Achaje wilde doorreizen, bemoedigden zijn medegelovigen hem en schreven ze aan de volgelingen van Jezus daar dat die hem moesten verwelkomen. In Achaje aangekomen, was Apollos een grote steun voor de mensen die door genade tot geloof waren gekomen.
ACT 18:28 Hij weerlegde de Joden namelijk krachtig door publiekelijk aan de hand van de Schriften te bewijzen dat Jezus de Messias is.
ACT 19:1 Terwijl Apollos in Korinte was, kwam Paulus na een reis door het binnenland aan in Efeze, waar hij enkele volgelingen van Jezus ontmoette.
ACT 19:2 Hij vroeg hun: “Hebben jullie de Heilige Geest ontvangen toen jullie tot geloof kwamen?” Ze antwoordden: “Nee, we hebben zelfs niet over het bestaan van een Heilige Geest gehoord.”
ACT 19:3 Hij vroeg: “Welke doop hebben jullie dan ondergaan?” Ze zeiden: “De doop van Johannes.”
ACT 19:4 Paulus zei: “De doop van Johannes was een doop van inkeer. Johannes vertelde de mensen dat ze moesten geloven in de Persoon die na hem zou komen, dat wil zeggen: in Jezus.”
ACT 19:5 Toen ze dat hoorden, lieten ze zich dopen in de naam van de Heer Jezus.
ACT 19:6 En toen Paulus hun de handen oplegde, kwam de Heilige Geest over hen en begonnen ze in andere talen te spreken en te profeteren.
ACT 19:7 In totaal ging het om ongeveer twaalf personen.
ACT 19:8 Paulus ging naar de synagoge, waar hij drie maanden lang ongehinderd over Gods koninkrijk debatteerde en overtuigend sprak.
ACT 19:9 Maar toen sommigen halsstarrig weigerden te geloven en de Weg belasterden bij de mensen, trok hij zich uit de synagoge terug. Hij nam de volgelingen van Jezus met zich mee en sprak voortaan elke dag in het auditorium van Tyrannus.
ACT 19:10 Dit duurde twee jaar en daardoor hoorden alle inwoners van Asia, zowel Joden als Grieken, het Woord van de Heer.
ACT 19:11 God gebruikte Paulus om buitengewone wonderen te doen.
ACT 19:12 Er werden zelfs doeken en werkschorten die met zijn huid in contact waren geweest, naar de zieken gebracht, zodat hun aandoeningen verdwenen en de boze geesten uit hen weggingen.
ACT 19:13 Er waren echter ook enkele rondreizende Joodse exorcisten, die probeerden in naam van de Heer Jezus boze geesten uit te drijven door te zeggen: “Ik bezweer jullie bij de Jezus die door Paulus wordt verkondigd!”
ACT 19:14 Een zekere Skevas, een Joodse hoofdpriester, had zeven zonen die dit deden.
ACT 19:15 Toen antwoordde de boze geest: “Ik ken Jezus en ik weet wie Paulus is, maar wie zijn jullie?”
ACT 19:16 De persoon sprong op hen af en overmeesterde hen allen. Hij was zoveel sterker dan zij, dat ze naakt en verwond uit dat huis vluchtten.
ACT 19:17 Dit raakte bekend bij alle inwoners van Efeze, zowel Joden als Grieken. Ze raakten allen door angst bevangen en de naam van de Heer Jezus werd grootgemaakt.
ACT 19:18 Veel mensen die tot geloof kwamen, kwamen opbiechten en bekennen wat ze hadden misdreven.
ACT 19:19 Een aantal mensen die magie hadden bedreven, verzamelden hun boeken en verbrandden die in het openbaar. Toen de waarde ervan werd berekend, kwam men uit op 50.000 zilverstukken.
ACT 19:20 Door dit grootse gebeuren kreeg de boodschap van de Heer steeds meer gehoor en aanhang.
ACT 19:21 Na deze gebeurtenissen vatte Paulus het plan op, via Macedonië en Achaje naar Jeruzalem te reizen. Hij zei: “Nadat ik daar ben geweest, moet ik ook Rome bezoeken.”
ACT 19:22 Hij stuurde twee van zijn assistenten, Timoteüs en Erastus, naar Macedonië, maar bleef zelf wat langer in Asia.
ACT 19:23 Rond die tijd ontstond er grote commotie over de Weg.
ACT 19:24 Er was namelijk een zilversmid die Demetrius heette en die met de vervaardiging van zilveren artemistempeltjes een aanzienlijk inkomen aan de ambachtslieden bezorgde.
ACT 19:25 Hij belegde een vergadering voor hen en voor de mensen met aanverwante beroepen, en zei: “Mensen, zoals jullie weten is onze welvaart van deze werkzaamheden afhankelijk.
ACT 19:26 Maar jullie zien en horen ook dat die Paulus een groot aantal mensen heeft overtuigd en op een dwaalspoor gebracht, niet alleen in Efeze maar in bijna heel Asia, door te zeggen dat handgemaakte goden geen echte goden zijn.
ACT 19:27 Nu bestaat niet alleen het gevaar dat ons vak in diskrediet raakt, maar ook dat de tempel van de grote godin Artemis zijn aanzien verliest en zij die door heel Asia en het hele rijk wordt vereerd van haar verhevenheid wordt beroofd.”
ACT 19:28 Toen ze dat hoorden, werden ze razend van woede en schreeuwden ze: “Groot is de Artemis van de Efeziërs!”
ACT 19:29 De stad raakte in rep en roer. De mensen stormden allemaal naar het theater, waarbij ze Gajus en Aristarchus, Macedonische reisgenoten van Paulus, met zich meesleurden.
ACT 19:30 Paulus wilde zich in de menigte begeven, maar de volgelingen van Jezus hielden hem tegen.
ACT 19:31 Enkele hoge provinciefunctionarissen die met hem bevriend waren, lieten hem dringend waarschuwen dat hij zich beter niet in het theater zou vertonen.
ACT 19:32 De mensen schreeuwden door elkaar heen en de bijeenkomst verliep chaotisch. De meesten wisten zelfs niet waarom ze waren samengekomen.
ACT 19:33 Sommigen in de menigte schreeuwden instructies naar Alexander, die door de Joden naar voren werd geduwd. Alexander gaf met een handgebaar aan dat hij een verdedigingstoespraak wilde geven aan het volk.
ACT 19:34 Maar toen ze beseften dat hij een Jood was, scandeerden ze twee uur lang: “Groot is de Artemis van de Efeziërs!”
ACT 19:35 Nadat de stadssecretaris de menigte tot bedaren had gebracht, zei hij: “Efeziërs, er is toch geen mens die niet weet dat de stad Efeze de zorg draagt voor de tempel van de verheven Artemis en voor haar beeld dat uit de hemel gevallen is?
ACT 19:36 Aangezien deze dingen niet kunnen worden ontkend, moeten jullie je kalmte bewaren en geen domme dingen doen.
ACT 19:37 Want de mannen die jullie hierheen hebben gebracht, zijn geen tempelrovers en hebben jullie godin niet belasterd.
ACT 19:38 Als Demetrius en zijn vakgenoten dus iets tegen iemand hebben, dan zijn er rechtszittingen met proconsuls. Laten zij dan maar klacht indienen.
ACT 19:39 En als jullie nog iets wensen, moet dat in een wettige vergadering worden opgelost.
ACT 19:40 Door de gebeurtenissen van vandaag lopen wij namelijk het gevaar van oproer te worden beschuldigd. En dan zullen we deze oploop niet kunnen goedpraten.”
ACT 19:41 Nadat hij dit had gezegd, beëindigde hij de samenkomst.
ACT 20:1 Toen het tumult bedaard was, riep Paulus de volgelingen van Jezus bijeen. Hij bemoedigde hen, nam afscheid en vertrok naar Macedonië.
ACT 20:2 Nadat hij dat gebied had doorgereisd en de gelovigen daar had bemoedigd met zijn toespraken, kwam hij aan in Griekenland.
ACT 20:3 Daar bleef hij drie maanden. Net toen hij op het punt stond naar Syrië te varen, beraamden een aantal Joden een aanslag tegen hem. Daarom besloot hij terug te keren via Macedonië.
ACT 20:4 Hij werd vergezeld door Sopatrus, de zoon van Pyrrhus uit Berea, Aristarchus en Secundus uit Tessalonica, Gajus uit Derbe, Timoteüs, en Tychikus en Trofimus uit Asia.
ACT 20:5 Zij reisden vooruit en wachtten op ons in Troas.
ACT 20:6 Wijzelf voeren uit Filippi weg na het Feest van de Ongedesemde Broden. Na vijf dagen voegden we ons bij de anderen in Troas, en bleven daar zeven dagen.
ACT 20:7 Op de eerste dag van de week, toen we bijeengekomen waren voor de gezamenlijke maaltijd, sprak Paulus de aanwezigen toe. En omdat hij van plan was de volgende ochtend te vertrekken, bleef hij doorspreken tot middernacht.
ACT 20:8 Er brandden veel lampen in de bovenzaal waar we bijeen waren.
ACT 20:9 Een jongeman die Eutychus heette, zat in de raamopening en raakte door slaap overmand toen Paulus almaar langer sprak. Diep in slaap viel hij van de tweede verdieping naar beneden en hij werd dood opgeraapt.
ACT 20:10 Paulus ging naar beneden, ging bovenop hem liggen, sloeg zijn armen om hem heen en zei: “Wees niet ongerust, hij leeft.”
ACT 20:11 Hij ging weer naar boven, zette de maaltijd voort en sprak lang verder totdat het licht werd. Toen vertrok hij.
ACT 20:12 Het kind werd levend weggebracht en men was bijzonder bemoedigd.
ACT 20:13 Wij gingen alvast naar het schip en voeren naar Assus, waar we Paulus aan boord zouden nemen. Hij had dat zo geregeld omdat hij over land wilde reizen.
ACT 20:14 Nadat hij zich in Assus weer bij ons had gevoegd en we hem aan boord hadden genomen, voeren we naar Mitylene.
ACT 20:15 Daarvandaan voeren we verder en de volgende dag gingen we bij Chios voor anker. De dag daarna staken we over naar Samos en nog een dag later kwamen we aan in Miletus.
ACT 20:16 Paulus had namelijk besloten om Efeze voorbij te varen omdat hij geen tijd in Asia wilde doorbrengen. Hij had haast; hij wilde als het kon in Jeruzalem zijn op de dag van het Pinksterfeest.
ACT 20:17 In Miletus stuurde hij iemand naar Efeze om de oudsten van de kerkgemeenschap te ontbieden.
ACT 20:18 Toen die bij hem waren aangekomen, zei hij tegen hen: “Jullie weten hoe ik mij de hele tijd bij jullie heb gedragen, vanaf de eerste dag dat ik in Asia aankwam.
ACT 20:19 Ik heb de Heer in alle nederigheid en met tranen gediend in de beproevingen die mij zijn overkomen door de complotten van de Joden.
ACT 20:20 Ik heb jullie in het openbaar en bij mensen thuis toegesproken en onderwezen zonder jullie ook maar iets te onthouden dat jullie van nut kon zijn.
ACT 20:21 Ik heb zowel Joden als Grieken opgeroepen zich tot God te bekeren en in onze Heer Jezus te geloven.
ACT 20:22 En nu ga ik naar Jeruzalem, onder aandrang van de Geest, en ik weet niet wat mij daar zal overkomen.
ACT 20:23 Alleen word ik in elke stad door de Heilige Geest gewaarschuwd dat mij gevangenschap en lijden te wachten staat.
ACT 20:24 Wat mijzelf betreft, ik hecht geen waarde aan mijn leven, als ik mijn taak en opdracht maar mag voltooien die ik van de Heer Jezus heb ontvangen: getuigen van het evangelie van Gods genade.
ACT 20:25 Ik weet dat niemand van jullie aan wie ik tijdens mijn reizen Gods koninkrijk heb verkondigd, mij zal terugzien.
ACT 20:26 Daarom verklaar ik vandaag aan jullie dat als er iemand van jullie verloren gaat, dat niet mijn schuld zal zijn,
ACT 20:27 want ik heb niet nagelaten heel Gods plan aan jullie te verkondigen.
ACT 20:28 Pas dus op jezelf en de hele kudde waarover de Heilige Geest jullie als verantwoordelijken heeft aangesteld. Zorg voor Gods kerk, die Hij zich heeft toegeëigend doordat zijn bloed werd vergoten.
ACT 20:29 Ik weet dat na mijn vertrek wrede wolven bij jullie zullen binnendringen, die de kudde niet zullen ontzien.
ACT 20:30 Zelfs uit jullie eigen midden zullen mensen opstaan die de waarheid verdraaien om van de volgelingen van Jezus hun eigen volgelingen te maken.
ACT 20:31 Wees dus waakzaam en onthoud dat ik ieder van jullie drie jaar lang onophoudelijk dag en nacht in tranen heb onderwezen.
ACT 20:32 En nu draag ik jullie op aan God en aan de boodschap van zijn genade, die jullie kan opbouwen en jullie kan schenken wat beloofd is aan allen die bij Hem horen.
ACT 20:33 Zilver, goud of kledij heb ik van niemand verlangd.
ACT 20:34 Jullie weten dat ik eigenhandig heb voorzien in mijn eigen noden en die van de mensen bij mij.
ACT 20:35 In alles heb ik jullie getoond dat we zo, door hard te werken, de zwakken moeten steunen, terwijl we denken aan de woorden van de Heer Jezus zelf: ‘Het is beter te geven dan te ontvangen.’”
ACT 20:36 Toen Paulus was uitgesproken, knielde hij met hen allen neer om te bidden.
ACT 20:37 Paulus werd onder luid geween door iedereen omhelsd en gekust.
ACT 20:38 Waar ze het droevigst om waren was dat hij had gezegd dat zij hem niet zouden terugzien. Vervolgens deden ze hem uitgeleide naar het schip.
ACT 21:1 Nadat we ons van hen hadden losgemaakt, voeren we weg. We zetten rechtstreeks koers naar Kos, de volgende dag naar Rhodos en daarvandaan naar Patara.
ACT 21:2 Daar vonden we een schip dat naar Fenicië zou oversteken, gingen aan boord en voeren weg.
ACT 21:3 Nadat we Cyprus hadden zien liggen en aan de zuidkant waren gepasseerd, voeren we verder naar Syrië en meerden we aan in Tyrus. Daar moest de lading van het schip worden gelost.
ACT 21:4 We zochten in Tyrus de volgelingen van Jezus op en bleven daar zeven dagen. Door toedoen van de Geest zeiden zij tegen Paulus dat hij niet naar Jeruzalem moest gaan.
ACT 21:5 Maar toen onze tijd daar voorbij was, vertrokken we om onze reis te vervolgen. Ze vergezelden ons allemaal, met hun vrouwen en kinderen, tot buiten de stad. Op het strand knielden we neer om te bidden.
ACT 21:6 We namen afscheid van elkaar en wij gingen aan boord van het schip, terwijl zij naar huis terugkeerden.
ACT 21:7 Vanuit Tyrus vervolgden we onze zeereis tot we in Ptolemaïs aankwamen. Daar begroetten we de christenen en bleven we een dag bij hen.
ACT 21:8 De volgende dag vertrokken we en kwamen we aan in Caesarea. Daar gingen we naar het huis van Filippus de Evangelist, – hij was een van de Zeven – en bleven bij hem logeren.
ACT 21:9 Hij had vier ongehuwde dochters met de gave van profetie.
ACT 21:10 We waren er al een aantal dagen, toen er een profeet uit Judea kwam die Agabus heette.
ACT 21:11 Hij kwam naar ons toe, nam Paulus' riem, bond daarmee zijn eigen voeten en handen vast en zei: “De Heilige Geest zegt: ‘De Joden in Jeruzalem zullen de man van wie deze riem is vastbinden en hem aan de niet-Joden uitleveren.’”
ACT 21:12 Toen we dat hoorden, drongen zowel wijzelf als de christenen van Caesarea er bij Paulus op aan niet naar Jeruzalem te gaan.
ACT 21:13 Maar Paulus antwoordde: “Waarom wenen jullie en maken jullie mij zo treurig? Ik ben niet alleen bereid in Jeruzalem te worden vastgebonden, maar ook omwille van de Heer Jezus te sterven.”
ACT 21:14 Toen hij zich niet liet overreden, gaven we het op. We zeiden: “Laat gebeuren wat de Heer wil.”
ACT 21:15 Na die periode troffen we voorbereidingen en reisden we naar Jeruzalem.
ACT 21:16 Enkele volgelingen van Jezus uit Caesarea kwamen met ons mee. Zij brachten ons bij Mnason, een Cyprioot en een van de eerste volgelingen van Jezus. Bij hem mochten we logeren.
ACT 21:17 Bij onze aankomst in Jeruzalem ontvingen de christenen ons met vreugde.
ACT 21:18 De volgende dag gingen wij met Paulus mee naar Jakobus. Ook alle oudsten waren daar.
ACT 21:19 Paulus begroette hen en vertelde gedetailleerd over de dingen die God door zijn bediening had gedaan onder de niet-Joden.
ACT 21:20 Nadat ze hem hadden aangehoord, verheerlijkten ze God. Toen zeiden ze tegen Paulus: “Broer, je ziet hoeveel duizenden Joden tot geloof zijn gekomen en dat zij allen nauwgezet de Wet naleven.
ACT 21:21 Er is hun over jou verteld dat je alle Joden in niet-Joodse gebieden leert om Mozes ontrouw te zijn door hun kinderen niet te besnijden en de Joodse gebruiken niet na te leven.
ACT 21:22 Wat valt hieraan te doen? Ze zullen zeker horen dat je bent gekomen.
ACT 21:23 Doe daarom wat wij je vertellen. Wij hebben vier mannen die een plechtige gelofte hebben afgelegd.
ACT 21:24 Neem hen mee, onderga samen met hen de reinigingsceremonie en betaal hun kosten, zodat ze hun hoofd kunnen laten kaalscheren. Dan zullen alle mensen weten dat de dingen die ze over jou hebben gehoord, niet waar zijn, maar dat je leeft in gehoorzaamheid aan de Wet.
ACT 21:25 En wat de niet-Joodse gelovigen betreft, wij hebben hun geschreven over het besluit dat ze zich moeten onthouden van vlees van afgodenoffers, bloed, vlees van verstikte dieren en seksueel wangedrag.”
ACT 21:26 Paulus nam de mannen met zich mee. De volgende dag voerden ze de reinigingsceremonie uit en gingen ze naar het tempelterrein om te melden op welke dag de reiniging voltooid zou zijn en voor elk van hen een offer zou worden gebracht.
ACT 21:27 Toen de zeven dagen bijna voorbij waren, zagen de Joden uit Asia Paulus op het tempelterrein. Ze stookten de hele menigte op, grepen hem vast
ACT 21:28 en riepen: “Israëlieten, help ons! Dit is de man die overal aan alle mensen dingen leert die ingaan tegen ons volk, de Wet en deze plaats. Bovendien heeft hij Grieken het tempelterrein binnengebracht en daardoor dit heiligdom onrein gemaakt.”
ACT 21:29 Ze hadden namelijk Trofimus van Efeze met hem in de stad gezien en dachten dat Paulus hem had meegenomen naar het tempelterrein.
ACT 21:30 De hele stad raakte in rep en roer. De mensen kwamen van alle kanten op hen af, grepen Paulus en sleurden hem het tempelterrein af. Meteen werden de poorten gesloten.
ACT 21:31 Terwijl ze probeerden hem te vermoorden, ontving de tribuun van de legerafdeling het bericht dat heel Jeruzalem in rep en roer was.
ACT 21:32 Hij verzamelde meteen soldaten en centurio's en haastte zich naar hen toe. Toen de mensen de tribuun en de soldaten zagen, hielden ze op Paulus te slaan.
ACT 21:33 De tribuun kwam op hem af, arresteerde hem en gaf het bevel om hem met twee ketenen te boeien. Toen vroeg hij wie Paulus was en wat hij had gedaan.
ACT 21:34 Maar de mensen schreeuwden allemaal door elkaar heen en door het tumult kon hij de feiten niet achterhalen. Daarom gaf hij het bevel, Paulus naar de kazerne te brengen.
ACT 21:35 Toen Paulus de trappen had bereikt, moest hij door de soldaten worden gedragen wegens het gedrang van de menigte.
ACT 21:36 Er kwam namelijk veel volk achter hen aan, dat “Weg met hem!” schreeuwde.
ACT 21:37 Op het moment dat Paulus de kazerne zou worden binnengebracht, vroeg hij de tribuun: “Mag ik u iets zeggen?” Hij antwoordde: “Spreekt u Grieks?
ACT 21:38 Bent u dan niet die Egyptenaar die een tijdje geleden in opstand kwam en vierduizend terroristen naar de wildernis heeft geleid?”
ACT 21:39 Paulus zei: “Ik ben een Jood uit Tarsus in Cilicië, burger van een niet onbelangrijke stad, en ik verzoek u, geef mij toestemming het volk toe te spreken.”
ACT 21:40 Toen de tribuun zijn toestemming had gegeven, ging Paulus bovenaan de trappen staan en maakte hij een handgebaar naar het volk. Het werd stil en hij sprak hen als volgt toe in het Aramees:
ACT 22:1 “Volksgenoten, raadsleden, luister hoe ik mijzelf tegenover u verdedig.”
ACT 22:2 Toen ze hoorden dat hij hen toesprak in het Aramees, werden ze nog stiller. Hij vervolgde:
ACT 22:3 “Ik ben een Jood, geboren in Tarsus in Cilicië, maar ik ben hier in Jeruzalem opgegroeid. Als leerling van Gamaliël ben ik grondig opgeleid in de Wet van onze voorouders en ik was God zeer toegewijd, net als u allen hier.
ACT 22:4 Ik heb de aanhangers van de Weg tot de dood toe vervolgd, mannen en vrouwen heb ik gearresteerd en gevangen laten zetten.
ACT 22:5 Zelfs de hogepriester en de hele raad van volksoudsten kunnen daarvan getuigen. Ik had brieven van hen meegekregen voor onze volksgenoten in Damascus, toen ik daarheen ging om die mensen gevangen te nemen en naar Jeruzalem te brengen zodat ze gestraft konden worden.
ACT 22:6 Maar onderweg, toen ik bijna bij Damascus was, omstraalde mij rond de middag plots een fel licht uit de hemel.
ACT 22:7 Ik viel op de grond en hoorde een stem tegen me zeggen: ‘Saul, Saul, waarom vervolg je Mij?’
ACT 22:8 Ik antwoordde: ‘Wie bent U, Heer?’ Hij zei tegen mij: ‘Ik ben Jezus van Nazaret, degene die jij vervolgt.’
ACT 22:9 De mensen bij mij zagen wel het licht, maar hoorden niet de stem van Degene die mij toesprak.
ACT 22:10 En ik zei: ‘Wat zal ik doen, Heer?’ En de Heer zei tegen mij: ‘Kom overeind en ga Damascus binnen. Daar zal je worden verteld over al het werk waarvoor ik jou heb aangesteld.’
ACT 22:11 Omdat ik door het felle licht niets meer kon zien, werd ik door mijn reisgenoten bij de hand genomen en Damascus binnengeleid.
ACT 22:12 En een zekere Ananias, iemand die zich eerbiedig aan de Wet hield en over wie lovend werd gesproken door alle Joodse mensen die daar woonden,
ACT 22:13 kwam naar me toe, ging voor me staan en zei tegen mij: ‘Saul, broer, word ziende!’ En meteen kon ik hem zien.
ACT 22:14 Ananias vervolgde: ‘De God van onze voorouders heeft jou aangesteld om te weten wat Hij wil en om de Rechtvaardige te zien en zijn stem te horen.
ACT 22:15 Je zal, als zijn getuige, aan alle mensen vertellen wat je hebt gezien en gehoord.
ACT 22:16 Wat aarzel je nog? Sta op, laat je dopen en je zonden wegwassen terwijl je Hem aanroept.’
ACT 22:17 Later, toen ik naar Jeruzalem was teruggekeerd en op het tempelterrein aan het bidden was, kreeg ik een visioen.
ACT 22:18 Ik zag God en Hij zei tegen mij: ‘Snel, vertrek onmiddellijk uit Jeruzalem, want ze zullen jouw getuigenis over Mij niet aanvaarden.’
ACT 22:19 Maar ik zei: ‘Heer, ze weten dat ik in alle synagogen de mensen die in U geloven gevangennam en liet geselen.
ACT 22:20 En toen het bloed van uw getuige Stefanus werd vergoten, stond ik erbij. Ik stemde ermee in en paste op de mantels van degenen die hem ombrachten.’
ACT 22:21 Hij zei tegen mij: ‘Ga, want Ik zal je sturen naar de volken ver weg.’”
ACT 22:22 Tot dan toe hadden de mensen naar Paulus' toespraak geluisterd, maar nu begonnen ze luid te roepen: “Neem die man van de aarde weg! Hij verdient het niet om te leven!”
ACT 22:23 Al schreeuwend gooiden ze hun mantels van zich af en wierpen ze stof in de lucht.
ACT 22:24 De tribuun gaf het bevel, Paulus de kazerne binnen te brengen en hem onder geseling te verhoren om te weten te komen waarom ze zo tegen hem schreeuwden.
ACT 22:25 Toen ze hem vastmaakten om te worden gegeseld, zei Paulus tegen de centurio die erbij stond: “Mogen jullie een Romeins staatsburger geselen en dan nog wel zonder vonnis?”
ACT 22:26 Toen de centurio dat hoorde, ging hij de tribuun verwittigen: “Wat bent u nu van plan? Deze man is een Romeins staatsburger!”
ACT 22:27 De tribuun ging naar Paulus toe en vroeg hem: “Zeg eens, bent u een Romeins staatsburger?” Hij antwoordde: “Ja”.
ACT 22:28 De tribuun vertelde: “Ik heb veel geld betaald voor mijn staatsburgerschap.” En Paulus zei: “Maar ik ben ermee geboren.”
ACT 22:29 Meteen trokken de mensen die hem zouden ondervragen zich terug. Ook de tribuun werd bang, want hij besefte dat hij Paulus, een Romeins staatsburger, had laten boeien.
ACT 22:30 De tribuun wilde precies weten waarvan Paulus door de Joden werd beschuldigd. Daarom beval hij de volgende dag dat de hoofdpriesters en de hele Joodse raad moesten bijeenkomen. Paulus liet hij uit de gevangenis ophalen, naar hen toebrengen en aan hen voorleiden.
ACT 23:1 Paulus keek de Joodse raad aan en zei: “Volksgenoten, ik heb tot nu toe altijd met een goed geweten mijn plichten jegens God vervuld.”
ACT 23:2 Toen gaf hogepriester Ananias de mensen die bij Paulus stonden de opdracht hem op de mond te slaan.
ACT 23:3 Daarom zei Paulus tegen hem: “God zal u slaan, witgekalkte muur! U zit daar om mij volgens de Wet te berechten en u overtreedt de Wet door opdracht te geven mij te slaan?”
ACT 23:4 De mensen die bij Paulus stonden, zeiden: “Jij beledigt Gods hogepriester!”
ACT 23:5 Maar Paulus zei: “Volksgenoten, ik wist niet dat hij de hogepriester is. Want in de Schriften staat: ‘Je mag niet kwaadspreken over de leider van je volk.’”
ACT 23:6 Paulus wist dat een deel van de Joodse raad uit sadduceeën bestond en een ander deel uit farizeeën. Daarom riep hij uit: “Volksgenoten, ik ben een farizeeër uit een familie van farizeeën en ik sta terecht voor mijn verwachting dat de doden zullen verrijzen!”
ACT 23:7 Zodra hij dat gezegd had, ontstond er onenigheid tussen de farizeeën en de sadduceeën en raakte de vergadering intern verdeeld.
ACT 23:8 De sadduceeën zeggen immers dat er geen verrijzenis is, en ook geen engelen of geesten, maar de farizeeën zeggen dat ze wel bestaan.
ACT 23:9 Er ontstond grote commotie. Enkele farizese Schriftgeleerden stonden op en betoogden vurig: “Wij vinden niets verkeerds in deze man. Wat als een geest of een engel tot hem heeft gesproken?”
ACT 23:10 De onenigheid werd zo groot dat de tribuun vreesde dat Paulus door hen aan stukken zou worden gereten. Hij liet de soldaten komen om hem uit hun midden weg te halen en naar de kazerne te brengen.
ACT 23:11 Die nacht kwam de Heer naar Paulus toe. Hij zei: “Wees moedig, want zoals je over Mij hebt getuigd in Jeruzalem, moet je ook in Rome getuigen.”
ACT 23:12 Toen het ochtend werd, smeedden enkele Joodse mensen een complot: ze zwoeren dat ze niet zouden eten of drinken voordat ze Paulus hadden gedood.
ACT 23:13 Meer dan veertig personen waren bij deze samenzwering betrokken.
ACT 23:14 Ze benaderden de hoofdpriesters en oudsten en zeiden: “Wij hebben gezworen om niet te eten voordat we Paulus hebben gedood.
ACT 23:15 Stuur daarom namens de Joodse raad een verzoek naar de tribuun om hem aan u voor te leiden, alsof u zijn zaak nauwkeuriger wilt onderzoeken. Dan staan wij klaar om hem om te brengen terwijl hij onderweg is.”
ACT 23:16 Maar toen de zoon van Paulus' zus over de hinderlaag hoorde, begaf hij zich naar de kazerne en ging hij naar binnen om Paulus te verwittigen.
ACT 23:17 Paulus riep een van de centurio's bij zich en zei: “Breng deze jongeman naar de tribuun, want hij heeft hem iets te melden.”
ACT 23:18 De centurio nam hem mee naar de tribuun en zei: “Gevangene Paulus heeft mij bij zich geroepen en me verzocht deze jongeman bij u te brengen, omdat hij u iets te zeggen heeft.”
ACT 23:19 De tribuun nam hem bij de hand, nam hem apart en vroeg: “Wat heb je mij te melden?”
ACT 23:20 De jongeman zei: “De Joden zijn met elkaar overeengekomen om u te verzoeken, Paulus morgen naar de Joodse raad te brengen, zogezegd om de zaak nader te onderzoeken.
ACT 23:21 Laat u echter niet door hen overreden, want meer dan veertig van hen willen hem in een hinderlaag lokken. Zij hebben gezworen om niet te eten of te drinken voordat ze hem hebben omgebracht, en nu staan ze klaar, in afwachting van uw toestemming.”
ACT 23:22 De tribuun liet de jongeman gaan, nadat hij hem had gewaarschuwd: “Laat aan niemand weten dat je mij hierover hebt ingelicht.”
ACT 23:23 Vervolgens riep hij twee van zijn centurio's en zei: “Zorg dat er vanavond om negen uur tweehonderd soldaten, zeventig ruiters en tweehonderd speerdragers klaarstaan om naar Caesarea te vertrekken.
ACT 23:24 Zorg ook voor rijdieren voor Paulus, zodat hij bij gouverneur Felix in veiligheid kan worden gebracht.”
ACT 23:25 Ook schreef hij een brief met de volgende inhoud:
ACT 23:26 “Van Claudius Lysias aan zijne excellentie gouverneur Felix. Gegroet!
ACT 23:27 Deze man is door de Joden opgepakt en was bijna door hen vermoord. Ik ben er met mijn afdeling soldaten naartoe gegaan en heb hem in veiligheid gebracht, want ik had vernomen dat hij een Romeins staatsburger is.
ACT 23:28 En omdat ik wilde weten waarvan ze hem beschuldigden, heb ik hem naar hun raad gebracht.
ACT 23:29 Daar stelde ik vast dat hij werd beschuldigd van iets dat verband hield met hun wetten. Er was echter geen tenlastelegging voor iets waarop de dood of gevangenisstraf staat.
ACT 23:30 Omdat ik ben verwittigd van een complot tegen de man, stuur ik hem naar u toe en heb ik zijn aanklagers opgedragen aan u te vertellen wat ze tegen hem hebben.”
ACT 23:31 Zoals hun was opgedragen, haalden de soldaten Paulus op om hem 's nachts naar Antipatris te brengen.
ACT 23:32 's Ochtends lieten ze de ruiters met Paulus verder rijden en keerden ze zelf naar de kazerne terug.
ACT 23:33 Na hun aankomst in Caesarea overhandigden de ruiters de brief aan de gouverneur, en droegen ze Paulus aan hem over.
ACT 23:34 De gouverneur las de brief en vroeg Paulus uit welke provincie hij afkomstig was. Toen hij vernam dat Paulus uit Cilicië kwam,
ACT 23:35 zei hij: “Ik zal je verhoren zodra je aanklagers zijn aangekomen.” Hij gaf het bevel, Paulus gevangen te houden in het paleis dat Herodes had laten bouwen.
ACT 24:1 Na vijf dagen kwam hogepriester Ananias aan, met enkele oudsten en een advocaat die Tertullus heette. Zij dienden hun aanklacht tegen Paulus in bij de gouverneur.
ACT 24:2 Paulus werd binnengeroepen en Tertullus begon zijn beschuldigingsrede. Hij zei: “Dat wij dankzij u volop van vrede genieten en dat uw vooruitziendheid hervormingen oplevert ten bate van ons volk,
ACT 24:3 excellentie Felix, wordt door ons altijd en overal met diepe dankbaarheid erkend.
ACT 24:4 Om u niet te lang op te houden, verzoek ik u ons in uw welwillendheid kort aan te horen.
ACT 24:5 Wij hebben namelijk ontdekt dat deze man een ruziemaker is die rellen veroorzaakt onder alle Joodse mensen in het hele rijk. Hij is een van de hoofdleiders van de volgelingen van de Man van Nazaret.
ACT 24:6 Hij heeft zelfs geprobeerd, de tempel te ontwijden en daarom hebben wij hem opgepakt.
ACT 24:8 Als u hem zelf verhoort, zal u alles te weten komen waarvan wij hem beschuldigen.”
ACT 24:9 De Joodse mensen vielen hem bij door te zeggen dat het waar was.
ACT 24:10 Maar toen de gouverneur aangaf dat Paulus mocht spreken, antwoordde deze: “Ik weet dat u al vele jaren rechter voor dit volk bent. Daarom zal ik mijzelf vol goede moed in deze zaak verdedigen.
ACT 24:11 Zoals u kan controleren, ben ik pas twaalf dagen geleden naar Jeruzalem gekomen om God te aanbidden.
ACT 24:12 Niemand heeft mij op het tempelterrein met mensen zien discussiëren of een oploop zien veroorzaken, ook niet in de synagogen of in de stad.
ACT 24:13 Verder kunnen ze de dingen waarvan zij mij beschuldigen, niet bewijzen.
ACT 24:14 Maar ik beken u wel dat ik de God van onze voorouders vereer volgens de Weg die zij een sekte noemen, en dat ik alles geloof wat overeenstemt met de Wet en wat in de Profeten staat.
ACT 24:15 En evenals mijn aanklagers verwacht ik dat God zowel de rechtvaardigen als de onrechtvaardigen zal doen verrijzen.
ACT 24:16 Daarom doe ik mijn best om altijd een zuiver geweten te hebben tegenover God en de mensen.
ACT 24:17 Na een afwezigheid van vele jaren ben ik naar mijn land teruggekomen om giften aan de armen te geven en offers te brengen.
ACT 24:18 Dat was ik aan het doen toen men mij in de tempel aantrof, waar ik pas de reinigingsceremonie had uitgevoerd; er was geen samenscholing en geen commotie.
ACT 24:19 Maar er zijn enkele Joodse mensen uit Asia die voor u zouden moeten verschijnen om mij te beschuldigen als zij iets tegen mij hebben.
ACT 24:20 Of laat wie hier aanwezig is verklaren aan welke overtreding zij mij schuldig hebben bevonden toen ik voor de Joodse raad stond.
ACT 24:21 Of het moest die ene uitroep zijn die ik deed toen ik voor hen stond: ‘Het is in verband met de verrijzenis van de doden dat ik vandaag voor u terecht sta’.”
ACT 24:22 Maar Felix, die goed op de hoogte was van de Weg, verdaagde de zitting en zei: “Wanneer Lysias de tribuun komt, zal ik over uw zaak beslissen.”
ACT 24:23 Hij beval de centurio, Paulus gevangen te houden onder licht regime. Ook mocht geen van Paulus' assistenten worden verhinderd hem bij te staan.
ACT 24:24 Enkele dagen later kwam Felix vergezeld van zijn vrouw Drusilla, die Jodin was. Hij liet Paulus ophalen en liet hem vertellen over zijn geloof in Christus Jezus.
ACT 24:25 Maar toen Paulus sprak over gerechtigheid, zelfbeheersing en het komende Oordeel, werd Felix heel bang en onderbrak hij hem: “Zo is het genoeg, u mag beschikken. Wanneer ik weer tijd heb zal ik u ontbieden.”
ACT 24:26 Tegelijkertijd hoopte hij dat Paulus hem geld zou aanbieden. Daarom liet hij hem vaak ontbieden om met hem te praten.
ACT 24:27 Na verloop van twee jaar werd Felix opgevolgd door Porcius Festus. En om de Joodse mensen een gunst te bewijzen, liet Felix Paulus in gevangenschap achter.
ACT 25:1 Drie dagen nadat Festus in de provincie was aangekomen, begaf hij zich van Caesarea naar Jeruzalem.
ACT 25:2 Daar dienden de hoofdpriesters en andere Joodse leiders hun aanklacht tegen Paulus bij hem in. Ze verzochten Festus,
ACT 25:3 hun een gunst te bewijzen door Paulus naar Jeruzalem te laten overbrengen. Ze hadden namelijk een hinderlaag voorbereid om hem onderweg te kunnen doden.
ACT 25:4 Maar Festus antwoordde dat Paulus in Caesarea zou blijven en dat hijzelf daar binnenkort naartoe wilde gaan.
ACT 25:5 Hij zei: “Enkele van jullie leiders mogen meekomen en als die man iets heeft misdaan, kunnen zij hem daar in beschuldiging stellen.”
ACT 25:6 Hij bleef niet langer dan acht of tien dagen en ging terug naar Caesarea. De volgende ochtend nam hij plaats op de rechterstoel en gaf bevel, Paulus voor te leiden.
ACT 25:7 Toen Paulus was binnengekomen, gingen de Joodse mensen die uit Jeruzalem waren gekomen om hem heen staan. Ze brachten allerlei zware beschuldigingen tegen hem in, die ze niet konden bewijzen.
ACT 25:8 Paulus verdedigde zich: “Ik heb niets misdaan; niet tegen de Joodse Wet, niet tegen de tempel en ook niet tegen de keizer.”
ACT 25:9 Festus, die de Joodse mensen een gunst wilde bewijzen, vroeg aan Paulus: “Bent u bereid naar Jeruzalem te gaan om daar in deze zaak voor mij terecht te staan?”
ACT 25:10 Paulus antwoordde: “Ik sta hier voor de keizerlijke rechterstoel, waar ik berecht moet worden. Zoals u goed beseft heb ik de Joodse mensen niets misdaan.
ACT 25:11 Als ik iets verkeerds heb gedaan waarop de doodstraf staat, zal ik mij niet tegen de dood verzetten. Maar als de dingen waarvan zij mij beschuldigen onwaar zijn, heeft niemand het recht mij aan hen uit te leveren. Ik beroep me op de keizer!”
ACT 25:12 Festus overlegde met zijn adviesraad en antwoordde: “U hebt zich op de keizer beroepen, naar de keizer zal u gaan.”
ACT 25:13 Na verloop van enkele dagen kwam koning Agrippa met Bernice naar Caesarea voor een beleefdheidsbezoek aan Festus.
ACT 25:14 Toen ze daar al verscheidene dagen waren, vertelde Festus de koning over de rechtszaak tegen Paulus. Festus zei: “Er is hier iemand die door Felix als gevangene is achtergelaten,
ACT 25:15 tegen wie een aanklacht werd ingediend door de Joodse hoofdpriesters en oudsten toen ik Jeruzalem bezocht. Ze vroegen mij, hem te veroordelen.
ACT 25:16 Ik heb hun geantwoord dat het bij de Romeinen niet de gewoonte is om iemand over te leveren voordat de beschuldigde voor zijn aanklagers is verschenen en de gelegenheid heeft gekregen om zich tegen de aanklacht te verdedigen.
ACT 25:17 Dus toen ze met zijn allen hier kwamen, heb ik zonder uitstel de volgende dag op de rechterstoel plaatsgenomen en de man laten voorleiden.
ACT 25:18 Maar toen de aanklagers opstonden, beschuldigden ze hem helemaal niet van de misdaden die ik had verwacht.
ACT 25:19 Wel hadden ze onenigheid met hem over hun godsdienst en over een zekere Jezus, die gestorven is en van wie Paulus beweert dat hij leeft.
ACT 25:20 En omdat het mij onduidelijk was hoe ik deze kwestie kon onderzoeken, vroeg ik of hij bereid was naar Jeruzalem te gaan om daar voor deze dingen te worden berecht.
ACT 25:21 Maar toen Paulus mij verzocht om hem in bewaring te houden in afwachting van het besluit van de keizer, gaf ik bevel hem in bewaring te houden totdat ik hem naar Caesar kan sturen.”
ACT 25:22 Agrippa zei tegen Festus: “Ik wil die man ook wel eens horen.” Festus antwoordde: “Morgen zal u hem horen.”
ACT 25:23 De volgende ochtend kwamen Agrippa en Bernice in vol ornaat binnen. Ze gingen de gehoorzaal binnen met de militaire leiders en de voorname mannen van de stad. Op het bevel van Festus werd Paulus voorgeleid.
ACT 25:24 Festus zei: “Koning Agrippa en iedereen die hier met ons aanwezig is, hier ziet u de man om wie de hele Joodse gemeenschap, zowel in Jeruzalem als hier, zich tot mij heeft gericht. Ze roepen dat hij niet langer hoort te leven.
ACT 25:25 Ik heb vastgesteld dat hij niets heeft gedaan waarop de doodstraf staat, maar omdat hij zich op de keizer heeft beroepen, heb ik besloten hem naar Rome te sturen.
ACT 25:26 Ik heb echter niets concreets over hem dat ik aan zijne majesteit kan schrijven. Daarom leid ik hem aan u allen voor, in het bijzonder aan u, koning Agrippa, zodat ik na afloop van het onderzoek iets zal hebben dat ik kan schrijven.
ACT 25:27 Want het lijkt mij onredelijk een gevangene door te sturen zonder duidelijk te maken wat de aanklacht tegen hem is.”
ACT 26:1 Agrippa zei tegen Paulus: “U mag voor uzelf pleiten.” Paulus maakte een handgebaar en verdedigde zichzelf als volgt:
ACT 26:2 “Koning Agrippa, ik prijs mezelf gelukkig dat ik mij vandaag tegenover u mag verdedigen voor alles waarvan ik door de Joodse mensen word beschuldigd,
ACT 26:3 vooral omdat u goed bekend bent met alle Joodse gebruiken en twistpunten. Daarom verzoek ik u, mij geduldig aan te horen.
ACT 26:4 Alle Joodse mensen weten hoe ik van kinds af aan heb geleefd, eerst in mijn eigen land en later ook in Jeruzalem.
ACT 26:5 Zij kennen mij al lang, en als ze daartoe bereid zijn kunnen ze bevestigen dat ik als een farizeeër heb geleefd, dus volgens de strengste stroming binnen onze religie.
ACT 26:6 En nu sta ik terecht omdat ik verwacht dat God zijn belofte aan onze voorouders zal waarmaken.
ACT 26:7 Onze twaalf stammen vereren God dag en nacht terwijl ze de vervulling van die belofte verwachten. Het is omwille van die verwachting, majesteit, dat ik door de Joodse mensen word beschuldigd.
ACT 26:8 Waarom vinden jullie het zo ongeloofwaardig dat God doden doet verrijzen?
ACT 26:9 Vroeger dacht ik dat ik de naam van Jezus van Nazaret krachtig moest bestrijden.
ACT 26:10 En dat heb ik ook gedaan! Ik heb in Jeruzalem veel mensen die in Jezus geloofden in de gevangenis laten opsluiten, want ik had daarvoor de bevoegdheid gekregen van de hoofdpriesters. Ook stemde ik voor de doodstraf voor die mensen.
ACT 26:11 Vaak ben ik alle synagogen langsgegaan om hen met geweld te dwingen hun geloof af te zweren. Ik ging verschrikkelijk tegen hen tekeer en vervolgde hen tot in steden buiten ons land.
ACT 26:12 Maar toen ik in dat kader naar Damascus ging, met de instemming van de hoofdpriesters en door hen gemandateerd,
ACT 26:13 zag ik onderweg, o majesteit, midden op de dag een licht uit de hemel dat feller was dan de zon en dat mij en mijn reisgenoten omstraalde.
ACT 26:14 We vielen allemaal op de grond en ik hoorde een stem die in het Aramees tegen mij zei: ‘Saul, Saul, waarom vervolg je Mij? Je doet jezelf pijn door je tegen Mij te verzetten.’
ACT 26:15 Ik vroeg: ‘Wie bent U, Heer?’ En de Heer zei: ‘Ik ben Jezus, degene die jij vervolgt.
ACT 26:16 Kom overeind en ga op je voeten staan, want Ik ben aan je verschenen om je aan te stellen als mijn dienaar en als getuige van wat Ik je heb laten zien en van hetgeen Ik je nog ga tonen.
ACT 26:17 Ik zal je beschermen tegen je volksgenoten, maar ook tegen de niet-Joden naar wie ik je toe stuur
ACT 26:18 om hun ogen te openen en hen uit het donker naar het licht te leiden, en uit de macht van de satan naar God. Daardoor zullen zij vergeving van zonden ontvangen en voor altijd deel mogen uitmaken van de mensen die door hun geloof in Mij heilig zijn geworden.’
ACT 26:19 Sindsdien, koning Agrippa, ben ik altijd gehoorzaam geweest aan dat hemelse visioen.
ACT 26:20 Ik heb eerst aan de inwoners van Damascus, en dan in Jeruzalem en het gebied Judea, en zelfs aan niet-Joden verkondigd dat ze tot inkeer moeten komen, zich tot God moeten bekeren en moeten handelen overeenkomstig hun inkeer.
ACT 26:21 Daarom hebben enkele Joodse mensen mij in de tempel opgepakt en geprobeerd mij om te brengen.
ACT 26:22 Tot de dag van vandaag heb ik echter altijd steun van God ontvangen. Ik sta hier en leg getuigenis af aan de mensen, zowel de aanzienlijken als de eenvoudigen. Ik vertel niets waarvan niet reeds door de profeten en Mozes was gezegd dat het ging gebeuren,
ACT 26:23 namelijk dat de Messias zou moeten lijden en dat Hij als eerste van de doden zou verrijzen om aan zowel ons volk als aan de niet-Joden het licht te verkondigen.”
ACT 26:24 Paulus was nog met deze verdedigingsrede bezig, toen Festus uitriep: “Je bent gek, Paulus, al dat studeren heeft je gek gemaakt.”
ACT 26:25 Paulus antwoordde: “Ik ben niet gek, hoogedele Festus, de woorden die ik spreek zijn waar en doordacht.
ACT 26:26 En de koning is met deze dingen bekend. Daarom spreek ik hem vrijmoedig toe, want ik ben ervan overtuigd dat niets hiervan hem is ontgaan, want ze hebben zich niet in een uithoek afgespeeld.
ACT 26:27 Koning Agrippa, u gelooft toch de profeten? Ik weet dat u ze gelooft.”
ACT 26:28 Agrippa zei tegen Paulus: “Ga je straks proberen mij te overtuigen om christen te worden?”
ACT 26:29 En Paulus zei: “Ik zou God willen vragen dat – straks of later – niet alleen u maar ook alle mensen die mij vandaag horen, mogen worden zoals ik, maar dan zonder deze boeien.”
ACT 26:30 De koning stond op, en ook de gouverneur, Bernice en de anderen die de zitting hadden bijgewoond.
ACT 26:31 Ze verlieten de zaal en zeiden tegen elkaar: “Deze man heeft niets gedaan waarop de dood of gevangenisstraf staat.”
ACT 26:32 Agrippa zei tegen Festus: “Deze man had nu kunnen worden vrijgelaten als hij zich niet op de keizer had beroepen.”
ACT 27:1 Nadat besloten was dat we naar Italië zouden varen, werden Paulus en enkele andere gevangenen overgedragen aan een centurio die Julius heette; hij was van de keizerlijke afdeling.
ACT 27:2 We gingen aan boord van een schip uit Adramyttium dat de havens aan de kust van Asia zou aandoen en voeren weg. Aristarchus, een Macedoniër uit Tessalonica, was bij ons.
ACT 27:3 De volgende dag kwamen we aan in de haven van Sidon. Julius behandelde Paulus vriendelijk en liet toe dat hij zijn vrienden bezocht om zich door hen te laten verzorgen.
ACT 27:4 We vervolgden onze zeereis en voeren Cyprus aan de beschutte kant voorbij, omdat we de wind tegen hadden.
ACT 27:5 Nadat we de open zee bij Cilicië en Pamfylië waren overgestoken, kwamen we aan bij Myra in Lycië.
ACT 27:6 Daar vond de centurio een Alexandrijns schip dat naar Italië zou gaan en hij scheepte ons in.
ACT 27:7 We vorderden traag en met moeite; het was pas na vele dagen dat we Knidus bereikten. En omdat we de wind tegen hadden, voeren we Kreta aan de beschutte kant, de kant van Salmone, voorbij.
ACT 27:8 We voeren het met moeite voorbij en kwamen bij een plaats die Schone Haven heet, vlak bij Lasea.
ACT 27:9 Omdat er zoveel tijd was verlopen en de vastenperiode ook al voorbij was, werd het gevaarlijk om verder te varen. Paulus waarschuwde:
ACT 27:10 “Mannen, ik voorzie dat onze zeereis met moeilijkheden en veel verlies gepaard zal gaan, en niet alleen voor de lading en het schip. Ook onze levens staan op het spel.”
ACT 27:11 In plaats van Paulus' woorden ter harte te nemen, liet de centurio zich overtuigen door de stuurman en de eigenaar van het schip.
ACT 27:12 En omdat de haven niet geschikt was om er te overwinteren, werd door de meerderheid besloten om verder te varen en te kijken of ze Fenix konden bereiken om daar te overwinteren. Fenix is een haven op Kreta met uitzicht op het zuid- en het noordwesten.
ACT 27:13 Dus toen er een zachte zuidenwind opstak, dachten ze dat het wel zou lukken. Ze lichtten het anker en voeren dicht langs de kust van Kreta verder.
ACT 27:14 Maar kort daarna stak vanaf het eiland een zware stormwind op, die Eurakylon wordt genoemd.
ACT 27:15 Omdat het schip werd meegesleurd en de kop niet in de wind kon houden, gaven we ons gewonnen en lieten we ons meedrijven.
ACT 27:16 We voeren langs de beschutte kant van een eilandje dat Kauda heet, waar we met moeite de sloep onder controle konden krijgen.
ACT 27:17 De bemanningsleden hesen hem aan boord en verstevigden de romp van het schip met touwen. Omdat ze bang waren om bij Syrtis vast te lopen, wierpen ze het drijfanker uit en lieten ze het schip drijven.
ACT 27:18 De storm ging zo hard tekeer dat ze de volgende dag lading overboord gooiden.
ACT 27:19 En op de derde dag gooiden ze eigenhandig het scheepstuig overboord.
ACT 27:20 Dagenlang zagen we geen licht van de zon of de sterren. De storm bleef woeden en we hadden geen enkele hoop op redding meer.
ACT 27:21 Nadat er aan boord lange tijd niet was gegeten, ging Paulus tussen de bemanningsleden staan en zei: “Mannen, jullie hadden naar mij moeten luisteren en niet uit Kreta moeten vertrekken. Dan waren deze moeilijkheden en dit verlies jullie bespaard gebleven.
ACT 27:22 Maar nu spoor ik jullie aan om moed te houden, want geen van jullie zal zijn leven verliezen. Alleen het schip zal vergaan.
ACT 27:23 Vannacht kwam er namelijk een engel van de God aan wie ik toebehoor en die ik vereer, bij mij staan.
ACT 27:24 Hij zei: ‘Wees niet bang, Paulus, je moet voor de keizer terechtstaan en God zal, als een gunst aan jou, al je medeopvarenden in leven houden.’
ACT 27:25 Daarom, mannen, houd moed, want ik vertrouw erop dat God zal zorgen dat het precies zo zal verlopen als mij verteld is.
ACT 27:26 Maar we moeten stranden bij een eiland.”
ACT 27:27 Toen brak de veertiende nacht aan. We waren nog altijd op drift in de Adriatische Zee, maar midden in de nacht vermoedden de bemanningsleden dat we land naderden.
ACT 27:28 Ze peilden de diepte: 40 meter. Toen ze iets verder waren gevorderd, peilden ze opnieuw: 30 meter.
ACT 27:29 Omdat ze bang waren dat we op de klippen zouden lopen, wierpen ze vier ankers uit van de achtersteven en ze baden dat het licht zou worden.
ACT 27:30 De bemanning wilde van het schip ontsnappen en liet de sloep in zee zakken onder het voorwendsel dat ze vanaf de voorsteven ankers wilden uitwerpen.
ACT 27:31 Maar Paulus zei tegen de centurio en de soldaten: “Als zij niet aan boord blijven, kunnen jullie niet worden gered.”
ACT 27:32 Daarom kapten de soldaten de touwen van de sloep door en lieten ze die wegdrijven.
ACT 27:33 Vlak voordat het licht werd, spoorde Paulus iedereen aan om te eten. Hij zei: “Vandaag is al de veertiende dag dat jullie afwachten zonder te eten en doorwerken zonder een maaltijd te nuttigen.
ACT 27:34 Daarom raad ik jullie aan om te eten, want dat hebben jullie nodig om te overleven. Niemand van jullie zal zelfs maar een hoofdhaar verliezen.”
ACT 27:35 Nadat hij dit had gezegd, nam hij brood, dankte God waar ze allen bij waren, brak het en begon te eten.
ACT 27:36 Ze raakten er allen door bemoedigd en begonnen zelf ook te eten.
ACT 27:37 We waren in totaal met 276 opvarenden.
ACT 27:38 Toen ze voldoende hadden gegeten, maakten ze het schip lichter door het graan in zee te gooien.
ACT 27:39 Toen het licht werd, herkenden ze het land niet. Wel zagen ze een inham met een strand en besloten ze een poging te wagen het schip daar te laten vastlopen.
ACT 27:40 Ze maakten de ankers los en lieten die in de zee achter. Tegelijkertijd maakten ze de touwen los waarmee het dubbelroer was vastgezet. Toen hesen ze het voorzeil en zetten ze voor de wind koers naar het strand.
ACT 27:41 Het schip kwam in ondiep water terecht en ze lieten het vastlopen. De voorsteven kwam onwrikbaar vast te zitten, maar door de kracht van de golven begon de achtersteven te breken.
ACT 27:42 De soldaten waren van plan de gevangenen te doden om te voorkomen dat er iemand zwemmend zou ontsnappen.
ACT 27:43 Maar de centurio wilde Paulus sparen en weerhield hen van hun plan. Hij beval dat wie kon zwemmen, het eerst overboord zou springen om aan land te gaan.
ACT 27:44 De rest zou volgen op planken of andere stukken van het schip. En zo kwam iedereen veilig aan land.
ACT 28:1 Pas toen we in veiligheid waren, kwamen we te weten dat het eiland Malta heet.
ACT 28:2 De inheemse bewoners behandelden ons met buitengewone vriendelijkheid: ze maakten een vuur en haalden ons er allemaal bij omdat het was gaan regenen en vanwege de kou.
ACT 28:3 Maar toen Paulus een hoeveelheid brandhout die hij had bijeengeraapt op het vuur gooide, kwam er door de hitte een adder uitgekropen, die zich in zijn hand vastbeet.
ACT 28:4 De inheemse mensen zagen het dier aan zijn hand hangen en zeiden tegen elkaar: “Die man is vast een moordenaar. En nu hij veilig uit de zee is gekomen, laat de godin Gerechtigheid niet toe dat hij in leven blijft.”
ACT 28:5 Paulus schudde het dier van zich af, het vuur in, en bleef ongedeerd.
ACT 28:6 De mensen verwachtten dat hij een zwelling zou krijgen of plots dood zou neervallen. Maar toen ze na lang wachten zagen dat er niets ongewoons met hem gebeurde, veranderden ze van mening en zeiden ze dat hij een god was.
ACT 28:7 In de buurt van die plaats was een landgoed dat toebehoorde aan de gouverneur van het eiland, die Publius heette. Hij verwelkomde ons en verleende ons drie dagen lang gastvrij onderdak.
ACT 28:8 De vader van Publius lag in bed, gekweld door koorts en dysenterie. Paulus ging naar hem toe en genas hem door te bidden en hem de handen op te leggen.
ACT 28:9 Nadat dit was gebeurd, kwamen ook de andere zieken van het eiland naar hem toe en zij werden genezen.
ACT 28:10 Ze overlaadden ons met eerbewijzen en bij ons vertrek gaven ze ons wat we nodig hadden.
ACT 28:11 Na drie maanden vertrokken we met een schip dat op het eiland had overwinterd. Het kwam uit Alexandrië en had een boegbeeld van de twee beschermgoden voor de scheepvaart.
ACT 28:12 Toen we in Syracuse waren aangekomen, bleven we daar drie dagen.
ACT 28:13 Daarvandaan voeren we verder tot we in Regium aankwamen. Na een dag stak er een zuidenwind op, zodat we de dag daarna Puteoli bereikten.
ACT 28:14 Daar ontmoetten we enkele geloofsgenoten en werden we uitgenodigd een week bij hen te blijven. En zo zijn we in Rome aangekomen.
ACT 28:15 De christenen daar hadden over ons gehoord en kwamen ons tegemoet tot Forum Appii en Tres Tabernae. Toen Paulus hen zag, dankte hij God en vatte hij moed.
ACT 28:16 En in Rome aangekomen mocht Paulus zelfstandig wonen onder bewaking van een soldaat.
ACT 28:17 Na drie dagen riep Paulus de Joodse leiders bijeen. Toen ze allen bij hem waren, zei hij tegen hen: “Volksgenoten, hoewel ik niets heb misdaan tegen ons volk of de gebruiken van onze voorouders, ben ik als gevangene uit Jeruzalem aan de Romeinen overgeleverd.
ACT 28:18 Die hebben mij verhoord en waren van plan mij vrij te laten omdat er geen reden was mij ter dood te veroordelen.
ACT 28:19 Maar omdat de Joodse mensen bezwaar maakten, moest ik me wel op de keizer beroepen. Het is echter niet zo dat ik een aanklacht tegen mijn volk heb.
ACT 28:20 Het is om die reden dat ik heb verzocht om u te zien en te spreken. Want het is omwille van de hoop van Israël dat ik deze ketenen draag.”
ACT 28:21 Zij zeiden tegen hem: “Wij hebben geen brieven over u ontvangen uit Judea, en ook is er niemand van ons volk aangekomen die iets slechts over u rapporteerde of zei.
ACT 28:22 Maar wij willen graag uw opvattingen horen, want het is ons bekend dat overal kritiek wordt geleverd op die stroming.”
ACT 28:23 Ze spraken een dag met hem af en kwamen met velen naar hem toe op de plaats waar hij verbleef. En van de ochtend tot de avond sprak hij met hen, getuigde hij over Gods koninkrijk en probeerde hij hen voor Jezus te winnen op basis van de Wet van Mozes en van de profetische boeken.
ACT 28:24 Sommigen raakten overtuigd van wat hij zei, anderen geloofden hem niet.
ACT 28:25 Ze raakten het niet met elkaar eens en bij hun vertrek deed Paulus nog één uitspraak: “De Heilige Geest had gelijk toen Hij bij monde van de profeet Jesaja over uw voorvaders zei:
ACT 28:26 ‘Ga naar dit volk en zeg: Jullie zullen wel horen maar niet verstaan, en wel zien maar niet begrijpen.
ACT 28:27 Want het hart van dit volk is gevoelloos geworden, hun oren kunnen nauwelijks horen en hun ogen hebben ze gesloten. Anders zouden ze met hun ogen kunnen zien en met hun oren kunnen horen en met hun hart verstaan en zich bekeren en dan zou Ik hen gezond maken.’
ACT 28:28 Daarom moeten jullie weten dat Gods redding naar de niet-Joden is gezonden en dat zij wel zullen luisteren.”
ACT 28:30 Paulus verbleef twee hele jaren in de woning die hij huurde. Hij verwelkomde iedereen die bij hem op bezoek kwam.
ACT 28:31 In alle vrijmoedigheid en ongehinderd verkondigde hij Gods koninkrijk en onderwees hij over de Heer Jezus Christus.
ROM 1:1 Van: Paulus, dienaar van Christus Jezus, geroepen om als apostel ten dienste te staan van Gods evangelie.
ROM 1:2 God had het evangelie lang geleden via zijn profeten in de heilige Schriften beloofd.
ROM 1:3 Het is het goede nieuws over zijn Zoon, die wat zijn aardse leven betreft een afstammeling van David is,
ROM 1:4 en die door zijn verrijzenis uit de dood op krachtige wijze door de Heilige Geest is uitgeroepen tot de Zoon van God – Jezus de Messias, onze Heer.
ROM 1:5 Het is door Hem dat wij het voorrecht ontvangen hebben om apostel te zijn, opdat bij alle volken mensen tot geloof en gehoorzaamheid aan God zouden komen en Hij geëerd zou worden.
ROM 1:6 En jullie behoren tot die mensen: jullie zijn geroepen om bij Jezus Christus te horen.
ROM 1:7 Aan: alle door God geliefde en geroepen christenen in Rome. Wij wensen jullie de genade en vrede van God, onze Vader, en van de Heer Jezus Christus toe.
ROM 1:8 Allereerst dank ik mijn God, via Jezus Christus, voor jullie allen, want het nieuws over jullie geloof wordt in de hele wereld verspreid.
ROM 1:9 God, die ik van harte dien door het evangelie van zijn Zoon te verkondigen, kan bevestigen dat ik jullie voortdurend noem
ROM 1:10 in mijn gebeden. Dan vraag ik altijd aan God dat ik jullie eindelijk zal kunnen bezoeken – als Hij het ook wil.
ROM 1:11 Ik verlang ernaar jullie te zien en een geestelijke zegen met jullie te delen om jullie te sterken.
ROM 1:12 Of beter gezegd: dan kunnen we wederzijds bemoedigd worden – ik door jullie geloof en jullie door dat van mij.
ROM 1:13 Broeders en zusters, jullie moeten weten dat ik dikwijls van plan ben geweest om jullie te bezoeken, maar tot nu toe werd ik steeds verhinderd. Ik wil namelijk ook bij jullie oogsten, zoals ik dat ook heb gedaan bij de andere niet-Joden.
ROM 1:14 Ik sta in het krijt bij zowel Grieken als niet-Grieken, bij zowel geletterde als ongeletterde mensen.
ROM 1:15 Daarom wil ik zo graag ook aan jullie in Rome het evangelie verkondigen.
ROM 1:16 Het evangelie brengt mij niet in verlegenheid, want het is Gods krachtige nieuws, dat redding brengt voor allen die geloven – in de eerste plaats Joden, maar ook niet-Joden.
ROM 1:17 Het evangelie maakt duidelijk hoe men enkel en alleen door te geloven met God in het reine kan komen. In de Schriften staat immers: “De rechtvaardige zal het leven ontvangen door middel van het geloof.”
ROM 1:18 Vanuit de hemel wordt namelijk duidelijk gemaakt dat God alle goddeloosheid en kwaad van mensen die met hun kwaad de waarheid verdringen, zal straffen.
ROM 1:19 Wat over God geweten kan worden, is hun duidelijk, want God heeft het hun bekendgemaakt.
ROM 1:20 Zijn eeuwige macht en goddelijkheid zijn weliswaar onzichtbare eigenschappen, maar ze zijn sinds de schepping van de wereld duidelijk te zien in hetgeen Hij gemaakt heeft. De mensen hebben dus geen excuus.
ROM 1:21 Hoewel ze weten dat er een God is, geven ze Hem niet de eer en dank die Hem toekomt. Integendeel, hun redeneringen zijn onzinnig geworden en hun onverstandige hart is verduisterd.
ROM 1:22 Ze beweren dat ze verstandig zijn, maar ze zijn dwaas geworden.
ROM 1:23 In plaats van de grootheid van de onvergankelijke God te erkennen, zijn ze beelden van vergankelijke mensen en van vliegende, lopende en kruipende dieren gaan vereren.
ROM 1:24 Daarom heeft God hen met hun begerige verlangens prijsgegeven aan immoraliteit, zodat ze met elkaar hun lichaam onteren.
ROM 1:25 Ze hebben Gods waarheid verruild voor de leugen: ze vereren en dienen het geschapene in plaats van de Schepper, aan Wie voor eeuwig alle eer toekomt. Amen.
ROM 1:26 Daarom heeft God hen prijsgegeven aan schandelijke hartstochten. Zelfs hun vrouwen hebben natuurlijke seks verruild voor hetgeen tegen de natuur ingaat.
ROM 1:27 En wat de mannen betreft: in plaats van natuurlijke seks met vrouwen zijn ze ontbrand in lust naar elkaar. Mannen hebben seks met andere mannen en ontvangen zo in hun eigen lichaam het verdiende loon voor hun dwaling.
ROM 1:28 En omdat ze het niet de moeite waard vinden om God te erkennen, heeft Hij hen prijsgegeven aan verwerpelijk denken en onwaardig gedrag.
ROM 1:29 Hun leven is gevuld met allerlei onrecht, slechtheid, hebzucht en verdorvenheid. Ze zitten vol afgunst, moordzucht, rivaliteit, bedrog en kwaadaardigheid. Het zijn roddelaars
ROM 1:30 en kwaadsprekers. Ze haten God en zijn hoogmoedig, arrogant en zelfingenomen. Ze bedenken kwaadaardige plannen en zijn hun ouders ongehoorzaam.
ROM 1:31 Ze zijn onverstandig, onbetrouwbaar, hardvochtig en meedogenloos.
ROM 1:32 Ze weten dat wie zich met dergelijke dingen bezighoudt, volgens Gods voorschriften de dood verdient en toch doen ze die niet alleen zelf, maar juichen ze het ook toe dat anderen ze doen.
ROM 2:1 Als jij over anderen oordeelt, heb je dus geen excuus. Want op ieder punt waarop je een oordeel over een ander velt, veroordeel je jezelf doordat je die dingen ook doet.
ROM 2:2 We weten immers dat wie dergelijke dingen doet, terecht door God veroordeeld wordt.
ROM 2:3 Dus als jij een oordeel velt over wie dergelijke dingen doet maar ze zelf ook doet, denk je dan dat jij Gods oordeel zal ontlopen?
ROM 2:4 Of heb je geen respect voor zijn grote mildheid, verdraagzaamheid en geduld? Besef je dan niet dat Gods mildheid jou tot inkeer zou moeten brengen?
ROM 2:5 Door halsstarrig te weigeren tot inkeer te komen, spaar je voor jezelf straf op – en die zal je krijgen op de dag dat God zijn toorn en gerechtigheid openbaart.
ROM 2:6 Hij zal iedereen loon naar werken geven.
ROM 2:7 Zij die glorie, eer en onvergankelijkheid nastreven door voortdurend goed te doen, ontvangen dan het eeuwig leven.
ROM 2:8 Maar zij die uit geldingsdrang de waarheid van de hand wijzen en zich door het kwaad laten leiden, ontvangen dan Gods zware straf.
ROM 2:9 Alle mensen die het slechte doen – in de eerste plaats Joden, maar ook niet-Joden – wacht leed en ellende.
ROM 2:10 Maar allen die het goede doen – in de eerste plaats Joden, maar ook niet-Joden – wacht glorie, eer en vrede.
ROM 2:11 Er is bij God namelijk geen favoritisme,
ROM 2:12 want allen die hebben gezondigd zonder de Wet te kennen, zullen zonder de Wet verloren gaan, en allen die hebben gezondigd terwijl ze de Wet wel kenden, zullen op grond van de Wet worden veroordeeld.
ROM 2:13 Het zijn niet de mensen die de Wet horen die vrij van schuld zijn tegenover God; integendeel, het zijn zij die de Wet naleven, die zullen worden vrijgesproken van schuld.
ROM 2:14 En wanneer niet-Joden – zij die de Wet niet hebben ontvangen – spontaan doen wat de Wet vereist, dan blijkt dat zij de Wet in zich hebben, ook al hebben zij haar niet ontvangen.
ROM 2:15 Ze tonen dat de voorschriften van de Wet in hun hart zijn gegrift, terwijl hun geweten hen erover aanspreekt en hun gedachten hen soms beschuldigen en soms vrijpleiten.
ROM 2:16 Dit alles zal blijken op de dag dat God, door Christus Jezus, over de verborgen daden van de mensen zal oordelen. Dit is het evangelie dat ik verkondig.
ROM 2:17 Als je jezelf als een Jood beschouwt, op de Wet vertrouwt en fier op God bent,
ROM 2:18 en als je weet wat God van je verlangt en als je kan onderscheiden waarop het aankomt omdat de Wet jou dat heeft geleerd,
ROM 2:19 als je ervan overtuigd bent dat je een gids bent voor de blinden en een licht voor de mensen die in het duister leven,
ROM 2:20 als je dwazen corrigeert en onverstandigen onderwijst omdat je in de Wet kennis en de waarheid weet te vinden,
ROM 2:21 kortom, als jij anderen onderwijst, onderwijs je dan ook jezelf? Of verkondig je dat stelen niet mag, maar steel je zelf?
ROM 2:22 Zeg je dat echtbreuk verkeerd is, maar pleeg je zelf echtbreuk? Walg je van afgodsbeelden, maar roof je uit tempels?
ROM 2:23 Dan doe jij, die er fier op bent dat je de Wet bezit hoewel je haar ook overtreedt, God schande aan.
ROM 2:24 Dan is het zoals in de Schriften staat: “Door jouw toedoen wordt God gelasterd onder de volken.”
ROM 2:25 Als je de Wet naleeft, is het waardevol om besneden te zijn, maar als je de Wet overtreedt, ben je als een onbesnedene.
ROM 2:26 En als een onbesnedene zich aan de voorschriften van de Wet houdt, wordt hij dan niet als een besnedene beschouwd?
ROM 2:27 Dan zullen zij die onbesneden gebleven zijn maar zich aan de Wet houden, oordelen over jou die de Wet overtreedt hoewel je haar op schrift hebt en besneden bent.
ROM 2:28 Want niet wie aan de buitenkant Joods is, noch wie lichamelijk besneden is, is werkelijk Joods.
ROM 2:29 Integendeel, wie vanbinnen Joods is en een besneden hart heeft – door de Geest, niet door de schriftelijke Wet – is werkelijk Joods. En de lof die zo iemand ontvangt, komt niet van mensen maar van God.
ROM 3:1 Wat is dan het voordeel van het Joods-zijn en wat de waarde van de besnijdenis?
ROM 3:2 Er zijn veel voordelen en de waarde is groot. In de eerste plaats zijn Gods openbaringen aan de Joden toevertrouwd.
ROM 3:3 Maar wat als sommigen Hem ontrouw zijn? Maakt hun ontrouw Gods trouw ongedaan?
ROM 3:4 Absoluut niet! Al zijn alle mensen leugenaars, God houdt zich aan zijn woord. In de Schriften staat immers: “Wanneer U spreekt, blijkt uw rechtvaardigheid, en wanneer U vonnist, blijkt uw gelijk.”
ROM 3:5 Als het kwaad dat wij doen aantoont dat God rechtvaardig is, kunnen we dan zeggen dat het onrechtvaardig is dat God ons straft? (Ik redeneer nu op menselijke wijze.)
ROM 3:6 Absoluut niet! Hoe anders zou God over de wereld oordelen?
ROM 3:7 Maar als God wordt geëerd doordat mijn onbetrouwbaarheid zijn betrouwbaarheid beter in de verf zet, waarom word ik dan nog als een zondaar veroordeeld?
ROM 3:8 En kunnen we dan zeggen: ‘Laten we het verkeerde doen opdat het goede eruit voortkomt?’ Sommigen beweren lasterlijk dat wij dat zeggen en het is terecht dat zij veroordeeld zullen worden.
ROM 3:9 Wat moeten we dan concluderen? Staan wij Joden er beter voor? Absoluut niet! Zoals we eerder zagen zijn we allemaal – zowel Joden als niet-Joden – in de macht van de zonde.
ROM 3:10 Het is zoals in de Schriften staat: “Er is niemand die rechtvaardig is, zelfs niet één.
ROM 3:11 Er is niemand die verstandig is, niemand die God zoekt.
ROM 3:12 Allemaal zijn ze afgedwaald, tezamen zijn ze nietswaardig geworden. Er is niemand die goed doet, zelfs niet één.
ROM 3:13 Hun keel is een open graf, hun tong verraderlijk, achter hun lippen zit addergif.
ROM 3:14 Hun mond is vol bittere vervloekingen.
ROM 3:15 Hun voeten staan klaar om bloed te vergieten.
ROM 3:16 Vernietiging en ellende liggen op hun pad.
ROM 3:17 Het vredespad kennen ze niet,
ROM 3:18 en ontzag voor God is niet wat zij voor ogen hebben.”
ROM 3:19 Zoals we weten is hetgeen de Wet zegt, gericht tot die mensen op wie de Wet van toepassing is. Daarom heeft niemand recht van spreken en is de hele wereld verantwoording aan God verschuldigd.
ROM 3:20 Geen mens kan dus met Hem in het reine komen door de Wet na te leven, want door wetten ontdekt men wat zonde is.
ROM 3:21 Nu is echter onthuld hoe men buiten de Wet om met God in het reine kan komen, en de Wet en de Profeten getuigen daarvan.
ROM 3:22 We kunnen met God in het reine komen door in Jezus Christus te geloven. Dat geldt voor iedereen die gelooft, zonder onderscheid.
ROM 3:23 Want iedereen heeft gezondigd en leeft daardoor zonder Gods glorie,
ROM 3:24 maar wordt zonder er iets voor te moeten doen – uit genade – met God in het reine gebracht door de verlossing die Christus Jezus heeft bewerkstelligd.
ROM 3:25 Hij is door God aangeduid als het middel tot verzoening – doordat zijn bloed werd vergoten – en die verzoening ontvangen we door in Hem te geloven. Zo wordt Gods gerechtigheid aangetoond, want de zonden die voorheen zijn gepleegd waren onbestraft gebleven.
ROM 3:26 God heeft ze getolereerd, maar nu toont Hij zijn gerechtigheid. Hij is dus rechtvaardig, ook wanneer Hij vrijspreekt wie in Jezus gelooft.
ROM 3:27 Waarop kan ik dan fier zijn? Nergens op! Op mijn naleving van de Wet? Nee, maar wel op mijn geloof.
ROM 3:28 We concluderen dus dat de mens met God in het reine komt door te geloven, niet door de Wet na te leven.
ROM 3:29 Of is God enkel God van de Joden en niet van de niet-Joden? Nee, Hij is ook God van de niet-Joden.
ROM 3:30 Er is immers maar één God en Hij is het die zowel besneden als onbesneden mensen van schuld zal vrijspreken op grond van hun geloof.
ROM 3:31 Maken we de Wet dan ongedaan door te geloven? Absoluut niet. Het is andersom: we bevestigen de Wet.
ROM 4:1 Wat kunnen we dan zeggen over de ervaring van onze voorvader Abraham?
ROM 4:2 Als Abraham wegens zijn daden zou zijn vrijgesproken van schuld, dan zou hij iets hebben gehad waarop hij fier kon zijn. Maar zo werkt het niet bij God.
ROM 4:3 Want wat staat er in de Schriften? “Abraham geloofde God en op grond daarvan werd hij vrijgesproken van schuld”.
ROM 4:4 Wanneer iemand arbeid verricht, wordt zijn loon niet beschouwd als een blijk van genade, maar als iets dat hem verschuldigd is.
ROM 4:5 Wie echter niet zelf het werk probeert te doen, maar vertrouwt op Degene die zondaars vrijspreekt, wordt vrijgesproken op grond van dat vertrouwen.
ROM 4:6 Ook David spreekt over de zegen voor de persoon die door God vrijgesproken wordt, ook al heeft die er niet voor gewerkt:
ROM 4:7 “Gezegend zijn zij wiens overtredingen zijn vergeven en wiens zonden zijn uitgewist.
ROM 4:8 Gezegend is de persoon aan wie de Heer zijn zonde niet toerekent.”
ROM 4:9 Geldt deze zegen enkel voor besneden mensen of ook voor wie onbesneden is? We zeggen toch dat het op grond van zijn geloof is dat Abraham werd vrijgesproken?
ROM 4:10 Maar onder welke omstandigheden gebeurde dat? Was hij toen al besneden of nog niet? Hij was nog onbesneden.
ROM 4:11 Hij ontving de besnijdenis als een teken, een bezegeling van de vrijspraak van schuld die hij op grond van zijn geloof had ontvangen terwijl hij nog onbesneden was. Zo kon hij de vader van alle gelovigen worden, ook als ze niet besneden zijn. Daarom worden ook zij vrijgesproken op grond van hun geloof.
ROM 4:12 Abraham is ook de vader van de besnedenen. Dat zijn zij die niet enkel de besnijdenis hebben maar ook, door te geloven, treden in de voetstappen van onze vader Abraham toen hij nog onbesneden was.
ROM 4:13 Abraham en zijn afstammelingen ontvingen de belofte dat de wereld van hen zou zijn niet omdat hij de Wet naleefde, maar omdat hij, dankzij zijn geloof, met God in het reine was.
ROM 4:14 Immers, als het beloofde zou worden geschonken aan diegenen die de Wet naleven, dan zou het geloof geen waarde meer hebben en zou de belofte vervallen.
ROM 4:15 Want de Wet levert straf op, maar als er geen wetten zijn, dan kunnen ze niet worden overtreden.
ROM 4:16 De belofte berust dus op geloof, op genade. Om die reden geldt de belofte voor al Abrahams afstammelingen – niet enkel zij die de Wet hebben maar ook zij die zijn geloof hebben. Hij is de vader van ons allen,
ROM 4:17 want in de Schriften staat: “Ik heb van jou een vader van vele volken gemaakt.” En dat is hij ook geworden voor de God in Wie hij geloofde, de God die de doden het leven geeft en die aan het onbestaande het bestaan schenkt.
ROM 4:18 Toen er geen hoop meer voor hem was, bleef hij geloven dat hij vader van vele volken zou worden, omdat hem was beloofd: “Zoveel afstammelingen zal je krijgen.”
ROM 4:19 Zijn geloof verzwakte niet toen hij bedacht dat zijn eigen lichaam zo goed als dood was omdat hij bijna honderd jaar oud was, en dat Sara onvruchtbaar was.
ROM 4:20 Hij gaf het geloof niet op en twijfelde niet aan Gods belofte. Integendeel, zijn geloof werd sterker en hij gaf God de eer.
ROM 4:21 Hij was er volledig van overtuigd dat God in staat was om te doen wat Hij beloofd had.
ROM 4:22 Daarom werd Abraham vrijgesproken van schuld op grond van zijn geloof.
ROM 4:23 En dat er staat dat hij werd vrijgesproken, geldt niet alleen voor Abraham.
ROM 4:24 Het geldt ook voor ons: ook wij worden vrijgesproken op grond van ons geloof in Degene die Jezus, onze Heer, uit de dood heeft opgewekt.
ROM 4:25 Jezus werd overgeleverd voor onze overtredingen en weer tot leven gewekt voor onze vrijspraak.
ROM 5:1 We zijn dus vrijgesproken op grond van ons geloof, en we hebben vrede met God dankzij onze Heer Jezus Christus.
ROM 5:2 Ook hebben wij, dankzij Hem en door het geloof, toegang verkregen tot de genade. Wij ervaren die genade nu al, en we zijn fier op onze verwachting dat we straks Gods glorie zullen ervaren.
ROM 5:3 Dat niet alleen, wij zijn zelfs fier op onze moeilijkheden, want we weten dat moeilijkheden volharding opleveren.
ROM 5:4 Die volharding levert betrouwbaarheid op, en die betrouwbaarheid levert hoop op.
ROM 5:5 Die hoop zal ons niet beschamen, want Gods liefde is in ons hart uitgestort door de Heilige Geest, die Hij ons geschonken heeft.
ROM 5:6 Want op het door God gekozen tijdstip, toen wij nog hulpeloos waren, is Christus voor de goddelozen gestorven.
ROM 5:7 Het gebeurt zelden dat iemand voor een rechtvaardig mens sterft, maar wie weet is er iemand die het zou aandurven om voor een goed mens te sterven.
ROM 5:8 God daarentegen bewijst zijn liefde voor ons doordat Christus voor ons stierf toen wij nog zondaars waren.
ROM 5:9 En omdat wij met God in het reine zijn gekomen doordat Christus' bloed voor ons is vergoten, mogen we erop rekenen dat we dankzij Christus van Gods straf bewaard zullen blijven.
ROM 5:10 Toen we nog vijanden van Hem waren, zijn we met God verzoend door de dood van zijn Zoon. En nu we met Hem verzoend zijn, mogen we er zeker van zijn dat we, doordat Hij leeft, gered zullen worden.
ROM 5:11 Dat niet alleen, wij prijzen onszelf gelukkig dat we bij God horen, dankzij onze Heer Jezus Christus, door Wie wij de verzoening hebben ontvangen.
ROM 5:12 Het is door één mens dat de zonde de wereld is binnengekomen, en door de zonde de dood. Zo is de dood bij alle mensen gekomen, omdat allen hebben gezondigd.
ROM 5:13 Voordat de Wet kwam, was er al zonde in de wereld, maar zonde wordt niet toegerekend als er geen wetten zijn.
ROM 5:14 Toch regeerde de dood in de tijd van Adam tot Mozes, zelfs over de mensen die niet hadden gezondigd door een specifiek gebod te overtreden, zoals Adam. Adam kan worden vergeleken met Degene die zou komen.
ROM 5:15 Het genadige geschenk is echter niet vergelijkbaar met de overtreding. Want de overtreding van één mens heeft weliswaar tot de dood van velen geleid, maar dat weegt niet op tegen Gods genade en tegen het geschenk dat velen hebben ontvangen door de genade van die andere Mens, Jezus Christus.
ROM 5:16 Het genadige geschenk is evenmin vergelijkbaar met de zonde van die eerste mens. Het vonnis over die overtreding verklaart die eerste mens weliswaar schuldig, maar het genadige geschenk dat na vele overtredingen werd geschonken, resulteert in vrijspraak van schuld.
ROM 5:17 En de dood regeerde weliswaar als gevolg van de overtreding van één mens, maar het is nog zekerder dat zij die de vrijspraak van schuld ontvangen als een geschenk dat uit overvloedige genade is gegeven, in het nieuwe leven mogen regeren dankzij die andere Mens, Jezus Christus.
ROM 5:18 Wij concluderen dat zoals de overtreding van één mens de veroordeling van alle mensen teweegbracht, de rechtvaardigheid van die andere Mens vrijspraak en leven voor alle mensen heeft bewerkstelligd.
ROM 5:19 En zoals velen zondaars zijn geworden door de ongehoorzaamheid van één mens, zo worden velen vrijgesproken van schuld door de gehoorzaamheid van die andere Mens.
ROM 5:20 Doordat de Wet erbij is gekomen, zijn de overtredingen toegenomen, maar waar de zonde toenam, werd de genade nog overvloediger.
ROM 5:21 Wij concluderen dat zoals de zonde regeerde en tot de dood leidde, de vrijspraak van schuld ervoor heeft gezorgd dat de genade regeert en tot het eeuwig leven leidt dankzij Jezus Christus, onze Heer.
ROM 6:1 Kunnen we dan zeggen dat we moeten doorgaan met zondigen opdat de genade dan toeneemt?
ROM 6:2 Absoluut niet! We zijn immers dood voor de zonde; dan kunnen we toch geen zondig leven blijven leiden?
ROM 6:3 Weten jullie niet dat wij die ons hebben laten dopen om voortaan bij Christus te horen, door die doop delen in zijn dood?
ROM 6:4 En omdat we door onze doop delen in zijn dood, delen we ook in zijn begrafenis. En omdat Christus uit de dood is opgewekt door de grote macht van de Vader, behoren ook wij een nieuw leven te leiden.
ROM 6:5 Als wij delen in zijn dood, zullen we ook delen in zijn verrijzenis.
ROM 6:6 We weten immers dat onze oude ‘ik’ is meegekruisigd, opdat met onze neiging tot zonde zou worden afgerekend en we niet langer slaaf van de zonde zouden zijn.
ROM 6:7 Immers, wie gestorven is, is vrij van de macht van de zonde.
ROM 6:8 Als wij samen met Christus zijn gestorven, geloven we dat we ook samen met Hem zullen leven.
ROM 6:9 We weten immers dat nu Christus uit de dood is opgewekt, Hij nooit meer zal sterven. De dood heeft geen macht meer over Hem.
ROM 6:10 Door te sterven heeft Hij eens en voor altijd met de zonde afgerekend en nu Hij leeft, leeft Hij voor God.
ROM 6:11 Daarom moeten jullie jezelf beschouwen als eveneens dood voor de zonde, maar levend voor God doordat jullie bij Christus Jezus horen.
ROM 6:12 Laat daarom niet toe dat de zonde over je sterfelijk lichaam regeert: geef niet toe aan de zondige verlangens ervan.
ROM 6:13 Stel geen enkel deel van je lichaam meer ter beschikking van de zonde, om er slechte dingen mee te doen. Stel jezelf daarentegen ter beschikking van God, als iemand die dood geweest is maar nu leeft; laat alle delen van je leven door God gebruiken, om er goede dingen mee te doen.
ROM 6:14 Laat je niet beheersen door de zonde, want jullie leven wordt niet meer bepaald door de Wet, maar door Gods genade.
ROM 6:15 Hoe zit het dan? Als ons leven niet door de Wet, maar door Gods genade wordt bepaald, zullen we dan maar zondigen? Absoluut niet!
ROM 6:16 Weten jullie niet dat als je jezelf als slaaf ten dienste van iemand stelt, hij je meester wordt en je hem moet gehoorzamen? Ofwel ben je slaaf van de zonde – wat tot de dood leidt – ofwel ben je slaaf van de gehoorzaamheid – wat tot vrijspraak van schuld leidt.
ROM 6:17 God zij dank zijn jullie, die slaaf van de zonde waren, van harte gehoorzaam geworden aan de leer die jullie hebben omarmd.
ROM 6:18 Jullie zijn bevrijd van de zonde en ten dienste gesteld van de gerechtigheid.
ROM 6:19 Ik redeneer op menselijke wijze, wegens jullie zwakke, zondige natuur. Zoals jullie jezelf vroeger als slaaf ten dienste stelden van immoraliteit en onrecht – wat leidde tot nog meer onrecht – zo moeten jullie nu jezelf als slaaf ten dienste stellen van de rechtvaardigheid. En dat zal leiden tot een zuiver leven.
ROM 6:20 Toen jullie nog slaaf van de zonde waren, hadden jullie je nog niet aan de rechtvaardigheid toegewijd.
ROM 6:21 Maar wat hebben de zaken waarvoor jullie je nu schamen voor jullie opgeleverd? Het resultaat daarvan is de dood!
ROM 6:22 Maar nu zijn jullie van de zonde bevrijd en hebben jullie jezelf ten dienste van God gesteld. En wat heeft dat voor jullie opgeleverd? Jullie zijn gezuiverd, en het resultaat daarvan is het eeuwig leven.
ROM 6:23 Want wat we verdienen met onze zonde, is de dood, maar het geschenk dat God in zijn genade geeft, is het eeuwig leven met Christus Jezus, onze Heer.
ROM 7:1 Weten jullie niet, broeders en zusters – ik spreek tot mensen die de Wet kennen – dat wetten op mensen van toepassing zijn zolang ze leven?
ROM 7:2 Een gehuwde vrouw is bij wet aan haar man gebonden zolang hij leeft, maar als de man sterft, is ze ontslagen van haar wettelijke verplichtingen tegenover haar man.
ROM 7:3 Als ze tijdens het leven van haar echtgenoot de vrouw van een ander zou worden, zou ze overspelig worden genoemd. Maar als haar echtgenoot sterft, is ze ontslagen van haar wettelijke verplichtingen tegenover hem. En als ze dan de vrouw van een andere man wordt, is ze niet overspelig.
ROM 7:4 Broeders en zusters, zo is het ook met jullie. Dankzij de dood van Christus zijn ook jullie gestorven ten opzichte van de Wet en mogen jullie je met iemand anders verbinden – namelijk Hij die uit de dood is opgewekt – en je voor God inzetten.
ROM 7:5 Want toen we onze zondige natuur nog hadden, riep de Wet zondige verlangens bij ons op, zodat we ons inzetten voor de dood.
ROM 7:6 Maar omdat we gestorven zijn ten opzichte van de Wet, die ons gevangen hield, zijn we ontslagen van onze verplichtingen tegenover de Wet en kunnen we dienen op de nieuwe manier, die van de Geest, in plaats van de oude manier, die van de geschreven wetten.
ROM 7:7 Mogen we dan zeggen dat de Wet slecht is? Absoluut niet! Integendeel, als de Wet er niet zou zijn, zou ik niet weten wat zonde is. Ik zou niet hebben geweten wat begerigheid is als de Wet niet zou zeggen: “Wees niet begerig naar wat van een ander is”.
ROM 7:8 De zonde maakte van het gebod gebruik om allerlei slechte verlangens bij mij op te roepen, maar zonder de Wet is de zonde machteloos.
ROM 7:9 Ik leefde vroeger zonder de Wet, maar toen het gebod kwam, kwam de zonde tot leven,
ROM 7:10 en stierf ik. Het gebod dat tot het leven had moeten leiden, bleek voor mij te leiden tot de dood.
ROM 7:11 De zonde maakte dus van het gebod gebruik om mij te misleiden en mij te doden.
ROM 7:12 De Wet is dus heilig en het gebod is heilig, rechtvaardig en goed.
ROM 7:13 Heeft het goede dan mijn dood veroorzaakt? Absoluut niet! Maar doordat de zonde het goede gebruikte om mijn dood te veroorzaken, is duidelijk geworden wat zonde is. En zo is door middel van het gebod aangetoond hoe verschrikkelijk zonde is.
ROM 7:14 We weten dat de Wet geestelijke zaken betreft, maar ik ben stoffelijk en verslaafd aan de zonde.
ROM 7:15 Ik begrijp mijn gedrag niet, want hetgeen ik wil doen, doe ik niet; ik doe wat ik verafschuw.
ROM 7:16 En door te doen wat ik niet wil, bevestig ik dat de Wet goed is.
ROM 7:17 Het is dus niet langer mijn gedrag, maar dat van de zonde die in mij leeft.
ROM 7:18 Want zoals ik weet leeft er in mij – dat wil zeggen: in mijn zondige natuur – niets goeds. Ik wil dus wel graag het goede doen, maar ik gedraag me niet goed.
ROM 7:19 Ik doe namelijk niet het goede dat ik wil doen, ik doe het slechte dat ik niet wil doen.
ROM 7:20 Maar als ik doe wat ik niet wil, dan ben ik niet meer degene die me zo gedraagt, maar de zonde die in mij leeft.
ROM 7:21 Ik bemerk dus deze wetmatigheid: wanneer ik het goede wil doen, dringt het slechte zich aan mij op.
ROM 7:22 Diep vanbinnen verheug ik me in Gods Wet,
ROM 7:23 maar ik zie in mijn leven ook de werking van een andere wet, die in strijd is met de wet in mijn denken en ik zie dat die andere wet mij in de macht brengt van de wet van de zonde die in mijn leven actief is.
ROM 7:24 O, wat ziet het er slecht voor mij uit! Wie zal mij bevrijden uit dit bestaan in de greep van de dood?
ROM 7:25 God, door Jezus Christus, onze Heer! En ik dank Hem daarvoor. Enerzijds onderwerp ik me dus met mijn verstand aan Gods Wet, maar anderzijds ben ik met mijn zondige natuur onderworpen aan de wet van de zonde.
ROM 8:1 Wie bij Christus Jezus hoort, is dus niet langer veroordeeld.
ROM 8:2 Dankzij Christus Jezus heeft de wet van de Geest, die tot het leven leidt, je namelijk bevrijd van de wet van zonde en de dood.
ROM 8:3 Door zijn eigen Zoon te sturen in een lichaam zoals dat van zondige mensen, heeft God komaf gemaakt met de zonde in de menselijke natuur. De Wet was daartoe niet in staat, want zij wordt tegengewerkt door onze zondige natuur.
ROM 8:4 Wij die ons niet laten leiden door onze zondige natuur maar door de Geest, voldoen daarom aan de vereisten van de Wet.
ROM 8:5 Want wie zich door de zondige natuur laat leiden, volgt de denkwijze van de zondige natuur, maar wie zich door de Geest laat leiden, volgt de denkwijze van de Geest.
ROM 8:6 Het volgen van de denkwijze van de zondige natuur leidt tot de dood, maar het volgen van de denkwijze van de Geest leidt tot leven en vrede.
ROM 8:7 De denkwijze van de zondige natuur staat vijandig tegenover God, want zij weigert het gezag van Gods wet te aanvaarden. Zij kan dat zelfs niet.
ROM 8:8 En wie zich laat leiden door de zondige natuur, kan niet doen wat God goedkeurt.
ROM 8:9 Jullie daarentegen laten je niet leiden door je zondige natuur, maar door de Geest, althans wanneer Gods Geest in jullie woont. Wie de Geest van Christus echter niet heeft, behoort Hem niet toe.
ROM 8:10 Maar als Christus in je is, gaat je lichaam wel dood wegens de zonde, maar schenkt de Geest jou leven omdat je bent vrijgesproken van schuld.
ROM 8:11 Als de Geest van Degene die Jezus uit de dood heeft opgewekt in je woont, dan zal Hij die Christus uit de dood heeft opgewekt, ook jouw sterfelijk lichaam levend maken, door zijn Geest die in je woont.
ROM 8:12 Broeders en zusters, we staan dus in het krijt, maar niet bij de zondige natuur. We hoeven ons dus niet door de zondige natuur te laten leiden.
ROM 8:13 Want als je je door de zondige natuur laat leiden, is het zeker dat je zal sterven. Maar als je met de hulp van de Geest afrekent met de praktijken van de zondige natuur, dan zal je leven.
ROM 8:14 Want iedereen die zich door Gods Geest laat leiden, is een kind van God.
ROM 8:15 De Geest die jullie hebben ontvangen, maakt jullie niet tot slaven; in dat geval zouden jullie opnieuw in angst moeten leven. Integendeel, de Geest die jullie hebben ontvangen, maakt jullie tot zonen, zodat we Hem “Abba, Vader” mogen noemen.
ROM 8:16 En het is die Geest die, samen met onze geest, ons ervan overtuigt dat wij kinderen van God zijn.
ROM 8:17 En omdat we zijn kinderen zijn, zullen we, samen met Christus, ontvangen wat God aan zijn kinderen heeft beloofd. Nu delen we in zijn lijden, maar straks mogen we ook delen in zijn glorie.
ROM 8:18 Ik ben ervan overtuigd dat het tegenwoordige lijden niet opweegt tegen de glorie die wij zullen ervaren.
ROM 8:19 De schepping kijkt namelijk reikhalzend uit naar het moment waarop die glorie van Gods kinderen zichtbaar zal worden.
ROM 8:20 Immers, de schepping werd aan een zinloos bestaan onderworpen; niet vrijwillig, maar doordat God daartoe besloot. Toch is er hoop:
ROM 8:21 ook de schepping zal van de macht van de dood worden bevrijd en deel krijgen aan de vrijheid en glorie van Gods kinderen.
ROM 8:22 Zoals we weten, zucht de hele schepping tot nu toe alsof ze barensweeën heeft.
ROM 8:23 En niet alleen de schepping; wij die Gods Geest hebben ontvangen als een voorschot op wat nog komt, zuchten zelf ook, terwijl we uitkijken naar het moment waarop geopenbaard wordt dat wij Gods kinderen zijn en onze verlossing volledig zal zijn.
ROM 8:24 Wij zijn gered met deze verwachting voor ogen. Maar als wij zouden uitkijken naar iets dat reeds zichtbaar is, zou het geen verwachting zijn. Wie zou iets verwachten dat hij reeds ziet?
ROM 8:25 Maar wanneer we iets verwachten dat we niet zien, kijken we er geduldig naar uit.
ROM 8:26 Bovendien komt de Geest ons te hulp waar wij tekortschieten. Wij weten namelijk niet hoe we naar behoren moeten bidden, maar de Geest pleit voor ons, met verzuchtingen die te diep voor woorden zijn.
ROM 8:27 En Hij die de mensenharten doorgrondt, begrijpt wat de Geest bedoelt, want de Geest pleit overeenkomstig Gods wil voor wie bij Hem horen.
ROM 8:28 Wij weten dat God alles doet meewerken ten goede voor de mensen die van Hem houden, die volgens zijn plan geroepen zijn.
ROM 8:29 Want wie Hij van tevoren gekozen had, is ook door Hem voorbestemd om op zijn Zoon te gaan lijken, opdat Deze, de Eerstgeborene, veel broers en zussen zou hebben.
ROM 8:30 Zij die door God waren voorbestemd, zijn ook door Hem geroepen. En zij die door Hem zijn geroepen, zijn ook door Hem vrijgesproken van schuld. En zij mogen delen in zijn glorie.
ROM 8:31 Wat kunnen we hieruit concluderen? Als God voor ons is, wie zou dan tegen ons zijn?
ROM 8:32 Als God ons zijn Zoon niet heeft onthouden maar Hem prijsgaf voor ons allen, zou er dan iets zijn dat Hij ons niet zou schenken?
ROM 8:33 Wie zal Gods uitverkorenen aanklagen? Het is God die vrijspreekt.
ROM 8:34 Wie is het die veroordeelt? Het is Christus Jezus die gestorven is – en meer nog: die verrezen is, die zich aan Gods rechterzijde bevindt, en die voorspraak voor ons doet.
ROM 8:35 Wie kan ons van Christus' liefde scheiden? Leed, ellende, vervolging, honger, naaktheid, gevaar of het zwaard?
ROM 8:36 Zo staat het ook in de Schriften: “Omwille van U worden wij de hele dag met de dood bedreigd, we worden behandeld als schapen voor de slacht.”
ROM 8:37 Maar in dit alles behalen wij een glansrijke overwinning, dankzij Hem die ons zijn liefde heeft betoond.
ROM 8:38 Ik ben er namelijk van overtuigd dat noch de dood, noch het leven, noch engelen of demonen, noch machten in het heden of in de toekomst,
ROM 8:39 noch iets dat zich boven of onder ons bevindt, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van Gods liefde, die Hij ons bewezen heeft in Christus Jezus, onze Heer.
ROM 9:1 Ik spreek de waarheid als christen. Ik lieg niet, daarvan getuigen mijn geweten en de Heilige Geest.
ROM 9:2 Ik heb veel verdriet en draag voortdurend leed in mijn hart.
ROM 9:3 Ik zou namelijk zelf vervloekt en voorgoed van Christus gescheiden willen worden als ik daarmee mijn volksgenoten zou kunnen helpen. Zij zijn immers mijn biologische verwanten.
ROM 9:4 Ze zijn Israëlieten, ze zijn door God als zijn kinderen aangenomen en ze hebben deel gekregen aan zijn glorie. Ze hebben de verbonden, de Wet, de eredienst en zijn beloften.
ROM 9:5 Ze hebben Abraham, Isaak en Jakob. Wat zijn menselijke afstamming betreft is Christus uit hen voortgekomen – Hij is God, boven alles verheven, en Hem komt voor eeuwig de eer toe. Amen.
ROM 9:6 Gods belofte is niet vervallen. Niet alle Israëlieten maken namelijk deel uit van Gods volk.
ROM 9:7 Het is niet omdat ze van Abraham afstammen dat ze allemaal zijn afstammelingen zijn, want “enkel de afstammelingen van Isaak zullen jouw afstammelingen worden genoemd”.
ROM 9:8 Dat betekent dat niet Abrahams biologische afstammelingen als kinderen van God worden beschouwd, maar dat het de afstammelingen zijn op wie de belofte van toepassing is die als de ware afstammelingen van Abraham worden beschouwd.
ROM 9:9 De belofte luidde als volgt: “Op het tijdstip dat Ik heb aangegeven, kom Ik terug en dan zal Sara een zoon hebben.”
ROM 9:10 En dat is niet alles: ook toen Rebekka van onze voorvader Isaak een tweeling verwachtte,
ROM 9:11 en nog voordat die kinderen werden geboren, dus toen ze nog niets goeds of verkeerds hadden gedaan, hield God zich aan zijn uitverkiezingsplan.
ROM 9:12 De keuze gebeurde niet op grond van menselijke inspanningen, maar van Gods roeping. Er werd immers tegen Rebekka gezegd: “De oudste zal dienstbaar zijn aan de jongste.”
ROM 9:13 In de Schriften staat: “Ik hield van Jakob, maar ik verachtte Esau.”
ROM 9:14 Kunnen we dan zeggen dat God onrechtvaardig is? Absoluut niet!
ROM 9:15 Hij zei immers tegen Mozes: “Ik begunstig wie Ik wil en Ik heb mededogen met wie Ik wil.”
ROM 9:16 Het hangt dus niet af van menselijke wil of van menselijke inspanning, maar van Gods mededogen.
ROM 9:17 In de Schriften staat immers dat God tegen Farao zegt: “Het doel waarmee Ik jou heb aangesteld is om door middel van jou mijn macht te tonen en in de hele wereld bekend te maken wie Ik ben.”
ROM 9:18 God heeft dus mededogen met wie Hij wil en Hij maakt halsstarrig wie Hij wil.
ROM 9:19 Misschien vraag je mij: ‘Waarom roept God de mensen dan ter verantwoording? We kunnen zijn wil toch niet weerstaan?’
ROM 9:20 Maar wie ben jij om zo tegen God te protesteren? Zegt het gemaakte soms tegen de maker: “Waarom hebt u mij zo gemaakt?”
ROM 9:21 Heeft de pottenbakker niet het recht om uit één klomp klei een voorwerp voor bijzondere gelegenheden en een voorwerp voor alledaags gebruik te maken?
ROM 9:22 Wat als God zijn toorn wilde tonen en zijn kracht bekend wilde maken, en wat als Hij daarom de mensen die Hij uiteindelijk zou veroordelen en vernietigen, met veel geduld verdragen heeft?
ROM 9:23 En wat als Hij zijn grote hemelse pracht wilde bekendmaken aan de mensen met wie Hij mededogen zou hebben, die Hij voor hemelse pracht bestemd heeft,
ROM 9:24 en die Hij heeft geroepen – niet enkel uit het Joodse volk, maar ook uit de andere volken?
ROM 9:25 Hij zegt immers in het boek Hosea: “Zij die niet mijn volk waren, zal Ik mijn volk noemen, en zij die niet geliefd was, zal Ik geliefde noemen.”
ROM 9:26 En: “Op de plaats waar tegen hen werd gezegd: ‘Jullie zijn niet mijn volk’, daar zullen zij kinderen van de levende God worden genoemd.”
ROM 9:27 Jesaja roept over Israël: “Al zou het aantal Israëlieten zijn als het zand aan de zee, er zal slechts een klein aantal worden gered.
ROM 9:28 De Heer zal zijn vonnis grondig en spoedig uitvoeren op aarde.”
ROM 9:29 Jesaja had ook al gezegd: “Als de Heer van de hemelse legers ons geen afstammelingen had gegeven, dan zouden wij als Sodom zijn geweest; we zouden als Gomorra zijn geworden.”
ROM 9:30 We concluderen dat niet-Joden die geen vrijspraak van schuld hadden nagestreefd, die wel hebben verkregen, namelijk een vrijspraak van schuld op grond van geloof,
ROM 9:31 en dat de Israëlieten die vrijspraak van schuld op grond van de Wet nastreefden, deze niet hebben bereikt.
ROM 9:32 Waarom niet? Omdat ze het niet probeerden met geloof maar met daden; ze zijn over de struikelsteen gestruikeld.
ROM 9:33 In de Schriften staat namelijk: “Ik leg in Sion een steen waarover men struikelt en een rotsblok waaraan men zich stoot, maar wie erop vertrouwt zal niet beschaamd worden.”
ROM 10:1 Broeders en zusters, mijn hartenwens en mijn gebed tot God voor de Joden is dat zij Gods redding mogen ervaren.
ROM 10:2 Ik kan over hen getuigen dat ze aan God toegewijd zijn, maar ze beschikken niet over inzicht.
ROM 10:3 Omdat ze niet weten hoe men met God in het reine komt en hun vrijspraak van schuld zelf proberen te bewerkstelligen, weigeren ze Gods recht te aanvaarden.
ROM 10:4 De Wet leidt uiteindelijk tot Christus; iedereen die in Hem gelooft, wordt vrijgesproken van schuld.
ROM 10:5 Mozes schrijft over de vrijspraak op grond van de Wet: “De mens die zo handelt, zal daardoor leven.”
ROM 10:6 De vrijspraak op grond van geloof zegt: “Vraag je niet af wie naar de hemel zal opstijgen” – om Christus naar de aarde te halen –
ROM 10:7 “of wie in de afgrond zal afdalen” – om Christus uit het dodenrijk op te halen.
ROM 10:8 Want wat staat er? “De boodschap is dicht bij je: in je mond en in je hart.” Dat gaat over de boodschap van het geloof, die wij verkondigen.
ROM 10:9 Want als je met je mond belijdt dat Jezus je Heer is en met je hart gelooft dat God Hem uit de dood heeft doen verrijzen, zal je gered worden.
ROM 10:10 Wie in zijn hart gelooft, wordt vrijgesproken van schuld en wie dat openlijk belijdt, ontvangt redding.
ROM 10:11 De Schriften leren: “Wie op Hem vertrouwt, zal niet beschaamd worden.”
ROM 10:12 Er is dus geen onderscheid tussen Jood en niet-Jood: de Heer is Heer van iedereen, en iedereen die Hem aanroept, zal rijkelijk worden gezegend.
ROM 10:13 Want: “Ieder die de Heer aanroept, zal gered worden.”
ROM 10:14 Maar hoe kunnen mensen Hem aanroepen als ze niet geloven? En hoe kunnen ze in Hem geloven als ze niet van Hem hebben gehoord? En hoe kunnen ze horen zonder boodschapper?
ROM 10:15 En hoe zal men de boodschap verspreiden zonder gezonden te zijn? In de Schriften staat: “Hoe mooi is de komst van de boodschappers van goed nieuws!”
ROM 10:16 Toch heeft niet iedereen naar het goede nieuws geluisterd. Jesaja zegt namelijk: “Heer, wie geloofde wat wij vertelden?”
ROM 10:17 Geloof is dus een gevolg van horen, en horen is een gevolg van de verspreiding van het evangelie van Christus.
ROM 10:18 Ik vraag echter: hebben ze het werkelijk niet gehoord? Toch wel, want: “Hun stemgeluid klonk over de gehele aarde, en hun woorden tot de uiteinden van de wereld.”
ROM 10:19 Ik vraag verder: heeft Israël het dan niet begrepen? In de eerste plaats zegt God bij monde van Mozes: “Ik zal jullie jaloers maken op een volk dat niet van Mij is; Ik zal jullie uitdagen met een volk zonder inzicht.”
ROM 10:20 Jesaja durft zelfs te zeggen: “Ik ben gevonden door wie Mij niet zochten; Ik heb mij vertoond aan wie niet naar Mij vroegen.”
ROM 10:21 Maar over Israël zegt hij: “De hele dag reikte Ik mijn hand uit naar een ongehoorzaam en opstandig volk.”
ROM 11:1 Nu is mijn vraag: God heeft zijn volk toch niet afgewezen? Absoluut niet! Ik ben immers zelf ook een Israëliet, een afstammeling van Abraham, van de stam Benjamin.
ROM 11:2 God kende het volk reeds tevoren en Hij heeft hen niet afgewezen. Of weten jullie niet wat de Schriften leren over Elia, hoe hij Israël aanklaagde bij God?
ROM 11:3 “Heer, ze hebben uw profeten gedood en uw altaren vernield; ik ben als enige overgebleven en ze willen mij van het leven beroven.”
ROM 11:4 Hoe luidt Gods antwoord? “Ik heb zevenduizend man voor Mijzelf overgelaten, die Baäl niet hebben vereerd.”
ROM 11:5 Hetzelfde geldt voor de huidige situatie: er is een klein aantal overgebleven, dat uit genade is uitverkoren.
ROM 11:6 Maar als het uit genade is, is het niet op grond van inspanningen; anders zou de genade geen genade zijn.
ROM 11:7 Hoe zit het dan wel? Israël heeft niet verkregen wat het nastreefde, maar de uitverkorenen hebben het wel verkregen en de overigen zijn halsstarrig geworden.
ROM 11:8 Er staat immers: “God gaf hun een geest van apathie, ogen die niet kijken en oren die niet luisteren, tot vandaag toe.”
ROM 11:9 David zegt dan ook: “Laat hun gefeest een valstrik en een klapnet voor hen worden, een struikelsteen en een aanleiding voor vergelding.
ROM 11:10 Laat hun ogen verblind worden, zodat ze niet kunnen zien, en laat hun rug voor altijd gekromd zijn.”
ROM 11:11 Nu is mijn vraag: ze zijn toch niet gestruikeld om onherstelbaar ten val te komen? Absoluut niet! Maar het is door hun overtreding dat Gods redding beschikbaar is voor de volken, en dat moet hen jaloers maken.
ROM 11:12 En als hun overtreding een zegen vormt voor de wereld en hun falen een zegen voor de volken, zal hun herstel dan niet veel meer betekenen?
ROM 11:13 Ik zal mij nu richten tot de niet-Joden. Zo doe ik mijn taak als apostel voor de niet-Joden eer aan,
ROM 11:14 in de hoop mijn volksgenoten jaloers te maken en zo sommigen van hen te redden.
ROM 11:15 Want als hun verwerping verzoening voor de hele wereld betekent, zal hun aanvaarding dan niet leven na de dood inhouden?
ROM 11:16 Als een deel van een portie deeg aan God wordt gewijd, wordt daardoor de hele portie heilig; als de wortel heilig is, dan zijn de takken dat ook.
ROM 11:17 Sommige van de takken zijn echter verwijderd en jullie, takken van een wilde olijf, zijn tussen de andere takken aan de boom geënt. Daardoor hebben jullie deel gekregen aan het voedende sap uit de wortels van de olijfboom.
ROM 11:18 Je hebt dus geen reden om te vinden dat je beter bent dan die andere takken. Dat zou arrogant zijn, want de wortel steunt niet op jou, maar jij steunt op de wortel.
ROM 11:19 Misschien vraag je: ‘Maar de takken zijn toch verwijderd om plaats te maken voor mij?’
ROM 11:20 Dat klopt. Ze zijn verwijderd wegens hun ongeloof en jij hebt je huidige plaats gekregen dankzij je geloof. Wees echter niet overmoedig, maar uiterst behoedzaam.
ROM 11:21 Want als God de natuurlijke takken niet heeft ontzien, zal Hij jou wellicht ook niet ontzien.
ROM 11:22 We zien dus dat God zowel mild als streng is: streng voor wie gevallen is, maar mild voor jou – op voorwaarde dat je op zijn mildheid blijft vertrouwen. Want anders word jij ook weggekapt.
ROM 11:23 Hetzelfde geldt voor de Israëlieten: als zij hun ongeloof laten varen, zullen ook zij geënt worden, want God heeft de macht om hen terug te enten.
ROM 11:24 Want als jij van nature een verwijderde tak van de wilde olijfboom bent, en als jij tegen de natuur in op een gecultiveerde olijfboom bent geënt, is het dan niet veel zekerder dat deze natuurlijke takken op hun eigen olijfboom kunnen worden teruggeënt?
ROM 11:25 Broeders en zusters, ik wil dat jullie het volgende geheim kennen – en niet op je eigen inzicht steunen. Een deel van Israël zal halsstarrig zijn totdat het bestemde aantal niet-Joden is toegetreden.
ROM 11:26 En dan zal geheel Israël gered worden. Er staat immers: “Uit Sion komt de redder, hij zal Jakobs goddeloosheid verwijderen.
ROM 11:27 En dit is mijn verbond met hen wanneer Ik hun zonden wegneem.”
ROM 11:28 Al staan ze vijandig tegenover het evangelie ten voordele van jullie, ze zijn geliefde uitverkorenen omwille van Abraham, Isaak en Jakob.
ROM 11:29 Gods genadige geschenken en zijn roeping kunnen namelijk niet ongedaan gemaakt worden.
ROM 11:30 Want zoals jullie vroeger ongehoorzaam aan God waren maar nu mededogen hebben ervaren wegens hun ongehoorzaamheid,
ROM 11:31 zo zijn zij nu ook ongehoorzaam geworden, om mededogen te ondervinden wegens het mededogen dat jullie geschonken is.
ROM 11:32 God heeft iedereen in diens eigen ongehoorzaamheid opgesloten, omdat Hij wil dat iedereen zijn mededogen zal ervaren.
ROM 11:33 Gods wijsheid en kennis zijn zo diep! Zijn oordelen zijn zo onpeilbaar en zijn wegen zo ondoorgrondelijk!
ROM 11:34 Want: “Wie begrijpt het denken van de Heer, wie kan Hem raad geven?”
ROM 11:35 En: “Wie heeft ooit iets aan God gegeven dat door Hem moet worden betaald?”
ROM 11:36 Want alles bestaat dankzij Hem, door Hem en voor Hem. Hem komt voor eeuwig en altijd de eer toe. Amen.
ROM 12:1 Broeders en zusters, ik spoor jullie aan op grond van Gods mededogen, geef jezelf aan God, als een levend offer dat aan Hem gewijd is en Hem vreugde geeft; dat is de juiste manier om God te eren.
ROM 12:2 Pas je niet aan de huidige wereld aan, maar verander door je denken te laten vernieuwen. Dan zal je kunnen onderscheiden wat God wil: het goede, mooie en volmaakte.
ROM 12:3 Op grond van de genade die mij geschonken is zeg ik tegen ieder van jullie: schat jezelf niet te hoog in, maar oordeel nuchter over jezelf, in verhouding tot de hoeveelheid geloof die God je heeft toebedeeld.
ROM 12:4 Een lichaam bevat namelijk veel delen, en al die lichaamsdelen hebben een andere functie.
ROM 12:5 Zo is het ook met ons die bij Christus horen: we verhouden ons ten opzichte van elkaar als de vele delen van één lichaam.
ROM 12:6 We hebben verschillende geestesgaven, afhankelijk van de genade die ons is geschonken. Wie de gave van profetie heeft, behoort de boodschap van God door te geven in overeenstemming met de mate van zijn geloof;
ROM 12:7 wie de gave van dienstbetoon heeft, behoort te dienen en wie de gave van onderwijs heeft, te onderwijzen;
ROM 12:8 wie de gave van bemoediging heeft, behoort te bemoedigen en wie de gave van vrijgevigheid heeft, behoort vrijgevig te zijn; wie de gave heeft om leiding te geven, behoort enthousiast leiding te geven en wie de gave van mededogen heeft, behoort zich met een blijmoedig hart om anderen te bekommeren.
ROM 12:9 Zorg dat je liefdebetoon oprecht is. Heb een afkeer van het kwaad, wees gehecht aan het goede.
ROM 12:10 Ga liefdevol en hartelijk met elkaar om; wees kwistig met je eerbetoon aan elkaar.
ROM 12:11 Laat je ijver niet verslappen, maar blijf vol vuur de Heer dienen.
ROM 12:12 Verheug je omdat je hoop hebt, volhard als je het moeilijk hebt, wijd jezelf toe aan het gebed.
ROM 12:13 Lenig de nood van je medechristenen en wees gastvrij.
ROM 12:14 Zegen wie je vervolgt; zegen in plaats van te verwensen.
ROM 12:15 Wanneer anderen blij zijn, verheug je dan samen met hen. Wanneer anderen treuren, treur dan met hen mee.
ROM 12:16 Wees onderling eensgezind, niet hooghartig, maar stel je bescheiden op, en word niet eigenwijs.
ROM 12:17 Vergeld nooit kwaad met kwaad, maar probeer te doen wat goed is in de ogen van alle mensen.
ROM 12:18 Bewaar zo mogelijk, voor zover het van jullie afhangt, de vrede met alle mensen.
ROM 12:19 Beste vrienden, neem zelf geen wraak, maar laat de straf over aan God, want in de Schriften staat dat de Heer zegt: “Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden.”
ROM 12:20 Als je vijand honger heeft, geef hem dan te eten en als hij dorst heeft, geef hem dan te drinken, want zo stapel je als het ware gloeiende kolen op zijn hoofd.
ROM 12:21 Laat je niet door het kwaad overwinnen, maar overwin het kwaad door middel van het goede.
ROM 13:1 Iedereen moet het gezag van de bevoegde overheden erkennen. Er bestaat namelijk geen overheid die niet door God is gegeven en de bestaande overheden zijn door God aangesteld.
ROM 13:2 Wie zich dus tegen de overheid verzet, werkt Gods besluit tegen en wie dat doet zal worden gestraft.
ROM 13:3 Wie zich goed gedraagt, hoeft de gezagsdragers niet te vrezen, maar wie zich slecht gedraagt wel. Wil je niet in vrees voor de overheid leven? Doe dan wat goed is en je zal haar goedkeuring krijgen.
ROM 13:4 Zij staat namelijk in Gods dienst ten behoeve van jou. Maar als je doet wat slecht is, wees dan bang, want zij draagt het zwaard niet voor niets. Als dienares van God is zij de uitvoerder van Gods straf voor wie kwaad doet.
ROM 13:5 Men moet dus haar gezag erkennen, niet alleen wegens de straf maar ook omwille van het geweten.
ROM 13:6 Daarom betalen jullie ook belasting aan functionarissen die als dienaren van God hun taak uitvoeren.
ROM 13:7 Betaal dus aan iedereen wat je hem verschuldigd bent: belasting aan wie je belasting verschuldigd bent, andere heffingen aan wie je andere heffingen verschuldigd bent, ontzag aan wie je ontzag verschuldigd bent en eer aan wie je eer verschuldigd bent.
ROM 13:8 Zorg dat je bij niemand in de schuld staat, behalve op het gebied van onderling liefdebetoon, want wie zijn naaste liefdevol behandelt, voldoet aan alle vereisten van de Wet.
ROM 13:9 De geboden “pleeg geen echtbreuk”, “pleeg geen moord”, “steel niet”, “wees niet begerig naar wat van een ander is” en alle andere geboden kunnen als volgt worden samengevat: heb je naaste lief zoals je jezelf liefhebt.
ROM 13:10 Liefdebetoon doet de ander geen kwaad aan; daarom voldoet liefdebetoon aan alle vereisten van de Wet.
ROM 13:11 Nog iets: jullie moeten weten hoe laat het is. Het is tijd om wakker te worden, want onze redding is nu dichterbij dan toen we tot geloof kwamen.
ROM 13:12 De nacht loopt ten einde en de dag breekt aan. Laten we ons daarom ontdoen van de activiteiten die bij de duisternis horen en ons toerusten met de wapens van het licht.
ROM 13:13 Laten we ons eerzaam gedragen, als mensen van de dag, en ons onthouden van wilde feesten, dronkenschap, seksuele immoraliteit, losbandigheid, rivaliteit en afgunst.
ROM 13:14 Zorg daarentegen dat je toegerust bent met de Heer Jezus Christus en geef niet toe aan de begerigheid van je zondige natuur.
ROM 14:1 Aanvaard wie een zwak geloof heeft, zonder zijn opvattingen te betwisten.
ROM 14:2 De een gelooft dat hij alles mag eten, maar iemand met een zwak geloof eet plantaardig voedsel.
ROM 14:3 Wie alles eet, mag niet neerkijken op wie niet alles eet. En wie niet alles eet, mag niet oordelen over wie wel alles eet, want God heeft die persoon aanvaard.
ROM 14:4 Wie ben jij dat je over de dienaar van een ander oordeelt? Het is toch zijn Meester die beoordeelt of zijn gedrag Hem bevalt? En zijn gedrag zal de Heer bevallen, want de Heer is echt wel in staat om te zorgen dat zijn gedrag Hem bevalt.
ROM 14:5 De een beschouwt bepaalde dagen als belangrijker dan de andere, een ander beschouwt elke dag als even belangrijk. Laat iedereen zelf tot een overtuiging komen.
ROM 14:6 Wie een bepaalde dag viert, viert die dag tot eer van de Heer en wie alles eet, eet tot eer van de Heer, want hij dankt God. Maar wie iets niet eet, onthoudt zich van dat voedsel tot eer van de Heer en ook hij dankt God.
ROM 14:7 Niemand van ons leeft voor zichzelf en niemand sterft voor zichzelf.
ROM 14:8 Want zolang wij leven, leven we voor de Heer en als we sterven, sterven we voor de Heer. Of we dus leven of sterven, we zijn van de Heer.
ROM 14:9 Christus is gestorven en verrezen om Heer te zijn van zowel de doden als de levenden.
ROM 14:10 Waarom vel je dan nog een oordeel over je geloofsgenoot? Of waarom kijk je op je geloofsgenoot neer? We zullen immers allemaal voor Gods rechterstoel moeten verschijnen.
ROM 14:11 In de Schriften staat: “Zo waar als Ik leef, zegt de Heer, voor Mij zal elke knie zich buigen en elke tong zal belijden dat Ik God ben.”
ROM 14:12 Ieder van ons zal dus rekenschap voor zichzelf afleggen aan God.
ROM 14:13 Laten we elkaar daarom niet langer veroordelen, maar in plaats daarvan vastbesloten zijn om onze geloofsgenoot niet te ergeren of tot struikelen te brengen.
ROM 14:14 Ik weet – en omdat ik bij de Heer Jezus hoor ben ik er zelfs van overtuigd – dat niets onrein is uit zichzelf, maar dat het onrein is voor wie het als onrein beschouwt.
ROM 14:15 Als je je geloofsgenoot verdriet doet door iets te eten, is je gedrag niet meer liefdevol; dan richt je door hetgeen je eet iemand voor wie Christus gestorven is, te gronde.
ROM 14:16 Zorg dus dat hetgeen jij als goed beschouwt, niet in een kwaad daglicht wordt gesteld.
ROM 14:17 Het gaat in Gods koninkrijk immers niet om wat we eten en drinken, maar om gerechtigheid, vrede en vreugde door de Heilige Geest.
ROM 14:18 En wie Christus dient door zich hieraan te houden, doet wat God wil en wordt door de mensen gewaardeerd.
ROM 14:19 Laten we daarom nastreven wat de vrede en de onderlinge opbouw bevordert.
ROM 14:20 Breek Gods werk niet af omwille van voedsel. Alles is weliswaar rein, maar het is verkeerd om een ander te doen struikelen door hetgeen je eet.
ROM 14:21 Het is goed om geen vlees te eten, geen wijn te drinken, of iets anders niet te doen waarmee je je geloofsgenoot zou doen struikelen.
ROM 14:22 Wat je over deze zaken gelooft, moet tussen jou en God blijven. Wie doet wat hij als goed beschouwt en zodoende geen oordeel over zichzelf haalt, is gezegend.
ROM 14:23 Maar wie niet zeker is, is reeds veroordeeld als hij eet, omdat hij niet handelt in overeenstemming met zijn geloof. Immers, alles wat niet uit geloof voortkomt, is zonde.
ROM 15:1 Wij, sterken, moeten de gevoeligheden van de zwakken verdragen in plaats van ons eigen belang voorop te stellen.
ROM 15:2 Laten we ieder het belang van onze naaste vooropstellen en doen wat goed en opbouwend voor die naaste is.
ROM 15:3 Want zelfs Christus stelde niet zijn eigen belang voorop, maar, zoals in de Schriften staat: “Toen men U bespotte, is hun spot op Mij terechtgekomen.”
ROM 15:4 Wat destijds in de Schriften werd opgetekend, staat daar als een les voor ons, om ons hoop te geven doordat we volhouden en uit de Schriften bemoediging putten.
ROM 15:5 Ik bid dat de God die helpt om vol te houden en die bemoediging schenkt, jullie de eensgezindheid zal geven die Christus Jezus van jullie verlangt.
ROM 15:6 Dan zullen jullie eenstemmig en gezamenlijk de God en Vader van onze Heer Jezus Christus verheerlijken.
ROM 15:7 Aanvaard elkaar dus, zoals Christus jullie heeft aanvaard, tot eer van God.
ROM 15:8 Want ik vertel jullie: Christus stelde zich ten dienste van de Joden om de beloften die aan Abraham, Isaak en Jakob waren gegeven, uit te voeren en zo Gods betrouwbaarheid te bevestigen,
ROM 15:9 en ook opdat de niet-Joden God zouden verheerlijken omwille van zijn mededogen. In de Schriften staat immers: “Daarom zal ik U prijzen te midden van de volken en U bezingen.”
ROM 15:10 En elders staat: “Volken, verheug u samen met Gods volk.”
ROM 15:11 En nog elders: “Loof de Heer, alle volken, laat alle naties Hem loven.”
ROM 15:12 En Jesaja zegt: “Uit Isaï zal een nieuwe afstammeling komen: Hij die komt om over de volken te heersen. Op Hem zullen de volken hun hoop stellen.”
ROM 15:13 Ik bid dat de God die hoop geeft, jullie allen met vreugde en vrede zal vullen, door het geloof. Dan zullen jullie overvloedig veel hoop hebben, doordat de Heilige Geest in jullie werkt.
ROM 15:14 Broeders en zusters, ik ben ervan overtuigd dat jullie volkomen goed zijn, over alle kennis beschikken en bekwaam zijn om elkaar terecht te wijzen.
ROM 15:15 Ik heb jullie geschreven op vrijmoedige toon, om jullie enkele zaken in herinnering te brengen. God heeft mij namelijk het voorrecht geschonken,
ROM 15:16 ten behoeve van de niet-Joden in dienst van Christus Jezus te staan. Het is mijn priesterlijke taak, Gods evangelie aan de niet-Joden te verkondigen en hen aan God aan te bieden als een offer dat door de Heilige Geest aan Hem is toegewijd en dat Hem zal bevallen.
ROM 15:17 Het is dankzij Christus Jezus dat ik fier mag zijn op hetgeen ik voor God doe.
ROM 15:18 Ik durf over niets anders te spreken dan hetgeen Christus door mij heeft gedaan om te zorgen dat de niet-Joden Hem gehoorzaam zouden worden: mijn woorden en daden,
ROM 15:19 de machtige tekenen en wonderen die ik heb verricht doordat Gods Geest in mij werkte. Zo heb ik overal het evangelie van Christus verspreid, van Jeruzalem en omstreken tot Illyrië.
ROM 15:20 Mijn enige ambitie is het evangelie te verkondigen op plaatsen waar men nog niet van Christus heeft gehoord, zodat ik niet bouw op de fundering die een ander heeft gelegd.
ROM 15:21 In de Schriften staat: “Zij aan wie Hij niet was aangekondigd, zullen zien, en zij die niet hadden gehoord, zullen begrijpen.”
ROM 15:22 Dat is de reden dat ik zo vaak ben verhinderd om jullie te bezoeken.
ROM 15:23 Maar nu is er in deze streken geen werk meer voor mij en aangezien ik er al vele jaren naar verlang bij jullie te komen,
ROM 15:24 hoop ik jullie onderweg te bezoeken wanneer ik naar Spanje reis. Ik hoop een tijdje bij jullie te verblijven en door jullie te worden toegerust voor mijn verdere reis.
ROM 15:25 Maar nu ben ik op weg naar Jeruzalem om de christenen daar bij te staan.
ROM 15:26 De kerkgemeenschappen in Macedonië en Achaje hebben namelijk besloten, een gezamenlijke gift te geven voor de armen onder de christenen in Jeruzalem.
ROM 15:27 Ze doen dit vrijwillig, maar eigenlijk zijn ze het aan hen verplicht, want als de gelovigen in Jeruzalem hun geestelijke zegeningen met de niet-Joden gedeeld hebben, dan behoren de niet-Joden de gelovigen in Jeruzalem materieel bij te staan.
ROM 15:28 Wanneer ik deze taak heb voltooid en de gift veilig heb overhandigd, zal ik via jullie naar Spanje reizen.
ROM 15:29 En ik weet dat wanneer ik bij jullie kom, ik zal komen met de volle zegen van Christus.
ROM 15:30 Broeders en zusters, ik spoor jullie aan, met beroep op onze Heer Jezus Christus en de liefde van de Geest, help mij door voor mij tot God te bidden,
ROM 15:31 dat ik tegen de ongelovigen in Judea beschermd zal worden en dat de gift die ik zal brengen de christenen in Jeruzalem zal bevallen.
ROM 15:32 Dan zal ik, als God het wil, vol vreugde naar jullie toe komen en bij jullie tot rust komen.
ROM 15:33 Ik wens jullie toe dat de God van vrede bij jullie allen zal zijn. Amen.
ROM 16:1 Ik beveel onze zuster Febe bij jullie aan. Zij vervult een dienende functie in de kerkgemeenschap in Kenchreeën.
ROM 16:2 Ontvang haar als een medechristen, zoals het jullie betaamt. Geef haar alle bijstand die ze nodig heeft, want zij heeft veel mensen geholpen, waaronder ook mij.
ROM 16:3 Groet Prisca en Aquila, mijn collega's in dienst van Christus Jezus.
ROM 16:4 Zij hebben hun leven voor mij op het spel gezet, en niet alleen ik maar ook alle niet-Joodse kerkgemeenschappen zijn hen dankbaar.
ROM 16:5 Groet ook de kerkgemeenschap die in hun huis samenkomt. Groet mijn goede vriend Epenetus; hij was de eerste in Asia die tot het geloof in Christus kwam.
ROM 16:6 Groet Maria; zij heeft hard voor jullie gezwoegd.
ROM 16:7 Groet Andronikus en Junia, mijn volksgenoten en medegevangenen. Zij genieten veel aanzien als apostelen en zijn eerder christen geworden dan ik.
ROM 16:8 Groet Ampliatus, mijn goede vriend en medechristen.
ROM 16:9 Groet Urbanus, onze collega in dienst van Christus Jezus, en mijn goede vriend Stachys.
ROM 16:10 Groet Apelles; zijn trouw aan Christus heeft de proef doorstaan. Groet de huisgenoten van Aristobulus.
ROM 16:11 Groet Herodion, mijn volksgenoot. Groet de christenen in de familie van Narcissus.
ROM 16:12 Groet Tryfena en Tryfosa, die hard werken voor de Heer. Groet mijn goede vriendin Persis; ook zij heeft hard gewerkt voor de Heer.
ROM 16:13 Groet Rufus, een uitstekende dienaar van de Heer, en zijn moeder, die ook voor mij een moeder geworden is.
ROM 16:14 Groet Asynkritus, Flegon, Hermes, Patrobas, Hermas en de broeders en zusters die bij hen thuis samenkomen.
ROM 16:15 Groet Filologus en Julia, Nereus en zijn zus, en Olympas en alle christenen die bij hen thuis samenkomen.
ROM 16:16 Begroet elkaar met een heilige kus.
ROM 16:17 Broeders en zusters, ik spoor jullie aan, in de gaten te houden wie onenigheid veroorzaakt of barrières opwerpt tegen hetgeen jullie is geleerd, en bij die mensen uit de buurt te blijven.
ROM 16:18 Zij dienen niet onze Heer Christus maar hun eigen buik, en met hun vlotte babbel en complimenten misleiden ze de harten van argeloze mensen.
ROM 16:19 Iedereen heeft over jullie gehoorzaamheid gehoord. Daarom verheug ik me over jullie, want ik wil dat jullie het goede weten te herkennen en onervaren zijn in het kwaad.
ROM 16:20 De God van vrede zal de satan binnenkort onder jullie voeten vermorzelen. Ik wens jullie de genade van onze Heer Jezus toe.
ROM 16:21 Mijn collega Timoteüs en mijn volksgenoten Lucius, Jason en Sosipater groeten jullie.
ROM 16:22 Ik, Tertius, die deze brief opschrijf, groet jullie als medechristen.
ROM 16:23 Gajus, gastheer van zowel mijzelf als de hele kerkgemeenschap, groet jullie, en ook Erastus, de beheerder van de stedelijke financiën, en onze broeder Quartus.
ROM 16:25 Ik prijs God: Hij kan zorgen dat jullie sterk staan door te geloven in het evangelie van Jezus Christus dat ik verkondig. Dat is het geheim dat lange tijd verborgen is geweest,
ROM 16:26 maar dat nu geopenbaard is. Op Gods bevel wordt het aan alle volken bekendgemaakt door middel van profetische geschriften, opdat zij Hem, de eeuwige God, geloven en gehoorzamen.
ROM 16:27 Hij is de enige die alle inzicht heeft en Hem komt voor eeuwig de hoogste eer toe dankzij Jezus Christus. Amen.
1CO 1:1 Van: Paulus, overeenkomstig Gods wil geroepen om apostel van Christus Jezus te zijn, en van onze broeder Sostenes.
1CO 1:2 Aan: Gods kerkgemeenschap in Korinte – jullie zijn heilig doordat jullie bij Christus Jezus horen, jullie zijn geroepen om je aan Hem toe te wijden – en aan allen die hun en onze Heer Jezus Christus aanroepen, waar zij zich ook bevinden.
1CO 1:3 Ik wens jullie de genade en vrede van God, onze Vader, en van de Heer Jezus Christus toe.
1CO 1:4 Ik dank mijn God altijd voor jullie die bij Christus Jezus horen, want Gods genade is aan jullie geschonken.
1CO 1:5 Jullie zijn rijkelijk voorzien van allerlei onderricht en geestelijke kennis,
1CO 1:6 en de boodschap over Christus is in jullie leven verankerd.
1CO 1:7 Er ontbreekt bij jullie geen enkele van de gaven die God schenkt en jullie kijken uit naar de terugkomst van onze Heer Jezus Christus.
1CO 1:8 Hij zal ervoor zorgen dat jullie tot het einde toe standhouden, zodat er niets op jullie aan te merken zal zijn op de Dag van onze Heer Jezus Christus.
1CO 1:9 God is trouw; Hij heeft jullie geroepen om een persoonlijke relatie te hebben met zijn Zoon, Jezus Christus onze Heer.
1CO 1:10 Broeders en zusters, ik smeek jullie in naam van onze Heer Jezus Christus, elkaar niet tegen te spreken en niet onderling verdeeld te zijn, maar volkomen gelijkgezind en gelijkgestemd.
1CO 1:11 Ik ben namelijk van de huisgenoten van Chloé te weten gekomen, broeders en zusters, dat er bij jullie rivaliteit is.
1CO 1:12 Ik bedoel dat bij jullie de een zegt: ‘Ik ben aanhanger van Paulus’, de ander: ‘Ik ben aanhanger van Apollos’, weer een ander: ‘En ik van Kefas’, en nog een ander: ‘En ik van Christus’.
1CO 1:13 Is Christus dan verdeeld? Is Paulus voor jullie gekruisigd? Zijn jullie in de naam van Paulus gedoopt?
1CO 1:14 Ik dank God dat ik niemand van jullie gedoopt heb, behalve Crispus en Gajus.
1CO 1:15 Niemand kan dus zeggen dat hij in mijn naam is gedoopt.
1CO 1:16 (Ik heb ook Stefanas en zijn huisgenoten gedoopt, maar voor zover ik mij kan herinneren heb ik bij jullie niemand anders gedoopt.)
1CO 1:17 Christus heeft mij immers niet gezonden om te dopen, maar om het evangelie te verkondigen. En om te voorkomen dat de betekenis van Christus' dood aan het kruis zou worden afgezwakt, maak ik daarbij geen gebruik van ingewikkelde woorden.
1CO 1:18 Voor de mensen die verloren gaan is de boodschap over het kruis weliswaar onzin, voor ons die gered worden spreekt ze van Gods kracht.
1CO 1:19 In de Schriften staat immers: “Ik zal de wijsheid van de wijzen te gronde richten en de intelligentie van de intelligenten tenietdoen.”
1CO 1:20 Waar zijn de wijzen dan? Waar zijn de kenners van de Schriften? Waar de redenaars van de huidige wereld? Heeft God niet bewezen dat de wijsheid van de wereld in feite dwaasheid is?
1CO 1:21 In zijn wijsheid heeft God ervoor gezorgd dat de wereld Hem niet heeft leren kennen door middel van haar eigen wijsheid. En in zijn goedheid heeft Hij besloten, de gelovigen te redden door middel van de zogenaamde onzin die wij verkondigen.
1CO 1:22 Joden vragen om wonderlijke tekenen en Grieken zoeken naar wijsheid,
1CO 1:23 maar wij verkondigen de gekruisigde Christus. Joden nemen daar aanstoot aan en niet-Joden vinden het onzin,
1CO 1:24 maar voor wie geroepen zijn – zowel Joden als Grieken – is Christus de belichaming van Gods kracht en van Gods wijsheid.
1CO 1:25 Het dwaze van God is namelijk wijzer dan menselijke wijsheid en het zwakke van God is sterker dan menselijke kracht.
1CO 1:26 Broeders en zusters, denk eens aan jullie situatie op het tijdstip dat jullie werden geroepen: naar menselijke maatstaven waren weinigen van jullie geleerd, weinigen hadden macht en weinigen waren van hoge komaf.
1CO 1:27 Maar hetgeen de wereld als onzin beschouwt, is door God uitgekozen om de wijzen in verlegenheid te brengen. Hetgeen de wereld als zwak beschouwt, is door God uitgekozen om de sterken in verlegenheid te brengen.
1CO 1:28 En hetgeen de wereld als onbeduidend of veracht beschouwt, als zonder waarde, is door God uitgekozen om hetgeen voor de wereld wel van waarde is teniet te doen.
1CO 1:29 Daarom is er niemand die zichzelf kan aanprijzen bij God.
1CO 1:30 Het is door Gods toedoen dat jullie bij Christus Jezus horen, die voor ons de belichaming is van Gods wijsheid, van vrijspraak van schuld, en van onze heiligmaking en verlossing.
1CO 1:31 Zo staat het ook in de Schriften: “Als iemand ergens fier op wil zijn, laat hij dan fier zijn op de Heer.”
1CO 2:1 Broeders en zusters, toen ik bij jullie kwam om het geheim over God aan jullie te verkondigen, deed ik dat niet met prachtige woorden of wijsheid.
1CO 2:2 Ik had namelijk besloten geen andere kennis te brengen dan dat Jezus de Messias is, die gekruisigd werd.
1CO 2:3 Toen ik bij jullie was, voelde ik me zwak en beefde ik van angst.
1CO 2:4 De boodschap die ik verkondigde bestond niet uit overtuigende wijze woorden, maar bewees zich door de kracht van de Geest.
1CO 2:5 Het was namelijk de bedoeling dat jullie geloof niet gebaseerd zou zijn op menselijke wijsheid, maar op Gods kracht.
1CO 2:6 Aan wie daar rijp voor zijn, geven we echter wel wijsheid door, maar dat is niet de wijsheid van de huidige wereld, noch van de heersers van de huidige wereld, die hun macht zullen verliezen.
1CO 2:7 Nee, wij geven Gods wijsheid door, die geheim en verborgen was. Maar voordat de tijd begon, had God reeds besloten dat ze nu onthuld zou worden, zodat wij in zijn hemelse pracht mogen delen.
1CO 2:8 En geen van de heersers van de huidige wereld had dat begrepen; anders zouden ze de Heer van die hemelse pracht niet hebben gekruisigd.
1CO 2:9 Zo staat het immers ook in de Schriften: “Wat geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord en geen mensenhart heeft bedacht, dat is wat God heeft voorbereid voor de mensen die Hem liefhebben.”
1CO 2:10 En het is ook wat God ons heeft geopenbaard door de Geest. De Geest doorgrondt namelijk alles, zelfs het diepste in God.
1CO 2:11 Want zoals het enkel iemands eigen geest is die weet wat er in hem omgaat, zo weet ook enkel Gods Geest wat er in God omgaat.
1CO 2:12 Wij hebben niet de geest van de wereld ontvangen, maar de Geest die van God komt, opdat wij zouden weten wat God ons in zijn genade heeft geschonken.
1CO 2:13 Daarover spreken wij in bewoordingen die niet zijn aangeleerd door menselijke wijsheid, maar door de Geest. En zo leggen wij de geestelijke realiteit uit in bewoordingen die door de Geest zijn aangeleerd.
1CO 2:14 Maar de persoon in wie Gods Geest niet woont, aanvaardt de dingen die eigen zijn aan Gods Geest niet. Hij beschouwt ze als onzin en hij kan ze niet begrijpen, want enkel Gods Geest stelt in staat om erover te oordelen.
1CO 2:15 De persoon in wie de Geest woont, kan dat alles wel onderscheiden, maar kan zelf niet door anderen worden doorgrond.
1CO 2:16 Immers: “Wie begrijpt het denken van de Heer, wie kan Hem raad geven?” Wij hebben het denken van Christus.
1CO 3:1 Broeders en zusters, ik kon jullie niet toespreken als mensen in wie Gods Geest leeft. Daarom sprak ik jullie toe als ongeestelijke mensen, onvolwassen in hun geloof in Christus.
1CO 3:2 Ik gaf jullie melk en geen vast voedsel, want dat konden jullie nog niet aan. En jullie kunnen het nog altijd niet aan,
1CO 3:3 want jullie zijn nog altijd ongeestelijk. Als er onder jullie afgunst en rivaliteit heerst, zijn jullie dan niet ongeestelijk en leven jullie dan niet op basis van menselijke maatstaven?
1CO 3:4 Want als iemand zegt: ‘Ik ben een aanhanger van Paulus’, en een ander: ‘En ik van Apollos’, dan zijn jullie toch menselijk bezig?
1CO 3:5 Wat voor iemand is Apollos? En wat voor iemand is Paulus? Wij zijn assistenten door wie jullie tot geloof zijn gekomen, en de Heer heeft ons elk een eigen taak gegeven.
1CO 3:6 Ik heb geplant, Apollos heeft water gegeven, maar God zorgde voor de groei.
1CO 3:7 En niet hij die plant, noch hij die water geeft is van belang, maar alleen Hij die voor de groei zorgt, namelijk God.
1CO 3:8 Hij die plant en hij die water geeft hebben hetzelfde doel, en ze zullen allebei worden beloond voor het werk dat ze hebben gedaan.
1CO 3:9 Wij zijn namelijk collega's in dienst van God en jullie zijn Gods akker, Gods bouwwerk.
1CO 3:10 Met de genade die God mij heeft geschonken, heb ik als een verstandig bouwkundige een fundering gelegd. Een ander bouwt daarop verder. Maar iedereen moet opletten hoe hij bouwt.
1CO 3:11 Want niemand kan een andere fundering leggen dan de fundering die er reeds ligt: Jezus Christus.
1CO 3:12 Men kan op de fundering bouwen met goud, zilver, edelstenen, hout, hooi of stro.
1CO 3:13 Hoe iedereen heeft gebouwd, zal duidelijk worden. Dat zal gebeuren op de Dag van het Oordeel, en het vuur zal het duidelijk maken. Het vuur zal die dag duidelijk maken hoe zuiver ieders werk is.
1CO 3:14 Als hetgeen iemand op de fundering heeft gebouwd het vuur doorstaat, dan ontvangt die bouwer een beloning.
1CO 3:15 Maar als zijn werk verbrandt, lijdt hij wel verlies, maar blijft hijzelf behouden, als iemand die uit een brand is gered.
1CO 3:16 Weten jullie niet dat jullie Gods tempel zijn en dat Gods Geest in jullie woont?
1CO 3:17 Als iemand Gods tempel te gronde richt, zal God hem te gronde richten. Want Gods tempel is heilig en jullie zijn die tempel.
1CO 3:18 Laat niemand zichzelf iets wijsmaken: als iemand van jullie denkt dat hij wijs is naar de maatstaven van de huidige wereld, moet hij eerst “dwaas” worden voordat hij werkelijk wijs kan worden.
1CO 3:19 Want de wijsheid van de huidige wereld is onzin in Gods ogen. In de Schriften staat immers: “Hij vangt de wijze in zijn eigen sluwheid”.
1CO 3:20 En elders staat: “De Heer kent de gedachten van de wijzen, Hij weet dat ze waardeloos zijn.”
1CO 3:21 Laat niemand dus pochen over een bepaald persoon. Immers, alles is van jullie:
1CO 3:22 zowel Paulus als Apollos, als Kefas, de wereld, het leven, de dood, het heden en de toekomst – alles is van jullie,
1CO 3:23 en jullie zijn van Christus en Christus is van God.
1CO 4:1 Wij moeten worden beschouwd als dienaren van Christus en beheerders van Gods geheimen.
1CO 4:2 En van beheerders wordt verwacht dat ze hun betrouwbaarheid bewijzen.
1CO 4:3 Maar jullie oordeel, of dat van een menselijke rechtbank, is voor mij van weinig belang. Ik beoordeel mezelf evenmin.
1CO 4:4 Ik ben me niet bewust van iets dat ik verkeerd zou hebben gedaan, maar dat spreekt mij niet vrij. Het is namelijk de Heer die mij beoordeelt.
1CO 4:5 Vel dus geen oordeel vooraleer de tijd daarvoor is aangebroken, maar wacht tot de Heer komt. Dan zal Hij aan het licht brengen wat nu nog in het donker verborgen is en blootleggen wat in het hart van de mensen omgaat. En dan zal iedereen van God de lof ontvangen die hem toekomt.
1CO 4:6 Broeders en zusters, het is omwille van jullie dat ik deze principes op mijzelf en Apollos heb toegepast. Dan kunnen jullie van ons voorbeeld leren wat het betekent om je te houden aan hetgeen in de Schriften staat en niet te dwepen met de ene ten koste van de andere.
1CO 4:7 Want wat maakt jou anders dan de ander? En wat heb jij dat je niet hebt ontvangen? En als je het hebt ontvangen, waarom poch je er dan over, alsof het geen geschenk was?
1CO 4:8 Jullie hebben zogezegd alles wat je nodig hebt, jullie zijn reeds rijk geworden, jullie zijn reeds machtig geworden – en dat zonder ons! Was het maar waar dat jullie machtig zijn geworden; dan zouden wij in jullie macht kunnen delen!
1CO 4:9 Ik heb namelijk de indruk dat God ons, apostelen, volledig achteraan in de rij heeft gezet, zoals de ter dood veroordeelden in de arena. Wij zijn een schouwspel geworden voor de hele wereld, voor zowel engelen als mensen.
1CO 4:10 Wij zijn dwazen omwille van Christus, maar jullie zijn verstandig. Wij zijn zwak, maar jullie zijn sterk. Jullie worden geëerd, maar wij worden geminacht.
1CO 4:11 Tot nu toe lijden wij honger en dorst. Wij zijn pover gekleed, worden geslagen en hebben geen vaste woonplaats.
1CO 4:12 Wij verdienen zwoegend onze eigen kost. Wanneer we worden verwenst, zegenen we. Wanneer we worden vervolgd, verdragen we dat.
1CO 4:13 Wanneer we worden belasterd, geven we een vriendelijk antwoord. Wij zijn het uitschot van de wereld geworden, het afval van de maatschappij, en we zijn dat nog altijd.
1CO 4:14 Ik schrijf deze dingen niet om jullie te beschamen, maar om jullie terecht te wijzen als mijn dierbare kinderen.
1CO 4:15 Jullie hebben weliswaar duizenden opvoeders in het christelijk geloof, maar niet veel vaders. Door het evangelie ben ik echter jullie vader in het geloof in Christus Jezus geworden.
1CO 4:16 En ik spoor jullie aan om mijn voorbeeld te volgen.
1CO 4:17 Het is daarom dat ik Timoteüs naar jullie toe stuur. Hij is mijn dierbare en trouwe kind in het geloof in de Heer en hij zal jullie geheugen opfrissen over mijn christelijke levenswijze, zoals ik die overal in iedere kerkgemeenschap aan de mensen leer.
1CO 4:18 Sommigen van jullie zijn verwaand geworden; zij denken dat ik niet bij jullie zal komen.
1CO 4:19 Maar binnenkort kom ik naar jullie toe – als de Heer het wil – en dan zal ik te weten komen of de praatjes van die verwaande mensen enige kracht bevatten.
1CO 4:20 Want Gods heerschappij komt niet tot uiting door middel van praatjes, maar door machtige daden.
1CO 4:21 Wat willen jullie? Zal ik bij jullie komen met de stok of met een liefdevolle, zachtmoedige houding?
1CO 5:1 Men zegt zowaar dat er seksueel wangedrag bij jullie voorkomt, en nog wel een vorm van seksueel wangedrag die zelfs bij de ongelovigen niet voorkomt: iemand heeft seks met de vrouw van zijn vader.
1CO 5:2 En jullie zijn vol van jezelf! Zouden jullie niet beter bedroefd zijn en de persoon die zich zo gedraagt uit jullie kerkgemeenschap zetten?
1CO 5:3 Ik ben weliswaar niet in levenden lijve bij jullie, maar in mijn geest ben ik aanwezig en ik heb, als iemand die op die manier bij jullie is, reeds een oordeel geveld over de persoon die zich zo gedraagt.
1CO 5:4 Wanneer jullie bijeenkomen in de naam van de Heer Jezus en ik in mijn geest bij jullie ben, dan moeten we, met de kracht van onze Heer Jezus,
1CO 5:5 die persoon aan Satan overleveren. Dan zal zijn lichaam wel te gronde gaan, maar zijn geest zal gered zijn op de Dag van de Heer.
1CO 5:6 Jullie trots is onterecht. Weten jullie niet dat een kleine hoeveelheid desem het hele deeg doet rijzen?
1CO 5:7 Zuiver jezelf dus van de oude desem, zodat jullie vers deeg worden. Immers, jullie zijn ongedesemd en ons Pesachlam, Christus, is geslacht.
1CO 5:8 Laten we daarom de oude desem – het kwaad en de zonde – wegdoen. Dan kunnen we feest vieren met ongedesemd brood – oprechtheid en waarheid.
1CO 5:9 Ik had jullie eerder al geschreven om niet om te gaan met mensen die zich bezighouden met seksueel wangedrag.
1CO 5:10 Daarmee bedoel ik niet de mensen van de huidige wereld die zich bezighouden met seksueel wangedrag, of die begerig zijn naar wat anderen toebehoort, of die anderen oplichten of afgoden vereren, want dan zouden jullie uit de wereld moeten vertrekken.
1CO 5:11 Wat ik bedoel is dat jullie niet moeten omgaan met iemand die beweert een geloofsgenoot te zijn, maar die zich bezighoudt met seksueel wangedrag, begerigheid naar wat anderen toebehoort, afgoderij, laster, dronkenschap of oplichting. Met zo iemand moeten jullie zelfs niet samen eten.
1CO 5:12 Het is toch niet aan mij om over buitenstaanders te oordelen? Het zijn toch de mensen in jullie eigen midden over wie jullie moeten oordelen?
1CO 5:13 God zal over de buitenstaanders oordelen, maar jullie moeten uit je midden verwijderen wie slecht is.
1CO 6:1 Wanneer iemand van jullie een geschil heeft met een ander, hoe durf je het dan voor te leggen aan onrechtvaardige rechters in plaats van mensen die bij God horen?
1CO 6:2 Weten jullie niet dat zij die bij God horen over de wereld zullen oordelen? En als jullie over de wereld zullen oordelen, zijn jullie dan echt niet in staat om kleine geschillen op te lossen?
1CO 6:3 Weten jullie niet dat wij over engelen zullen oordelen? Dan moet het toch ook lukken met alledaagse zaken?
1CO 6:4 Als jullie dus geschillen over alledaagse zaken hebben, waarom leg je ze dan voor aan rechters die binnen de kerkgemeenschap geen aanzien genieten?
1CO 6:5 Jullie moesten je schamen! Is er dan onder jullie echt geen wijze persoon die in staat is om uitspraak te doen in een conflict tussen geloofsgenoten?
1CO 6:6 Maar nee, de ene christen spant een rechtszaak aan tegen de andere, en dat in het bijzijn van ongelovigen!
1CO 6:7 Alleen al het feit dat jullie rechtszaken tegen elkaar aanspannen is voor jullie een nederlaag. Zou het niet beter zijn om onrecht te lijden? Zou het niet beter zijn om benadeeld te worden?
1CO 6:8 Maar in plaats daarvan doen jullie mensen – die nog wel christen zijn – onrecht aan en benadelen jullie hen.
1CO 6:9 Weten jullie niet dat onrechtvaardige mensen geen deel krijgen aan Gods koninkrijk? Vergis je niet: mensen die zich bezighouden met seksueel wangedrag, afgoderij, overspel of homoseksuele handelingen,
1CO 6:10 of met diefstal, begerigheid naar wat anderen toebehoort, dronkenschap, laster of oplichting, krijgen geen deel aan Gods koninkrijk.
1CO 6:11 En zo was het met sommigen van jullie, maar jullie zijn schoongewassen, jullie zijn heilig gemaakt: jullie zijn met God in het reine gebracht door de macht van de Heer Jezus Christus en door de Geest van onze God.
1CO 6:12 ‘Voor mij is alles toegestaan’, zeg je. En dat is zo, maar niet alles is nuttig. Voor mij is alles toegestaan, maar ik laat mij door niets beheersen.
1CO 6:13 ‘Voedsel is er voor de maag’, zeg je, en de maag is er voor het voedsel, maar God zal aan beide een einde maken. Het lichaam is niet bedoeld voor seksueel wangedrag, maar voor de Heer. En de Heer geeft om het lichaam.
1CO 6:14 God heeft de Heer doen verrijzen en Hij zal ook ons doen verrijzen, door zijn kracht.
1CO 6:15 Weten jullie niet dat je lichaam deel uitmaakt van het lichaam van Christus? Zou ik dan delen van het lichaam van Christus gebruiken voor seks met een prostituee? Absoluut niet!
1CO 6:16 Weten jullie niet dat iemand die seks met een prostituee heeft, een lichamelijke eenheid met haar vormt? De Schrift zegt immers: “De twee zullen één lichaam vormen.”
1CO 6:17 Maar wie zich aan de Heer geeft, vormt met Hem een geestelijke eenheid.
1CO 6:18 Ga seksueel wangedrag dus uit de weg. Iedere andere zonde wordt gepleegd buiten het lichaam om, maar wie seksueel wangedrag pleegt, zondigt tegen zijn eigen lichaam.
1CO 6:19 Weten jullie niet dat je lichaam een tempel is – namelijk van de Heilige Geest die in je woont – en dat je die van God hebt gekregen? Je bent niet van jezelf,
1CO 6:20 je bent duur gekocht. Gebruik je lichaam dus om God te eren.
1CO 7:1 En dan nu over de zaken waarover jullie mij hebben geschreven. Het is inderdaad goed voor een mens om geen seks met een vrouw te hebben.
1CO 7:2 Maar om seksueel wangedrag te vermijden hoort elke man zijn eigen vrouw te hebben en elke vrouw haar eigen man.
1CO 7:3 De man moet zijn verplichting tegenover zijn vrouw vervullen, en omgekeerd ook de vrouw tegenover haar man.
1CO 7:4 De vrouw beschikt niet zelf over haar lichaam, maar haar man. En omgekeerd is het niet de man die over zijn lichaam beschikt, maar zijn vrouw.
1CO 7:5 Onthoud elkaar dit recht niet, tenzij met onderlinge toestemming en voor korte tijd, zodat jullie je aan het gebed kunnen wijden. Daarna behoren jullie weer bij elkaar te komen, om te vermijden dat Satan jullie in verleiding brengt door een gebrek aan zelfbeheersing.
1CO 7:6 Ik zeg dit om jullie tegemoet te komen. Het is geen bevel.
1CO 7:7 In feite zou ik willen dat iedereen was zoals ik. Ieder heeft echter zijn eigen gave van God gekregen, de een deze gave, de ander die.
1CO 7:8 Tot de ongehuwden en weduwen zeg ik dat het goed voor hen is als ze blijven zoals ik.
1CO 7:9 Maar als ze zich niet kunnen beheersen, kunnen ze beter trouwen, want het is beter om te trouwen dan in brand te staan.
1CO 7:10 Voor wie gehuwd is, heb ik het volgende bevel – niet ik, maar de Heer: een vrouw mag niet van haar man scheiden.
1CO 7:11 Als ze echter toch scheidt, moet ze ongehuwd blijven of zich met haar man verzoenen. En een man mag niet van zijn vrouw scheiden.
1CO 7:12 Tegen de overigen zeg ik – niet de Heer, maar ikzelf: als een christen een vrouw heeft die niet gelovig is en die ermee instemt bij hem te blijven, dan moet hij niet van haar scheiden.
1CO 7:13 En een vrouw die een ongelovige echtgenoot heeft die ermee instemt bij haar te blijven, moet niet van haar man scheiden.
1CO 7:14 De ongelovige man wordt namelijk, omwille van zijn gelovige vrouw, door God behandeld als iemand die bij Hem hoort en de ongelovige vrouw wordt, omwille van haar gelovige man, ook door God behandeld als iemand die bij Hem hoort. Anders zouden hun kinderen door God worden behandeld als kinderen van ongelovigen, maar nu worden ze door God behandeld als kinderen van mensen die bij Hem horen.
1CO 7:15 Indien de ongelovige huwelijkspartner echter wenst te scheiden, mag hij of zij van je scheiden en in dergelijke gevallen heb je als gelovige man of vrouw geen verplichtingen meer ten opzichte van die persoon. God heeft jullie geroepen om in vrede te leven.
1CO 7:16 Want als vrouw weet je niet of je man door jouw toedoen gered zal worden en als man weet je niet of je vrouw door jouw toedoen gered zal worden.
1CO 7:17 Verder moet ieder van ons het leven leiden dat de Heer je heeft toebedeeld, in de toestand waarin je door God bent geroepen. Dat is wat ik in alle kerkgemeenschappen voorschrijf.
1CO 7:18 Dus als iemand besneden was toen hij werd geroepen, hoeft hij het niet te laten verhelpen. En als iemand niet besneden was toen hij werd geroepen, hoeft hij zich niet te laten besnijden.
1CO 7:19 Besneden zijn is niet van belang en onbesneden zijn is ook niet van belang, maar wel dat we ons aan Gods geboden houden.
1CO 7:20 Laat iedereen blijven in de toestand waarin hij zich bevond toen hij werd geroepen.
1CO 7:21 Als je als slaaf bent geroepen, maak je daar dan niet druk over. Maar als je vrij kan komen, maak dan van die kans gebruik.
1CO 7:22 Want wie slaaf was toen de Heer hem riep om bij Hem te horen, is in Gods ogen een vrij mens. En wie vrij was toen hij werd geroepen, is slaaf van Christus.
1CO 7:23 Je bent duur gekocht; word dus geen slaaf van mensen.
1CO 7:24 Broeders en zusters, laat ieder dus voor God leven in de toestand waarin hij is geroepen.
1CO 7:25 Wat de ongehuwde jonge vrouwen betreft heb ik geen bevel van de Heer, maar ik geef mijn mening als iemand op wie je kan vertrouwen dankzij Gods genade.
1CO 7:26 Met het oog op de huidige nood denk ik dat het goed voor een mens is om ongehuwd te blijven.
1CO 7:27 Als je aan een vrouw beloofd hebt om met haar te trouwen, verbreek die belofte dan niet. Ben je niet getrouwd of verloofd? Ga dan niet op zoek naar een vrouw.
1CO 7:28 Maar als je wel trouwt, is dat geen zonde. En ook als een jonge vrouw trouwt, is dat geen zonde. Wie trouwt, zal echter wel moeilijkheden hebben in dit leven, en dat wil ik jullie besparen.
1CO 7:29 Maar ik zeg het volgende, broeders en zusters: er rest ons weinig tijd. Zij die een vrouw hebben, behoren vanaf nu te leven alsof ze er geen hebben.
1CO 7:30 Zij die bedroefd zijn, behoren te leven alsof ze niet bedroefd zijn. Zij die verheugd zijn, behoren te leven alsof ze niet verheugd zijn. Zij die iets kopen, behoren te leven alsof ze het niet kunnen houden.
1CO 7:31 Zij die omgaan met de dingen van de wereld, behoren te zorgen dat het hen niet volledig in beslag neemt, want de wereld in haar huidige vorm zal verdwijnen.
1CO 7:32 Ik zou willen dat jullie zonder zorgen kunnen leven. Een ongehuwde man houdt zich bezig met de dingen van de Heer, hoe hij de Heer blij kan maken.
1CO 7:33 Maar een gehuwde man houdt zich bezig met de dingen van de wereld, hoe hij zijn vrouw blij kan maken.
1CO 7:34 Hij wordt dus naar twee kanten getrokken. De ongehuwde vrouw en het jonge meisje houden zich bezig met de dingen van de Heer; ze willen met heel hun lichaam en geest aan Hem toegewijd zijn. Maar een getrouwde vrouw houdt zich bezig met de dingen van de wereld, hoe ze haar man blij kan maken.
1CO 7:35 Ik zeg dit voor jullie eigen bestwil; niet om jullie aan de ketting te leggen, maar opdat jullie een eerbaar leven kunnen leiden, in volkomen toewijding aan de Heer.
1CO 7:36 Als iemand echter denkt dat hij zich niet eerbaar gedraagt ten opzichte van zijn verloofde en hij moeite heeft om zijn verlangens in toom te houden, en als hij vindt dat hij met haar moet trouwen, laat hij dan doen wat hij wenst. Het is geen zonde, ze mogen trouwen.
1CO 7:37 Maar wie vastbesloten is, zichzelf in toom kan houden en zijn seksuele verlangens kan beheersen – wie dus vastbesloten is om niet met zijn verloofde te trouwen – doet daar goed aan.
1CO 7:38 Dus wie met zijn verloofde trouwt, doet daar goed aan en wie niet trouwt, doet nog beter.
1CO 7:39 Een vrouw is aan haar man gebonden zo lang hij leeft, maar als de man sterft, is ze vrij om te trouwen met wie ze wil, op voorwaarde dat die persoon christen is.
1CO 7:40 Naar mijn mening is ze echter gelukkiger als ze ongehuwd blijft, en ik denk dat ik ook Gods Geest heb.
1CO 8:1 En dan nu over voedsel dat aan afgoden gewijd is. Zoals wij weten beschikken wij allen over kennis. Maar kennis maakt verwaand; de liefde daarentegen bouwt op.
1CO 8:2 Als iemand meent dat hij iets weet, dan weet hij nog niet zoals hij behoort te weten.
1CO 8:3 Maar als iemand God liefheeft, dan kent God hem.
1CO 8:4 Dus wat het voedsel betreft dat aan afgoden gewijd is: wij weten dat geen enkele afgod in de wereld werkelijk bestaat en dat er maar één God is.
1CO 8:5 Want zelfs als er zogenaamde goden zijn, in de hemel of op aarde – en er zijn veel van die “goden” en “machten” –
1CO 8:6 wij weten dat er slechts één God is – de Vader dankzij Wie alles bestaat en voor Wie wij leven – en één machtige Heer – Jezus Christus, door Wie alles bestaat en door Wie wij leven.
1CO 8:7 Maar niet iedereen beseft dit. Sommige mensen zijn nog zo aan afgoden gewend, dat hun geweten – dat overgevoelig is – verontreinigd raakt wanneer zij voedsel eten dat aan een afgod gewijd is.
1CO 8:8 Voedsel brengt ons echter niet dichter bij God. We zijn niet slechter af wanneer we iets niet eten en niet beter wanneer we het wel eten.
1CO 8:9 Maar pas op dat je geen struikelblok voor de zwakkere persoon vormt door van je rechten gebruik te maken.
1CO 8:10 Want als iemand jou, die dat allemaal beseft, in een afgodentempel ziet eten, dan wordt de persoon met een overgevoelig geweten toch aangezet om voedsel te eten dat aan afgoden is gewijd?
1CO 8:11 Dan wordt deze zwakkere broeder of zuster, voor wie Christus gestorven is, te gronde gericht door jouw kennis.
1CO 8:12 Door zo tegen je geloofsgenoten te zondigen en hun geweten te kwetsen wanneer dat overgevoelig is, zondig je tegen Christus.
1CO 8:13 Dus als hetgeen ik eet mijn geloofsgenoot doet struikelen, dan zal ik nooit meer vlees eten, om te voorkomen dat ik mijn geloofsgenoot doe struikelen.
1CO 9:1 Ik ben toch vrij? Ik ben toch apostel? Ik heb Jezus, onze Heer, toch gezien? Jullie zijn toch het resultaat van het werk dat de Heer door mij doet?
1CO 9:2 Zelfs als ik voor anderen geen apostel ben, dan ben ik het wel voor jullie! Het feit dat jullie bij de Heer horen, is immers het bewijs dat ik een apostel ben.
1CO 9:3 Mijn antwoord aan wie mij om verantwoording vraagt, is als volgt.
1CO 9:4 Wij hebben toch het recht om te eten en te drinken?
1CO 9:5 En wij hebben toch het recht om een gelovige echtgenote met ons mee te nemen, net zoals de andere apostelen en de broers van de Heer, en ook Kefas?
1CO 9:6 Of moeten Barnabas en ik als enigen zelf in ons onderhoud voorzien?
1CO 9:7 Wie zou ooit op eigen kosten als soldaat dienstdoen? Wie zou een wijngaard aanplanten zonder van de opbrengst te eten? En wie zou een kudde hoeden zonder van de melk te drinken?
1CO 9:8 Dit is niet een louter menselijk argument, de wet zegt het toch ook?
1CO 9:9 Immers, in de Wet van Mozes staat: “Een dorsende os mag je niet muilkorven.” Heeft God hier werkelijk de os op het oog?
1CO 9:10 Of zegt Hij dit omwille van ons? Natuurlijk staat dit er omwille van ons, want wie ploegt en wie dorst, mag toch verwachten om zijn aandeel te krijgen!
1CO 9:11 Als wij bij jullie geestelijk zaad hebben gezaaid, is het dan te veel gevraagd dat wij een materiële oogst van jullie ontvangen?
1CO 9:12 Als anderen dit recht ten aanzien van jullie hebben, dan wij toch des te meer? Wij hebben echter niet van dit recht gebruikgemaakt. Integendeel, we verdragen alles, om te voorkomen dat we het evangelie van Christus belemmeren.
1CO 9:13 Weten jullie niet dat zij die in de tempel dienstdoen, eten van hetgeen in de tempel is, en dat zij die altaardiensten verrichten, een deel krijgen van wat er geofferd wordt?
1CO 9:14 Op dezelfde manier heeft de Heer opgedragen dat zij die het evangelie verkondigen, van die verkondiging mogen leven.
1CO 9:15 Ik heb echter van geen van deze rechten gebruikgemaakt en ik schrijf dit niet om ze nu wél op te eisen. Ik zou liever sterven dan toelaten dat iemand mij die verdienste ontneemt.
1CO 9:16 Want het feit dat ik het evangelie verkondig is niet iets om fier op te zijn. Ik kan namelijk niet anders. Wee mij als ik het evangelie niet verkondig!
1CO 9:17 En als ik dit doe uit vrije wil, heb ik mijn beloning al. Ik doe het echter niet uit vrije wil, maar omdat deze taak aan mij is opgelegd.
1CO 9:18 Wat is dan mijn beloning? Dat ik bij de uitoefening van mijn taak als evangelist het evangelie gratis aanbied en ik dus mijn recht als evangelist niet opeis.
1CO 9:19 Hoewel ik niemand iets verplicht ben, heb ik mijzelf ten dienste van alle mensen gesteld om zoveel mogelijk van hen te winnen.
1CO 9:20 Voor de Joden ben ik als een Jood geworden, om Joden te winnen. Voor wie de Wet naleven, leef ik de Wet na – hoewel ik niet verplicht ben de Wet na te leven – om hen te winnen die de Wet naleven.
1CO 9:21 Voor wie zonder de Wet leeft, ben ik geworden als zonder de Wet – hoewel ik niet zonder Gods wet leef maar me onder de wet van Christus heb gesteld – om te winnen wie zonder de Wet leeft.
1CO 9:22 Voor de zwakken ben ik als een zwakke geworden, om de zwakken te winnen. Voor allen ben ik alles geworden om op iedere mogelijke wijze enigen te kunnen redden.
1CO 9:23 Ik doe dit alles omwille van het evangelie, om te kunnen delen in de opbrengst.
1CO 9:24 Weten jullie niet dat in een hardloopwedstrijd alle deelnemers lopen, maar dat slechts één van hen de prijs krijgt? Loop dus zo dat je kan winnen.
1CO 9:25 Elke atleet beheerst zich in alles. Atleten doen dat om een vergankelijke, maar wij om een onvergankelijke erekrans te ontvangen.
1CO 9:26 Ik loop dus niet als iemand die geen doel heeft, ik boks niet als iemand die in de lucht slaat.
1CO 9:27 Integendeel, ik beul mijn lichaam af en houd het in bedwang, om te voorkomen dat ik zelf word gediskwalificeerd nadat ik anderen het evangelie gebracht heb.
1CO 10:1 Jullie moeten weten, broeders en zusters, dat onze voorouders allen onder de wolk leefden en allen door de zee trokken,
1CO 10:2 en dat ze door hun doop in de wolk en in de zee allen bij Mozes hoorden.
1CO 10:3 Ze aten allen het voedsel dat hun op bovennatuurlijke wijze werd gegeven,
1CO 10:4 en dronken allen het water dat hun op bovennatuurlijke wijze werd gegeven. Ze dronken namelijk uit een door de hemel gegeven rots die met hen meekwam, en die rots was Christus.
1CO 10:5 Toch was God over de meesten van hen niet tevreden, en zij zijn omgekomen in de wildernis.
1CO 10:6 Deze gebeurtenissen vonden plaats als een voorbeeld voor ons, opdat wij niet zoals zij naar het kwaad zouden verlangen.
1CO 10:7 Houd je dus niet bezig met afgoderij, zoals sommigen van hen deden. In de Schriften staat immers: “De mensen gingen zitten om te eten en te drinken en ze stonden op om te dansen.”
1CO 10:8 Laten we ons ook niet bezighouden met seksueel wangedrag, zoals sommigen van hen deden – en op één dag vielen er 23.000 doden.
1CO 10:9 Laten we bovendien Christus niet op de proef stellen, zoals sommigen van hen deden – en zij werden door slangen doodgebeten.
1CO 10:10 Mopper niet, zoals sommigen van hen deden – en zij werden omgebracht door de engel die de dood brengt.
1CO 10:11 Deze gebeurtenissen vonden plaats als een voorbeeld voor hen, en ze werden opgetekend als een les voor ons, voor wie het einde van de tijd is aangebroken.
1CO 10:12 Wie denkt dat hij sterk staat, moet oppassen dat hij niet ten val komt.
1CO 10:13 De beproeving die jullie ondergaan, is niet bovenmenselijk. God is trouw; Hij zal niet toelaten dat jullie boven je krachten worden beproefd. Hij zal bij de beproeving ook in een oplossing voorzien, zodat jullie haar zullen kunnen doorstaan.
1CO 10:14 Daarom, mijn beste vrienden, houd je verre van afgoderij.
1CO 10:15 Ik spreek tot verstandige mensen; beoordelen jullie zelf maar wat ik zeg.
1CO 10:16 Wanneer we drinken uit de beker waarvoor we God danken, vieren we dan niet gezamenlijk dat Christus' bloed voor ons vergoten is? En wanneer we het brood breken, gedenken we dan niet gezamenlijk dat Christus zijn leven voor ons gaf?
1CO 10:17 Wij zijn met velen, maar er is één brood en wanneer we samen dat ene brood delen, vormen we samen één lichaam.
1CO 10:18 Kijk eens naar het volk Israël. Het is toch zo dat zij die van de offers eten, daardoor deelnemen aan de offerdienst?
1CO 10:19 Wat bedoel ik daarmee? Dat het voedsel dat aan afgoden gewijd is, van betekenis is, of dat een afgod van betekenis is?
1CO 10:20 Nee, ik bedoel dat hetgeen geofferd wordt aan demonen geofferd wordt en niet aan God. Ik wil niet dat jullie deel krijgen aan demonen.
1CO 10:21 Je kan niet drinken uit zowel de beker van de Heer als de beker van demonen en je kan niet deelnemen aan zowel de maaltijd van de Heer als de maaltijd van demonen.
1CO 10:22 Willen we de Heer misschien jaloers maken? Zijn wij misschien sterker dan Hij?
1CO 10:23 ‘Alles is toegestaan’, zeg je. Dat is zo, maar niet alles is nuttig. Alles is toegestaan, maar niet alles is opbouwend.
1CO 10:24 Laat niemand zijn eigen belang vooropstellen; geef voorrang aan het belang van je naaste.
1CO 10:25 Jullie mogen eten van alle vlees dat op de vleesmarkt verkocht wordt, zonder gewetensvragen te stellen.
1CO 10:26 Immers, “De aarde en alles wat zij bevat is van de Heer.”
1CO 10:27 Als een ongelovige je uitnodigt voor een maaltijd en je besluit ernaartoe te gaan, eet dan alles wat je wordt voorgezet, zonder gewetensvragen te stellen.
1CO 10:28 Maar als iemand tegen je zegt: “Dit vlees is aan afgoden gewijd”, eet het dan niet, omwille van de persoon die je op de hoogte heeft gesteld en omwille van het geweten.
1CO 10:29 Ik bedoel niet jouw eigen geweten, maar dat van de ander. Want waarom zou ik mijn vrijheid laten beperken door het oordeel van andermans geweten?
1CO 10:30 Als ik dankbaar aan de maaltijd deelneem, waarom zou ik mij dan laten bekritiseren omwille van iets waarvoor ik God dank?
1CO 10:31 Of je dus eet en drinkt of iets anders doet, doe het alles tot eer van God.
1CO 10:32 Geef geen aanstoot – niet aan Joden, niet aan Grieken, en niet aan Gods kerk.
1CO 10:33 Trouwens, ik probeer ook iedereen in alles ter wille te zijn. Ik streef niet naar mijn eigen voordeel maar naar dat van de velen, opdat zij gered mogen worden.
1CO 11:1 Volg mijn voorbeeld, zoals ik het voorbeeld van Christus volg.
1CO 11:2 Ik prijs het in jullie, dat jullie in alles aan mij denken en dat jullie vasthouden aan het onderwijs dat ik heb ontvangen en aan jullie heb doorgegeven.
1CO 11:3 Maar ik wil ook dat jullie beseffen dat Christus het hoofd van elke man is, de man het hoofd van de vrouw, en God het hoofd van Christus.
1CO 11:4 Iedere man die met een bedekt hoofd bidt of profeteert, maakt zijn hoofd te schande.
1CO 11:5 En iedere vrouw die met een onbedekt hoofd bidt of profeteert, maakt haar hoofd te schande, want daarmee stelt ze zichzelf gelijk aan een kaalgeschoren vrouw.
1CO 11:6 Als een vrouw haar hoofd niet bedekt, kan ze net zo goed haar haar laten afscheren. Maar gezien het schandelijk voor een vrouw is om haar haar kort te knippen of haar hoofd kaal te scheren, moet ze haar hoofd bedekken.
1CO 11:7 Een man hoort zijn hoofd niet te bedekken, want hij weerspiegelt Gods luister, terwijl de vrouw de luister van haar man is.
1CO 11:8 (De man kwam immers niet uit de vrouw voort, maar de vrouw uit de man.
1CO 11:9 En ook werd de man niet geschapen ten behoeve van de vrouw, maar de vrouw werd geschapen ten behoeve van de man.)
1CO 11:10 Het is daarom dat de vrouw een teken van gezag op haar hoofd moet dragen, omwille van de engelen.
1CO 11:11 Hoe dan ook, bij de Heer bestaat de vrouw niet zonder de man en de man niet zonder de vrouw.
1CO 11:12 Want zoals de vrouw uit de man voortkwam, bestaat de man dankzij de vrouw. En alles bestaat dankzij God.
1CO 11:13 Oordelen jullie zelf maar: is het gepast voor een vrouw om met onbedekt hoofd tot God te bidden?
1CO 11:14 Leert de natuur zelf niet aan jullie dat het een schande voor een man is als hij lang haar heeft?
1CO 11:15 En dat het een vrouw siert wanneer zij lang haar heeft? Het lange haar is haar gegeven om haar hoofd te bedekken.
1CO 11:16 Maar als iemand hier wil tegenin gaan, mag hij weten dat wij – en de kerkgemeenschappen van God in het algemeen – deze gewoonte niet hebben.
1CO 11:17 Bij mijn volgende instructie prijs ik jullie niet, want jullie bijeenkomsten doen meer kwaad dan goed.
1CO 11:18 Vooreerst hoor ik dat wanneer jullie bijeenkomen, er verdeeldheid onder jullie heerst. En voor een deel geloof ik dat.
1CO 11:19 Er moeten wel verschillende partijen bij jullie zijn, zodat duidelijk kan worden wie van jullie Gods goedkeuring wegdragen.
1CO 11:20 Want wanneer jullie bijeenkomen, gebeurt dat niet om de maaltijd van de Heer te vieren.
1CO 11:21 Bij jullie maaltijden beginnen sommigen namelijk al te eten voordat de anderen er zijn, waardoor sommigen hongerlijden en anderen dronken worden.
1CO 11:22 Hebben jullie soms geen huis waar je kan eten en drinken? Of heb je geen respect voor Gods kerk, dat je de mensen vernedert die niets hebben? Wat zal ik tegen jullie zeggen? Zal ik jullie prijzen? Op dit punt prijs ik jullie absoluut niet.
1CO 11:23 Ik heb namelijk van de Heer geleerd, en vervolgens aan jullie doorgegeven, dat de Heer Jezus in de nacht waarin Hij werd overgeleverd een brood nam,
1CO 11:24 het dankgebed uitsprak, het brood in stukken brak, en zei: “Dit is mijn lichaam, dit is voor jullie. Doe dit om Mij te gedenken.”
1CO 11:25 Op dezelfde wijze nam Hij na de maaltijd de beker en zei Hij: “Deze beker is het nieuwe verbond, dat door middel van mijn bloed wordt gesloten. Doe dit iedere keer dat jullie drinken, om Mij te gedenken.”
1CO 11:26 Iedere keer dat jullie van dit brood eten en uit de beker drinken, verkondigen jullie dus de dood van de Heer, totdat Hij komt.
1CO 11:27 Wie op onwaardige wijze van het brood eet of van de beker van de Heer drinkt, maakt zich daarom schuldig tegenover het lichaam en het bloed van de Heer.
1CO 11:28 Laat ieder zichzelf onderzoeken voordat hij van het brood eet en uit de beker drinkt.
1CO 11:29 Want wie eet en drinkt zonder in te zien dat het om het lichaam van de Heer gaat, velt zijn eigen vonnis door te eten en te drinken.
1CO 11:30 Het is daarom dat zovelen van jullie verzwakt en ziek zijn en dat sommigen zelfs zijn gestorven.
1CO 11:31 Maar als we eerst onszelf beoordelen, worden we niet veroordeeld.
1CO 11:32 En als de Heer zijn oordeel over ons velt, is dat om ons op de rechte weg te brengen en te voorkomen dat we uiteindelijk samen met de wereld worden veroordeeld.
1CO 11:33 Daarom, mijn broeders en zusters, wanneer jullie samen eten, wacht dan op elkaar.
1CO 11:34 Als iemand honger heeft, moet hij eerst thuis iets eten, anders leiden jullie bijeenkomsten tot veroordeling. De overige zaken zal ik regelen wanneer ik kom.
1CO 12:1 Wat de gaven van de Heilige Geest betreft, broeders en zusters, wil ik dat jullie goed op de hoogte zijn.
1CO 12:2 Jullie weten dat toen jullie nog niet christen waren, jullie werden aangetrokken en misleid door afgoden die niet eens kunnen spreken.
1CO 12:3 Daarom maak ik jullie bekend dat niemand die onder leiding van Gods Geest spreekt, Jezus vervloekt, en dat niemand in staat is om “Jezus is Heer” te zeggen, tenzij onder de leiding van de Heilige Geest.
1CO 12:4 Er zijn allerlei verschillende gaven, maar ze komen van dezelfde Geest.
1CO 12:5 Ook zijn er allerlei verschillende vormen van dienstverlening, en ook die komen van dezelfde Heer.
1CO 12:6 En er zijn allerlei verschillende activiteiten, maar ze komen van dezelfde God; Hij werkt door dat alles en door hen allen.
1CO 12:7 Aan iedereen wordt iets gegeven waarin het werk van de Geest zichtbaar is en waardoor wij allen worden opgebouwd.
1CO 12:8 Aan de een is het gegeven om, door toedoen van de Geest, wijze woorden te spreken, aan de ander om, door toedoen van dezelfde Geest, kennis door te geven.
1CO 12:9 Aan weer een ander geloof door dezelfde Geest, aan nog een ander gaven van genezing door die ene Geest.
1CO 12:10 Aan de een het doen van wonderen, aan de ander profetie, aan een derde het onderscheiden van geesten, aan een vierde verschillende soorten tongentaal en aan nog een ander de vertaling van tongentaal.
1CO 12:11 Al deze gaven zijn het werk van een en dezelfde Geest, en Hij deelt ze aan ieder afzonderlijk uit zoals Hij wil.
1CO 12:12 Het lichaam vormt één geheel en bestaat uit vele delen, maar al die delen van het lichaam vormen tezamen een eenheid. Zo is het ook met Christus.
1CO 12:13 Wij allen zijn ondergedompeld in één Geest en vormen zo één lichaam, dat doordrenkt is van de Geest, of we nu Jood of Griek zijn, slaaf of vrij mens.
1CO 12:14 Toch bestaat het lichaam niet uit één maar veel verschillende delen.
1CO 12:15 Als de voet zou zeggen: ‘Omdat ik geen hand ben, hoor ik niet bij het lichaam’, hoort hij dan werkelijk niet meer bij het lichaam?
1CO 12:16 En als het oor zou zeggen: ‘Omdat ik geen oog ben, hoor ik niet bij het lichaam’, hoort het dan werkelijk niet meer bij het lichaam?
1CO 12:17 Als het hele lichaam oog zou zijn, hoe zou het dan kunnen horen? Of ruiken als het hele lichaam oor zou zijn?
1CO 12:18 In feite heeft God elk van de lichaamsdelen in het lichaam geplaatst zoals Hij wilde.
1CO 12:19 Als ze allemaal hetzelfde lichaamsdeel zouden zijn, hoe zouden ze dan een lichaam kunnen vormen?
1CO 12:20 Maar in feite zijn er veel verschillende lichaamsdelen en één lichaam.
1CO 12:21 Het oog kan niet tegen de hand zeggen: ‘Jou heb ik niet nodig’. Ook kan het hoofd niet tegen de voeten zeggen: ‘Jullie heb ik niet nodig’.
1CO 12:22 Integendeel, de delen die zwak lijken, zijn noodzakelijk.
1CO 12:23 De lichaamsdelen die we als minder eervol beschouwen, bekleden we op eervolle wijze, en de delen die we liever niet tonen, behandelen we met meer discretie,
1CO 12:24 terwijl de delen die we wel willen tonen dat niet nodig hebben. God heeft het lichaam zodanig samengesteld dat de delen die als minder eervol worden beschouwd, meer eer krijgen,
1CO 12:25 opdat er geen onenigheid in het lichaam zou zijn, maar alle delen in gelijke mate voor elkaar zouden zorgen.
1CO 12:26 Wanneer één lichaamsdeel lijdt, lijden alle andere delen mee, en als één lichaamsdeel eer ontvangt, verheugen alle andere delen zich daarover.
1CO 12:27 Jullie zijn het lichaam van Christus en elk van jullie is een lichaamsdeel.
1CO 12:28 God heeft ten eerste apostelen in de kerk geplaatst, ten tweede profeten, ten derde leraars, vervolgens de gave om wonderen te doen, dan gaven van genezing, hulpverlening, leiderschap, en allerlei soorten tongentaal.
1CO 12:29 We zijn toch niet allen apostel? We zijn toch niet allen profeet? We zijn toch niet allen leraar? We doen toch niet allen wonderen?
1CO 12:30 We hebben toch niet allen de gave om te genezen? We spreken toch niet allen in tongentaal? En we vertalen toch niet allen wat in tongentaal wordt gezegd?
1CO 12:31 Ambieer de belangrijkste gaven. Maar ik zal jullie een weg wijzen die dat alles overtreft.
1CO 13:1 Als ik spreek in de talen van mensen en van engelen, maar geen liefde heb, dan ben ik slechts een luide gong of een schallend cimbaal.
1CO 13:2 En als ik de gave van profetie heb, als ik alle geheimen kan doorgronden en over alle kennis beschik en als ik alle geloof heb zodat ik zelfs bergen kan verplaatsen, maar geen liefde heb, dan ben ik niet van tel.
1CO 13:3 Als ik al mijn bezittingen aan de armen geef en mijn lichaam prijsgeef om te worden verbrand, maar geen liefde heb, dan baat mij dat niet.
1CO 13:4 Liefde is geduldig, liefde is vriendelijk, niet afgunstig, ze pocht niet en is niet verwaand.
1CO 13:5 Liefde doet anderen geen kwaad, is niet egoïstisch, raakt niet snel geïrriteerd, en koestert geen wrok.
1CO 13:6 Ze verheugt zich niet over onrecht, maar is blij met de waarheid.
1CO 13:7 Ze verdraagt alles, is altijd vol geloof en vertrouwen en volhardt in alles.
1CO 13:8 Liefde faalt nooit, terwijl profetieën zullen verdwijnen, tongentaal zal stilvallen en kennis zal vergaan.
1CO 13:9 Onze kennis is onvolkomen, en onze profetieën zijn onvolkomen,
1CO 13:10 maar wanneer het volmaakte komt, wordt hetgeen onvolkomen is terzijde gesteld.
1CO 13:11 Toen ik een kind was, praatte ik als een kind, dacht ik als een kind en redeneerde ik als een kind, maar toen ik volwassen werd, gaf ik het kinderlijke op.
1CO 13:12 Nu kijken we immers nog in een wazige spiegel, maar dan zullen we persoonlijk kennen. Nu is mijn kennis onvolkomen, maar dan zal ik volkomen begrijpen zoals ik nu reeds volkomen word begrepen.
1CO 13:13 Wat blijft bestaan, zijn geloof, hoop en liefde – deze drie – en de grootste daarvan is de liefde.
1CO 14:1 Streef naar liefde en ambieer de gaven die de Geest geeft, in het bijzonder de gave van profetie.
1CO 14:2 Want wie in tongentaal spreekt, spreekt niet tot de mensen maar tot God. Niemand verstaat hem, en wat hij door toedoen van de Geest zegt, is een mysterie.
1CO 14:3 Maar wie profeteert, spreekt tot mensen, om hen op te bouwen, te bemoedigen en te troosten.
1CO 14:4 Wie in tongentaal spreekt, bouwt zichzelf op, maar wie profeteert, bouwt de kerkgemeenschap op.
1CO 14:5 Ik zou willen dat jullie allen in tongentaal spreken, maar nog liever dat jullie profeteren. Want wie profeteert, overtreft degene die in tongentaal spreekt, tenzij die laatste het vertaalt en de kerkgemeenschap wordt opgebouwd.
1CO 14:6 Nu, broeders en zusters, als ik bij jullie kom en in tongentaal spreek, wat hebben jullie daar dan aan, tenzij ik jullie ook toespreek met een openbaring, kennis, een profetie, of onderwijs?
1CO 14:7 Het is als bij levenloze voorwerpen die geluid voortbrengen, zoals een fluit of een harp. Als ze geen duidelijke tonen voortbrengen, hoe kan men dan weten welk lied er wordt gespeeld?
1CO 14:8 En als een trompet een onduidelijk signaal voortbrengt, wie zal zich dan klaarmaken voor de strijd?
1CO 14:9 Zo is het ook met jullie: als hetgeen je in tongentaal zegt geen begrijpelijke boodschap vormt, kan men toch niet weten wat er wordt gezegd? Dan verwaaien je woorden.
1CO 14:10 Er zijn ongetwijfeld allerlei soorten talen in de wereld en geen ervan is zonder betekenis.
1CO 14:11 Maar als ik niet versta wat er wordt gezegd, ben ik een vreemde voor degene die het zegt en is hij een vreemde voor mij.
1CO 14:12 Zo is het ook met jullie. Jullie ambiëren de gaven van de Geest; ambieer dan de gaven waardoor de kerkgemeenschap wordt opgebouwd.
1CO 14:13 Wie in tongentaal spreekt, behoort daarom te bidden dat hij het mag vertalen.
1CO 14:14 Want als ik in tongentaal bid, bidt mijn geest wel, maar is mijn verstand niet productief bezig.
1CO 14:15 Wat behoor ik dus te doen? Ik zal bidden met mijn geest, maar ik zal ook bidden met mijn verstand. Ik zal zingen met mijn geest, maar ik zal ook zingen met mijn verstand.
1CO 14:16 Hoe anders zou iemand die het net als de buitenstaanders niet verstaat, ‘amen’ kunnen zeggen wanneer je God prijst met gebruik van je geest? Hij weet immers niet wat je zegt.
1CO 14:17 Het is dan wel mooi dat je God dankt, maar de ander wordt er niet door opgebouwd.
1CO 14:18 Ik dank God dat ik nog meer dan jullie allen in tongentaal spreek.
1CO 14:19 In de samenkomst van de kerkgemeenschap spreek ik echter liever vijf begrijpelijke woorden om anderen te onderrichten, dan tienduizend woorden in tongentaal.
1CO 14:20 Broeders en zusters, wees niet onvolwassen in je denken, maar wees onervaren in het kwaad en volwassen in je denken.
1CO 14:21 In de Wet staat: “Ik zal tot dit volk spreken via mensen die vreemde talen spreken en via de lippen van vreemdelingen, en zelfs dan zullen ze niet naar Mij luisteren, zegt de Heer.”
1CO 14:22 Het spreken in tongentaal is dus een teken dat niet bedoeld is voor de gelovigen, maar voor de ongelovigen, terwijl een profetie niet bedoeld is voor ongelovigen maar voor gelovigen.
1CO 14:23 Wanneer de hele kerkgemeenschap bijeenkomt en iedereen in tongentaal spreekt en wanneer er dan buitenstaanders of ongelovigen binnenkomen, zullen ze dan niet zeggen dat jullie je verstand kwijt zijn?
1CO 14:24 Maar wanneer allen profeteren en er een ongelovige of buitenstaander binnenkomt, zal hij door hen allen aangesproken en overtuigd worden.
1CO 14:25 De geheimen in zijn hart zullen blootgelegd worden en daarom zal hij in aanbidding voor God neervallen en uitroepen: ‘God is werkelijk bij jullie!’
1CO 14:26 Hoe zit het dan, broeders en zusters? Wanneer jullie bijeenkomen, heeft ieder iets: een psalm, onderwijs, een openbaring, tongentaal, of de vertaling daarvan. Dat alles moet opbouwend zijn.
1CO 14:27 Laat twee of hooguit drie mensen in tongentaal spreken, en om beurten. Ook moet iemand het vertalen.
1CO 14:28 Als er niemand is om het te vertalen, moet de persoon zich stil houden in de samenkomst en in tongentaal spreken wanneer hij met God alleen is.
1CO 14:29 Er mogen twee of drie mensen spreken die de gave van profetie hebben; dan moeten de overigen het zorgvuldig beoordelen.
1CO 14:30 En als een andere aanwezige een openbaring ontvangt, moet de persoon die aan het woord is zich stil houden.
1CO 14:31 Jullie kunnen allen om beurten profeteren; dan kan iedereen leren en bemoedigd worden.
1CO 14:32 De profeten houden zichzelf in de hand,
1CO 14:33 want God is geen God van wanorde, maar van vrede. En zoals in alle samenkomsten van de christenen,
1CO 14:34 moeten de vrouwen zich stil houden in de samenkomst. Ze mogen niet kwebbelen, maar moeten zich schikken, zoals ook in de Wet staat.
1CO 14:35 En als ze iets te weten willen komen, moeten ze dat thuis aan hun echtgenoot vragen, want het hoort niet dat een vrouw praat in de samenkomst van de kerkgemeenschap.
1CO 14:36 Of is de boodschap van God soms van jullie uitgegaan? Of heeft het enkel jullie bereikt?
1CO 14:37 Wie meent dat hij een profeet of een geestelijk persoon is, zou moeten erkennen dat hetgeen ik jullie schrijf een gebod van de Heer is.
1CO 14:38 En als die persoon dat niet erkent, negeer hem dan.
1CO 14:39 Dus, broeders en zusters, ambieer de gave van profetie en verbied het spreken in tongentaal niet.
1CO 14:40 Maar alles moet gebeuren op een eerzame en ordelijke wijze.
1CO 15:1 Nu wil ik jullie het evangelie in herinnering brengen, broeders en zusters, dat ik jullie verkondigd heb en dat jullie hebben aanvaard. Jullie baseren je leven erop,
1CO 15:2 en worden erdoor gered als jullie vasthouden aan de boodschap die ik jullie heb verkondigd. Want anders zijn jullie tevergeefs tot geloof gekomen.
1CO 15:3 Want wat ik aan jullie heb doorgegeven – en zelf ook heb ontvangen – is vooreerst dit: Christus is gestorven voor onze zonden, zoals in de Schriften staat,
1CO 15:4 en Hij is begraven en op de derde dag opgewekt, zoals in de Schriften staat.
1CO 15:5 Hij werd gezien door Kefas, en daarna door de Twaalf.
1CO 15:6 Vervolgens werd Hij gezien door meer dan vijfhonderd van onze geloofsgenoten tegelijk. De meesten van hen leven nog, maar sommigen zijn overleden.
1CO 15:7 Daarna werd Hij gezien door Jakobus en vervolgens door alle apostelen.
1CO 15:8 Het laatst van al heb ook ik, mislukkeling als ik was, Hem gezien.
1CO 15:9 Ik ben immers de minste van de apostelen. Ik ben het zelfs niet waard om apostel te worden genoemd, want ik heb Gods kerk vervolgd.
1CO 15:10 Maar door Gods genade ben ik geworden wat ik ben, en zijn genade voor mij is niet zonder uitwerking geweest. Ik heb namelijk harder gezwoegd dan alle andere apostelen, hoewel ik het niet zelf was, maar Gods genade die mij bijstaat.
1CO 15:11 Dit is wat wij verkondigen en dit is wat jullie geloven, of jullie het nu van mij hebben of van een ander.
1CO 15:12 Maar als over Christus wordt verkondigd dat Hij uit de dood is opgewekt, hoe kunnen sommigen van jullie dan beweren dat er geen verrijzenis uit de dood is?
1CO 15:13 Want als er geen verrijzenis uit de dood is, dan is Christus ook niet opgewekt.
1CO 15:14 En als Christus niet is opgewekt, heeft het geen zin dat wij het evangelie verkondigen en ook niet dat jullie geloven.
1CO 15:15 Bovendien zouden wij dan een valse getuigenis over God hebben gegeven, want wij hebben over God getuigd dat Hij Christus heeft opgewekt. Maar God heeft dat niet gedaan als er geen doden opgewekt worden.
1CO 15:16 Immers, als de doden niet worden opgewekt, is ook Christus niet opgewekt.
1CO 15:17 En als Christus niet is opgewekt, is jullie geloof zinloos en zijn jullie nog altijd zondaars.
1CO 15:18 Bovendien zijn de overleden christenen dan ook verloren.
1CO 15:19 Indien de hoop die wij hebben omdat wij bij Christus horen enkel voor dit leven geldt, zijn wij van alle mensen het meest beklagenswaardig.
1CO 15:20 Maar Christus is wel degelijk uit de dood opgewekt, als voorloper van degenen die zijn overleden.
1CO 15:21 Want zoals het door een mens is gekomen dat de dood bestaat, zo is het ook door een Mens gekomen dat de verrijzenis van de doden bestaat.
1CO 15:22 En zoals alle mensen sterven omwille van Adam, zo zullen alle mensen ook levend worden gemaakt omwille van Christus.
1CO 15:23 Maar ieder op zijn beurt: Christus als eerste, en vervolgens, wanneer Hij komt, zij die Christus toebehoren.
1CO 15:24 Daarna komt het einde, het punt waarop Hij de heerschappij aan God de Vader overdraagt, zodra Hij iedere andere heerser, autoriteit en macht heeft uitgeschakeld.
1CO 15:25 Christus moet namelijk regeren totdat God alle vijanden aan Hem heeft onderworpen.
1CO 15:26 De laatste vijand die zal worden uitgeschakeld is de dood.
1CO 15:27 Immers, “God heeft alles onder zijn gezag gesteld”. En als er staat dat alles onder zijn gezag is gesteld, dan is het duidelijk dat dit niet van toepassing is op God, die alles onder zijn gezag heeft gesteld.
1CO 15:28 Maar wanneer alles onder zijn gezag is gesteld, zal de Zoon zich ook onder het gezag stellen van Degene die alles onder zijn gezag gesteld heeft. En dan heerst God over alles en iedereen.
1CO 15:29 Maar als de doden helemaal niet worden opgewekt, wat zullen zij dan doen die zich voor de doden laten dopen? Waarom laten zij zich dan voor hen dopen?
1CO 15:30 En wij, waarom stellen wij onszelf voortdurend bloot aan gevaar?
1CO 15:31 Broeders en zusters, op wie ik zo fier ben dankzij Christus Jezus, onze Heer, ik verklaar dat ik elke dag in levensgevaar verkeer.
1CO 15:32 Wat heb ik er menselijk gesproken aan dat ik in Efeze als het ware met wilde beesten heb gevochten? Als de doden niet worden opgewekt, laten we dan maar eten en drinken, want morgen sterven wij!
1CO 15:33 Vergis je niet, slecht gezelschap bederft goede zeden.
1CO 15:34 Kom tot bezinning en stop met zondigen. Sommigen van jullie begrijpen echt niet wie God is, en jullie moesten je schamen!
1CO 15:35 ‘Maar’, zal iemand misschien vragen, ‘hoe worden de doden dan opgewekt? Wat voor lichaam hebben ze dan?’
1CO 15:36 Wat een dwaze vraag! Zaad komt toch pas tot leven wanneer het sterft?
1CO 15:37 Wat je zaait, is niet het toekomstige lichaam, maar een naakte korrel, misschien van tarwe of een andere graansoort.
1CO 15:38 God geeft het dan een lichaam dat Hij zelf kiest, en elk soort zaad krijgt zijn eigen lichaam.
1CO 15:39 Niet alle lichamen zijn hetzelfde: het lichaam van een mens verschilt van dat van een dier, en het lichaam van een vogel verschilt van dat van een vis.
1CO 15:40 Er zijn ook hemellichamen en aardse lichamen, en de glans van de hemellichamen verschilt van die van de aardse lichamen.
1CO 15:41 De glans van de zon is anders dan de glans van de maan en ook anders dan de glans van de sterren, terwijl ook de sterren van elkaar verschillen in glans.
1CO 15:42 Zo is het ook met de verrijzenis van de doden: hetgeen wordt gezaaid is vergankelijk, hetgeen wordt opgewekt is onvergankelijk.
1CO 15:43 Hetgeen wordt gezaaid is gebrekkig, hetgeen wordt opgewekt is prachtig; hetgeen wordt gezaaid is zwak, hetgeen wordt opgewekt is sterk.
1CO 15:44 Er wordt een aards lichaam gezaaid en een hemels lichaam opgewekt. Als er een aards lichaam is, zal er ook een hemels lichaam zijn.
1CO 15:45 Zo staat het ook in de Schriften: “De eerste mens, Adam, werd een levend wezen.” En de laatste Adam werd een geest die leven geeft.
1CO 15:46 Het geestelijke komt echter niet eerst; eerst komt het aardse, dan het geestelijke.
1CO 15:47 De eerste Adam kwam voort uit het stof van de aarde; de tweede Adam kwam uit de hemel.
1CO 15:48 Stoffelijke mensen zijn als de mens die uit stof werd gemaakt, en hemelse mensen zijn als de Mens die uit de hemel kwam.
1CO 15:49 Wij lijken nu op de stoffelijke mens, maar later zullen we lijken op de hemelse Mens.
1CO 15:50 Ik bedoel het volgende, broeders en zusters: vlees en bloed kunnen geen deel krijgen aan Gods koninkrijk, en het vergankelijke krijgt geen deel aan het onvergankelijke.
1CO 15:51 Laat me jullie een geheim vertellen: we zullen niet allemaal overlijden, maar we zullen allemaal een andere gedaante krijgen,
1CO 15:52 in een ondeelbaar ogenblik, een oogwenk, wanneer de laatste trompet weerklinkt. De trompet zal namelijk weerklinken en dan worden de doden opgewekt met een onvergankelijk lichaam en krijgen we een andere gedaante.
1CO 15:53 Want het vergankelijke moet worden gehuld in het onvergankelijke en het sterfelijke moet worden gehuld in het onsterfelijke.
1CO 15:54 En wanneer het vergankelijke in het onvergankelijke gehuld is en het sterfelijke in het onsterfelijke, dan zal gebeuren wat in de Schriften staat: “De dood is verzwolgen, de overwinning is behaald.”
1CO 15:55 “Dood, waar is jouw overwinning? Dood, waar is jouw macht om te pijnigen?”
1CO 15:56 De dood ontleent zijn macht om te pijnigen aan de zonde, en de zonde ontleent haar macht aan de Wet.
1CO 15:57 Maar God komt dank toe, want door onze Heer Jezus Christus schenkt Hij ons de overwinning.
1CO 15:58 Daarom, mijn geliefde broeders en zusters, wees standvastig, laat je niet uit je evenwicht brengen en zet je volop in voor de Heer, in het besef dat je werk niet vergeefs is als je het doet met de kracht die de Heer geeft.
1CO 16:1 Wat de inzameling voor de christenen betreft: doe wat ik ook aan de kerkgemeenschappen in Galatië heb opgedragen.
1CO 16:2 Ieder van jullie moet op de eerste dag van de week opzijleggen wat hij kan en dat opsparen, zodat er niet pas een inzameling moet worden gehouden wanneer ik kom.
1CO 16:3 Dan, wanneer ik ben aangekomen, zal ik mensen die jullie daarvoor geschikt achten, met een schriftelijke aanbeveling naar Jeruzalem sturen om jullie gift te bezorgen.
1CO 16:4 Maar als het raadzaam is dat ik ook ga, dan kunnen zij samen met mij gaan.
1CO 16:5 Ik zal bij jullie komen wanneer ik in Macedonië geweest ben. Ik ben namelijk van plan door Macedonië te reizen.
1CO 16:6 Misschien zal ik wat langer bij jullie blijven of zelfs de winter bij jullie doorbrengen, zodat jullie mij kunnen voorthelpen wanneer ik verder reis.
1CO 16:7 Dit keer wil ik jullie namelijk niet slechts op doorreis bezoeken; ik hoop wat tijd bij jullie door te brengen, als de Heer het toelaat.
1CO 16:8 Tot Pinksteren zal ik echter in Efeze blijven.
1CO 16:9 Er is hier namelijk een deur voor mij opengegaan en ik zie veel resultaat, maar er zijn ook veel tegenstanders.
1CO 16:10 Wanneer Timoteüs komt, zorg dan dat hij onbezorgd bij jullie kan verblijven, want hij doet evenals ik het werk van de Heer.
1CO 16:11 Laat niemand hem dus geringschatten. Help hem in vrede voort, zodat hij naar mij toe kan komen. Ik verwacht hem namelijk, samen met de andere broeders.
1CO 16:12 Wat onze broeder Apollos betreft: ik heb er sterk bij hem op aangedrongen om met de andere broeders mee naar jullie toe te gaan. Hij wilde echter nu niet vertrekken, maar hij zal vertrekken wanneer hij in de gelegenheid is.
1CO 16:13 Wees waakzaam, wees standvastig in het geloof, wees moedig, wees sterk.
1CO 16:14 Doe alles wat je doet op een liefdevolle wijze.
1CO 16:15 Broeders en zusters, jullie kennen de familie van Stefanas. Zij waren de eersten in Achaje die tot geloof gekomen zijn en ze hebben zich ten dienste gesteld van de christenen.
1CO 16:16 Ik spoor jullie aan het gezag te erkennen van mensen zoals zij en van allen die zich samen met hen zo hard inspannen.
1CO 16:17 Ik ben blij met de komst van Stefanas, Fortunatus en Achaïkus, want zij hebben mij voorzien van hetgeen jullie mij niet konden geven.
1CO 16:18 Zij hebben zowel mij als jullie opgebeurd. Houd zulke mensen in ere.
1CO 16:19 De kerkgemeenschappen van Asia groeten jullie. Ook Aquila en Prisca en de kerkgemeenschap die in hun huis samenkomt, groeten jullie hartelijk als mensen die ook bij de Heer horen.
1CO 16:20 Alle broeders en zusters hier groeten jullie. Begroet elkaar met een heilige kus.
1CO 16:21 Deze groet schrijf ik, Paulus, eigenhandig.
1CO 16:22 Als iemand de Heer niet liefheeft, dan zal hij vervloekt zijn. Kom, Heer!
1CO 16:23 Ik wens jullie de genade van de Heer Jezus toe.
1CO 16:24 Mijn liefde gaat uit naar jullie allen, die bij Christus Jezus horen.
2CO 1:1 Van: Paulus, door Gods wil een apostel van Christus Jezus, en van onze broeder Timoteüs. Aan: Gods kerkgemeenschap in Korinte – en aan allen in geheel Achaje die bij Christus horen.
2CO 1:2 Ik wens jullie de genade en vrede van God, onze Vader, en van de Heer Jezus Christus toe.
2CO 1:3 Ik prijs de God en Vader van onze Heer Jezus Christus. Hij is de Vader vol mededogen, de God van alle bemoediging.
2CO 1:4 En omdat Hij ons bemoedigt in al onze moeilijkheden, zullen wij anderen in al hun moeilijkheden kunnen bemoedigen met de bemoediging die wijzelf van God hebben ontvangen.
2CO 1:5 Want al hebben wij volop deel aan het lijden van Christus, dankzij Christus hebben wij ook volop deel aan zijn bemoediging.
2CO 1:6 Wanneer wij moeilijkheden ondervinden, gebeurt dat opdat jullie worden bemoedigd en beschermd. En wanneer wij worden bemoedigd, gebeurt dat opdat jullie worden bemoedigd en daardoor kunnen volhouden wanneer jullie hetzelfde lijden ondergaan als wij.
2CO 1:7 Dat is wat wij met zekerheid verwachten dat jullie zullen ervaren; wij weten dat jullie niet enkel delen in ons lijden, maar ook in de bemoediging die wij ontvangen.
2CO 1:8 Broeders en zusters, wij willen dat jullie op de hoogte zijn van de moeilijkheden die ons in Asia zijn overkomen. De druk waaronder wij stonden, was veel groter dan wij aankonden, zodat we voor ons leven vreesden.
2CO 1:9 Maar doordat we ervan overtuigd waren dat we ten dode opgeschreven waren, vertrouwden we niet op onszelf maar op de God die de doden opwekt.
2CO 1:10 Hij heeft ons uit het levensgevaar gered en zal ons opnieuw redden. Ja, wij vertrouwen erop dat Hij ons voortdurend zal beschermen,
2CO 1:11 terwijl jullie meehelpen door voor ons te bidden. Dan zullen veel mensen God uitgebreid namens ons bedanken voor zijn goedheid voor ons.
2CO 1:12 Als wij iets hebben om fier op te zijn, dan is het dat ons geweten verklaart dat wij ons in de wereld, en in het bijzonder bij jullie, oprecht hebben gedragen, met een zuiverheid die van God komt, dankzij Gods genade en niet door menselijke wijsheid.
2CO 1:13 Wij schrijven jullie niets dat jullie niet kunnen lezen of begrijpen. En ik verwacht dat jullie uiteindelijk volkomen zullen begrijpen
2CO 1:14 wat jullie nu slechts ten dele begrijpen: dat jullie op de Dag van de Heer Jezus even fier op ons zullen kunnen zijn als wij op jullie.
2CO 1:15 Het was in die verwachting dat ik eerst naar jullie toe wilde, om jullie tweemaal met een bezoek te kunnen vereren.
2CO 1:16 Via jullie wilde ik naar Macedonië reizen en vanuit Macedonië terug naar jullie, om door jullie te worden toegerust voor de reis naar Judea.
2CO 1:17 Was ik wispelturig omdat ik dit van plan was? Of plan ik op menselijke wijze en is mijn “ja” tegelijkertijd een “nee”?
2CO 1:18 Ik verklaar bij Gods trouw dat onze belofte aan jullie niet tegelijkertijd “ja” en “nee” is.
2CO 1:19 Immers, Gods Zoon, Jezus Christus, die wij – Silvanus, Timoteüs en ikzelf – aan jullie verkondigd hebben, kwam niet als een “ja” die tegelijkertijd een “nee” was. Bij Hem is het altijd “ja”.
2CO 1:20 Christus is het “ja” op alle beloften die God ooit heeft gegeven. En het is dankzij Christus dat wij dit alles mogen beamen, tot eer van God.
2CO 1:21 Maar Degene die ervoor zorgt dat zowel wij als jullie stevig met Christus verbonden zijn, is God: Hij heeft ons gezalfd,
2CO 1:22 van zijn waarmerk voorzien en een onderpand in onze harten gelegd, namelijk de Heilige Geest.
2CO 1:23 Ik verklaar bij mijn eigen leven en God is mijn getuige: het was om jullie te sparen dat ik niet opnieuw naar Korinte kwam.
2CO 1:24 Wij willen geen macht uitoefenen over jullie geloof, maar bijdragen aan jullie vreugde. Jullie staan immers al sterk in het geloof.
2CO 2:1 Ik had besloten om niet nogmaals een pijnlijk bezoek aan jullie te brengen.
2CO 2:2 Want als ik jullie verdriet doe, wie anders zou mij dan blij kunnen maken dan jullie, die ik verdriet heb gedaan?
2CO 2:3 Daarom schreef ik jullie die brief, om te voorkomen dat ik opnieuw verdriet zou hebben over de mensen die mij blij zouden moeten maken. Ik ben er namelijk van overtuigd dat als ik blij ben, jullie dat ook zijn.
2CO 2:4 Ik schreef jullie met een hart vol pijn en bezorgdheid en onder veel tranen – niet om jullie verdriet te doen maar om jullie te laten weten dat ik bijzonder veel om jullie geef.
2CO 2:5 Als iemand verdriet heeft veroorzaakt, heeft hij niet mij verdriet gedaan, maar in zekere mate – om me niet te sterk uit te drukken – jullie allen.
2CO 2:6 Voor deze persoon volstaat de bestraffing die door de meerderheid van jullie is opgelegd.
2CO 2:7 Daarom moeten jullie hem nu vergeven en troosten, zodat hij niet door overmatig verdriet wordt verteerd.
2CO 2:8 Ik spoor jullie dus aan je liefde voor hem te bekrachtigen.
2CO 2:9 Een andere reden voor mijn schrijven was om jullie op de proef te stellen, om te zien of jullie altijd gehoorzamen.
2CO 2:10 Als jullie iemand vergeven, dan vergeef ik hem ook. En hetgeen ik hem heb vergeven – als er feitelijk iets te vergeven valt – heb ik hem vergeven omwille van jullie, en Christus is daar getuige van!
2CO 2:11 Zo wil ik voorkomen dat Satan ons te slim af zal zijn. Wij weten immers van zijn listen.
2CO 2:12 Toen ik in Troas kwam om het evangelie van Christus te verkondigen en de Heer een deur voor mij had geopend,
2CO 2:13 kwam ik maar niet tot rust, omdat ik mijn broeder Titus niet kon vinden. Daarom nam ik afscheid en vertrok ik naar Macedonië.
2CO 2:14 Maar ik dank God, die ons altijd in de triomftocht van Christus meevoert en die via ons overal de kennis over Hem verspreidt, als een aangename geur.
2CO 2:15 Voor God zijn wij namelijk een reukoffer dat door Christus wordt gebracht, en de geur bereikt zowel wie gered wordt als wie verloren gaat.
2CO 2:16 Voor wie verloren gaat is het een doodsgeur die tot de dood leidt, en voor wie gered wordt een levensgeur die tot het leven leidt. En wie is bekwaam voor deze taak?
2CO 2:17 Wij zijn niet als zovelen die de boodschap van God verkondigen om er winst uit te slaan. Integendeel, wij spreken in oprechtheid, als mensen die bij Christus horen en door God zijn gestuurd. God is daar getuige van!
2CO 3:1 Beginnen wij onszelf opnieuw aan te bevelen? Of hebben wij, zoals sommige anderen, aanbevelingsbrieven voor jullie – of van jullie – nodig?
2CO 3:2 Jullie zijn zelf onze brief, geschreven in ons hart, herkenbaar en leesbaar voor alle mensen.
2CO 3:3 Het is duidelijk dat jullie een brief van Christus zijn, door ons opgesteld, niet geschreven met inkt maar met de Geest van de levende God, en niet op stenen schrijftabletten maar op tabletten in mensenharten.
2CO 3:4 Het is dankzij Christus en in vertrouwen op God dat wij tot die overtuiging zijn gekomen.
2CO 3:5 Niet dat wij uit onszelf zo bekwaam zijn dat wij dit als onze eigen prestatie kunnen beschouwen – onze bekwaamheid komt van God.
2CO 3:6 Hij heeft ons de bekwaamheid gegeven om in dienst te staan van een nieuw verbond. Dat is geen verbond van de geschreven wet, maar van de Geest, want hetgeen geschreven is leidt tot de dood, maar de Geest schenkt leven.
2CO 3:7 Hetgeen tot de dood leidt – en dat in steen werd gegraveerd – kwam met zoveel glans, dat de Israëlieten Mozes niet rechtstreeks konden aankijken wegens de schitterende glans van zijn gezicht, hoewel die van voorbijgaande aard was.
2CO 3:8 Zal hetgeen door de Geest wordt geschonken dan niet nog glansrijker zijn?
2CO 3:9 En als dat wat tot veroordeling leidt al glansrijk is, zal hetgeen vrijspraak brengt dan niet nog glansrijker zijn?
2CO 3:10 In vergelijking met hetgeen nog glansrijker is, heeft dat wat glansrijk was, zijn glans verloren.
2CO 3:11 En als dat wat tijdelijk was al met zoveel glans gekomen is, hoeveel meer glans zal dan hetgeen blijft wel niet bevatten?
2CO 3:12 Het is omdat wij leven in de verwachting van die zaken, dat wij zo vrijmoedig spreken.
2CO 3:13 Wij zijn niet als Mozes, die zijn gezicht met een sluier bedekte om te voorkomen dat de Israëlieten het einde zouden zien van wat vervaagde.
2CO 3:14 Hun denken was verstard, want tot op de dag van vandaag is het oude verbond nog altijd versluierd wanneer het wordt voorgelezen. De sluier is niet opgelicht, want het is enkel door Christus dat die kan worden verwijderd.
2CO 3:15 Tot vandaag toe ligt er een sluier over hun hart wanneer uit de boeken van Mozes wordt voorgelezen.
2CO 3:16 Maar wanneer iemand zich tot de Heer wendt, wordt de sluier weggenomen.
2CO 3:17 De Heer is de Geest, en waar de Geest van de Heer is, is vrijheid.
2CO 3:18 Zo zien wij allen de hemelse pracht van de Heer weerspiegeld, maar met een onbedekt gezicht. En zijn hemelse pracht wordt steeds meer in ons zichtbaar, doordat de Geest van de Heer ons omvormt.
2CO 4:1 Aangezien God in zijn goedheid ons deze taak heeft toevertrouwd, geven wij de moed niet op.
2CO 4:2 Wij hebben gebroken met de schandelijke verborgen praktijken, gaan niet bedrieglijk te werk en verdraaien de boodschap van God niet, maar geven een heldere uiteenzetting van de waarheid. En zo bevelen wij onszelf aan bij het menselijk vermogen om goed en kwaad van elkaar te onderscheiden. God is daar getuige van!
2CO 4:3 En zelfs als het evangelie dat wij brengen versluierd is, is het versluierd voor wie verloren gaat.
2CO 4:4 De god van de huidige wereld heeft het denken van de ongelovigen verblind, om te voorkomen dat zij het licht zien – het evangelie over de hemelse pracht van Christus, in Wie God zichzelf zichtbaar gemaakt heeft.
2CO 4:5 Want wij verkondigen niet onszelf; wij verkondigen dat Jezus Christus Heer is en dat wij omwille van Jezus jullie dienaren zijn.
2CO 4:6 Want de God die heeft gezegd: “Laat er licht schijnen uit de duisternis”, heeft ons hart beschenen met het licht dat ons in staat stelt Gods hemelse pracht – die afstraalt van het gezicht van Jezus Christus – te leren kennen.
2CO 4:7 Maar doordat deze schat in potten van aardewerk zit, is duidelijk dat deze ontzaglijke kracht van God komt en niet van ons.
2CO 4:8 Wij staan van alle kanten onder druk, maar raken niet in het nauw. Wij zijn onzeker, maar nooit ten einde raad.
2CO 4:9 We worden vervolgd, maar niet in de steek gelaten. We krijgen slaag, maar komen niet om.
2CO 4:10 Zo dragen we voortdurend het sterven van Jezus in ons lichaam met ons mee, opdat in ons lichaam ook het leven van Jezus zichtbaar zal zijn.
2CO 4:11 Wij die leven, riskeren omwille van Jezus voortdurend ons leven, opdat in ons sterfelijk lichaam ook het leven van Jezus zichtbaar zal zijn.
2CO 4:12 Op die manier is in ons de dood aan het werk, en in jullie het leven.
2CO 4:13 Door ons geloof hebben wij de ingesteldheid waarover reeds in de Schriften staat: “Ik geloofde; daarom heb ik gesproken.” Daarom geloven wij niet alleen, we spreken ook.
2CO 4:14 We weten namelijk dat Hij die de Heer Jezus weer tot leven heeft gewekt, ook ons weer tot leven zal wekken, net als Jezus, en dat Hij ons samen met jullie naar Zich toe zal leiden.
2CO 4:15 En dit alles werkt in jullie voordeel: naarmate de genade zich naar meer mensen uitbreidt, neemt de dankzegging waarmee God wordt vereerd, volop toe.
2CO 4:16 Daarom geven wij de moed niet op. Hoewel ons lichaam aftakelt, wordt ons innerlijk iedere dag vernieuwd.
2CO 4:17 Ons huidige lijden is slechts een lichte last, die in het geheel niet opweegt tegen de eeuwige, onmetelijke glorie die dat lijden voor ons oplevert.
2CO 4:18 Daarom vestigen wij onze aandacht niet op het zichtbare maar op het onzichtbare, want het zichtbare is tijdelijk, maar het onzichtbare is eeuwig.
2CO 5:1 Wij weten dat wanneer de aardse tent waarin wij wonen wordt afgebroken, God voor ons een woning heeft, een eeuwig huis in de hemel, dat niet met mensenhanden is gemaakt.
2CO 5:2 Maar nu zuchten we nog: we verlangen ernaar, met onze hemelse woning te worden overkleed,
2CO 5:3 zodat we niet naakt zullen worden aangetroffen wanneer we ons aardse lichaam verlaten.
2CO 5:4 Zolang wij in onze huidige tent verblijven, zuchten we onder de last die we dragen. We zouden namelijk liever met onze nieuwe woning overkleed willen worden zonder te worden ontkleed, op zodanige wijze dat het sterfelijke door het leven wordt verzwolgen.
2CO 5:5 Het is God die ons met dat doel voor ogen heeft gemaakt, en Hij heeft ons bij wijze van onderpand de Geest gegeven.
2CO 5:6 Daarom zijn wij altijd vol goede moed, hoewel we beseffen dat zolang we in het lichaam wonen, we nog niet bij de Heer zijn.
2CO 5:7 Onze manier van leven is gebaseerd op hetgeen we geloven, niet op hetgeen we zien.
2CO 5:8 We zijn dus vol goede moed, al zouden we graag ons lichaam verlaten en bij de Heer onze intrek nemen.
2CO 5:9 Daarom is onze enige ambitie, te doen wat Hem vreugde geeft, zowel wanneer we nog in onze tent wonen als wanneer we straks in onze nieuwe woning zijn.
2CO 5:10 We moeten immers allen voor de rechterstoel van Christus verschijnen, en dan zal ieder ontvangen wat hij met zijn daden heeft verdiend – goed of slecht – tijdens het verblijf in zijn aardse lichaam.
2CO 5:11 Omdat wij beseffen dat men ontzag voor de Heer moet hebben, proberen we de mensen te overtuigen. God kent onze bedoelingen en ik hoop dat ze ook duidelijk zijn voor jullie vermogen om goed en kwaad van elkaar te onderscheiden.
2CO 5:12 Wij bevelen onszelf niet opnieuw bij jullie aan, maar geven jullie de kans om fier op ons te zijn, zodat jullie iets hebben om te zeggen tegen diegenen die fier zijn op uiterlijkheden in plaats van op het innerlijke.
2CO 5:13 Als wij zogezegd niet goed bij ons verstand zijn, gedragen we ons zo voor God, en wanneer wij bij ons volle verstand zijn, gebeurt dat in jullie belang.
2CO 5:14 Wij worden gemotiveerd door de liefde van Christus, want we zijn ervan overtuigd dat één Persoon is gestorven ten behoeve van allen en dat daardoor allen zijn gestorven.
2CO 5:15 En Hij is voor allen gestorven opdat de levenden niet meer voor zichzelf zouden leven, maar voor Degene die voor hen is gestorven en opgewekt.
2CO 5:16 Daarom beoordelen wij niemand meer naar menselijke maatstaven, en hoewel we Christus vroeger naar menselijke maatstaven beoordeelden, doen we dat nu niet meer.
2CO 5:17 Dus als iemand bij Christus hoort, is hij een nieuwe creatie – het oude is voorbij, het nieuwe is gekomen.
2CO 5:18 En dit alles is Gods werk: door middel van Christus heeft Hij ons met zich verzoend en ons de taak gegeven die verzoening bekend te maken.
2CO 5:19 God heeft namelijk de wereld met zich verzoend door middel van Christus: Hij legt de mensen hun overtredingen niet langer ten laste. En ons heeft Hij de taak gegeven, die verzoening te verkondigen.
2CO 5:20 Wij zijn dus ambassadeurs van Christus; het is via ons dat God zijn oproep doet. Namens Christus roepen wij jullie daarom op: laat je met God verzoenen.
2CO 5:21 Omwille van ons werd Hij die nooit had gezondigd als zondaar behandeld, opdat wij die bij Hem horen de vrijspraak van schuld zouden ontvangen die God schenkt.
2CO 6:1 Als Gods medewerkers roepen wij jullie daarom op: laat het niet tevergeefs zijn dat jullie Gods genade hebben aanvaard.
2CO 6:2 Hij zegt immers: “Op het juiste moment heb Ik je gehoord en op de dag van de redding heb Ik je geholpen.” Het juiste moment is nu en de dag van de redding is vandaag.
2CO 6:3 Om te voorkomen dat er iets op ons werk valt aan te merken, geven wij niemand enige aanstoot.
2CO 6:4 Integendeel, als dienaren van God bevelen wij onszelf aan in alle omstandigheden: in veel volharding, in lijden, nood en moeilijkheden,
2CO 6:5 in slaag, gevangenschap, onlusten, zwaar werk, slaapgebrek en honger,
2CO 6:6 en ook door oprechtheid, inzicht, geduld, vriendelijkheid, de aanwezigheid van de Heilige Geest en oprechte liefde.
2CO 6:7 Wij verkondigen de waarheid, dankzij de kracht die God ons geeft en met de wapens van de gerechtigheid in de rechter- en de linkerhand,
2CO 6:8 terwijl we zowel goedkeuring als afkeuring ontvangen en men zowel goed als kwaad over ons spreekt. Wij worden behandeld als bedriegers hoewel we oprecht zijn,
2CO 6:9 als onbekend hoewel we bekend zijn, als stervend hoewel we leven, als gestraft maar niet gedood.
2CO 6:10 Wij zijn bedroefd maar toch altijd verheugd. Wij zijn arm maar maken velen rijk. Wij hebben niets maar bezitten alles.
2CO 6:11 Wij hebben jullie openhartig toegesproken, Korintiërs, en ons hart wijd voor jullie opengesteld.
2CO 6:12 Niet wij, maar jullie zijn onvoldoende ruimhartig!
2CO 6:13 Ik spreek jullie toe alsof jullie mijn kinderen zijn: zet je hart voor ons open!
2CO 6:14 Vorm geen ongelijk partnerschap met ongelovigen, want hoe kunnen gerechtigheid en wetteloosheid bij elkaar passen? Wat hebben licht en duisternis met elkaar gemeen?
2CO 6:15 Welke overeenstemming is er tussen Christus en de duivel? Wat verbindt een gelovige met een ongelovige?
2CO 6:16 Wat heeft Gods tempel te maken met afgoden? Wij zijn de tempel van de levende God, want God heeft verklaard: “Ik zal bij hen wonen en onder hen leven en Ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn.
2CO 6:17 Ga dus bij hen weg en leef van hen gescheiden, zegt de Heer, en raak niet aan wat onrein is. Dan zal Ik jullie aanvaarden,
2CO 6:18 en Ik zal een Vader voor jullie zijn en jullie zullen mijn zonen en dochters zijn, zegt de Almachtige Heer.”
2CO 7:1 Beste vrienden, laten wij, omdat we over deze beloften beschikken, ons zuiveren van alles wat ons lichaam en onze geest vervuilt en ons vol ontzag aan God toewijden.
2CO 7:2 Maak ruimte voor ons in jullie hart! Wij hebben niemand onrecht aangedaan, we hebben niemand te gronde gericht, we hebben niemand uitgebuit.
2CO 7:3 Ik heb al gezegd dat wij jullie in ons hart hebben gesloten en dat zal zo blijven, in leven en in sterven.
2CO 7:4 Mijn vrijmoedigheid tegenover jullie is groot, mijn fierheid op jullie is groot, ik ben volop bemoedigd en ondanks al onze moeilijkheden loop ik over van vreugde.
2CO 7:5 Zelfs toen we in Macedonië waren aangekomen, konden we niet uitrusten, maar stonden we van alle kanten onder druk: van buitenaf door conflicten en van binnenuit door angst.
2CO 7:6 Maar God bemoedigt wie ontmoedigd is en Hij heeft ons bemoedigd door de komst van Titus.
2CO 7:7 En niet alleen door zijn komst, maar ook door de manier waarop jullie hem hadden bemoedigd. Hij heeft ons namelijk verteld over jullie verlangen naar ons, jullie bedroefdheid en jullie ijver voor mij. En dat maakte mijn vreugde nog groter.
2CO 7:8 Want hoewel ik jullie met mijn brief verdriet heb gedaan, ik heb er geen spijt van. Ik heb er wel even spijt van gehad, omdat ik zag dat de brief jullie verdriet had gedaan.
2CO 7:9 Maar nu verheug ik mij. Niet omdat jullie verdriet hadden, maar omdat jullie verdriet tot inkeer heeft geleid. Jullie hadden verdriet op een manier die God van jullie verlangde. Hetgeen wij gedaan hebben, heeft jullie dus uiteindelijk geen schade berokkend.
2CO 7:10 Wanneer we verdriet hebben op de manier die God van ons verlangt, brengt dat namelijk inkeer teweeg die tot redding leidt. En van de redding krijgt men geen spijt, terwijl het verdriet zoals de wereld dat kent, de dood teweegbrengt.
2CO 7:11 Maar kijk eens wat dit verdriet zoals God dat verlangde, bij jullie heeft teweeggebracht: wat een inzet, wat een inspanning om de juiste kant te kiezen, wat een verontwaardiging, wat een schrik, wat een verlangen, wat een ijver, wat een bereidheid om het kwaad te bestraffen! Jullie hebben in alles bewezen dat jullie in deze zaak geen blaam treft.
2CO 7:12 Ik had jullie dus geschreven, maar dat was niet omwille van de overtreder en ook niet omwille van de benadeelde. Ik had jullie geschreven met de bedoeling dat jullie aan God zouden tonen hoe groot jullie toewijding aan ons is.
2CO 7:13 Jullie reactie heeft ons bemoedigd. Maar nog groter dan die bemoediging is onze vreugde dat Titus blij was, omdat hij door jullie allen was gerustgesteld.
2CO 7:14 Al had ik over jullie gepocht bij Titus, ik ben niet beschaamd geraakt. Integendeel, zoals alles wat we aan jullie hebben verteld de waarheid is, zo is ook hetgeen waarover wij bij Titus zo hadden gepocht, waar gebleken.
2CO 7:15 En zijn genegenheid voor jullie is des te groter wanneer hij terugdenkt aan jullie gehoorzaamheid – hoe jullie hem met angst en beven hebben ontvangen.
2CO 7:16 Het verheugt mij dat ik jullie in alles volkomen kan vertrouwen.
2CO 8:1 En nu, broeders en zusters, willen we vertellen over de genade die God aan de kerkgemeenschappen in Macedonië heeft geschonken.
2CO 8:2 Hoewel ze zwaar door moeilijkheden op de proef zijn gesteld, heeft hun uitbundige vreugde in combinatie met hun diepe armoede geleid tot oprechte vrijgevigheid.
2CO 8:3 Ik kan namelijk getuigen dat ze naar vermogen en zelfs boven hun vermogen hebben gegeven, omdat ze dat zelf wilden.
2CO 8:4 Ze hebben ons met veel aandringen gesmeekt om het voorrecht, aan de bijstand voor de christenen te mogen bijdragen.
2CO 8:5 En hoewel wij dat niet hadden verwacht, gaven ze zichzelf eerst aan de Heer en vervolgens aan ons, zoals God wilde.
2CO 8:6 Daarom hebben we Titus, die reeds bij jullie aan deze inzameling was begonnen, aangespoord deze te voltooien.
2CO 8:7 Jullie hebben alles al in overvloed: geloof, onderricht, kennis, grote ijver en jullie liefde voor ons. Draag dan ook overvloedig bij aan deze inzameling.
2CO 8:8 Ik zeg dit niet als een bevel, maar om na te gaan hoe oprecht jullie liefde is, door deze te vergelijken met de inzet van anderen.
2CO 8:9 Jullie weten immers van het vrijgevige geschenk van onze Heer Jezus Christus: hoewel Hij rijk was, werd Hij arm omwille van jullie, opdat jullie door zijn armoede rijk zouden worden.
2CO 8:10 Laat me jullie mijn mening geven, daar hebben jullie baat bij. Jullie waren immers de eersten die vorig jaar van start zijn gegaan, zelfs de eersten die hiertoe bereid waren.
2CO 8:11 Maak nu af waarmee jullie bezig waren; dan hebben jullie niet alleen je bereidwilligheid getoond, maar ook de inzameling naar vermogen voltooid.
2CO 8:12 Want het is goed als je bereidwillig geeft naar vermogen; je bent niet verplicht om nog meer te geven.
2CO 8:13 Het is niet de bedoeling dat anderen het gemakkelijk hebben en jullie lijden, maar wel dat er gelijkheid is.
2CO 8:14 Vul hun huidige tekorten dus aan vanuit jullie overvloed; dan kunnen zij later vanuit hun overvloed jullie tekorten aanvullen, zodat er gelijkheid zal zijn.
2CO 8:15 Zo staat het immers ook in de Schriften: “Wie veel verzameld had, had niet te veel, en wie weinig verzameld had, had niet te weinig.”
2CO 8:16 Ik dank God dat Hij mijn bekommernis om jullie ook in het hart van Titus heeft gelegd.
2CO 8:17 Titus heeft ons verzoek namelijk van harte aanvaard en komt naar jullie toe omdat hij reeds besloten had om dat te doen.
2CO 8:18 Wij sturen een broeder met hem mee die in alle kerkgemeenschappen wordt geprezen om zijn inzet voor het evangelie.
2CO 8:19 Niet alleen dat, hij is ook door de kerkgemeenschappen aangesteld om met ons mee te reizen wanneer wij deze gift wegbrengen. Zo krijgt God de eer en blijkt onze ijver uit ons dienstbetoon.
2CO 8:20 Hiermee willen we voorkomen dat iemand iets aan te merken zal hebben op ons beheer van dit grote bedrag.
2CO 8:21 Wij proberen namelijk te doen wat goed is; niet alleen in Gods ogen, maar ook in de ogen van de mensen.
2CO 8:22 Met hen sturen we nog een broeder mee, die herhaaldelijk en op vele wijzen zijn ijver aan ons heeft bewezen, en die zich nu nog ijveriger zal betonen omdat hij zoveel vertrouwen in jullie heeft.
2CO 8:23 Kortom: Titus is mijn deelgenoot en collega in het werk onder jullie. En wat onze andere broeders betreft: zij zijn door de kerkgemeenten gezonden en de hemelse pracht van Christus is in hen zichtbaar.
2CO 8:24 Bewijs hun daarom jullie liefde en toon zo aan de kerkgemeenschappen dat onze fierheid op jullie terecht is.
2CO 9:1 Eigenlijk hoef ik jullie niet over dit dienstbetoon aan de christenen te schrijven.
2CO 9:2 Ik weet namelijk dat jullie hiertoe bereid zijn en ik heb jullie bij de christenen in Macedonië aangeprezen door te zeggen: “In Achaje staan ze al sinds vorig jaar gereed.” En voor de meesten van hen werkte jullie enthousiasme aanstekelijk.
2CO 9:3 Toch stuur ik deze broeders, om te zorgen dat we niet ten onrechte zo fier over jullie hadden gesproken, maar dat jullie inderdaad gereed staan zoals ik had gezegd.
2CO 9:4 Immers, als er straks Macedoniërs met mij meekomen en als zij zouden ontdekken dat dit niet het geval is, dan zouden wij ons over deze mislukking schamen, om van jullie maar te zwijgen.
2CO 9:5 Ik vond het dus nodig deze broeders aan te sporen naar jullie vooruit te reizen en de door jullie beloofde royale gift alvast in te zamelen. Dan zal die klaarliggen als een royale en zonder tegenzin gegeven gift.
2CO 9:6 Bedenk dit: wie karig zaait, zal karig oogsten en wie overvloedig zaait, zal overvloedig oogsten.
2CO 9:7 Laat iedereen geven wat hij zich persoonlijk had voorgenomen, zonder tegenzin en niet omdat het moet, want God houdt van wie van harte geeft.
2CO 9:8 En God is bij machte om jullie overvloedig met allerlei geschenken te zegenen, zodat jullie altijd, in alle omstandigheden, meer dan voldoende hebben en daardoor overvloedig veel goeds kunnen doen.
2CO 9:9 In de Schriften staat immers: “Hij gaf vrijgevig aan de armen, zijn gerechtigheid houdt voor eeuwig stand.”
2CO 9:10 Hij die zaad aan de zaaier verstrekt en hem brood te eten geeft, zal ook zaad aan jullie verstrekken en ervoor zorgen dat het ontkiemt en een oogst aan gerechtigheid zal opleveren.
2CO 9:11 Dan zullen jullie van alles rijk voorzien zijn en altijd vrijgevig kunnen zijn, zodat onze actie nog meer dank aan God oplevert.
2CO 9:12 Want doordat jullie aan dit dienstbetoon bijdragen, zullen niet enkel de noden van de christenen worden gelenigd, maar zal God ook door velen uitvoerig worden gedankt.
2CO 9:13 Zij zullen God verheerlijken, omdat jullie bijdrage aan dit dienstbetoon bewijst dat jullie het evangelie van Christus niet alleen belijden, maar het ook gehoorzamen door vrijgevig bij te dragen en zo jullie verbondenheid met hen en met alle christenen te tonen.
2CO 9:14 Bovendien zullen ze in hun gebeden hun genegenheid voor jullie uitdrukken, wegens de overvloed aan Gods genade in jullie leven.
2CO 9:15 Ik dank God voor zijn onbeschrijflijke geschenk.
2CO 10:1 Op grond van de zachtmoedigheid en welwillendheid van Christus heb ik – Paulus, die zogezegd timide ben in jullie gezelschap, maar een grote mond heb op afstand – het volgende verzoek voor jullie.
2CO 10:2 Wellicht zal ik, wanneer ik bij jullie kom, vrijmoedig en streng moeten optreden tegen sommigen, die van mening zijn dat wij handelen als zondige mensen. Ik wil jullie vragen dat dat niet nodig zal zijn.
2CO 10:3 Want hoewel wij mensen van vlees en bloed zijn, voeren we geen strijd met menselijke middelen.
2CO 10:4 De wapens waarmee wij strijden zijn niet menselijk, maar hebben de door God gegeven kracht om verdedigingswerken te vernietigen. Wij halen foute redeneringen onderuit, evenals
2CO 10:5 alle barrières die tegen het kennen van God worden opgeworpen. Ook nemen we ieder idee gevangen en dwingen het tot gehoorzaamheid aan Christus.
2CO 10:6 En wanneer jullie volkomen gehoorzaam geworden zijn, staan we gereed om alle andere vormen van ongehoorzaamheid te bestraffen.
2CO 10:7 Zien jullie niet wat er gaande is? Als iemand ervan overtuigd is dat hij Christus toebehoort, laat hij dan bedenken dat ook wij Christus toebehoren, net als hij.
2CO 10:8 Dus zelfs als ik iets te veel poch over ons gezag – gezag dat de Heer ons heeft toevertrouwd om jullie op te bouwen, niet om jullie af te breken – dan zal ik niet worden beschaamd.
2CO 10:9 Ik wil niet de indruk wekken dat ik jullie met mijn brieven schrik wil aanjagen.
2CO 10:10 Er wordt namelijk gezegd: “Zijn brieven zijn wel gewichtig en streng, maar zijn persoonlijk optreden is zwak en zijn spreken is beneden peil.”
2CO 10:11 Wie zoiets zegt, dient te beseffen dat wanneer we binnenkort bij jullie zijn, we zullen optreden op dezelfde manier als we nu schrijven vanop afstand.
2CO 10:12 Wij durven onszelf niet gelijk te stellen aan bepaalde mensen die zichzelf aanbevelen. We willen ons ook niet met hen vergelijken. Als zij zichzelf als maatstaf nemen en zich dus met zichzelf vergelijken, hebben ze geen inzicht.
2CO 10:13 Wij zullen echter niet te veel pochen, maar ons beperken tot het werkgebied dat God ons heeft toebedeeld – en jullie maken daarvan deel uit.
2CO 10:14 Wij gaan onze grenzen niet te buiten. Dat zou wel het geval zijn geweest als we jullie niet hadden bereikt. Maar wij waren als eersten bij jullie met het evangelie van Christus.
2CO 10:15 Wij gaan niet te ver: wij proberen niet de eer op te strijken van andermans werk. Maar wij hopen dat wanneer jullie geloof toeneemt, ons werk bij jullie nog verder zal groeien.
2CO 10:16 Dan zullen wij het evangelie ook verkondigen in verder gelegen gebieden, zonder de eer op te strijken voor hetgeen bereikt is in het werkgebied van een ander.
2CO 10:17 Immers: “Als iemand ergens fier op wil zijn, laat hij dan fier zijn op de Heer.”
2CO 10:18 Want niet wie zichzelf aanbeveelt heeft de proef doorstaan, maar wie door de Heer wordt aanbevolen.
2CO 11:1 Ik zou graag willen dat jullie accepteren dat ik mij ook eens als een dwaas gedraag. In feite doen jullie dat al.
2CO 11:2 Ik waak namelijk over jullie met een jaloezie die van God komt, want ik heb jullie met één Man verloofd en wil jullie als een maagdelijke bruid naar Christus toe leiden.
2CO 11:3 Ik vrees echter dat, zoals Eva door de sluwheid van de slang werd bedrogen, jullie gedachten zullen worden afgeleid van de oprechte en zuivere toewijding aan Christus.
2CO 11:4 Jullie verdragen het immers maar al te goed wanneer er iemand bij jullie komt die een andere Jezus verkondigt dan de Jezus die wij hebben verkondigd, of een andere geest dan de Geest die jullie hebben ontvangen, of een ander evangelie dan hetgeen jullie hebben aanvaard.
2CO 11:5 Ik beschouw mij in het geheel niet als minderwaardig aan die uitzonderlijke apostelen.
2CO 11:6 Het ontbreekt mij misschien aan opleiding als spreker, maar zeker niet aan kennis, en dat is jullie steeds opnieuw op allerlei manieren duidelijk gemaakt.
2CO 11:7 Heb ik een zonde begaan door me nederig op te stellen en jullie zodoende te verheffen, toen ik Gods evangelie aan jullie verkondigde zonder een vergoeding te vragen?
2CO 11:8 Om jullie van dienst te kunnen zijn, heb ik andere kerkgemeenschappen zogezegd beroofd door geld van hen aan te nemen.
2CO 11:9 En toen ik bij jullie was en geld nodig had, was ik niemand tot last. De christenen die uit Macedonië kwamen, hebben namelijk al mijn noden gelenigd. Ik heb altijd gezorgd dat ik jullie niet tot last zou zijn en ik zal dat blijven doen.
2CO 11:10 Zo zeker als de waarheid van Christus in mij is, niemand in het gebied Achaje kan mij ervan weerhouden hierop fier te zijn.
2CO 11:11 Waarom? Omdat ik niet van jullie houd? God weet dat dit wél het geval is!
2CO 11:12 Ik zal blijven doen wat ik doe, en zo de mensen die zich aan ons willen gelijkstellen in de zaken waarop zij zo fier zijn, de pas afsnijden.
2CO 11:13 Het zijn valse apostelen: zij gaan bedrieglijk te werk door zich als apostelen van Christus voor te doen.
2CO 11:14 Dat is niet verwonderlijk, want zelfs Satan doet zich voor als een stralende engel.
2CO 11:15 Het is dus geen verrassing dat ook zij die in zijn dienst staan zich voordoen als brengers van gerechtigheid. Ze zullen uiteindelijk krijgen wat ze met hun daden hebben verdiend.
2CO 11:16 Ik herhaal, laat niemand denken dat ik dwaas ben. Maar als je dat toch doet, aanvaard mij dan zoals je een dwaas zou aanvaarden, zodat ook ik wat mag pochen.
2CO 11:17 Ik zeg dit niet op gezag van de Heer; ik spreek met het zelfvertrouwen van een dwaas, zodat ik ook kan pochen.
2CO 11:18 Er zijn zoveel mensen die pochen over menselijke prestaties; laat mij ook eens pochen.
2CO 11:19 Jullie zijn immers zo verstandig dat jullie dwaze mensen graag verdragen!
2CO 11:20 In feite verdragen jullie het als iemand jullie als slaaf behandelt, als iemand jullie uitbuit, als iemand misbruik van jullie maakt, als iemand zich boven jullie verheft, als iemand jullie in het gezicht slaat.
2CO 11:21 Tot mijn schande moet ik zeggen dat wij daarvoor te zwak waren. Maar wat iemand ook durft te zeggen – ik spreek als een dwaas – ik durf het ook.
2CO 11:22 Zij zijn Hebreeërs? Ik ook. Zij zijn Israëlieten? Ik ook. Zij zijn afstammelingen van Abraham? Ik ook.
2CO 11:23 Zij staan in dienst van Christus? Nu spreek ik als iemand die niet bij zijn verstand is: ik nog meer. Ik heb meer werk verricht, heb vaker gevangengezeten, heb vaker lijfstraffen ondergaan en ben vaker in doodsgevaar geweest.
2CO 11:24 Vijfmaal heb ik van de Joden de veertig-min-een zweepslagen gekregen.
2CO 11:25 Driemaal ben ik met stokken afgeranseld, eenmaal ben ik met stenen bekogeld, driemaal heb ik schipbreuk geleden, ik heb een nacht en een dag op volle zee doorgebracht.
2CO 11:26 Tijdens mijn vele reizen ben ik in gevaar geweest door overstroming, in gevaar door rovers, in gevaar door mijn volksgenoten, in gevaar door niet-Joden, in gevaar in de stad, in gevaar in afgelegen gebieden, in gevaar op zee en in gevaar door schijnchristenen.
2CO 11:27 Ik heb gewerkt en gezwoegd, veel slapeloze nachten gehad, honger en dorst geleden, vaak niets te eten gehad, kou geleden en niet altijd voldoende kledij gehad.
2CO 11:28 En naast dat alles is er nog de dagelijkse druk van de zorg voor alle kerkgemeenschappen.
2CO 11:29 Als iemand zwak is, zal ik me dan niet ook zwak voelen? Als iemand tot zonde wordt aangezet, zal ik me dan niet opwinden?
2CO 11:30 Als ik moet pochen, zal ik pochen over mijn zwakheid.
2CO 11:31 De God en Vader van de Heer Jezus – Hem komt voor altijd de eer toe – weet dat ik niet lieg.
2CO 11:32 In Damascus liet de gouverneur onder koning Aretas de stadsmuren bewaken om mij te kunnen arresteren.
2CO 11:33 Ik ben aan hem ontsnapt door in een mand via een venster in de stadsmuur te worden neergelaten.
2CO 12:1 Als ik moet doorgaan met pochen – hoewel dat eigenlijk niet nuttig is – zal ik het hebben over visioenen en openbaringen van de Heer.
2CO 12:2 Ik ken een christen die veertien jaar geleden naar de derde hemel werd weggevoerd. Ik weet niet of het in het lichaam of buiten het lichaam was, God weet het.
2CO 12:3 En ik weet dat die persoon – ik weet niet of het in het lichaam of buiten het lichaam was, God weet het –
2CO 12:4 naar het paradijs werd weggevoerd. Daar hoorde hij dingen die niemand kan navertellen, die niemand zelfs mág navertellen.
2CO 12:5 Over zo iemand zal ik pochen, maar over mezelf zal ik niet pochen, of enkel over mijn zwakheden.
2CO 12:6 Want zelfs als ik zou willen pochen, dan zou ik niet dwaas zijn, maar de waarheid spreken. Maar ik doe het niet, want ik wil niet dat iemand meer aan mij toeschrijft dan hetgeen hij mij zelf heeft zien doen of horen zeggen.
2CO 12:7 Ik heb buitengewone openbaringen gehad. En om mij voor zelfverheffing te behoeden, is mij een doorn in het vlees gegeven. Het is een boodschapper van Satan die me pijnigt en me zo voor zelfverheffing behoedt.
2CO 12:8 Ik heb de Heer driemaal gesmeekt dat het zou mogen overgaan.
2CO 12:9 Maar Hij zei tegen mij: “Mijn genade is voor jou voldoende, want het is in zwakheid dat mijn kracht volledig zichtbaar wordt.” Daarom poch ik liever over mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij aanwezig zal zijn.
2CO 12:10 Omwille van Christus verheug ik mij dus wanneer ik zwak ben, word beledigd, in nood ben, word vervolgd en wanneer ik moeilijkheden ondervind, want wanneer ik zwak ben, ben ik sterk.
2CO 12:11 Ik ben dwaas geweest, maar jullie hebben me daartoe gedwongen, want ik had door jullie aanbevolen moeten worden. En hoewel ik niets bijzonders ben, ben ik in geen enkel opzicht minder dan die uitzonderlijke apostelen.
2CO 12:12 De tekenen die bewijzen dat ik apostel ben, zijn keer op keer bij jullie verricht: tekenen en wonderen en machtige daden van God.
2CO 12:13 Waarin zijn jullie dan tekortgekomen in vergelijking met de andere kerkgemeenschappen, behalve dat ik jullie niet tot last ben geweest? Vergeef mij dit onrecht!
2CO 12:14 Besef goed, ik sta gereed om voor de derde keer bij jullie te komen. En ik zal jullie niet tot last zijn, want ik ben niet uit op jullie bezittingen maar op jullie zelf. Immers, de kinderen moeten niet voor hun ouders sparen, maar ouders moeten voor hun kinderen sparen.
2CO 12:15 Daarom zou ik met plezier alles wat ik bezit voor jullie uitgeven en mezelf opofferen. Maar het lijkt alsof ik minder geliefd ben naarmate ik jullie meer liefheb.
2CO 12:16 Hoe dan ook, ik ben jullie niet tot last geweest. Maar heb ik jullie dan op een gewetenloze, sluwe wijze beetgenomen?
2CO 12:17 Ben ik jullie aan het uitbuiten door toedoen van iemand die ik naar jullie toe gestuurd heb?
2CO 12:18 Ik heb Titus gevraagd jullie te bezoeken en ik stuur die broeder met hem mee. Buit Titus jullie uit? Of handelen wij beiden in dezelfde geest? Volgen wij niet hetzelfde spoor?
2CO 12:19 Jullie denken wellicht dat wij ons tegenover jullie aan het verdedigen zijn. Wij spreken als mensen die bij Christus horen – God is daar getuige van – en alles wat we doen, beste vrienden, doen we om jullie op te bouwen.
2CO 12:20 Ik vrees echter dat wanneer ik kom, ik zal merken dat jullie niet zijn zoals ik zou willen, en dat jullie zullen merken dat ik niet ben zoals jullie zouden willen. Ik vrees voor ruzies, woede-uitbarstingen, geldingsdrang, laster, geroddel, verwaandheid en wanorde.
2CO 12:21 Ik vrees dat wanneer ik kom, mijn God mij opnieuw tegenover jullie op mijn plaats zal zetten en dat ik bedroefd zal zijn over velen van jullie, die hadden gezondigd en die zich nog altijd niet hebben bekeerd van hun immoraliteit, seksueel wangedrag en losbandigheid.
2CO 13:1 Dit is de derde keer dat ik bij jullie zal komen. Iedere aanklacht moet bevestigd worden door de verklaring van twee of drie getuigen.
2CO 13:2 Toen ik voor de tweede keer bij jullie was, zei ik tegen de mensen die gezondigd hadden en tegen alle anderen, dat ik niemand zal ontzien wanneer ik terugkom. En nu ik niet bij jullie ben, zeg ik het opnieuw.
2CO 13:3 Jullie willen immers het bewijs zien dat Christus door mij spreekt. Hij gaat bij jullie niet op zwakke, maar op krachtige wijze te werk.
2CO 13:4 Toen Hij werd gekruisigd was Hij wel zwak, maar Hij leeft door Gods kracht. En wij die bij Hem horen zijn ook zwak, maar jullie zullen zien dat wij net als Hij leven door Gods kracht.
2CO 13:5 Onderzoek jezelf, of jullie je geloof in praktijk brengen. Bewijs jezelf maar eens. Of beseffen jullie niet dat Jezus Christus in je woont? Zo niet, dan hebben jullie de proef niet doorstaan.
2CO 13:6 En ik vertrouw erop dat jullie zullen inzien dat wij de proef wél hebben doorstaan.
2CO 13:7 Wij bidden tot God dat jullie niets slechts zullen doen. Niet opdat wij onszelf dan hebben bewezen, maar opdat jullie dan het juiste doen, zelfs als dat de indruk zou geven dat wij hebben gefaald.
2CO 13:8 Wij kunnen niets doen tegen de waarheid, enkel voor de waarheid.
2CO 13:9 Het verheugt ons wanneer jullie sterk zijn en wijzelf zwak. Wij bidden dan ook dat het helemaal in orde zal komen met jullie.
2CO 13:10 Daarom schrijf ik deze brief terwijl ik niet bij jullie ben. Dan hoef ik, wanneer ik straks wel bij jullie ben, niet streng op te treden. De Heer heeft mij immers gezag gegeven om jullie op te bouwen, niet om jullie af te breken.
2CO 13:11 Voor het overige, broeders en zusters, verheug je. Zorg dat het in orde komt met jullie, laat je vermanen. Wees eensgezind. Bewaar de vrede. Dan zal de God van liefde en vrede bij jullie zijn.
2CO 13:12 Begroet elkaar met een heilige kus. Alle christenen hier groeten jullie.
2CO 13:13 Ik wens jullie allen de genade van de Heer Jezus Christus, de liefde van God en de verbondenheid van de Heilige Geest toe.
GAL 1:1 Van: Paulus, een apostel die niet is aangesteld of gestuurd door mensen, maar door Jezus Christus en door God de Vader, die Hem uit de dood heeft opgewekt.
GAL 1:2 En ook van alle broeders en zusters die bij mij zijn. Aan: de kerkgemeenschappen in Galatië.
GAL 1:3 Wij wensen jullie de genade en vrede van God, onze Vader, en van de Heer Jezus Christus toe.
GAL 1:4 Christus heeft zichzelf gegeven voor onze zonden, om ons te bevrijden uit de huidige slechte wereld, zoals onze God en Vader dat wilde.
GAL 1:5 Hem komt voor eeuwig en altijd de eer toe. Amen.
GAL 1:6 Het verbaast mij dat jullie zo snel Degene die jullie zo genadevol had geroepen, in de steek laten voor een ander “evangelie”.
GAL 1:7 Er is helemaal geen ander evangelie. Wel zijn er mensen die jullie in verwarring brengen en het evangelie van Christus willen verdraaien.
GAL 1:8 Wie het ook is die jullie een “evangelie” verkondigt dat afwijkt van wat wij aan jullie hebben verkondigd – al zouden wij het zelf zijn, of een engel uit de hemel – zo iemand verdient de hel.
GAL 1:9 Zoals we eerder hebben gezegd, en ik herhaal het nu: wie jullie een evangelie verkondigt dat afwijkt van hetgeen jullie hebben ontvangen, verdient de hel.
GAL 1:10 Probeer ik nu mensen te overtuigen, of God? Probeer ik bij mensen in de gunst te komen? Als ik nog steeds zou proberen bij mensen in de gunst te komen, zou ik geen dienaar van Christus zijn.
GAL 1:11 Broeders en zusters, ik wijs jullie erop dat het evangelie dat ik heb verkondigd niet door mensen is bedacht.
GAL 1:12 Ik heb het ook niet van een mens ontvangen of geleerd, het is mij door Jezus Christus geopenbaard.
GAL 1:13 Jullie hebben gehoord hoe ik vroeger leefde als aanhanger van het joodse geloof, toen ik Gods kerk tot het uiterste vervolgde en probeerde uit te roeien.
GAL 1:14 Ik was verder gevorderd in het jodendom dan veel van mijn Joodse leeftijdsgenoten: ik was ijveriger dan zij in het naleven van de tradities van mijn voorouders.
GAL 1:15 Maar God, in zijn genade, had mij reeds uitgekozen toen ik mij nog in de moederschoot bevond. In zijn genade riep Hij mij, en in zijn goedheid besloot Hij,
GAL 1:16 zijn Zoon aan mij te openbaren, opdat ik Hem zou verkondigen bij de niet-Joden. Ik ben toen niet meteen bij mensen te rade gegaan.
GAL 1:17 Ik ging zelfs niet naar Jeruzalem, naar hen die reeds vóór mij apostel waren geworden, maar ik vertrok meteen naar Arabië en keerde later naar Damascus terug.
GAL 1:18 Pas drie jaar later ging ik naar Jeruzalem om met Kefas kennis te maken en ik bleef vijftien dagen bij hem.
GAL 1:19 Ik zag geen van de andere apostelen, behalve Jakobus, de broer van de Heer.
GAL 1:20 Ik verzeker jullie in Gods aanwezigheid: wat ik jullie schrijf is niet gelogen.
GAL 1:21 Daarna ging ik naar het gebied van Syrië en Cilicië.
GAL 1:22 De christelijke geloofsgemeenschappen in Judea kenden mij niet persoonlijk.
GAL 1:23 Ze hadden enkel gehoord dat de persoon die hen had vervolgd, nu het geloof verkondigde dat hij eerder had willen uitroeien.
GAL 1:24 En ze prezen God om mij.
GAL 2:1 Veertien jaar later ging ik opnieuw naar Jeruzalem. Ik ging samen met Barnabas en nam ook Titus mee.
GAL 2:2 Ik ging op grond van een openbaring, en ik zette het evangelie dat ik aan de niet-Joden verkondig aan de leiders in Jeruzalem uiteen. Dat gebeurde in besloten kring, want ik wilde dat mijn inspanningen toen en nu niet vergeefs zouden zijn.
GAL 2:3 En hoewel Titus, die mij vergezelde, geen Jood is, werd hij niet gedwongen zich te laten besnijden.
GAL 2:4 Er waren echter schijnchristenen bij ons geïnfiltreerd. Zij bespioneerden stiekem de vrijheid die wij in Christus hebben, om ons tot slaaf te maken.
GAL 2:5 Wij hebben geen moment aan hen toegegeven, want we wilden – in jullie belang – dat het ware evangelie behouden zou blijven.
GAL 2:6 De leiders – hun precieze rol maakt voor mij geen verschil, want voor God is de een niet belangrijker dan de ander – die leiders hadden er niets aan toe te voegen.
GAL 2:7 Integendeel, ze zagen in dat het evangelie aan mij was toevertrouwd voor de niet-besnedenen, zoals het aan Petrus was toevertrouwd voor de besnedenen.
GAL 2:8 Want Hij die van Petrus een apostel voor de besnedenen heeft gemaakt, maakte van mij een apostel voor de niet-Joden.
GAL 2:9 Jakobus, Kefas en Johannes, die als steunpilaren worden beschouwd, erkenden de genade die mij was geschonken, en ze gaven Barnabas en mij de rechterhand als teken van onze verbondenheid en onze overeenkomst dat wij ons op de niet-Joden zouden richten en zij op de besneden mensen.
GAL 2:10 Het enige wat ze van ons vroegen was dat wij de armen zouden ondersteunen en dat was iets dat ik graag wilde doen.
GAL 2:11 Maar toen Kefas naar Antiochië kwam, heb ik hem openlijk tegengesproken, want het was duidelijk dat hij ongelijk had.
GAL 2:12 Voordat er mensen uit Jakobus' entourage op bezoek kwamen, at Kefas namelijk samen met niet-Joden. Maar toen zij waren gekomen, stopte hij daarmee en at hij apart, omdat hij bang was voor de voorstanders van de besnijdenis.
GAL 2:13 Ook de andere Joden deden mee met die hypocrisie, zodat zelfs Barnabas in hun hypocrisie werd meegesleurd.
GAL 2:14 Toen ik echter zag dat hun gedrag niet overeenkwam met het echte evangelie, zei ik in het bijzijn van iedereen tegen Kefas: “Jij bent een Jood en toch leef je niet als een jood; je houdt je niet aan de joodse rituelen. Hoe kan je dan de niet-joden dwingen om zich aan de joodse rituelen te houden?”
GAL 2:15 Wij die geboren Joden zijn en geen ‘zondaars van de andere volken’,
GAL 2:16 weten dat de mens niet rechtvaardig verklaard kan worden door de Wet na te leven, maar wel door in Christus Jezus te geloven. En wij hebben ons vertrouwen in Christus Jezus gesteld zodat we rechtvaardig verklaard worden op grond van ons geloof, en dus niet op grond van de naleving van de Wet. Niemand kan immers rechtvaardig verklaard worden door de Wet na te leven.
GAL 2:17 Als ook wij die proberen om rechtvaardig verklaard te worden door Christus, zondaars blijken te zijn, wil dat dan zeggen dat Christus in dienst staat van de zonde? Absoluut niet!
GAL 2:18 Als ik opnieuw opbouw wat ik had afgebroken, laat ik zien dat ik een overtreder van de Wet ben.
GAL 2:19 De Wet heeft ervoor gezorgd dat ik, wat de Wet betreft, gestorven ben en nu voor God leef. Ik ben samen met Christus gekruisigd,
GAL 2:20 en toch leef ik. Dat wil zeggen: mijn ‘ik’ leeft niet meer, maar Christus leeft in mij. Het leven dat ik nu in mijn lichaam leid, leid ik in het geloof in de Zoon van God, die zoveel van mij hield dat Hij zichzelf voor mij heeft gegeven.
GAL 2:21 Ik wijs Gods genade dus niet af. Integendeel, als we met God in het reine zouden kunnen komen door middel van de Wet, dan zou Christus nodeloos zijn gestorven.
GAL 3:1 Dwaze Galaten, wie heeft jullie betoverd? Er is toch duidelijk aan jullie beschreven hoe Jezus Christus in het openbaar is gekruisigd?
GAL 3:2 Ik wil maar één ding van jullie weten: hebben jullie de Geest ontvangen omdat jullie de Wet naleven, of gebeurde dat omdat jullie geloven wat jullie hebben gehoord?
GAL 3:3 Zijn jullie zo dwaas? Jullie waren begonnen met de Geest, gaan jullie nu eindigen met menselijke inspanningen?
GAL 3:4 Hebben jullie tevergeefs zoveel doorstaan?
GAL 3:5 Dat was toch niet voor niets? Schenkt God jullie vrijgevig de Geest en doet Hij machtige daden bij jullie omdat jullie de Wet naleven of doet Hij dat omdat jullie geloven wat jullie hebben gehoord?
GAL 3:6 Het is als bij Abraham: hij werd door God rechtvaardig verklaard op grond van zijn geloof.
GAL 3:7 En jullie moeten begrijpen dat zij die geloven de ware kinderen van Abraham zijn.
GAL 3:8 De Schriften voorzagen dat God de niet-Joden rechtvaardig zou verklaren op grond van hun geloof, en zij verkondigden vooraf het evangelie aan Abraham. In de Schriften staat immers: “In jou zullen alle volken worden gezegend.”
GAL 3:9 Samen met Abraham, die geloofde, zijn zij die geloven dus gezegend.
GAL 3:10 Maar zij die rekenen op het naleven van de Wet leven onder een vloek, want in de Schriften staat: “Wie niet voortdurend alle voorschriften naleeft die in de Wet staan, is vervloekt.”
GAL 3:11 Het is duidelijk dat niemand rechtvaardig verklaard wordt op grond van de Wet. Immers: “De rechtvaardige zal het leven ontvangen door middel van het geloof”.
GAL 3:12 Bij de Wet komt het niet aan op geloven, maar op “wie zo handelt, zal leven”.
GAL 3:13 Christus heeft ons van de vloek van de Wet vrijgekocht door voor ons vervloekt te worden. In de Schriften staat immers: “Ieder die aan een paal hangt, is vervloekt”.
GAL 3:14 In Jezus Christus is de zegen van Abraham dus beschikbaar geworden voor de niet-Joden, zodat wij de beloofde Geest ontvangen door ons geloof.
GAL 3:15 Broeders en zusters, ik geef een voorbeeld uit het dagelijks leven. Nadat een menselijk verbond is bekrachtigd, kan het door niemand ongeldig worden verklaard of worden gewijzigd.
GAL 3:16 De beloften zijn gegeven aan Abraham en zijn afstammeling. Er staat niet “afstammelingen” in het meervoud, maar “aan jouw afstammeling”. Het gaat dus over Christus.
GAL 3:17 Ik bedoel dit: het verbond dat voorheen door God was bekrachtigd, is niet ongeldig verklaard door de Wet die 430 jaar later kwam. De belofte is dus niet ongeldig geworden.
GAL 3:18 Indien de erfenis wordt gegeven op grond van de Wet, wordt zij niet gegeven op grond van een belofte. God gaf haar echter aan Abraham op grond van een belofte.
GAL 3:19 Waarvoor dient de Wet dan? Die is aan de belofte toegevoegd om duidelijk te maken wat de overtredingen zijn, totdat de Afstammeling zou komen naar wie die belofte verwees. De Wet is gegeven met behulp van engelen en werd toevertrouwd aan een tussenpersoon.
GAL 3:20 Een tussenpersoon is enkel nodig wanneer er meerdere partijen zijn, terwijl God één is.
GAL 3:21 Is de Wet dan in strijd met Gods beloften? Absoluut niet! Als er een wet beschikbaar zou zijn die leven schenkt, dan zou het mogelijk zijn om op grond van die wet met God in het reine te komen.
GAL 3:22 De Schrift leert echter dat de hele wereld in de macht van de zonde is. Daarom wordt het beloofde aan de gelovigen geschonken op grond van hun geloof in Jezus Christus.
GAL 3:23 Voordat dit geloof kwam, werden we door de Wet gevangengehouden en bewaakt totdat het geloof geopenbaard zou worden.
GAL 3:24 De Wet hield dus toezicht op ons totdat Christus kwam en we door het geloof met God in het reine konden komen.
GAL 3:25 Maar nu het geloof is gekomen, staan we niet meer onder dat toezicht.
GAL 3:26 Ieder van jullie is een zoon van God, door het geloof in Christus Jezus.
GAL 3:27 Want ieder die gedoopt is om voortaan christen te zijn, leeft nu met Christus.
GAL 3:28 Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen Jood en niet-Jood, tussen slaaf en vrij mens, tussen mannelijk en vrouwelijk, want jullie zijn allen op dezelfde wijze met Christus Jezus verbonden.
GAL 3:29 En omdat jullie bij Christus horen, zijn jullie afstammelingen van Abraham en erfgenamen van het beloofde.
GAL 4:1 Ik bedoel: zolang een erfgenaam nog niet volwassen is, verschilt hij in niets van een slaaf, hoewel hij de eigenaar is van alles.
GAL 4:2 Hij staat onder voogden en beheerders tot het tijdstip dat door zijn vader is bepaald.
GAL 4:3 Zo is het ook met ons: toen wij nog niet volwassen waren, waren we slaaf van de wereldse machten.
GAL 4:4 Maar toen het juiste moment was aangebroken, stuurde God zijn Zoon. Die werd uit een vrouw en onder het gezag van de Wet geboren,
GAL 4:5 om vrij te kopen wie onder het gezag van de Wet stond, opdat wij als zijn zonen zouden worden geadopteerd.
GAL 4:6 En omdat jullie zonen zijn, heeft God de Geest van zijn Zoon in ons hart uitgestort. Die Geest roept: “Abba, Vader!”
GAL 4:7 Jullie zijn dus geen slaaf meer, maar zoon. En als jullie zoon zijn, dan zijn jullie ook erfgenaam, dankzij God.
GAL 4:8 Vroeger, toen jullie God nog niet kenden, waren jullie slaaf van wat geen echte goden zijn.
GAL 4:9 En nu jullie God kennen – of beter: nu God jullie kent – keren jullie terug naar de zwakke, armzalige machten. Waarom toch? Willen jullie opnieuw slaaf zijn?
GAL 4:10 Jullie vieren dagen, nieuwe maan, seizoenen en jaren.
GAL 4:11 Ik vrees dat mijn inspanningen voor jullie vergeefs zijn geweest.
GAL 4:12 Broeders en zusters, ik smeek jullie, wees zoals ik, want ik ben zoals jullie. Jullie hebben mij geen onrecht aangedaan.
GAL 4:13 Jullie weten dat ik destijds het evangelie aan jullie verkondigde omdat ik lichamelijk ziek was.
GAL 4:14 Hoewel mijn ziekte een beproeving voor jullie was, hebben jullie mij niet veracht of verstoten. Integendeel, jullie verwelkomden mij als een boodschapper van God, als Christus Jezus zelf.
GAL 4:15 Waar is jullie vreugde van toen gebleven? Ik kan getuigen dat als het mogelijk was, jullie zelfs je eigen ogen zouden hebben verwijderd om ze aan mij te geven.
GAL 4:16 Ben ik jullie vijand geworden door jullie de waarheid te vertellen?
GAL 4:17 Die mensen spannen zich voor jullie in, maar niet met goede bedoelingen. Ze willen jullie van ons vervreemden,
GAL 4:18 opdat jullie je voor hen gaan inspannen. Het is uiteraard goed om je in te spannen voor iets dat goed is, en dat niet alleen wanneer ik bij jullie ben, maar altijd.
GAL 4:19 Mijn kinderen, ik moet telkens opnieuw weeën voor jullie doorstaan totdat jullie op Christus gaan lijken.
GAL 4:20 Ik zou nu heel graag bij jullie willen zijn en op een andere toon tegen jullie spreken, want ik ben diep bezorgd over jullie.
GAL 4:21 Vertel eens, jullie die aan de Wet onderworpen willen zijn, beseffen jullie niet wat de Wet leert?
GAL 4:22 Er staat namelijk dat Abraham twee zonen had: één bij de slavin en één bij de vrije vrouw.
GAL 4:23 De zoon van de slavin was op een natuurlijke manier verwekt, maar die van de vrije als gevolg van Gods belofte.
GAL 4:24 Allegorisch bekeken staan deze twee vrouwen voor twee verbonden. Het ene verbond is dat van de berg Sinaï, dat slaven voortbrengt. Dat is Hagar.
GAL 4:25 Hagar staat dus voor de berg Sinaï in Arabië en voor het huidige Jeruzalem, want zij bevindt zich samen met haar kinderen in slavernij.
GAL 4:26 Het hemelse Jeruzalem is echter vrij; het is onze moeder.
GAL 4:27 In de Schriften staat namelijk: “Wees blij, onvruchtbare vrouw die niet baart; jubel en juich, jij die geen weeën hebt; want de kinderen van de verlaten vrouw zullen talrijker zijn dan die van de gehuwde.”
GAL 4:28 Broeders en zusters, jullie zijn kinderen als gevolg van de belofte, net als Isaak.
GAL 4:29 Maar zoals de op natuurlijke wijze verwekte zoon de op bovennatuurlijke wijze verwekte zoon het leven moeilijk maakte, gebeurt dat nu ook.
GAL 4:30 En wat leert de Schrift? “Stuur de slavin en haar zoon weg, want de zoon van de slavin mag in geen geval mee-erven met de zoon van de vrije vrouw.”
GAL 4:31 Daarom, broeders en zusters, zijn wij geen kinderen van een slavin, maar van een vrije vrouw.
GAL 5:1 Christus heeft ons bevrijd opdat wij vrij zouden zijn. Houd dus stand en laat je niet opnieuw een slavenjuk opleggen.
GAL 5:2 Let op: ik, Paulus, zeg jullie dat als je je laat besnijden, je geen baat zult hebben bij Christus.
GAL 5:3 Nogmaals, ik waarschuw iedereen die zich laat besnijden dat hij verplicht is de Wet volledig na te leven.
GAL 5:4 Jullie die op grond van de Wet met God in het reine willen komen, hebben met Christus gebroken en hebben zijn genade verspeeld.
GAL 5:5 Maar met de hulp van de Heilige Geest kijken wij vol verwachting uit naar Gods gerechtigheid.
GAL 5:6 Het is niet van belang of een christen besneden is of niet, wat telt is geloof dat tot uiting komt in liefdebetoon.
GAL 5:7 Jullie waren zo goed bezig, wie heeft jullie ervan weerhouden aan de waarheid gehoorzaam te blijven?
GAL 5:8 Jullie zijn omgepraat, maar niet door Degene die jullie roept!
GAL 5:9 Een kleine hoeveelheid desem doet het hele deeg rijzen.
GAL 5:10 Ik vertrouw op de Heer dat jullie er niet anders over denken. Maar wie jullie in verwarring heeft gebracht – wie hij ook is – zal daarvoor worden gestraft.
GAL 5:11 Broeders en zusters, als ik werkelijk nog de besnijdenis verkondig, waarom word ik dan nog vervolgd? Dan veroorzaakt de boodschap van het kruis toch geen ergernis meer?
GAL 5:12 Ik zou willen dat die mensen die jullie zo opstoken zichzelf castreren!
GAL 5:13 Broeders en zusters, jullie zijn geroepen om vrij te zijn. Gebruik die vrijheid echter niet als een aanleiding om te zondigen, maar dien elkaar uit liefde.
GAL 5:14 De hele Wet kan immers worden vervat in één gebod: Heb je naaste lief zoals je jezelf liefhebt.
GAL 5:15 Als jullie elkaar echter aanvallen en verscheuren, pas dan maar op dat jullie niet door elkaar worden verslonden.
GAL 5:16 Ik bedoel: laat je leiden door de Geest; dan geef je niet toe aan je zondige verlangens.
GAL 5:17 Wat de zondige natuur verlangt gaat immers in tegen de Geest en wat de Geest verlangt gaat in tegen de zondige natuur. Ze staan tegenover elkaar en daarom kunnen jullie niet zomaar doen wat jullie willen.
GAL 5:18 Indien jullie echter door de Geest worden geleid, staan jullie niet onder het gezag van de Wet.
GAL 5:19 Het is duidelijk welke daden de zondige natuur voortbrengt: seksueel wangedrag, immoraliteit, losbandigheid,
GAL 5:20 afgoderij, magie, vijandigheid, rivaliteit, jaloezie, woede-uitbarstingen, geldingsdrang, onenigheid, dwaalleer,
GAL 5:21 afgunst, dronkenschap, wilde feesten en dergelijke. Ik waarschuw jullie opnieuw: wie dergelijke dingen doet, krijgt geen deel aan Gods koninkrijk.
GAL 5:22 Maar wat de Geest voortbrengt is liefde, vreugde, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, betrouwbaarheid,
GAL 5:23 zachtmoedigheid en zelfbeheersing. De Wet spreekt zich niet uit over dergelijke dingen.
GAL 5:24 Maar wie Christus Jezus toebehoort, heeft de zondige natuur met haar hartstochten en begerigheid gekruisigd.
GAL 5:25 Als wij leven dankzij de Geest, moeten we ook leven onder leiding van de Geest.
GAL 5:26 Laten we niet verwaand worden en elkaar niet dwarsbomen en benijden.
GAL 6:1 Broeders en zusters, als iemand op een overtreding wordt betrapt, moeten jullie die de Geest hebben, hem op zachtmoedige wijze corrigeren en opletten dat je zelf niet ook in verleiding komt.
GAL 6:2 Help elkaar met het dragen van lasten; zo leef je de wet van Christus na.
GAL 6:3 Als iemand denkt dat hij belangrijk is terwijl dat niet het geval is, bedriegt hij zichzelf.
GAL 6:4 Laat iedereen zijn eigen gedrag evalueren, dan heeft hij iets waarop hij fier kan zijn zonder zich met een ander te vergelijken.
GAL 6:5 Iedereen moet zijn eigen last dragen.
GAL 6:6 Wie wordt onderricht in de christelijke leer en degene die dat onderricht geeft, moeten al het goede dat zij hebben met elkaar delen.
GAL 6:7 Vergis je niet, God laat zich niet voor de gek houden. Wat een mens zaait, zal hij ook oogsten.
GAL 6:8 Wie ‘zaait’ in zijn zondige natuur, oogst van die zondige natuur de ondergang, maar wie ‘zaait’ in de Geest, oogst van de Geest het eeuwig leven.
GAL 6:9 Laten we niet verslappen in het goeddoen, want als we niet opgeven zullen we uiteindelijk oogsten.
GAL 6:10 Laten we dus, telkens wanneer we daartoe de gelegenheid hebben, doen wat goed is voor alle mensen en vooral voor onze geloofsgenoten.
GAL 6:11 Kijk eens met welke grote letters ik eigenhandig aan jullie schrijf!
GAL 6:12 Zij die een goede indruk op de mensen willen maken, proberen jullie te dwingen je te laten besnijden, enkel om vervolging omwille van het kruis van Christus te vermijden.
GAL 6:13 Want zelfs zij die zich hebben laten besnijden, houden zich niet aan de Wet. Maar ze willen wel dat jullie worden besneden, zodat ze over jullie besnijdenis kunnen pochen.
GAL 6:14 Ik wil echter absoluut niet pochen, tenzij over het kruis van onze Heer Jezus Christus, waardoor ik met de wereld heb afgerekend, en de wereld met mij.
GAL 6:15 Het is niet van belang of je besneden of onbesneden bent; wat telt is of je een nieuwe creatie bent.
GAL 6:16 Aan wie zich aan deze regel houdt – en aan allen die bij Gods volk horen – wens ik zijn vrede en mededogen toe.
GAL 6:17 Laat niemand mij verder lastigvallen, want ik draag de littekens van Jezus in mijn lichaam.
GAL 6:18 Broeders en zusters, ik wens jullie de genade van onze Heer Jezus Christus toe. Amen.
EPH 1:1 Van: Paulus, door Gods wil apostel van Christus Jezus. Aan: de christenen in Efeze en aan allen die bij Christus Jezus horen en Hem trouw zijn.
EPH 1:2 Ik wens jullie de genade en vrede van God, onze Vader, en van de Heer Jezus Christus toe.
EPH 1:3 Ik prijs de God en Vader van onze Heer Jezus Christus. Hij zegent ons met alle geestelijke zegeningen in het bovennatuurlijke, omdat wij bij Christus horen.
EPH 1:4 Voordat Hij de fundering van de wereld legde, heeft God ons namelijk uitverkoren om ten overstaan van Hem zuiver en smetteloos te zijn, omdat wij bij Christus horen.
EPH 1:5 Bovendien heeft Hij ons voorbestemd om door middel van Jezus Christus als Gods zonen te worden geadopteerd, omdat Hij dat in zijn goedheid voor ons wilde.
EPH 1:6 Zijn doel was dat wij zijn prachtige genade zouden prijzen, waarmee Hij ons heeft begunstigd omdat wij bij zijn geliefde Zoon horen.
EPH 1:7 Onze verlossing – de vergeving van onze overtredingen – hebben we aan Hem te danken: zijn bloed is voor ons vergoten. Zo toonde God de luisterrijke genade
EPH 1:8 waarmee Hij ons in zijn volkomen wijsheid en inzicht heeft overstelpt.
EPH 1:9 God heeft ons zijn geheim bekendgemaakt – het besluit dat Hij in zijn goedheid had genomen en dat Hij door middel van Christus wilde uitvoeren.
EPH 1:10 Wanneer de tijd rijp is, zal Hij namelijk alles wat in de hemel en op aarde is, samenbrengen onder één hoofd: Christus.
EPH 1:11 Omdat wij bij Christus horen, zijn wij bovendien tot erfgenamen aangesteld, voorbestemd volgens het plan van Diegene die alles uitwerkt overeenkomstig zijn besluit en wil.
EPH 1:12 Zijn plan voor ons, die als eersten onze hoop in Christus hebben gesteld, is dat ons leven een eerbetoon aan zijn grootheid zou zijn.
EPH 1:13 Ook jullie zijn tot geloof in Christus gekomen, nadat jullie de boodschap van de waarheid hadden gehoord – het evangelie dat jullie redding bracht. Omdat jullie bij Hem horen, hebben jullie bovendien de beloofde Heilige Geest ontvangen, als een waarmerk
EPH 1:14 en als een voorschot op onze erfenis – de verlossing van wie God toebehoren. Laten we zijn grootheid prijzen!
EPH 1:15 Het is daarom dat ik, sinds ik heb gehoord van jullie geloof in de Heer Jezus en van jullie liefde voor iedereen die bij Hem hoort,
EPH 1:16 God onophoudelijk voor jullie dank wanneer ik voor jullie bid.
EPH 1:17 Dan bid ik dat de God van onze Heer Jezus Christus, de verheven Vader, jullie de Geest van wijsheid en inzicht zal geven en dat jullie Hem beter zullen leren kennen.
EPH 1:18 Ook bid ik dat jullie het inzicht zullen ontvangen om te beseffen tot welke hoop Hij jullie heeft geroepen, hoe prachtig de erfenis is van de mensen die bij Hem horen,
EPH 1:19 en hoe overstelpend groot zijn kracht is voor ons die geloven.
EPH 1:20 Dit is dezelfde kracht die in Christus werkzaam was toen God Hem uit de dood opwekte en Hem een plaats in de hemel gaf, aan zijn rechterzijde,
EPH 1:21 hoog boven alle heersers, machten, krachten, vorsten en alle namen en titels, niet alleen in de huidige wereld maar ook in de komende.
EPH 1:22 God heeft Christus het gezag over alles gegeven en Hem als Hoofd van alles aangesteld, ten bate van de kerk.
EPH 1:23 De kerk is zijn lichaam en Hij is volledig in haar aanwezig, zoals Hij in alles overal volledig aanwezig zal zijn.
EPH 2:1 Jullie waren dood door je overtredingen en zonden.
EPH 2:2 En jullie leefden in die overtredingen en zonden op de manier van deze wereld, de manier van de heerser van de bovennatuurlijke machten, van de geest die momenteel werkzaam is in de mensen die God ongehoorzaam zijn.
EPH 2:3 Ooit leefden wij allemaal zoals zij: we gaven toe aan de begerigheid van onze zondige natuur en deden wat ons lichaam en onze gedachten van ons verlangden. Van nature waren we mensen die straf verdienden, net als de anderen.
EPH 2:4 Maar omdat God rijk aan mededogen is en zijn liefde voor ons groot is,
EPH 2:5 heeft Hij ons levend gemaakt met Christus, toen we nog dood waren door onze overtredingen. Het is genade dat jullie gered zijn.
EPH 2:6 En omdat wij bij Christus Jezus horen, heeft God ons met Hem tot leven gewekt en ons met Hem een plaats in zijn rijk toegewezen.
EPH 2:7 Hij deed dat opdat voortaan duidelijk zou zijn hoe overstelpend groot zijn genade en mildheid is voor ons die bij Christus Jezus horen.
EPH 2:8 Het is namelijk uit genade dat jullie door te geloven gered zijn. Het ging niet van jezelf uit, het is Gods geschenk.
EPH 2:9 Het is niet het gevolg van eigen inspanningen en daarom kan niemand erover pochen.
EPH 2:10 Wij zijn namelijk Gods creatie, geschapen om, als mensen die bij Christus Jezus horen, een leven te leiden van goede daden, die God voor ons heeft voorbereid.
EPH 2:11 Jullie zijn geen geboren Joden en worden “onbesneden” genoemd door mensen die zichzelf “de besnijdenis” noemen – een lichamelijke ingreep die door mensenhanden wordt uitgevoerd. Onthoud goed
EPH 2:12 dat jullie indertijd niet bij Christus hoorden, uitgesloten waren van het burgerschap van Israël, geen deel hadden aan de op Gods belofte gebaseerde verbonden, geen hoop hadden en zonder God op de wereld stonden.
EPH 2:13 Jullie waren ver van Hem verwijderd, maar nu horen jullie bij Christus Jezus; doordat Christus' bloed is vergoten, zijn jullie dichtbij gebracht.
EPH 2:14 Hij is onze vrede: door zijn dood heeft Hij Joden en niet-Joden met elkaar verenigd en de vijandschap – de scheidingsmuur – weggebroken.
EPH 2:15 Door zijn dood stelde Hij de joodse Wet met diens geboden en bevelen buiten werking, om van de twee groepen één nieuw volk te maken en zo vrede te stichten.
EPH 2:16 Doordat Hij gekruisigd werd, zijn de twee groepen tot één lichaam verenigd en met God verzoend en is de onderlinge vijandschap gedood.
EPH 2:17 En toen Hij kwam, verkondigde Hij niet alleen vrede aan de mensen dichtbij, maar ook aan jullie die ver weg waren.
EPH 2:18 Dankzij Hem hebben wij, de beide groepen, door één Geest toegang tot de Vader.
EPH 2:19 Jullie zijn dus geen vreemdelingen of buitenstaanders meer, maar burgers van Gods rijk en leden van zijn gezin.
EPH 2:20 Jullie zijn gebouwd op de fundering van de apostelen en profeten. Christus Jezus zelf is de hoeksteen:
EPH 2:21 Hij houdt het hele gebouw bijeen, en uit Hem rijst het op als een heilige tempel van de Heer.
EPH 2:22 En omdat jullie bij Hem horen, worden jullie mee opgebouwd tot een huis waar God woont door zijn Geest.
EPH 3:1 Het is om die reden dat ik, Paulus, de gevangene van Christus Jezus ben omwille van jullie, niet-Joden.
EPH 3:2 Jullie hebben toch gehoord dat God mij de opdracht heeft gegeven om zijn genade aan jullie over te brengen?
EPH 3:3 Dat is het geheim dat mij in een openbaring is onthuld en waarover ik jullie in het kort heb geschreven.
EPH 3:4 Door dit te lezen, kunnen jullie een begrip vormen van mijn inzicht in het geheim van Christus.
EPH 3:5 Dat was in vroegere tijden niet aan de mensen bekendgemaakt, maar nu heeft God het door zijn Geest aan zijn heilige apostelen en profeten geopenbaard.
EPH 3:6 Het geheim is dat de niet-Joden door middel van het evangelie mede-erfgenamen zijn geworden, deel uitmaken van dat ene lichaam en delen in de belofte die in Christus Jezus is waargemaakt.
EPH 3:7 God heeft mij bijzonder bevoorrecht door mij, met zijn kracht die in mij aan het werk is, in dienst van het evangelie te stellen.
EPH 3:8 Hoewel ik de geringste ben van allen die bij God horen, is mij het volgende voorrecht geschonken: ik mag de ondoorgrondelijke grootheid van de Messias verkondigen aan de niet-Joden,
EPH 3:9 en duidelijk maken hoe het geheime plan wordt uitgevoerd. Door de eeuwen heen was dat verborgen in God, die alles heeft geschapen.
EPH 3:10 Maar nu wordt Gods veelkleurige wijsheid door de kerk bekendgemaakt aan de bovennatuurlijke heersers en machten,
EPH 3:11 volgens Gods eeuwige plan, dat Hij heeft uitgevoerd door middel van Christus Jezus, onze Heer.
EPH 3:12 Het is dankzij Christus dat wij God vrijmoedig en vol vertrouwen mogen benaderen door in Hem te geloven.
EPH 3:13 Daarom vraag ik jullie, de moed niet te verliezen wegens mijn lijden voor jullie; het is eerder iets waarop jullie fier mogen zijn.
EPH 3:14 Het is om die reden dat ik neerkniel voor de Vader,
EPH 3:15 aan wie elke vorm van vaderschap in de hemel en op aarde die benaming ontleent.
EPH 3:16 Ik bid dat Hij, vanuit zijn hemelse pracht en door zijn Geest, jullie zal sterken met innerlijke kracht.
EPH 3:17 Dan zal Christus in je hart wonen door het geloof, en zal je geworteld en gegrond zijn in de liefde.
EPH 3:18 Dan zal je in staat zijn om, samen met iedereen die bij God hoort, de breedte, lengte, hoogte en diepte
EPH 3:19 van Christus' liefde – die de kennis te boven gaat – te begrijpen en te kennen, en zal je volledig gevuld zijn met Gods volkomenheid.
EPH 3:20 Hem die in staat is om – door de kracht die in ons aan het werk is – oneindig veel meer te doen dan wij bidden of beseffen,
EPH 3:21 Hem komt voor eeuwig en altijd de eer toe, in de kerk en in Christus Jezus, elke generatie opnieuw. Amen.
EPH 4:1 Als gevangene voor de Heer spoor ik jullie daarom aan, te leven overeenkomstig de roeping die jullie hebben ontvangen:
EPH 4:2 in alle bescheidenheid, zachtmoedigheid en geduld, waarbij jullie elkaar liefdevol verdragen.
EPH 4:3 Doe je uiterste best om de eenheid die de Geest geeft, te bewaren door de vrede die jullie met elkaar verbindt.
EPH 4:4 Er is één lichaam en één Geest. Er is één hoop, die je hebt ontvangen op basis van je roeping.
EPH 4:5 Er is één Heer, één geloof, één doop,
EPH 4:6 en één God en Vader van iedereen. Hij heerst over iedereen, werkt door iedereen en is in iedereen.
EPH 4:7 Aan ieder van ons is genade geschonken in de mate waarin Christus die heeft toebedeeld.
EPH 4:8 Daarom staat in de Schriften: “Toen Hij opsteeg naar omhoog, voerde Hij gevangenen mee en gaf Hij geschenken aan de mensen.”
EPH 4:9 Het feit dat Hij opsteeg betekent dat Hij eerder naar de aarde was neergedaald.
EPH 4:10 En Hij die was neergedaald, is het ook die is opgestegen, naar ver boven het luchtruim, om alles met zijn aanwezigheid te vullen.
EPH 4:11 En Hij is het die apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraars heeft gegeven,
EPH 4:12 om de mensen die bij Hem horen toe te rusten voor hun taak ten dienste van de opbouw van het lichaam van Christus.
EPH 4:13 Zo bereiken wij allen uiteindelijk de eenheid in het geloof en kennen wij de Zoon van God ten volle. Dan zijn we volwassen en heeft Christus volledig vorm gekregen in ons.
EPH 4:14 Laten we dus zorgen dat we niet langer met allerlei ‘onderwijs’ meewaaien en ons niet meer als kleine kinderen laten meesleuren door het bedrog van sluwe mensen die op misleiding uit zijn.
EPH 4:15 Laten we in plaats daarvan liefdevol de waarheid spreken en daardoor in alle opzichten groeien in onze eenheid met Hem die het hoofd is: Christus.
EPH 4:16 Aan Hem ontleent het hele lichaam zijn groei, zodat het zichzelf liefdevol kan opbouwen, terwijl de delen harmonieus met elkaar zijn verbonden via alle gewrichten waarvan het lichaam is voorzien, zodat elk deel zijn taak kan uitvoeren.
EPH 4:17 Ik zeg dus nadrukkelijk op gezag van de Heer: jullie behoren niet langer te leven zoals de niet-christenen dat doen. Hun denken is niets waard.
EPH 4:18 Hun verstand is verduisterd en ze hebben geen deel aan het leven dat God geeft, omdat ze onwetend zijn en hun hart verstard is.
EPH 4:19 Ze zijn onverschillig geworden, hebben zich aan losbandigheid overgegeven en houden zich bezig met allerlei immorele praktijken, hebzuchtig als ze zijn.
EPH 4:20 Dat is echter niet wat jullie hebben geleerd,
EPH 4:21 toen jullie over Christus hebben gehoord en in zijn leer werden onderwezen; jullie kennen de waarheid omdat jullie bij Jezus horen.
EPH 4:22 Jullie is geleerd, je te ontdoen van je oude ‘ik’, die bij je vroegere levenswijze hoort en die door misleidende begerigheid te gronde gaat.
EPH 4:23 Ook is jullie geleerd, je geest en je denken te laten vernieuwen,
EPH 4:24 en je nieuwe ‘ik’ aan te trekken, die door God geschapen is om zijn ware rechtvaardigheid en heiligheid te weerspiegelen.
EPH 4:25 Ieder van jullie behoort zich dus van de leugen te ontdoen en de waarheid te spreken tegen zijn naaste. Wij zijn immers allen delen van hetzelfde lichaam.
EPH 4:26 Als je boos bent, zondig dan niet en zorg dat je woede voorbij is tegen het einde van de dag:
EPH 4:27 geef de duivel geen kans.
EPH 4:28 Wie steelt, mag niet langer stelen, maar moet eigenhandig nuttige arbeid verrichten, zodat hij iets heeft om te delen met mensen die het nodig hebben.
EPH 4:29 Zorg dat de woorden die uit je mond komen geen schade aanrichten, maar goed en opbouwend zijn voor wie er behoefte aan heeft, en dat ze deugd doen aan wie ze horen.
EPH 4:30 Doe de Heilige Geest van God, die als een waarmerk op je rust tot de dag waarop je verlost wordt, geen verdriet.
EPH 4:31 Verwijder alle bitterheid, woede, toorn, geschreeuw en laster uit je leven, tezamen met alle soorten kwaadaardigheid,
EPH 4:32 en wees mild en medelevend voor elkaar en vergeef elkaar, zoals God jullie vergeven heeft door Christus.
EPH 5:1 Volg daarom Gods voorbeeld, als zijn dierbare kinderen,
EPH 5:2 door consequent liefde te betonen, zoals Christus zijn liefde voor ons heeft betoond: Hij gaf zijn leven voor ons, als een aangenaam geurend offer – een geschenk voor God.
EPH 5:3 Leef dus zoals het christenen betaamt. Er mag bij jullie geen sprake zijn van seksueel wangedrag of eender welke andere vorm van immoraliteit, noch van hebzucht,
EPH 5:4 noch van schunnigheid, dwaas gepraat of vuile moppen – die zijn ongepast. In plaats daarvan moeten jullie God danken.
EPH 5:5 Jullie moeten goed beseffen dat niemand die zich bezighoudt met seksueel wangedrag, immoraliteit of begerigheid naar wat anderen toebehoort – begerigheid naar wat anderen toebehoort is afgoderij – recht heeft op een aandeel in het koninkrijk van Christus en God.
EPH 5:6 Laat niemand jullie met holle woorden misleiden: het is wegens dergelijk gedrag dat God de mensen zal straffen die in ongehoorzaamheid leven.
EPH 5:7 Zorg dus dat jullie niet met hen meedoen.
EPH 5:8 Vroeger waren jullie immers duisternis, maar nu zijn jullie licht, omdat jullie bij de Heer horen. Leef dus als mensen van het licht.
EPH 5:9 Uit het licht komt namelijk alle goedheid, rechtvaardigheid en waarheid voort.
EPH 5:10 En probeer te ontdekken wat de Heer vreugde geeft.
EPH 5:11 Neem niet deel aan de vruchteloze praktijken van de duisternis; ontmasker ze daarentegen.
EPH 5:12 De dingen die stiekem door die mensen gedaan worden, zijn immers te schandalig voor woorden.
EPH 5:13 Maar ze worden zichtbaar wanneer ze aan het licht worden blootgesteld.
EPH 5:14 En alles wat zichtbaar wordt, wordt zelf licht. Daarom wordt er gezegd: “Word wakker, jij die slaapt, en verrijs uit de dood; dan zal het licht van Christus je beschijnen.”
EPH 5:15 Let daarom zorgvuldig op je manier van leven. Leef niet als dwaze, maar als verstandige mensen.
EPH 5:16 Maak gebruik van elke gelegenheid die je krijgt, want we leven in slechte tijden.
EPH 5:17 Wees dus niet onverstandig, maar leer begrijpen wat de Heer wil.
EPH 5:18 Bedrink je niet, want dat leidt tot uitspattingen. Wees daarentegen vervuld van de Geest,
EPH 5:19 en spreek elkaar toe met psalmen, gezangen en geestelijke liederen; zing en musiceer van harte voor de Heer.
EPH 5:20 Dank God de Vader daarbij voortdurend voor alles, in de naam van onze Heer Jezus Christus.
EPH 5:21 Aanvaard elkaars gezag, uit ontzag voor Christus.
EPH 5:22 Vrouwen, aanvaard het gezag van je man zoals je het gezag van de Heer aanvaardt.
EPH 5:23 De man is namelijk het hoofd van zijn vrouw, zoals Christus het hoofd is van de kerk – Hij heeft haar gered en tot zijn lichaam gemaakt.
EPH 5:24 En zoals de kerk onder het gezag van Christus staat, moet de vrouw zich in alle opzichten naar haar man schikken.
EPH 5:25 Mannen, heb je vrouw lief zoals Christus de kerk liefhad en zijn leven voor haar gaf,
EPH 5:26 om haar heilig te maken door haar schoon te wassen met zijn Woord,
EPH 5:27 teneinde haar als een stralende kerk voor zich te plaatsen, zonder smet, rimpel of iets dergelijks, maar zuiver en smetteloos.
EPH 5:28 Op dezelfde manier moeten mannen hun vrouw liefhebben zoals ze hun eigen lichaam liefhebben, want wie zijn vrouw liefheeft, heeft zichzelf lief.
EPH 5:29 Niemand haat immers zijn eigen lichaam. Integendeel, hij voedt en koestert het, zoals Christus dat doet met de kerk,
EPH 5:30 omdat wij delen van zijn lichaam zijn.
EPH 5:31 Daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten en zich aan zijn vrouw verbinden, zodat ze samen een nieuwe eenheid vormen. Ze zijn dus niet langer twee, maar één lichaam.
EPH 5:32 Dit mysterie is groot; ik spreek over Christus en de kerk.
EPH 5:33 Hoe dan ook, ieder van jullie moet zijn vrouw liefhebben zoals hij zichzelf liefheeft en de vrouw moet haar man respecteren.
EPH 6:1 Kinderen, omdat jullie bij de Heer horen, moeten jullie je ouders gehoorzamen, want zo hoort het.
EPH 6:2 Eer je vader en moeder, want dat is het eerste gebod waaraan een belofte verbonden is:
EPH 6:3 “opdat het goed met je zal gaan en je lang op aarde zal leven.”
EPH 6:4 Vaders, provoceer je kinderen niet, maar breng hen groot door hen op te voeden en te vormen zoals de Heer dat wil.
EPH 6:5 Slaven, wees gehoorzaam aan je aardse meester, met diep respect en een oprecht hart, zoals je gehoorzaam zou zijn aan Christus;
EPH 6:6 niet om door je meester te worden opgemerkt en bij hem in de gunst te komen, maar door als slaaf van Christus van harte te doen wat God wil.
EPH 6:7 Doe dat bereidwillig, alsof je geen mensen maar de Heer dient,
EPH 6:8 en in de wetenschap dat de Heer iedereen – of hij slaaf is of vrij – zal belonen voor al het goede dat hij doet.
EPH 6:9 Meesters, behandel je slaven op dezelfde manier: stop met dreigen, want je weet dat zij – net als jijzelf – een hemelse Meester hebben en dat er bij Hem geen favoritisme is.
EPH 6:10 Voor het overige: laat je sterken door de Heer en zijn almacht.
EPH 6:11 Trek Gods wapenrusting aan, om te kunnen standhouden tegen de listen van de duivel.
EPH 6:12 Onze strijd is namelijk niet gericht tegen vlees en bloed, maar tegen de heersers, machten en krachten van de huidige duisternis, tegen de slechte geestelijke machten in de bovennatuurlijke wereld.
EPH 6:13 Trek daarom Gods wapenrusting aan, om weerstand te kunnen bieden wanneer het kwaad toeslaat en om in alles te kunnen standhouden.
EPH 6:14 Houd dus stand met de waarheid als een stevige riem om je middel, de gerechtigheid als een pantser dat je hebt aangetrokken,
EPH 6:15 en met de bereidheid om het goede nieuws van de vrede te brengen als schoenen aan je voeten.
EPH 6:16 Neem bij dit alles het geloof ter hand als een schild waarmee je de brandende pijlen van de duivel kan doven,
EPH 6:17 en neem de redding aan als een helm en de boodschap van God als het zwaard van de Geest.
EPH 6:18 Bid daarbij te allen tijde: leg al je verzoeken en smeekbeden aan God voor en laat je daarbij leiden door de Geest. Wees bovendien waakzaam en volhard in je smeekbeden voor allen die bij God horen.
EPH 6:19 Bid ook voor mij, dat telkens wanneer ik mijn mond open, mij de woorden worden gegeven om vrijmoedig het geheim – het evangelie – bekend te maken.
EPH 6:20 Bid dat ik het evangelie, waarvoor ik een ambassadeur ben in ketenen, vrijmoedig zal verkondigen, zoals ik behoor te doen.
EPH 6:21 Om te zorgen dat ook jullie weten hoe het met mij gaat, zal Tychikus – onze geliefde broeder en een trouw dienaar van de Heer – jullie alles vertellen.
EPH 6:22 Ik stuur hem speciaal met dat doel naar jullie toe, zodat hij jullie van mijn omstandigheden op de hoogte kan stellen en jullie kan bemoedigen.
EPH 6:23 Ik wens de broeders en zusters toe dat God, de Vader, en de Heer Jezus Christus vrede, liefde en geloof aan hen mogen schenken.
EPH 6:24 Aan iedereen die onze Heer Jezus Christus voor altijd liefheeft, wens ik genade toe.
PHI 1:1 Van: Paulus en Timoteüs, dienaren van Christus Jezus. Aan: alle christenen in Filippi, waaronder zij die bij jullie als verantwoordelijke of met een dienende taak zijn aangesteld.
PHI 1:2 Wij wensen jullie de genade en vrede van God, onze Vader, en van de Heer Jezus Christus toe.
PHI 1:3 Ik dank mijn God telkens wanneer ik aan jullie denk.
PHI 1:4 En telkens wanneer ik voor jullie allen bid, doe ik dat vol vreugde,
PHI 1:5 wegens jullie aandeel in de verspreiding van het evangelie, vanaf de eerste dag tot nu toe.
PHI 1:6 Ik ben ervan overtuigd dat Hij die een goed werk in jullie is begonnen, dat zal voortzetten tot de dag dat Christus Jezus komt.
PHI 1:7 Het is terecht dat ik zo over jullie allen denk, want ik draag jullie in het hart en jullie delen allen met mij in de genade – zowel wanneer ik gevangen zit als wanneer ik het evangelie verdedig en bepleit.
PHI 1:8 God kan bevestigen hoezeer ik naar jullie allen verlang met de genegenheid van Christus Jezus.
PHI 1:9 Dit is wat ik bid: dat jullie liefde steeds rijker mag worden aan ware kennis en volledig inzicht,
PHI 1:10 zodat jullie kunnen onderscheiden wat belangrijk is. Dan zullen jullie zuiver en onberispelijk zijn tegen de dag dat Christus komt,
PHI 1:11 en zal volop aan jullie te zien zijn dat jullie met God in het reine zijn gebracht door Jezus Christus, zodat God wordt verheerlijkt en geprezen.
PHI 1:12 Broeders en zusters, ik wil dat jullie weten dat hetgeen mij is overkomen, bevorderlijk is gebleken voor de verspreiding van het evangelie.
PHI 1:13 Mijn gevangenschap voor Christus is namelijk bekend geraakt onder de hele keizerlijke garde en bij alle anderen.
PHI 1:14 Bovendien hebben de meeste christenen door mijn gevangenschap meer vertrouwen in de Heer en zijn ze veel moediger en onbevreesder geworden in het doorgeven van het evangelie.
PHI 1:15 Sommigen verkondigen Christus weliswaar uit afgunst en rivaliteit, maar anderen doen het met goede bedoelingen.
PHI 1:16 Die laatsten doen het uit liefde, in het besef dat ik hier ben geplaatst om het evangelie te verdedigen,
PHI 1:17 terwijl de anderen Christus verkondigen uit geldingsdrang en niet met zuivere bedoelingen. Zij denken dat ze mijn gevangenschap kunnen verzwaren.
PHI 1:18 Maakt het iets uit? Of het met slechte bedoelingen gebeurt of in oprechtheid, in beide gevallen wordt Christus verkondigd. Dat verheugt mij en zal mij blijven verheugen.
PHI 1:19 Ik weet namelijk dat dit zal leiden tot mijn bevrijding, dankzij jullie gebeden en de hulp van de Geest van Jezus Christus.
PHI 1:20 Het is namelijk mijn stellige verwachting en hoop, dat ik mij later nergens voor zal hoeven schamen, maar dat ik, zoals altijd, ook nu in alle vrijmoedigheid Christus de hoogste eer mag geven door wat er met mijn lichaam gebeurt – of ik nu sterf of in leven blijf.
PHI 1:21 Want voor mij is leven Christus, en sterven winst.
PHI 1:22 Als ik in dit lichaam blijf leven, betekent dat voor mij vruchtbare arbeid. Ik weet echter niet wat te kiezen.
PHI 1:23 Ik word naar twee kanten getrokken: ik verlang ernaar heen te gaan en bij Christus te zijn, want dat is verreweg het beste,
PHI 1:24 maar voor jullie zou het beter zijn als ik in leven blijf.
PHI 1:25 Ik weet echter, en ik ben ervan overtuigd, dat ik zal blijven en met jullie allen verder zal werken aan jullie vooruitgang en vreugde in het geloof.
PHI 1:26 Dan zullen jullie door mij nog meer reden hebben om Christus Jezus te prijzen, omdat ik dan opnieuw bij jullie zal zijn.
PHI 1:27 Het voornaamste is dat jullie een leven leiden dat het evangelie van Christus waardig is. Wanneer ik jullie dan kom bezoeken, zal ik zien – of indien ik wegblijf, zal ik dan over jullie horen – dat jullie eensgezind standhouden en eendrachtig strijden voor het geloof in het evangelie,
PHI 1:28 zonder je op enige wijze angst te laten aanjagen door tegenstanders. Dat zal voor hen een teken zijn dat zij ten onder zullen gaan en dat jullie zullen zegevieren. God zal daarvoor zorgen.
PHI 1:29 Jullie is namelijk het voorrecht geschonken, niet alleen in Christus te geloven, maar ook voor Hem te lijden.
PHI 1:30 Zo ervaren jullie dezelfde strijd die jullie mij zagen voeren, en die ik, zoals jullie vernemen, nu nog voer.
PHI 2:1 Als jullie dus enige bemoediging vinden in Christus, enige troost in zijn liefde, enige verbondenheid in de Geest, of enige genegenheid of mededogen,
PHI 2:2 maak mijn vreugde dan compleet door gelijkgezind te zijn, één in liefdebetoon, één van ziel en denken,
PHI 2:3 en door niets te doen uit geldingsdrang of verwaandheid. Wees daarentegen bescheiden: beschouw de ander als belangrijker dan jezelf,
PHI 2:4 en let niet op je eigen belang maar op dat van de anderen.
PHI 2:5 Neem ten opzichte van elkaar dezelfde houding aan als Christus Jezus.
PHI 2:6 Hoewel Hij de hoedanigheid van God bezat, maakte Hij geen aanspraak op zijn gelijkheid aan God,
PHI 2:7 maar Hij deed er afstand van en nam de hoedanigheid van een slaaf aan door als mens geboren te worden. En toen Hij als mens was verschenen,
PHI 2:8 verlaagde Hij zichzelf door gehoorzaam te zijn tot de dood – tot de dood aan een kruis.
PHI 2:9 Daarom heeft God Hem hoog verheven en Hem een naam geschonken die alle andere namen overstijgt.
PHI 2:10 Daarom zal elke knie in de hemel, op aarde en onder de aarde buigen voor Jezus,
PHI 2:11 en zal elke tong belijden dat Jezus Christus Heer is, tot eer van God de Vader.
PHI 2:12 Beste vrienden, jullie hebben mij altijd gehoorzaamd. Nu ik niet bij jullie ben, vraag ik dat jullie met het grootste ontzag voor God jullie redding in praktijk brengen, nog meer dan toen ik nog bij jullie was.
PHI 2:13 Het is namelijk God die jullie de wil en de kracht geeft om te doen wat Hem vreugde geeft.
PHI 2:14 Doe alles zonder klagen of tegensputteren.
PHI 2:15 Dan zijn jullie zuiver en onschuldig, smetteloze kinderen van God te midden van de verdorven en corrupte mensen van nu. Dan zijn jullie voor hen als sterren aan de hemel.
PHI 2:16 Als jullie goed naar de boodschap van het Leven blijven luisteren, zal ik op de Dag van Christus iets hebben waarop ik fier kan zijn, omdat ik me niet voor niets heb ingespannen en niet tevergeefs heb gezwoegd.
PHI 2:17 Maar zelfs als mijn bloed zou vloeien en ik samen met jullie geloof als een offer aan God zou worden aangeboden, dan zal ik blij zijn en me samen met jullie verheugen.
PHI 2:18 Ook jullie mogen dan blij zijn en je samen met mij verheugen.
PHI 2:19 Ik verwacht dat de Heer Jezus mij binnenkort in de gelegenheid zal stellen, Timoteüs naar jullie toe te sturen, zodat ook ik mag worden bemoedigd wanneer ik te weten kom hoe het met jullie gaat.
PHI 2:20 Ik heb namelijk geen enkele medewerker die zo met jullie meeleeft en zich zo oprecht om jullie bekommert als hij.
PHI 2:21 Alle anderen streven hun eigen belangen na, niet die van Jezus Christus.
PHI 2:22 Maar jullie weten dat Timoteüs zijn waarde heeft bewezen en mij heeft bijgestaan in de verspreiding van het evangelie, zoals een zoon zijn vader bijstaat.
PHI 2:23 Daarom hoop ik hem te sturen zodra ik zie wat er met mij gaat gebeuren.
PHI 2:24 Ik vertrouw er echter op dat de Heer mij in de gelegenheid zal stellen, binnenkort zelf te komen.
PHI 2:25 Maar ik vind het nodig om Epafroditus naar jullie terug te sturen – mijn broeder, collega en strijdmakker, die door jullie was gezonden om mij te verzorgen toen ik dat nodig had.
PHI 2:26 Hij heeft namelijk heimwee naar jullie allen en maakt zich grote zorgen, omdat jullie hebben gehoord dat hij ziek was.
PHI 2:27 Hij is inderdaad ziek geweest, op het randje van de dood. God had echter mededogen met hem. (En niet alleen met hem maar ook met mij – Hij wilde niet dat ik nog meer verdriet zou hebben.)
PHI 2:28 Daarom wil ik hem zo graag sturen. Wanneer jullie hem weer zien, zullen jullie je kunnen verheugen en kan ik opgelucht zijn.
PHI 2:29 Verwelkom hem dus vol vreugde, als iemand die bij de Heer hoort, en houd mensen als hij in aanzien,
PHI 2:30 want hij is de dood nabij gekomen door zijn werk voor Christus. Hij zette zijn leven op het spel om mij de hulp te bieden die jullie mij niet konden geven.
PHI 3:1 Voor het overige, broeders en zusters, verheug je in de Heer. Voor mij is het niet lastig om dit opnieuw aan jullie te schrijven en voor jullie biedt het zekerheid.
PHI 3:2 Pas op voor de slechte arbeiders! Pas op voor die honden! Pas op voor hun verminking!
PHI 3:3 Wij zijn namelijk de echte besnedenen, wij die God aanbidden door de Geest, wij die fier zijn op Christus Jezus in plaats van op menselijke capaciteiten te vertrouwen.
PHI 3:4 Want ook ik zou op menselijke capaciteiten kunnen vertrouwen. Als een ander reden heeft om op menselijke capaciteiten te vertrouwen, dan ik nog meer.
PHI 3:5 Ik ben besneden toen ik acht dagen oud was, ik ben Israëliet, van de stam Benjamin, een volbloed Hebreeër, en aan de Wet gehoorzaam volgens de leer van de farizeeën.
PHI 3:6 Wat mijn inzet betreft: ik vervolgde de christenen. Wat mijn oprechtheid betreft: ik hield mij onberispelijk aan de Wet.
PHI 3:7 Maar alles wat winst voor mij was, beschouw ik als verlies, omwille van Christus.
PHI 3:8 Sterker nog, ik beschouw alles als verlies, omdat het kennen van Christus Jezus, mijn Heer, alles overstijgt. Voor Hem heb ik alles prijsgegeven en ik beschouw alles als vuilnis om bij Christus te mogen horen
PHI 3:9 en één met Hem te mogen zijn. Ik probeer niet met God in het reine te komen door de Wet na te leven, maar ik ben op grond van mijn geloof in God van mijn schuld vrijgesproken.
PHI 3:10 Ik wil Christus kennen, de kracht van zijn opstanding ervaren, delen in zijn lijden en als Hem zijn in zijn dood,
PHI 3:11 in de verwachting om zelf uit de dood te mogen verrijzen.
PHI 3:12 Niet dat ik dat reeds heb verkregen of mijn doel heb bereikt, maar ik zet me in om alles te bereiken wat Christus Jezus wil dat ik bereik.
PHI 3:13 Broeders en zusters, ikzelf denk niet dat ik het al bereikt heb, maar één ding doe ik: ik vergeet wat achter me ligt, richt me op wat voor me ligt,
PHI 3:14 en span mij in om het doel te behalen: de hemelse prijs waartoe God mij door Christus Jezus heeft geroepen.
PHI 3:15 Laten zij die volwassen zijn, er ook zo over denken. En als jullie er op enig punt anders over denken, zal God ook dat aan jullie openbaren.
PHI 3:16 Hoe dan ook, we hebben al veel bereikt; laten we zo voortdoen.
PHI 3:17 Volg mijn voorbeeld, broeders en zusters, en let op de mensen die ons voorbeeld volgen.
PHI 3:18 Ik heb jullie namelijk al vaak gezegd, en nu zeg ik het wenend: er zijn velen die leven als vijanden van het kruis van Christus.
PHI 3:19 Hun einde is de ondergang; hun god is hun buik; ze gaan prat op hun schandalige gedrag en het gaat hen om aardse dingen.
PHI 3:20 Wij daarentegen zijn burgers van de hemel, en het is daarvandaan dat wij de redder, de Heer Jezus Christus, verwachten.
PHI 3:21 Dan zal Hij, met de kracht die Hem in staat stelt alles onder zijn gezag te brengen, ons schamele lichaam omvormen, zodat het zal lijken op zijn hemelse lichaam.
PHI 4:1 Daarom, mijn geliefde broeders en zusters naar wie ik verlang, mijn vreugde en mijn erekrans, blijf standvastig in je leven met de Heer, mijn vrienden.
PHI 4:2 Euodia en Syntyche spoor ik allebei aan, eensgezind te zijn; jullie zijn immers zusters door je geloof in de Heer.
PHI 4:3 En jou, mijn trouwe medewerker, vraag ik hen te helpen. Zij hebben namelijk samen met mij gestreden voor het evangelie, evenals Clemens en mijn overige medewerkers, van wie de namen in het boek van het leven staan.
PHI 4:4 Verheug je altijd in de Heer. Ik zeg het nogmaals: verheug je.
PHI 4:5 Laat je vriendelijkheid bekend zijn bij alle mensen. De Heer is dichtbij.
PHI 4:6 Wees nooit ongerust, maar leg in alle omstandigheden je verzoeken aan God voor, door te bidden, te smeken en te danken.
PHI 4:7 Dan zal Gods vrede, die alle begrip overstijgt, je hart en gedachten beschermen door Christus Jezus.
PHI 4:8 Ten slotte, broeders en zusters, richt je gedachten op de zaken die waar, eerbaar, rechtvaardig, zuiver, vriendelijk en bewonderenswaardig zijn; kortom: op de zaken die deugdzaam en prijzenswaardig zijn.
PHI 4:9 Breng in praktijk wat jullie van mij hebben geleerd, ontvangen en gehoord en wat jullie bij mij hebben gezien; dan zal de God van vrede bij jullie zijn.
PHI 4:10 Ik ben de Heer bijzonder dankbaar dat jullie eindelijk je belangstelling voor mij hebben kunnen verdiepen. In feite hadden jullie wel belangstelling voor mij, maar waren jullie niet in de gelegenheid om dat te tonen.
PHI 4:11 Ik zeg dit niet omdat ik gebrek lijd, want ik heb geleerd om in alle omstandigheden tevreden te zijn.
PHI 4:12 Ik weet wat armoede is en ik weet ook wat overvloed is. Ik heb geleerd om altijd en overal tevreden te zijn, zowel wanneer ik volop kan eten als wanneer ik honger lijd, zowel bij overvloed als bij gebrek.
PHI 4:13 Ik kan alles aan, door Hem die mij kracht geeft.
PHI 4:14 Hoe dan ook, jullie hebben er goed aan gedaan, met mij mee te leven in mijn moeilijkheden.
PHI 4:15 Jullie weten zelf ook, Filippenzen, dat in de beginperiode, toen jullie het evangelie ontvingen nadat ik uit Macedonië was vertrokken, geen enkele kerkgemeenschap zich om mijn financiën heeft bekommerd, behalve jullie.
PHI 4:16 Want zelfs toen ik in Tessalonica was, hebben jullie meermaals een gift gestuurd om mijn tekorten aan te vullen.
PHI 4:17 Het gaat mij echter niet om de gift, maar om de toename van het tegoed op jullie rekening.
PHI 4:18 Ik heb alles ontvangen en zelfs meer. Ik heb nu meer dan voldoende, dankzij jullie giften, die ik van Epafroditus in ontvangst heb genomen. Ze zijn als een aangenaam geurend offer dat God vreugde geeft.
PHI 4:19 En mijn God zal vanuit zijn hemelse rijkdom ook al jullie tekorten aanvullen door middel van Christus Jezus.
PHI 4:20 Onze God en Vader komt voor eeuwig en altijd de eer toe. Amen.
PHI 4:21 Groet allen die bij Christus Jezus horen. De broeders en zusters die bij mij zijn, groeten jullie.
PHI 4:22 Alle christenen hier groeten jullie, in het bijzonder zij die deel uitmaken van de keizerlijke hofhouding.
PHI 4:23 Ik wens jullie de genade van de Heer Jezus Christus toe.
COL 1:1 Van: Paulus, door Gods wil apostel van Christus Jezus, en van onze broeder Timoteüs.
COL 1:2 Aan: onze trouwe broeders en zusters in Kolosse, jullie die heilig zijn omdat jullie bij Christus Jezus horen. Ik wens jullie de genade en vrede van God, onze Vader toe.
COL 1:3 Telkens wanneer wij voor jullie bidden, danken wij God, de Vader van onze Heer Jezus Christus.
COL 1:4 Wij hebben namelijk gehoord van jullie geloof in Christus Jezus en van jullie liefde voor iedereen die bij God hoort.
COL 1:5 Beide komen voort uit jullie verwachting van hetgeen in de hemel voor jullie klaarligt. Daarover hebben jullie gehoord toen de verkondiging van de waarheid, het evangelie,
COL 1:6 jullie bereikte. Het evangelie draagt vrucht en groeit in de hele wereld, zoals dat bij jullie gebeurde vanaf de dag dat jullie het hoorden en de ware betekenis van Gods genade leerden kennen.
COL 1:7 Jullie vernamen het van Epafras, onze geliefde collega in dienst van God. Hij dient Christus trouw namens jullie,
COL 1:8 en hij heeft ons verteld over de liefde die de Geest in jullie opwekt.
COL 1:9 Daarom bidden we, sinds de dag dat we daarover hoorden, onophoudelijk dat jullie vol kennis zullen zijn van hetgeen God wil, en dat de Geest jullie alle wijsheid en inzicht zal schenken.
COL 1:10 Dan zal jullie gedrag waardig zijn in de ogen van de Heer en door Hem volledig worden goedgekeurd. Ook zullen jullie dan vrucht dragen in de vorm van allerlei goede daden en groeien in de kennis van God.
COL 1:11 Bovendien zal Hij, in zijn luisterrijke macht, jullie alle kracht schenken die je nodig hebt om alles geduldig en volhardend te verdragen, je te verheugen
COL 1:12 en de Vader te danken. Want Hij heeft ervoor gezorgd dat we mogen delen in de erfenis die bestemd is voor wie bij Hem hoort en in het licht leeft.
COL 1:13 Hij heeft ons uit de macht van de duisternis gered en ons overgeplaatst naar het koninkrijk van zijn geliefde Zoon,
COL 1:14 die ons de verlossing bracht, de vergeving van zonden.
COL 1:15 In Christus is de onzichtbare God zichtbaar geworden en Christus is de eerstgeborene van de hele schepping.
COL 1:16 Alles in de hemel en op aarde – het zichtbare en het onzichtbare, zelfs de vorsten, machten, heersers en gezagsdragers – is geschapen door en voor Christus.
COL 1:17 Hij bestond vóór alles en alles bestaat dankzij Hem.
COL 1:18 Ook is Hij het hoofd van de kerk – en de kerk is zijn lichaam. Hij is de oorsprong en omdat Hij als eerste uit de dood verrees, neemt Hij in alles de eerste plaats in.
COL 1:19 God had namelijk in zijn goedheid besloten, ten volle in Christus aanwezig te zijn,
COL 1:20 en door middel van Hem alle dingen, zowel op aarde als in de hemel, met zich te verzoenen en vrede te brengen door Christus' dood aan het kruis.
COL 1:21 Vroeger waren jullie van God vervreemd en Hem vijandig gezind. Jullie deden slechte dingen.
COL 1:22 Maar nu heeft Hij jullie met Zich verzoend door Christus' sterfelijke lichaam – door zijn dood – zodat jullie ten overstaan van Hem zuiver, smetteloos en onberispelijk zijn.
COL 1:23 Maar dat geldt enkel als je het geloof trouw blijft, standvastig en onwrikbaar bent en je niet laat afbrengen van de hoop die het evangelie biedt – het evangelie dat jullie hebben gehoord en dat aan alle schepselen in de wereld werd verkondigd. En ik, Paulus, sta in dienst van dat evangelie.
COL 1:24 Ik verheug mij dat ik nu voor jullie lijd. Ik vul in mijn lichaam aan wat er nog ontbreekt aan het lijden voor Christus ten bate van zijn lichaam, de kerk.
COL 1:25 Ik ben ten dienste van de kerk gesteld op basis van de opdracht die God mij heeft gegeven: zijn boodschap ten volle aan jullie bekendmaken.
COL 1:26 Die boodschap is het geheim dat eeuwen en generaties lang verborgen is geweest, maar dat nu is onthuld aan wie bij God horen.
COL 1:27 God besloot aan hen bekend te maken hoe glorieus de pracht van dit geheim is voor de niet-Joden: Christus leeft in jullie en dankzij Hem wacht jullie de hemel.
COL 1:28 En het is Christus die wij verkondigen: we waarschuwen iedereen en onderwijzen iedereen, met gebruik van alle wijsheid, omdat we iedereen naar het volle leven met Christus willen leiden.
COL 1:29 Het is daarvoor dat ik mij inspan en zwoeg, met behulp van zijn kracht, die volop in mij aan het werk is.
COL 2:1 Jullie moeten weten dat ik een zware strijd voer – voor jullie, voor de christenen in Laodicea en ook voor wie mij niet persoonlijk heeft ontmoet.
COL 2:2 Ik probeer er namelijk voor te zorgen dat jullie allen innerlijk worden bemoedigd en door de liefde met elkaar verbonden zijn, en dat jullie de volkomen zekerheid ervaren die voortvloeit uit jullie inzicht in Gods geheim: Christus.
COL 2:3 In Hem liggen alle schatten van wijsheid en kennis verborgen.
COL 2:4 Ik zeg dit om ervoor te zorgen dat niemand jullie met mooi klinkende argumenten misleidt.
COL 2:5 Al ben ik lichamelijk afwezig, in de geest ben ik bij jullie en het verheugt mij, jullie discipline en standvastigheid in het geloof in Christus te zien.
COL 2:6 Omdat jullie Christus Jezus hebben aanvaard als je Heer, moeten jullie leven als mensen die bij Hem horen.
COL 2:7 Dat doe je door in Hem geworteld te zijn en opgebouwd te worden, je geloof te versterken zoals jullie geleerd is, en volop je dankbaarheid uit te drukken.
COL 2:8 Pas op dat je je door niemand laat meeslepen in nietszeggende, misleidende theorieën; die zijn gebaseerd op menselijke tradities en de machten van deze wereld, maar niet op Christus.
COL 2:9 Het is in Hem dat heel Gods wezen ten volle aanwezig is.
COL 2:10 En het is omdat jullie bij Christus horen, die boven alle heersers en machten staat, dat jullie het volle leven hebben.
COL 2:11 Omdat jullie bij Hem horen zijn jullie ook besneden, maar niet met mensenhanden: het is de besnijdenis van Christus, de verwijdering van het zondige lichaam.
COL 2:12 Door middel van de doop zijn jullie met Christus mee begraven, en door te geloven in de kracht van God, die Hem uit de dood heeft opgewekt, zijn jullie met Hem mee uit de dood opgewekt.
COL 2:13 Toen jullie nog dood waren door je overtredingen en je onbesneden staat, heeft Hij jullie met Hem mee tot leven gewekt en al je overtredingen vergeven.
COL 2:14 Hij heeft het bezwarende bewijsstuk van onze schulden met de bijhorende bevelen uitgewist en verwijderd, door dat aan het kruis te spijkeren.
COL 2:15 En door middel van Christus heeft God over de heersers en gezagsdragers gezegevierd, hen ontwapend en hen openlijk te kijk gezet.
COL 2:16 Laat je daarom door niemand bekritiseren over eten en drinken of het vieren van feestdagen, nieuwe maan of de sabbat.
COL 2:17 Die zaken zijn een schaduw van wat zou komen, namelijk de dingen van Christus.
COL 2:18 Laat je daarvan niet afbrengen door mensen die opgaan in zelfvernedering en engelenverering, die pochen over hun visioenen, die verwaand zijn geraakt door hun aardse mentaliteit.
COL 2:19 Dergelijke mensen zijn niet langer verbonden met het Hoofd, van waaruit het gehele lichaam – dat via de gewrichten en pezen wordt bijeengehouden en functioneert – groeit op de wijze die door God wordt bepaald.
COL 2:20 Als jullie samen met Christus dood zijn voor de machten van de wereld, waarom laten jullie je dan nog regels opleggen, alsof jullie nog bij de wereld horen?
COL 2:21 ‘Niet aanraken! Niet van eten! Afblijven!’
COL 2:22 Al die regels zijn gebaseerd op menselijke geboden en leerstellingen en betreffen zaken die tenietgaan zodra ze worden genuttigd.
COL 2:23 Die regels gaan wel door voor wijsheid, wegens hun zelfbedachte godsdienstigheid, zelfvernedering en minachting voor het lichaam, maar het enige waarvoor ze dienen is de bevrediging van de zondige natuur.
COL 3:1 Omdat jullie samen met Christus zijn verrezen, moet je je richten op de dingen van hierboven, waar Christus zich bevindt, aan Gods rechterzijde.
COL 3:2 Je denken moet gericht zijn op wat hierboven is, niet op wat op aarde is.
COL 3:3 Jullie zijn immers gestorven en jullie leven ligt samen met Christus verborgen in God.
COL 3:4 En wanneer Christus, ons Leven, wordt geopenbaard, zal ook worden geopenbaard dat jullie mogen delen in zijn hemelse pracht.
COL 3:5 Beschouw daarom als dood wat tot je aardse ‘ik’ behoort: seksueel wangedrag, immoraliteit, hartstocht, slechte verlangens en hebzucht – hebzucht is namelijk afgoderij.
COL 3:6 Het is omwille van deze dingen dat God de mensen die Hem ongehoorzaam zijn, zal straffen.
COL 3:7 Ooit deden jullie ze zelf ook. Jullie leefden ook zo.
COL 3:8 Maar nu moeten jullie je van dat alles – woede, toorn, kwaadaardigheid, laster en vuile taal – ontdoen.
COL 3:9 Lieg niet tegen elkaar, want je hebt je ontdaan van je oude ‘ik’ met zijn bijhorende gewoonten,
COL 3:10 en je gehuld in je nieuwe ‘ik’, dat voortdurend wordt vernieuwd en zijn Schepper steeds beter kent en weerspiegelt.
COL 3:11 Dan is er geen sprake meer van Griek of Jood, besneden of onbesneden, vreemdeling, barbaar, slaaf of vrij mens, maar van: Christus is alles en Hij is in ons allen.
COL 3:12 Omdat jullie Gods eigen, dierbare uitverkorenen zijn, moeten jullie je hullen in mededogen, vriendelijkheid, bescheidenheid, zachtmoedigheid en geduld,
COL 3:13 en elkaar verdragen en vergeven wanneer iemand iets tegen een ander heeft. Zoals de Heer jullie heeft vergeven, moeten jullie dat ook doen ten opzichte van elkaar.
COL 3:14 En al deze zaken moet je combineren met de liefde – de band die volkomen eenheid creëert.
COL 3:15 Laat je in je beslissingen leiden door de vrede van Christus. Jullie zijn, als delen van hetzelfde lichaam, immers geroepen om in vrede met elkaar te leven. En wees dankbaar.
COL 3:16 Zorg dat de woorden van Christus volop in je leven. Onderwijs en vermaan elkaar met gebruik van alle wijsheid. Zing met een dankbaar hart psalmen, gezangen en geestelijke liederen voor God.
COL 3:17 Wat je ook doet en wat je ook zegt, zorg dat je het doet en zegt in naam van de Heer Jezus en om je dankbaarheid voor Hem te tonen aan God de Vader.
COL 3:18 Vrouwen, aanvaard het gezag van je man, zoals gepast is voor wie bij de Heer hoort.
COL 3:19 Mannen, heb je vrouw lief en wees niet ruw tegen haar.
COL 3:20 Kinderen, wees in alles gehoorzaam aan je ouders, want dat is wat de Heer vreugde geeft.
COL 3:21 Ouders, maak het je kinderen niet te lastig, want dan raken ze ontmoedigd.
COL 3:22 Slaven, wees in alles gehoorzaam aan je aardse meester – niet alleen wanneer hij je ziet, om bij hem in de gunst te komen, maar met een oprecht hart en uit ontzag voor de Heer.
COL 3:23 Wat je ook doet, doe het van harte, als voor de Heer en niet voor mensen.
COL 3:24 Je weet immers dat je van Christus, de Heer die je dient, als beloning de erfenis zal ontvangen.
COL 3:25 En wie kwaad doet, zal daarvoor boeten, zonder uitzondering.
COL 4:1 Meesters, behandel je slaven rechtvaardig en correct, in het besef dat je zelf een Meester in de hemel hebt.
COL 4:2 Wees volhardend, waakzaam en dankbaar in je gebeden.
COL 4:3 Bid dan ook voor ons, dat God deuren voor ons zal openen om het geheim van Christus, omwille waarvan ik gevangen zit, bekend te maken.
COL 4:4 Bid ook dat ik het duidelijk zal kunnen uitleggen, want dat is wat ik behoor te doen.
COL 4:5 Gedraag je verstandig ten opzichte van buitenstaanders en maak gebruik van de kansen die je krijgt.
COL 4:6 Zorg dat de dingen die je zegt, altijd aangenaam en met zout op smaak gebracht zijn: weet hoe je op iedere persoon moet reageren.
COL 4:7 Tychikus, onze geliefde broeder, collega en trouwe dienaar van de Heer, zal jullie al mijn nieuws vertellen.
COL 4:8 Ik stuur hem speciaal met dat doel naar jullie toe – om jullie van mijn omstandigheden op de hoogte te stellen en jullie te bemoedigen.
COL 4:9 Ik stuur Onesimus, de trouwe en geliefde broeder die bij jullie vandaan komt, met hem mee. Zij zullen jullie alles vertellen over de omstandigheden hier.
COL 4:10 Aristarchus, die samen met mij gevangen zit, groet jullie, en ook Markus, de neef van Barnabas. (Over hem hebben jullie instructies ontvangen: als hij bij jullie komt, moeten jullie hem verwelkomen.)
COL 4:11 En ook Jezus die Justus wordt genoemd. Zij zijn mijn enige medearbeiders in Gods koninkrijk die van Joodse afkomst zijn, en zij zijn mij tot steun geweest.
COL 4:12 Epafras groet jullie. Hij is een van jullie, en een dienaar van Christus Jezus. Hij worstelt voortdurend voor jullie in het gebed. Hij bidt dan dat jullie je, als volwassen christenen, vol overtuiging zullen richten op alles wat God wil.
COL 4:13 Ik kan over Epafras getuigen dat hij zich hard voor jullie inspant, en ook voor de gelovigen in Laodicea en Hiërapolis.
COL 4:14 De geliefde dokter Lukas, en ook Demas, groeten jullie.
COL 4:15 Groet de broeders en zusters in Laodicea en ook Nymfa en de kerkgemeenschap die in haar huis samenkomt.
COL 4:16 Wanneer deze brief aan jullie is voorgelezen, laat hem dan ook voorlezen in de kerkgemeenschap in Laodicea en laat de brief aan de kerkgemeenschap in Laodicea bij jullie voorlezen.
COL 4:17 Zeg tegen Archippus: zorg dat je de taak die je van de Heer hebt ontvangen, uitvoert.
COL 4:18 Deze groet schrijf ik, Paulus, eigenhandig. Denk aan mij in mijn gevangenschap. Ik wens jullie Gods genade toe.
1TH 1:1 Van: Paulus, Silvanus en Timoteüs. Aan: de kerkgemeenschap in Tessalonica, die toebehoort aan God de Vader en de Heer Jezus Christus. Wij wensen jullie genade en vrede toe.
1TH 1:2 Wij danken God altijd voor jullie allen en we bidden voortdurend voor jullie.
1TH 1:3 Dan denken wij in de aanwezigheid van onze God en Vader aan de daden die jullie doen uit geloof, aan jullie liefdevolle inspanningen en aan de vasthoudendheid waarmee jullie je hoop op onze Heer Jezus Christus vestigen.
1TH 1:4 Jullie zijn God dierbaar, broeders en zusters, en wij weten dat Hij jullie heeft uitverkoren,
1TH 1:5 want ons goede nieuws heeft jullie niet enkel bereikt in de vorm van woorden, maar ook door wonderen, de Heilige Geest en grote overtuigingskracht. Jullie weten hoe wij ons bij jullie hebben gedragen; het ging ons om jullie.
1TH 1:6 En jullie hebben ons voorbeeld en het voorbeeld van de Heer gevolgd door onze boodschap te aanvaarden met de vreugde die de Heilige Geest schenkt, hoewel jullie veel verdrukking meemaken.
1TH 1:7 Zo zijn jullie een voorbeeld geworden voor alle gelovigen in Macedonië en Achaje.
1TH 1:8 Vanaf jullie heeft de boodschap van de Heer zich niet alleen verspreid in Macedonië en Achaje; jullie geloof in God is overal bekend geraakt, zodat wij er zelf niets over hoeven te zeggen.
1TH 1:9 Er wordt ons namelijk verteld hoe jullie ons hebben verwelkomd: jullie bekeerden je van de afgoden tot God. En nu dienen jullie de levende en ware God,
1TH 1:10 en verwachten jullie uit de hemel zijn Zoon, Jezus, die door Hem uit de dood is opgewekt en die ons redt van de naderende straf.
1TH 2:1 Broeders en zusters, jullie weten zelf dat ons bezoek aan jullie niet vergeefs was.
1TH 2:2 Zoals jullie weten, waren wij in Filippi mishandeld en vernederd geweest. Maar God gaf ons de vrijmoedigheid om jullie te midden van veel tegenstand Gods goede nieuws te vertellen.
1TH 2:3 Onze verkondiging komt immers niet voort uit een dwaling, slechte bedoelingen of bedrog.
1TH 2:4 God heeft ons het evangelie toevertrouwd omdat Hij ons daartoe heeft waardig gekeurd. En wij spreken niet om bij mensen in de gunst te komen, maar bij God, want Hij is het die onze harten keurt.
1TH 2:5 Zoals jullie weten zijn wij nooit gekomen met vleiende woorden of hebzuchtige motieven. God is onze getuige!
1TH 2:6 Ook waren wij niet uit op eer van de mensen – van jullie of anderen –
1TH 2:7 hoewel we die hadden kunnen opeisen als apostelen van Christus. Integendeel, we waren teder voor jullie, zoals een moeder die haar kinderen koestert.
1TH 2:8 En omdat we zo op jullie gesteld waren, waren we bereid om niet alleen het evangelie van God met jullie te delen, maar ook ons eigen leven. Jullie waren ons dierbaar geworden.
1TH 2:9 Broeders en zusters, jullie weten nog wel hoe wij, toen wij jullie het evangelie van God verkondigden, dag en nacht hebben gewerkt en gezwoegd om geen van jullie tot last te zijn.
1TH 2:10 Jullie kunnen getuigen – en God ook – hoe zuiver, oprecht en onberispelijk wij ons hebben gedragen tegenover jullie die tot geloof kwamen.
1TH 2:11 Ook weten jullie hoe wij, als een vader zijn kinderen, ieder van jullie
1TH 2:12 hebben bemoedigd, aangespoord en opgeroepen om te leven op een manier die waardig is in de ogen van de God die jullie heeft geroepen om in zijn koninkrijk en zijn hemelse pracht te leven.
1TH 2:13 Het is daarom dat wij God voortdurend danken, want toen jullie het evangelie van ons ontvingen, aanvaardden jullie het niet als een boodschap van mensen, maar als hetgeen het werkelijk is: de boodschap van God. En die boodschap is nu ook werkzaam in jullie, gelovigen.
1TH 2:14 Broeders en zusters, jullie is hetzelfde overkomen als Gods kerkgemeenschappen in Judea die Christus Jezus toebehoren: jullie hebben van je stadgenoten hetzelfde lijden te verduren gekregen als zij van de Joden.
1TH 2:15 Die hebben zowel de Heer Jezus als de profeten gedood en ze hebben ons verdreven; ze doen wat God afkeurt en zijn vijandig tegen alle mensen.
1TH 2:16 Ze wilden ons namelijk beletten over de redding te spreken met niet-Joden. Zo zijn ze blijven zondigen totdat de maat vol was, maar ten slotte heeft Gods straf hen bereikt.
1TH 2:17 Broeders en zusters, wij zijn een tijdje bij jullie vandaan geweest – hoewel we in gedachten bij jullie bleven – maar we hebben er alles aan gedaan om jullie weer te zien. We hebben jullie gemist.
1TH 2:18 We wilden graag bij jullie komen – en ik, Paulus, heb het meermaals geprobeerd – maar de satan hield ons tegen.
1TH 2:19 Wie is immers onze hoop, onze vreugde en onze erekrans bij onze Heer Jezus wanneer Hij terugkomt? Dat zijn jullie toch!
1TH 2:20 Jullie zijn het die ons tot eer strekken en over wie wij ons verheugen!
1TH 3:1 Toen wij het niet langer konden uithouden, leek het ons daarom beter om zelf in Athene achter te blijven,
1TH 3:2 en Timoteüs te sturen. Hij is onze broeder en Gods medewerker in de verkondiging van het evangelie van Christus. We stuurden hem naar jullie toe om jullie in je geloof te sterken en aan te moedigen,
1TH 3:3 opdat niemand onzeker zou worden wegens de huidige moeilijkheden. Jullie wisten immers dat dit ons zou overkomen.
1TH 3:4 Toen wij bij jullie waren, hebben we jullie reeds verteld dat we verdrukt zouden worden, en zoals jullie weten is dat gebeurd.
1TH 3:5 Daarom heb ik Timoteüs gestuurd toen ik het niet langer kon uithouden, om te weten te komen hoe het ging met jullie geloof. Ik vroeg me namelijk af of de verleider jullie had verleid en onze moeite vergeefs was geweest.
1TH 3:6 Maar nu is Timoteüs bij ons teruggekomen met het goede nieuws over jullie geloof en liefde. Ook heeft hij verteld dat jullie nog altijd positief over ons denken en er evenzeer naar verlangen ons te zien als wij jullie.
1TH 3:7 Het is daarom, broeders en zusters, dat wij in al onze nood en moeite bemoedigd zijn door jullie geloof.
1TH 3:8 Omdat jullie standhouden in jullie geloof in de Heer, leven wij weer op.
1TH 3:9 Hoe kunnen wij God voldoende danken omwille van jullie? We zijn vol vreugde wanneer we in Gods aanwezigheid aan jullie denken.
1TH 3:10 Dag en nacht bidden we vurig dat we jullie weer persoonlijk mogen zien, en mogen aanvullen wat er nog aan jullie geloof ontbreekt.
1TH 3:11 Ik bid dat God, onze Vader, en onze Heer Jezus, ons naar jullie toe zal leiden.
1TH 3:12 Ook bid ik dat de Heer jullie liefde voor elkaar en voor allen zal doen groeien en toenemen, zoals dat gebeurt met onze liefde voor jullie,
1TH 3:13 en dat Hij jullie innerlijk zal sterken, zodat jullie voor onze God en Vader onberispelijk en zuiver zullen zijn wanneer onze Heer Jezus komt met al zijn heilige engelen.
1TH 4:1 Voor het overige, broeders en zusters, jullie hebben van ons geleerd hoe je moet leven op een manier die door God wordt goedgekeurd. Jullie doen dit, en nu vragen wij en sporen wij jullie aan in naam van de Heer Jezus: doe het nog meer!
1TH 4:2 Jullie weten immers wat wij jullie in naam van de Heer Jezus hebben opgedragen.
1TH 4:3 God wil dat jullie een zuiver leven leiden, zonder seksueel wangedrag.
1TH 4:4 Ieder van jullie moet zijn lichaam op een zuivere, eerzame wijze weten te beheersen,
1TH 4:5 en niet aan hartstochtelijke passies toegeven zoals de ongelovigen, want zij kennen God niet.
1TH 4:6 Laat niemand op dit vlak zijn broeder of zuster schaden of benadelen, want dan zal de Heer hem voor al die zaken straffen, zoals we jullie eerder hebben verteld en opgedragen.
1TH 4:7 God heeft ons niet geroepen om in immoraliteit te leven, maar in zuiverheid.
1TH 4:8 Wie deze waarschuwing verwerpt, verwerpt dan ook niet een mens, maar God, die jullie zijn Heilige Geest geeft.
1TH 4:9 Over het onderlinge liefdebetoon hoef ik jullie niets te schrijven, want jullie hebben zelf van God geleerd om liefdevol met elkaar om te gaan.
1TH 4:10 Jullie doen dat reeds met alle broeders en zusters in geheel Macedonië. Broeders en zusters, wij sporen jullie aan: doe dat nog meer,
1TH 4:11 en maak er een erezaak van om een rustig leven te leiden – dat wil zeggen: je eigen zaken te behartigen en je eigen kost te verdienen – zoals we jullie hadden opgedragen.
1TH 4:12 Dan gedragen jullie je gepast ten opzichte van buitenstaanders en zijn jullie van niemand afhankelijk.
1TH 4:13 Broeders en zusters, wij willen niet dat jullie onwetend blijven over de mensen die overleden zijn. Dan hoeven jullie niet te treuren; dat is wat de anderen doen, omdat zij geen hoop hebben.
1TH 4:14 Maar wij geloven dat Jezus is gestorven en verrezen, en we geloven ook dat God de overleden christenen samen met Jezus naar zich zal toehalen.
1TH 4:15 We vertellen jullie wat de Heer heeft gezegd, namelijk dat wij die in leven zijn en achterblijven tot de komst van de Heer, de overledenen in geen geval zullen voorgaan.
1TH 4:16 Wanneer het signaal klinkt – de stem van een aartsengel en de klank van Gods trompet – daalt de Heer zelf uit de hemel neer en verrijzen eerst de gestorven christenen.
1TH 4:17 Daarna zullen wij die leven, de achtergeblevenen, samen met hen in de wolken opgenomen worden om de Heer in de lucht te ontmoeten. Dan zullen we voor altijd bij de Heer zijn.
1TH 4:18 Bemoedig elkaar dus met deze woorden.
1TH 5:1 Broeders en zusters, over tijden en data hoeven wij jullie niet te schrijven.
1TH 5:2 Jullie weten immers heel goed dat de Dag van de Heer zal komen als een dief in de nacht.
1TH 5:3 Wanneer de mensen zeggen dat er vrede en veiligheid heerst, worden ze plots getroffen door Gods straf, zoals een zwangere vrouw door weeën, en ze zullen in geen geval ontkomen.
1TH 5:4 Maar jullie, broeders en zusters, zullen niet door die dag worden overvallen als door een dief, want jullie leven niet in het duister.
1TH 5:5 Jullie horen allen bij het licht en bij de dag; wij zijn niet van de nacht of het duister.
1TH 5:6 Laten we dus niet slapen zoals de anderen, maar waakzaam en nuchter zijn.
1TH 5:7 Want wie slaapt, slaapt 's nachts en wie zich bedrinkt, bedrinkt zich 's nachts.
1TH 5:8 Maar laten wij, die aan de dag toebehoren, nuchter zijn, gehuld in het pantser van geloof en liefde en beschermd door de helm van de verwachting van onze redding.
1TH 5:9 God heeft ons namelijk niet bestemd om zijn straf te ondergaan, maar om de redding te verkrijgen via onze Heer Jezus Christus.
1TH 5:10 Hij is voor ons gestorven opdat wij samen met Hem zouden leven, ongeacht of we nog op aarde zijn of reeds overleden zijn.
1TH 5:11 Bemoedig elkaar dus en bouw elkaar op, zoals jullie reeds doen.
1TH 5:12 Broeders en zusters, wij verzoeken jullie, de mensen die hard voor jullie werken, die jullie in naam van de Heer leiden en terechtwijzen, te erkennen.
1TH 5:13 Behandel hen met liefdevol respect wegens hun inzet. Leef in vrede met elkaar.
1TH 5:14 Broeders en zusters, wij sporen jullie aan om te vermanen wie lui is, te bemoedigen wie ontmoedigd is, de zwakken te steunen en geduld te hebben met iedereen.
1TH 5:15 Zorg dat niemand kwaad met kwaad vergeldt, en streef voortdurend naar wat goed is voor elkaar en voor alle mensen.
1TH 5:16 Verheug je voortdurend,
1TH 5:17 bid zonder ophouden,
1TH 5:18 en dank God onder alle omstandigheden, want dat is wat God wil voor jullie die bij Christus Jezus horen.
1TH 5:19 Doof de Geest niet uit:
1TH 5:20 minacht de profetieën niet,
1TH 5:21 maar onderzoek alles en behoud het goede.
1TH 5:22 Vermijd elke vorm van kwaad.
1TH 5:23 Ik bid dat de God die vrede geeft, jullie zal helpen volledig zuiver te leven, en dat Hij heel jullie geest, ziel en lichaam zal beschermen, zodat er bij de komst van onze Heer Jezus Christus niets op jullie aan te merken zal zijn.
1TH 5:24 Hij die jullie geroepen heeft, is trouw en zal zijn belofte waarmaken.
1TH 5:25 Broeders en zusters, bid ook voor ons.
1TH 5:26 Begroet al de christenen met een heilige kus.
1TH 5:27 In de naam van de Heer draag ik jullie op, deze brief aan alle christenen voor te lezen.
1TH 5:28 Ik wens jullie de genade van de Heer Jezus Christus toe.
2TH 1:1 Van: Paulus, Silvanus en Timoteüs. Aan: de kerkgemeenschap in Tessalonica, die toebehoort aan God, onze Vader, en de Heer Jezus Christus.
2TH 1:2 Wij wensen jullie de genade en vrede van God, onze Vader, en van de Heer Jezus Christus toe.
2TH 1:3 Broeders en zusters, wij behoren God voortdurend voor jullie te danken. Dat is gepast omdat jullie geloof sterk groeit en de liefde die jullie allen elkaar toedragen, toeneemt.
2TH 1:4 Wij vertellen fier aan Gods andere kerkgemeenschappen over het volhardende geloof waarmee jullie alle vervolging en verdrukking ondergaan.
2TH 1:5 Het toont aan dat Gods oordeel rechtvaardig is en dat jullie Gods koninkrijk, waarvoor jullie momenteel lijden, waardig geacht worden.
2TH 1:6 God is inderdaad rechtvaardig: Hij zal afrekenen met de mensen die jullie verdrukken, door hen zwaar te straffen.
2TH 1:7 En jullie die verdrukking lijden, zullen daarvan worden bevrijd – net als wij – wanneer de Heer Jezus uit de hemel verschijnt met zijn machtige engelen
2TH 1:8 en met een laaiend vuur. Dan zal Hij de mensen straffen die God niet erkennen en het evangelie van onze Heer Jezus niet gehoorzamen.
2TH 1:9 Zij zullen bestraft worden met Gods eeuwige straf: ze zullen voor altijd van de aanwezigheid van de Heer en van zijn grote hemelse pracht worden buitengesloten.
2TH 1:10 Dat zal gebeuren op de dag dat Hij komt om te worden verheerlijkt en bewonderd door de mensen die bij Hem horen, door allen die in Hem geloven – ook door jullie, omdat jullie onze getuigenis geloven.
2TH 1:11 Daarom bidden wij voortdurend voor jullie, dat jullie de roeping van onze God waardig zullen zijn, dat Hij al jullie verlangens naar het goede zal waarmaken en dat de daden die jullie uit geloof doen vol van zijn kracht zullen zijn.
2TH 1:12 Dan wordt onze Heer Jezus door jullie geëerd en ontvangen jullie eer van Hem, dankzij de genade van onze God en de Heer Jezus Christus.
2TH 2:1 Broeders en zusters, wat de komst van onze Heer Jezus Christus en onze vereniging met Hem betreft, vragen wij jullie met aandrang:
2TH 2:2 laat je niet meteen van de wijs brengen of ongerust maken door een profetie, een uitspraak of een brief, zogenaamd van ons, waarin wordt beweerd dat de Dag van de Heer reeds is aangebroken.
2TH 2:3 Laat je door niemand misleiden, op welke manier ook, want die dag komt pas nadat eerst de grote opstand tegen God gekomen is en de wetteloze mens verschijnt, die bestemd is voor de hel.
2TH 2:4 Hij zal zich keren tegen alles wat als een god beschouwd of vereerd wordt, en zich erboven verheffen. Hij zal zelfs in Gods tempel plaatsnemen en zichzelf tot god uitroepen.
2TH 2:5 Weten jullie niet meer dat ik dit meermaals aan jullie verteld heb toen ik nog bij jullie was?
2TH 2:6 Jullie weten wat hem tegenhoudt, waardoor hij pas op de bestemde tijd zal verschijnen.
2TH 2:7 De wetteloosheid is reeds in het geheim werkzaam; alleen moet degene die hem tegenhoudt nog vertrekken.
2TH 2:8 Pas dan zal de wetteloze mens verschijnen. En wanneer de Heer komt, zal Hij hem met zijn adem verteren en met zijn luister vernietigen.
2TH 2:9 De komst van de grote zondaar is het werk van de satan en zal gepaard gaan met groot machtsvertoon en met valse tekenen en wonderen.
2TH 2:10 En zij die de waarheid die hen had kunnen redden, niet hebben liefgehad en verwelkomd, zullen dan op allerlei kwaadaardige wijzen worden misleid.
2TH 2:11 God zal een krachtige misleiding naar hen toe sturen, zodat ze de leugen gaan geloven.
2TH 2:12 En dan zullen allen die de waarheid niet geloven, maar de voorkeur geven aan het kwaad, worden veroordeeld.
2TH 2:13 Maar voor jullie, door de Heer geliefde broeders en zusters, zijn wij God voortdurend dank verschuldigd, want Hij heeft jullie uitgekozen om als eersten te worden gered, door het zuiverende werk van de Geest en jullie geloof in de waarheid.
2TH 2:14 God heeft jullie geroepen door middel van onze verkondiging van het evangelie, opdat jullie zouden mogen delen in de hemelse pracht van onze Heer Jezus Christus.
2TH 2:15 Broeders en zusters, wees dus standvastig en blijf bij de leer die wij aan jullie doorgegeven hebben, zowel mondeling als in onze brieven.
2TH 2:16 Wij bidden dat onze Heer Jezus Christus zelf, en God, onze Vader, die ons in zijn genade liefheeft en ons zijn eeuwige troost en goede hoop geeft,
2TH 2:17 jullie de moed en innerlijke kracht zullen geven om voortdurend het goede te doen en te zeggen.
2TH 3:1 Voor het overige, broeders en zusters, bid voor ons dat de boodschap van de Heer zich zal blijven verspreiden en dankbaar zal worden aanvaard, zoals dat ook bij jullie is gebeurd.
2TH 3:2 Bid ook dat wij zullen worden beschermd tegen slechte, kwaadaardige mensen, want niet iedereen heeft het geloof.
2TH 3:3 Maar de Heer is trouw en Hij zal jullie sterk maken en tegen het kwaad beschermen.
2TH 3:4 De Heer geeft ons het vertrouwen dat jullie doen wat wij jullie hebben opgedragen en dat jullie dat zullen blijven doen.
2TH 3:5 Ik bid dat de Heer jullie hart zal richten op Gods liefde en Christus' volharding.
2TH 3:6 Broeders en zusters, wij dragen jullie op in naam van de Heer Jezus Christus: neem afstand van iedere broeder of zuster die zich lui gedraagt en niet leeft volgens het onderwijs dat wij aan jullie hebben doorgegeven.
2TH 3:7 Jullie weten zelf wel hoe je ons voorbeeld moet volgen, want wij waren niet lui toen we bij jullie waren.
2TH 3:8 We namen ook van niemand eten aan zonder ervoor te betalen; we werkten en zwoegden dag en nacht om niemand van jullie tot last te zijn.
2TH 3:9 Dat was niet omdat wij daartoe niet het recht hebben, maar om een voorbeeld te stellen dat jullie zouden volgen.
2TH 3:10 Zelfs toen we bij jullie waren, droegen we jullie op dat als iemand niet wil werken, je hem geen eten hoeft te geven.
2TH 3:11 We horen namelijk dat sommigen onder jullie zich lui gedragen en geen arbeid verrichten maar zich wel overal mee bemoeien.
2TH 3:12 In naam van de Heer Jezus Christus dragen wij die mensen op en sporen wij hen aan, rustig in hun eigen onderhoud te voorzien door arbeid te verrichten.
2TH 3:13 En jullie, broeders en zusters: geef het goeddoen niet op.
2TH 3:14 Als iemand zich niet aan onze boodschap in deze brief houdt, neem daar dan nota van en ga niet met die persoon om, zodat hij zich gaat schamen.
2TH 3:15 Beschouw hem echter niet als een vijand, maar wijs hem terecht als een broeder of zuster.
2TH 3:16 Ik bid dat de Heer van de vrede jullie voortdurend en op alle manieren vrede zal geven en dat de Heer bij jullie allen zal zijn.
2TH 3:17 Deze groet schrijf ik, Paulus, eigenhandig. Hieraan kan je elke brief herkennen, dit is hoe ik schrijf.
2TH 3:18 Ik wens jullie allen de genade van onze Heer Jezus Christus toe.
1TI 1:1 Van: Paulus, apostel van Christus Jezus op gezag van God, onze redder, en Christus Jezus, onze hoop.
1TI 1:2 Aan: Timoteüs, die door het geloof mijn ware kind is geworden. Ik wens je de genade, het mededogen en de vrede van God, de Vader, en van Christus Jezus, onze Heer toe.
1TI 1:3 Doe wat ik je heb opgedragen toen ik naar Macedonië vertrok: blijf in Efeze om bepaalde mensen te waarschuwen dat ze geen afwijkende leer mogen onderwijzen
1TI 1:4 en dat ze zich niet mogen bezighouden met mythes en eindeloze lijsten van voorouders. Want dat laatste zal hun eerder aanzetten tot speculatie dan tot het uitvoeren van de taak die God hun heeft gegeven en waarvoor ze geloof nodig hebben.
1TI 1:5 Mijn doel met deze waarschuwing is dat de mensen liefde zullen betonen vanuit een zuiver hart, een goed geweten en een oprecht geloof.
1TI 1:6 Sommigen zijn van die zaken afgeweken en houden zich bezig met zinloze praatjes.
1TI 1:7 Ze willen onderwijs geven over de Wet, maar begrijpen niet waarover ze praten of wat ze zo stellig beweren.
1TI 1:8 Zoals we weten is de Wet goed, mits op de juiste manier toegepast.
1TI 1:9 Wij beseffen immers dat de Wet niet is ingesteld voor rechtvaardige mensen, maar voor slechte en opstandige mensen, voor goddelozen en zondaars, voor mensen die de dingen van God haten en verachten, voor wie hun eigen vader of moeder doden, voor moordenaars,
1TI 1:10 voor mensen die zich bezighouden met seksueel wangedrag, homoseksuele handelingen, leugens, valse verklaringen en wat er verder nog ingaat tegen de gezonde leer.
1TI 1:11 En leer is gezond als ze overeenstemt met het evangelie van de verheven en hooggeprezen God, dat mij is toevertrouwd.
1TI 1:12 Ik dank Hem die mij kracht heeft gegeven, Christus Jezus onze Heer, omdat Hij mij betrouwbaar genoeg vond om mij in zijn dienst aan te stellen,
1TI 1:13 hoewel ik Hem vroeger lasterde, vervolgde en bestreed. Hij had echter mededogen met mij omdat ik handelde uit onwetendheid en ongeloof.
1TI 1:14 Ik werd overstelpt door de genade van onze Heer en door het geloof en de liefde die in Christus Jezus te vinden zijn.
1TI 1:15 Deze boodschap is betrouwbaar en verdient het om volledig te worden aanvaard: Christus Jezus kwam naar de wereld om zondaars te redden. Ik was onder hen de ergste,
1TI 1:16 maar ik heb mededogen ontvangen, opdat in mij, de ergste zondaar, het volmaakte geduld van Christus Jezus zichtbaar zou worden. Hij heeft van mij een voorbeeld gemaakt voor wie in Hem gelooft en het eeuwig leven ontvangt.
1TI 1:17 De eeuwige Koning, de onsterfelijke, onzichtbare, enige God komt voor eeuwig en altijd de eer en glorie toe. Amen.
1TI 1:18 Timoteüs, mijn kind, ik vertrouw je deze opdracht toe in overeenstemming met de profetieën die destijds over jou zijn uitgesproken opdat je aan de hand daarvan voor de goede zaak zou strijden.
1TI 1:19 Blijf bij het geloof en houd je geweten zuiver. Sommigen hebben hun geweten genegeerd en hun geloof heeft schipbreuk geleden.
1TI 1:20 Onder hen zijn Hymeneüs en Alexander; hen heb ik aan de satan overgeleverd opdat ze het lasteren van God zouden afleren.
1TI 2:1 In de eerste plaats roep ik op om te bidden, te pleiten, te smeken en te danken voor alle mensen.
1TI 2:2 Bid ook voor koningen en alle gezagsdragers, opdat wij een vredig en rustig leven kunnen leiden, dat toewijding aan God en waardigheid weerspiegelt.
1TI 2:3 Dat is goed en aangenaam in de ogen van God, onze redder.
1TI 2:4 Hij wil immers dat alle mensen worden gered en de waarheid leren kennen.
1TI 2:5 Want er is maar één God en ook maar één bemiddelaar tussen God en mensen: Christus Jezus, zelf ook een mens.
1TI 2:6 Hij heeft zichzelf gegeven, als losgeld voor alle mensen. Hierover wordt nu getuigd, op de juiste tijd.
1TI 2:7 Daarom ben ik aangesteld als prediker, apostelen en leraar voor de niet-Joden, om hen het geloof en de waarheid te brengen. Ik spreek de waarheid, ik lieg niet!
1TI 2:8 Ik wil dat de mannen overal bidden; laten ze dat doen met opheffing van zuivere handen en zonder woede of ruzie.
1TI 2:9 Zo hoort het ook voor de vrouwen: ik wil dat ze zich op gepaste, nette, bescheiden wijze kleden en zich niet mooi maken met haarvlechten, goud, parels of kostbare kledij,
1TI 2:10 maar met goede daden. Dat is voor vrouwen een gepaste manier om hun eerbied voor God duidelijk te maken.
1TI 2:11 Vrouwen behoren het onderwijs rustig en gehoorzaam te ontvangen.
1TI 2:12 Ik laat niet toe dat een vrouw een man onderricht of hem overheerst; ze moet zich rustig houden,
1TI 2:13 want Adam werd eerst geschapen en pas daarna Eva.
1TI 2:14 En het was niet Adam die werd misleid; het was de vrouw die werd misleid en het gebod overtrad.
1TI 2:15 Vrouwen zullen echter worden behoed bij de bevalling als ze zich houden aan het geloof, het liefdebetoon en een zuivere, bescheiden levenswijze.
1TI 3:1 Deze boodschap is betrouwbaar: wie een positie als verantwoordelijke van de kerkgemeenschap ambieert, verlangt naar een nobele taak.
1TI 3:2 Een verantwoordelijke van de kerkgemeenschap moet onbesproken zijn, een trouwe huwelijkspartner, nuchter, bedachtzaam, respectabel, gastvrij, bekwaam om te onderwijzen,
1TI 3:3 geen alcoholist, niet opvliegend, maar vriendelijk en vredelievend, niet geldzuchtig.
1TI 3:4 Hij moet zijn gezin goed leiden en vol waardigheid het gezag over zijn kinderen uitoefenen.
1TI 3:5 Want als iemand zijn eigen gezin niet weet te leiden, hoe kan hij dan zorg dragen voor Gods kerk?
1TI 3:6 Hij mag niet pas kortgeleden tot geloof gekomen zijn; anders kan hij verwaand worden en onder hetzelfde oordeel eindigen als de duivel.
1TI 3:7 Ook moet hij een goede reputatie hebben bij buitenstaanders; anders kan hij in opspraak komen en in de val van de duivel trappen.
1TI 3:8 Ook zij die een dienende functie in de kerkgemeenschap vervullen moeten eerbaar zijn, oprecht, niet verslaafd aan wijn en niet uit op onrechtmatige winst.
1TI 3:9 Ze moeten zich met een zuiver geweten houden aan de geopenbaarde waarheid van het geloof.
1TI 3:10 Ook moeten ze eerst op geschiktheid worden onderzocht. Pas dan mogen ze deze taak op zich nemen, als er niets op hen aan te merken is.
1TI 3:11 Ook de vrouwen moeten eerbaar zijn, niet kwaadspreken, en nuchter en betrouwbaar zijn in alles.
1TI 3:12 Vrouwen die een dienende functie in de kerkgemeenschap vervullen, moeten trouwe huwelijkspartners zijn en hun kinderen en gezinnen goed leiden.
1TI 3:13 Want wie zijn taak goed heeft uitgevoerd, heeft aanzien verworven en is vrijmoediger geworden in zijn geloof in Christus Jezus.
1TI 3:14 Ik schrijf je dit hopend om binnenkort bij je te komen.
1TI 3:15 Maar als ik langer wegblijf, weet je hoe men zich moet gedragen in Gods gezin, de kerk van de levende God, die de ware leer draagt en ondersteunt.
1TI 3:16 Laat er geen twijfel over bestaan wat het grote geheim van onze godsdienst is: Hij die is geopenbaard in een menselijk lichaam, is bevestigd door de Geest, verschenen aan engelen, verkondigd onder de volken, geloofd in de hele wereld, en opgenomen in de hemel.
1TI 4:1 De Geest zegt uitdrukkelijk dat in de toekomst sommige mensen van het geloof zullen afvallen, doordat ze aandacht schenken aan misleidende geesten met demonische leer.
1TI 4:2 Die leer wordt gebracht door hypocriete leugenaars met een afgestompt geweten,
1TI 4:3 die zich uitspreken tegen het huwelijk en tegen het nuttigen van bepaalde etenswaren. Nochtans is voedsel door God geschapen om dankbaar te worden aanvaard door wie gelooft en de waarheid kent.
1TI 4:4 Alles wat door God geschapen is, is goed en niets ervan is verwerpelijk als het met dankbaarheid wordt ontvangen,
1TI 4:5 want het wordt dan gezuiverd door Gods woorden en ons gebed.
1TI 4:6 Als je de gelovigen hierop wijst, ben je een goed dienaar van Christus Jezus, die ook zichzelf met de boodschap van het geloof en de gezonde leer voedt en die naleeft.
1TI 4:7 Laat je niet in met goddeloze en dwaze verzinsels, maar oefen jezelf in de toewijding aan God.
1TI 4:8 Lichamelijke oefening is weliswaar van enig nut, maar toewijding aan God is nuttig in alle opzichten, omdat ze een belofte inhoudt voor zowel het huidige als het toekomstige leven.
1TI 4:9 Deze boodschap is betrouwbaar en verdient het om volledig te worden aanvaard.
1TI 4:10 En het is daarvoor dat wij zwoegen en ons inspannen, want wij hebben onze hoop gevestigd op de levende God, die de redder is van alle mensen, in het bijzonder de gelovigen.
1TI 4:11 Dit is wat je de mensen moet voorhouden en leren.
1TI 4:12 Laat niemand op je neerkijken omdat je jong bent; wees een voorbeeld voor de gelovigen door je woorden, je gedrag, je liefdebetoon, je geloof en je zuivere manier van leven.
1TI 4:13 Blijf voorlezen, preken en onderwijzen totdat ik kom.
1TI 4:14 Zorg dat je de geestesgave die je geschonken is toen je die profetie ontving bij de handoplegging door de oudsten, niet verwaarloost.
1TI 4:15 Dit is wat je moet doen. Wijd je volledig aan deze zaken, opdat je vorderingen voor iedereen zichtbaar zullen zijn.
1TI 4:16 Blijf zorg besteden aan je levenswijze en onderwijs; houd eraan vast, want zo zul je jezelf en je toehoorders redden.
1TI 5:1 Val niet uit tegen een oudere man, maar spoor hem aan alsof hij je vader is. Behandel jongere mannen als je broer,
1TI 5:2 oudere vrouwen als je moeder en jongere vrouwen als je zus, in volkomen zuiverheid.
1TI 5:3 Draag zorg voor weduwen die werkelijk alleen zijn.
1TI 5:4 Als een weduwe echter kinderen of kleinkinderen heeft, moeten die eerst leren om hun geloof binnen hun familie in praktijk te brengen door de zorg voor haar op zich te nemen, als tegenprestatie voor de zorg die zij zelf binnen de familie hebben ontvangen, want dat is aangenaam in Gods ogen.
1TI 5:5 Iemand die werkelijk weduwe is omdat ze geen familie meer heeft, heeft haar hoop op God gevestigd en blijft dag en nacht tot Hem bidden en smeken,
1TI 5:6 maar wie in overdaad wil leven, is levend dood.
1TI 5:7 Ook dit moet je de mensen opdragen, opdat er niets op hen aan te merken zal zijn.
1TI 5:8 Wie echter niet voor zijn eigen familie zorgt – zelfs niet voor zijn huisgenoten – verloochent zijn geloof en is erger dan een ongelovige.
1TI 5:9 Een weduwe mag als zodanig worden aangemerkt als ze ouder dan zestig is, een trouwe huwelijkspartner is geweest,
1TI 5:10 en bekend staat om haar goede daden – dat ze kinderen heeft grootgebracht, gastvrijheid heeft bewezen, de voeten van de gelovigen heeft gewassen, en verdrukten heeft bijgestaan. Ze moet zich dus hebben toegelegd op het doen van allerlei goede daden.
1TI 5:11 Wijs weduwen die jonger zijn af, want als hun seksuele verlangens sterker worden dan hun toewijding aan Christus, willen ze hertrouwen,
1TI 5:12 en maken ze zich schuldig aan het breken van de gelofte die ze hadden afgelegd.
1TI 5:13 Bovendien leren ze de gewoonte aan, zich niet nuttig te maken maar bij de ene na de andere familie op bezoek te gaan. En dat niet alleen, ze roddelen, bemoeien zich met anderen en zeggen ongepaste dingen.
1TI 5:14 Daarom wil ik dat jongere vrouwen hertrouwen, kinderen krijgen en leiding geven aan de huishouding, zodat ze de tegenstander geen gelegenheid geven tot laster.
1TI 5:15 Want sommigen zijn al van het rechte pad afgeweken, de satan achterna.
1TI 5:16 Maar als een gelovige vrouw weduwen onder haar hoede heeft, moet zij hen bijstaan en de kerkgemeenschap niet belasten; dan kan die de weduwen bijstaan die werkelijk alleen zijn.
1TI 5:17 Oudsten die goed leidinggeven, verdienen dubbele eer, vooral zij die zich volop bezighouden met de prediking en het onderwijs.
1TI 5:18 Er staat immers in de Schriften: “Een dorsende os mag je niet muilkorven,” en: “De arbeider is zijn loon waard.”
1TI 5:19 Aanvaard beschuldigingen tegen een oudste enkel als er twee of drie getuigen zijn.
1TI 5:20 En wie zondig bezig zijn, moet je terechtwijzen waar iedereen bij is, zodat de anderen zich ook gewaarschuwd weten.
1TI 5:21 Ik verklaar in aanwezigheid van God, Christus Jezus en de uitverkoren engelen, dat je je hieraan moet houden, zonder partijdigheid of favoritisme.
1TI 5:22 Leg niemand gehaast de handen op en maak je niet medeplichtig aan de zonden van anderen; zorg dat je zuiver blijft.
1TI 5:23 Drink niet alleen water, maar gebruik ook wat wijn, omwille van je maag en omdat je vaak ziek bent.
1TI 5:24 De zonden van sommigen zijn zichtbaar en wijzen er nu al op dat ze veroordeeld zullen worden; andere zonden blijken pas later.
1TI 5:25 Hetzelfde geldt voor goede daden: ze zijn zichtbaar, maar goede daden die dat niet zijn, kunnen niet verborgen blijven.
1TI 6:1 Allen die onder het juk van de slavernij leven, moeten hun meester hoogachten, opdat Gods naam en de christelijke leer niet in opspraak komen.
1TI 6:2 Zij die een gelovige meester hebben, mogen hem niet verachten omdat hij christen is, maar moeten hem veeleer ijveriger dienen. Immers, de persoon die ze dienen is een geliefde gelovige die zich inzet voor het welzijn van de mensen die hem dienen. Dit is wat je de mensen moet leren en bijbrengen.
1TI 6:3 Als iemand afwijkende leer verkondigt die ingaat tegen de gezonde woorden van onze Heer Jezus Christus en tegen de leer van onze godsdienst,
1TI 6:4 dan is die persoon verwaand en onwetend, en heeft hij een ziekelijke drang om te debatteren en te ruziën over woorden. En dat zal leiden tot afgunst, rivaliteit, laster, achterdocht,
1TI 6:5 en eindeloze frictie tussen mensen met een verziekte mentaliteit, die geen waarheidsbesef hebben en die menen dat ze winst uit de godsdienst kunnen halen.
1TI 6:6 Maar het dienen van God levert enkel winst op als het samengaat met tevredenheid.
1TI 6:7 We hebben immers niets naar de wereld meegebracht en kunnen er niets uit meenemen.
1TI 6:8 Als we eten en kledij hebben, moet dat voldoende voor ons zijn.
1TI 6:9 Maar wie rijk wil worden, trapt in de val van de verleiding en van vele dwaze en schadelijke verlangens die de mensen in het verderf storten en ten onder doen gaan.
1TI 6:10 Geldzucht is namelijk een wortel van allerlei soorten kwaad; door daarnaar te verlangen zijn sommigen van het geloof afgedwaald en zij hebben zichzelf veel leed aangedaan.
1TI 6:11 Maar jij, dienaar van God, houd je hier verre van en streef naar oprechtheid, toewijding aan God, geloof, liefde, volharding en zachtmoedigheid.
1TI 6:12 Strijd voor de goede zaak van het geloof, en strek je uit naar het eeuwig leven waartoe je bent geroepen en waarover je zo'n krachtige getuigenis hebt afgelegd in aanwezigheid van velen.
1TI 6:13 Ik draag je op in aanwezigheid van God, die aan alles het leven geeft, en van Christus Jezus, die een krachtige getuigenis heeft afgelegd tegenover Pontius Pilatus:
1TI 6:14 houd je stipt en nauwkeurig aan deze opdracht, totdat onze Heer Jezus Christus verschijnt.
1TI 6:15 Wanneer dat zal gebeuren, wordt bepaald door de verheven en enige Heerser, de Koning boven alle koningen en Heer boven alle heren,
1TI 6:16 de enige onsterfelijke, die in ontoegankelijk licht woont en die door geen mens wordt gezien of kan worden gezien. Aan Hem komt voor eeuwig de eer en macht toe. Amen.
1TI 6:17 Draag de rijken van deze wereld op, niet hoogmoedig te zijn en hun hoop niet te vestigen op rijkdom – die biedt immers geen zekerheid – maar op God, die ons rijkelijk van alles voorziet opdat wij ervan kunnen genieten.
1TI 6:18 Ze moeten goeddoen en rijk zijn aan goede daden; ze moeten vrijgevig zijn en bereid om te delen.
1TI 6:19 Dan investeren ze in de toekomst, om het echte leven te bemachtigen.
1TI 6:20 Timoteüs, waak over hetgeen je is toevertrouwd en houd je verre van goddeloze praatjes en van de tegenwerpingen die ten onrechte als kennis worden bestempeld.
1TI 6:21 Zij worden verkondigd door bepaalde mensen die van het geloof zijn afgeweken. Ik wens jullie Gods genade toe.
2TI 1:1 Van: Paulus, door Gods wil apostel van Christus Jezus, gezonden om de belofte van het leven dat Christus Jezus schenkt, te verkondigen.
2TI 1:2 Aan: mijn dierbare kind Timoteüs. Ik wens je de genade, het mededogen en de vrede van God, de Vader, en van Christus Jezus, onze Heer toe.
2TI 1:3 Ik bid voortdurend voor je, 's nachts en overdag, en dan dank ik God, die ik, net als mijn voorouders, met een zuiver geweten dien.
2TI 1:4 Als ik aan je tranen denk, verlang ik ernaar je te zien en met vreugde te worden vervuld.
2TI 1:5 Ik herinner me je oprechte geloof, dat eerder in je grootmoeder Loïs en je moeder Eunike leefde, en dat nu – daar ben ik zeker van – ook in jou leeft.
2TI 1:6 Vergeet daarom niet de gave van God, die je hebt ontvangen doordat ik je mijn handen heb opgelegd, aan te wakkeren.
2TI 1:7 God heeft ons namelijk geen geest gegeven die angstig maakt, maar de Geest van kracht, liefde en bedachtzaamheid.
2TI 1:8 Schaam je dus niet om over onze Heer te getuigen. Schaam je ook niet voor mij, die omwille van Hem gevangenzit, maar deel in mijn lijden voor het evangelie. God zal je daarvoor de kracht geven.
2TI 1:9 God heeft ons gered en geroepen om bij Hem te horen; niet op grond van onze verdienste, maar op grond van zijn plan en genade. Die genade was ons, die bij Christus Jezus horen, reeds geschonken voordat de tijd begon,
2TI 1:10 en is nu zichtbaar geworden door de komst van Christus Jezus, onze redder. Hij heeft de dood vernietigd en door middel van het evangelie duidelijk gemaakt wat onvergankelijk leven is.
2TI 1:11 En ik ben aangesteld als verkondiger, apostel en leraar van dat evangelie.
2TI 1:12 Daarom onderga ik dit lijden; maar ik schaam me niet, want ik weet op Wie ik vertrouw en ik ben er zeker van dat Hij in staat is om tot het aanbreken van zijn Dag te waken over hetgeen ik Hem heb toevertrouwd.
2TI 1:13 Houd je aan de gezonde woorden die je van mij hebt gehoord en blijf bij het geloof en de liefde die Christus Jezus schenkt.
2TI 1:14 Waak, met de hulp van de Heilige Geest die in ons woont, over het goede dat je is toevertrouwd.
2TI 1:15 Je weet dat iedereen in Asia mij in de steek heeft gelaten; ook Fygelus en Hermogenes.
2TI 1:16 Ik bid dat de Heer zich zal ontfermen over de huisgenoten van Onesiforus, want hij heeft mij vaak opgebeurd en schaamde zich niet voor mijn gevangenschap.
2TI 1:17 Integendeel, toen hij in Rome was, zocht hij ijverig naar mij totdat hij mij had gevonden.
2TI 1:18 Ik bid dat de Heer zich over Onesiforus zal ontfermen op de Dag van de Heer. Je weet precies welke diensten hij heeft bewezen in Efeze.
2TI 2:1 Mijn kind, wees sterk door de genade die Christus Jezus schenkt.
2TI 2:2 Wat je van mij hebt gehoord in het bijzijn van veel getuigen, vertrouw dat toe aan betrouwbare mensen, die het op hun beurt aan anderen zullen kunnen leren.
2TI 2:3 Deel in het lijden, als een goed soldaat van Christus Jezus.
2TI 2:4 Niemand die in het leger dienstdoet, houdt zich bezig met de zorgen van het dagelijks leven, hij wil enkel zijn meerderen ter wille zijn.
2TI 2:5 En een atleet wint geen erekrans als hij zich niet aan de spelregels houdt.
2TI 2:6 De hardwerkende boer hoort als eerste zijn aandeel van de oogst te ontvangen.
2TI 2:7 Denk na over wat ik zeg, want de Heer zal je inzicht in dit alles geven.
2TI 2:8 Bedenk dat Jezus Christus, de afstammeling van David, is verrezen uit de dood. Dat is het evangelie dat ik verkondig,
2TI 2:9 waarvoor ik lijden onderga en waarvoor ik zelfs ketenen draag als een misdadiger. Maar de boodschap van God laat zich niet ketenen.
2TI 2:10 Daarom verdraag ik alles, omwille van de uitverkorenen, opdat ook zij de redding mogen ontvangen die Christus Jezus schenkt, met daarbij de eeuwige hemelse pracht.
2TI 2:11 De volgende verklaring is betrouwbaar: als wij met Hem gestorven zijn, zullen we ook met Hem leven.
2TI 2:12 En als wij volharden, zullen we ook met Hem heersen. Als we Hem verloochenen, zal Hij ons ook verloochenen.
2TI 2:13 Maar als wij Hem ontrouw zijn, blijft Hij trouw, want zichzelf verloochenen kan Hij niet.
2TI 2:14 Blijf de mensen hieraan herinneren en verklaar in Gods aanwezigheid dat ze niet moeten ruziën over woorden. Dat is niet nuttig en het leidt tot de ondergang van de toehoorders.
2TI 2:15 Doe je uiterste best om Gods goedkeuring te verkrijgen, als een arbeider die zich niet voor zijn werk hoeft te schamen, maar de boodschap over de waarheid op de juiste wijze verkondigt.
2TI 2:16 Laat je niet in met goddeloze praatjes, want de mensen die ze verspreiden zullen steeds goddelozer worden.
2TI 2:17 Hun woorden zaaien zich uit als kanker. Dat is onder andere het geval bij Hymeneüs en Filetus.
2TI 2:18 Zij zijn van de waarheid afgeweken door te beweren dat de verrijzenis van de doden reeds heeft plaatsgevonden; zo breken zij het geloof van sommigen af.
2TI 2:19 Toch is het fundament dat God gelegd heeft stevig, en het draagt de volgende opschriften: “De Heer kent de mensen die Hem toebehoren,” en: “Laat ieder die de Heer aanroept, wijken van het kwaad.”
2TI 2:20 In een voornaam huis zijn er niet enkel voorwerpen van goud en zilver, maar ook van hout en aardewerk; sommige voorwerpen zijn bedoeld voor bijzondere gelegenheden, andere voor alledaags gebruik.
2TI 2:21 Als iemand zich van het kwaad heeft gereinigd, wordt hij een voorwerp voor bijzondere gelegenheden, heilig gemaakt, nuttig voor zijn eigenaar, bestemd voor allerlei goed werk.
2TI 2:22 Houd je verre van jeugdige verlangens en streef naar rechtvaardigheid, geloof, liefde en vrede; doe dat samen met de mensen die God aanbidden met een zuiver hart.
2TI 2:23 Laat je niet in met dwaze en onverstandige controverses; je weet dat die tot ruzies leiden.
2TI 2:24 Gods dienaar mag niet ruziën; hij moet vriendelijk voor alle mensen zijn, kunnen onderwijzen en verdraagzaam zijn.
2TI 2:25 Hij moet tegenstanders op zachtmoedige wijze terechtwijzen, want misschien zal God hen tot inkeer brengen. En dan zullen ze de waarheid erkennen
2TI 2:26 en ontsnappen uit de valstrik van de duivel, die hen zijn wil had opgelegd.
2TI 3:1 Besef dat het leven moeilijk zal zijn tegen het einde van de tijd.
2TI 3:2 De mensen zullen egoïstisch zijn, verzot op geld, zelfingenomen, arrogant, lasterlijk, ongehoorzaam aan hun ouders, ondankbaar, goddeloos,
2TI 3:3 hardvochtig, onverzoenlijk, kwaadsprekend, onbeheerst, wreed, kwaadwillig,
2TI 3:4 verraderlijk, onbezonnen, verwaand, met meer liefde voor het genot dan voor God.
2TI 3:5 Ze zullen wel godsdienstig lijken, maar geen eerbied voor God hebben. Blijf uit hun buurt.
2TI 3:6 Sommigen onder hen dringen families binnen en weten zwakwillige vrouwen in te palmen – vrouwen die met zonden beladen zijn en zich door allerlei verlangens laten leiden,
2TI 3:7 die zich voortdurend laten onderrichten maar nooit de waarheid leren kennen.
2TI 3:8 Zoals Jannes en Jambres zich tegen Mozes verzetten, zo verzetten deze mensen zich tegen de waarheid met hun verziekte denken en ondeugdelijke geloof.
2TI 3:9 En net zoals zij zullen ze niet ver komen, want hun dwaasheid zal voor iedereen duidelijk zijn.
2TI 3:10 Jij daarentegen hebt mijn onderwijs, levenswijze, toewijding, geloof, geduld, liefde en volharding goed gevolgd.
2TI 3:11 Ook weet je van de vervolging en het lijden dat mij is overkomen in Antiochië, Ikonium en Lystra. Die vervolging heb ik doorstaan en de Heer heeft me uit dat alles gered.
2TI 3:12 Trouwens, iedereen die bij Christus Jezus wil horen en vol toewijding aan God wil leven, zal vervolgd worden.
2TI 3:13 Slechte mensen en oplichters daarentegen zullen almaar slechter worden; ze misleiden anderen en worden zelf misleid.
2TI 3:14 Maar jij, blijf bij hetgeen je geleerd hebt en waarvan je overtuigd bent. Je weet van wie je het hebt geleerd.
2TI 3:15 Bovendien ken je vanaf je kindertijd de Heilige Schriften; die kunnen je de wijsheid geven, die nodig is om te worden gered door in Christus Jezus te geloven.
2TI 3:16 Alles wat in de Schriften staat is door God ingegeven en nuttig voor het onderwijzen, weerleggen, corrigeren en opvoeden tot een oprecht leven,
2TI 3:17 opdat wie voor God leeft, volledig toegerust zal zijn om goed te doen.
2TI 4:1 Ik maan je aan in het bijzijn van God en van Christus Jezus, die over de levenden en de doden zal oordelen wanneer Hij komt als Koning:
2TI 4:2 blijf de boodschap verkondigen, of het goed uitkomt of niet. Overtuig, vermaan en bemoedig de mensen; onderwijs hen geduldig.
2TI 4:3 Er komt namelijk een tijd dat ze de gezonde leer niet zullen verdragen, maar naar eigen goeddunken leraars zullen aanstellen, die hun zullen vertellen wat ze graag willen horen.
2TI 4:4 Men zal niet meer naar de waarheid luisteren, maar naar verzinsels.
2TI 4:5 Wees jij daarentegen nuchter onder alle omstandigheden, aanvaard het lijden, doe het werk van een evangelist en vervul trouw je taak.
2TI 4:6 Wat mij betreft, mijn leven wordt reeds als een drankoffer uitgegoten en het tijdstip van mijn heengaan nadert.
2TI 4:7 Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de wedloop uitgelopen en ik heb het geloof behouden.
2TI 4:8 Nu ligt de gerechtigheid voor mij klaar, als een erekrans waarmee de Heer, de rechtvaardige Rechter, mij zal belonen op zijn Dag, en niet alleen mij, maar ieder die vol verlangen uitkijkt naar zijn komst.
2TI 4:9 Doe je best om vlug naar mij toe te komen,
2TI 4:10 want Demas heeft mij verlaten uit liefde voor de huidige wereld. Hij is naar Tessalonica vertrokken, Crescens naar Galatië, en Titus naar Dalmatië.
2TI 4:11 Alleen Lukas is hier bij mij. Haal Markus op en breng hem met je mee, want hij zal mij goed kunnen helpen met het werk.
2TI 4:12 Tychikus heb ik naar Efeze gezonden.
2TI 4:13 Als je komt, breng dan de mantel mee die ik bij Karpus in Troas heb laten liggen, en ook de boekrollen, vooral die van perkament.
2TI 4:14 Alexander de metaalbewerker heeft mij veel kwaad berokkend. De Heer zal hem zijn verdiende loon geven voor wat hij heeft gedaan.
2TI 4:15 Wees jij ook voor hem op je hoede, want hij heeft onze verkondiging sterk tegengewerkt.
2TI 4:16 Bij mijn eerste verdediging heeft niemand mij bijgestaan. Ze hebben me allemaal in de steek gelaten; ik bid dat het hun niet zal worden verweten.
2TI 4:17 De Heer heeft mij bijgestaan en mij kracht gegeven, zodat ik de boodschap ten volle kon verkondigen en alle niet-Joden haar konden horen. Ik ben uit de ‘muil van de leeuw’ gered.
2TI 4:18 De Heer zal mij beschermen, bij iedere aanval, en mij veilig naar zijn hemels koninkrijk brengen. Hem komt voor eeuwig en altijd de hoogste eer toe. Amen.
2TI 4:19 Groet Prisca en Aquila en de huisgenoten van Onesiforus.
2TI 4:20 Erastus is in Korinte gebleven, Trofimus heb ik ziek in Miletus achtergelaten.
2TI 4:21 Doe je best om voor de winter te komen. Eubulus groet je, en ook Pudens, Linus, Claudia en alle andere broeders en zusters.
2TI 4:22 Ik wens jullie de nabijheid en genade van de Heer toe.
TIT 1:1 Van: Paulus, dienaar van God en apostel van Jezus Christus, gezonden om het geloof van Gods uitverkorenen te versterken en hun kennis van de waarheid te verdiepen, zodat zij kunnen leven in eerbied voor God
TIT 1:2 en in de verwachting van het eeuwig leven, dat reeds voor het begin van de tijd is beloofd door de God die nooit liegt.
TIT 1:3 Het nieuws hierover wordt nu, op de door Hem gekozen tijd, bekendgemaakt door middel van de verkondiging – een taak die mij is toevertrouwd op gezag van God, onze redder.
TIT 1:4 Aan: Titus, die door ons gemeenschappelijk geloof mijn ware kind is geworden. Ik wens je de genade en vrede van God, de Vader, en van Christus Jezus, onze redder toe.
TIT 1:5 Ik had je op Kreta achtergelaten met de opdracht, de nog niet geregelde zaken in orde te brengen door in elke stad oudsten aan te stellen.
TIT 1:6 Dit moeten onberispelijke mannen zijn, trouwe huwelijkspartners, van wie de kinderen gelovig zijn en geen reputatie van losbandigheid of opstandigheid hebben.
TIT 1:7 Als beheerder van Gods gezin moet de verantwoordelijke van de kerkgemeenschap onberispelijk zijn: niet arrogant, niet driftig, geen alcoholist, niet opvliegend, niet uit op onrechtmatige winst,
TIT 1:8 maar gastvrij, deugdzaam, bedachtzaam, integer, zuiver, beheerst.
TIT 1:9 Hij moet vasthouden aan de betrouwbare boodschap zoals die hem geleerd is; dan zal hij in staat zijn anderen te bemoedigen met de gezonde leer en terecht te wijzen wie daar tegen ingaat.
TIT 1:10 Er zijn veel opstandige mensen. Het zijn praatjesmakers en bedriegers, in het bijzonder zij die de besnijdenis verkondigen.
TIT 1:11 Die mensen moet het zwijgen worden opgelegd, want ze richten hele families te gronde door verkeerde leer te brengen, en dat uit schandalig winstbejag.
TIT 1:12 Een van hun eigen profeten heeft gezegd: “Kretenzen liegen altijd. Ze zijn wilde beesten, luie veelvraten.”
TIT 1:13 Die getuigenis is waar. Wijs hen daarom streng terecht, opdat hun geloof gezond zal zijn
TIT 1:14 en ze geen aandacht zullen schenken aan Joodse mythes of voorschriften van mensen die de waarheid de rug toekeren.
TIT 1:15 Alles is rein voor wie zelf rein is, maar voor mensen die onrein en ongelovig zijn, is niets rein; zowel hun verstand als hun geweten is verontreinigd.
TIT 1:16 Ze beweren dat ze God kennen, maar hun daden spreken dat tegen. Ze zijn weerzinwekkend, ongehoorzaam en niet in staat om iets te doen dat goed is.
TIT 2:1 Jij daarentegen, verkondig wat overeenstemt met de gezonde leer.
TIT 2:2 Leer oudere mannen dat ze nuchter, eerbaar en bedachtzaam moeten zijn, gezond in hun geloof, liefdebetoon en volharding.
TIT 2:3 Voor oudere vrouwen geldt dat hun gedrag eerbiedig moet zijn: ze mogen niet kwaadspreken en niet aan wijn verslaafd zijn, maar moeten anderen bijbrengen wat goed is.
TIT 2:4 Dan kunnen ze de jongere vrouwen leren om hun man en kinderen lief te hebben,
TIT 2:5 en bedachtzaam, zuiver, vriendelijk en zorgzaam in het huishouden te zijn en het gezag van hun man te erkennen, opdat Gods evangelie niet in een kwaad daglicht wordt gesteld.
TIT 2:6 Wat de jonge mannen betreft: hen moet je aanmoedigen om bezonnen te zijn.
TIT 2:7 Geef hun in alle opzichten het voorbeeld in het goeddoen. Zorg ook dat je onderwijs zuiver en waardig is.
TIT 2:8 Je woorden moeten gezond en onbetwistbaar zijn, opdat tegenstanders beschaamd zullen staan omdat ze niets slechts over ons kunnen zeggen.
TIT 2:9 Slaven moeten het gezag van hun meester erkennen, door hem in alle opzichten tevreden te stellen zonder tegen te spreken,
TIT 2:10 en door hem niet te bestelen, maar zich volkomen oprecht en betrouwbaar te betonen. Dan strekken ze in alle opzichten het onderwijs over God, onze redder, tot eer.
TIT 2:11 Gods genade is verschenen om redding te brengen voor alle mensen.
TIT 2:12 Deze genade leert ons, goddeloosheid en wereldse verlangens af te wijzen, een bezonnen, oprecht en aan God toegewijd leven te leiden in de huidige wereld,
TIT 2:13 en vol blijde verwachting uit te kijken naar de verschijning van de hemelse pracht van onze grote God en redder, Jezus Christus.
TIT 2:14 Hij heeft zichzelf voor ons gegeven, om ons van alle zonde vrij te kopen en van ons een volk te maken dat zuiver is, Hem toebehoort en zich inspant om goede daden te doen.
TIT 2:15 Dat is wat je moet verkondigen. Gebruik je gezag om de mensen te bemoedigen en terecht te wijzen en laat niemand op je neerkijken.
TIT 3:1 Breng de mensen in herinnering dat ze het gezag van overheden en machthebbers moeten erkennen, en dat ze gehoorzaam moeten zijn en altijd bereid om goed te doen.
TIT 3:2 Ze mogen niemand belasteren, maar moeten vredelievend en vriendelijk zijn en aan alle mensen zachtmoedigheid betonen.
TIT 3:3 Want vroeger waren ook wij dwaas, ongehoorzaam, misleid, verslaafd aan allerlei passies en lusten; we leidden een leven van kwaadaardigheid en afgunst; we haatten en verachtten elkaar.
TIT 3:4 Maar toen de goedheid en mensenliefde van onze redder en God verscheen,
TIT 3:5 heeft Hij ons gered; niet op grond van rechtvaardige daden die wij hadden gedaan, maar uit mededogen. Hij heeft ons gereinigd door de wedergeboorte en vernieuwd door de Heilige Geest.
TIT 3:6 Door Jezus Christus, onze redder, heeft God de Heilige Geest overvloedig over ons uitgestort,
TIT 3:7 opdat wij zouden leven in de verwachting van het eeuwig leven dat God ons heeft beloofd. En dat alles omdat wij door Gods genade met Hem in het reine zijn gebracht.
TIT 3:8 Deze woorden zijn betrouwbaar en ik wil graag dat je er met overtuiging over spreekt, opdat de mensen die op God vertrouwen zich gaan toeleggen op het doen van wat goed is; dat is goed en nuttig voor alle mensen.
TIT 3:9 Laat je niet in met dwaze controverses, lijsten van voorouders of met ruzie en onenigheid over de Wet, want dat heeft geen enkel nut.
TIT 3:10 Als iemand verdeeldheid blijft zaaien nadat hij een eerste en een tweede keer is terechtgewezen, moet je niet meer met hem omgaan,
TIT 3:11 want je weet dat zo iemand verdorven is en dat hij met zijn zonden zijn eigen veroordeling op de hals haalt.
TIT 3:12 Doe je uiterste best om bij mij in Nikopolis te komen zodra ik Artemas of Tychikus naar je toe gestuurd heb, want ik heb besloten om daar de winter door te brengen.
TIT 3:13 Doe je uiterste best om Zenas de Wetgeleerde en Apollos goed voor hun reis toe te rusten, zodat het hun aan niets zal ontbreken.
TIT 3:14 Onze mensen moeten ook leren om zich toe te leggen op het doen van wat goed is; dan wordt in levensbehoeften voorzien en is hun leven niet vruchteloos.
TIT 3:15 Iedereen die hier bij mij is, groet je. Groet onze gelovige vrienden. Ik wens jullie allen genade toe.
PHM 1:1 Van: Paulus, gevangene omwille van Christus Jezus, en onze broeder Timoteüs. Aan: onze geliefde collega Filemon,
PHM 1:2 onze zuster Apfia en onze strijdmakker Archippus; en aan de kerkgemeenschap die in jouw huis bijeenkomt.
PHM 1:3 Ik wens jullie de genade en vrede van God, onze Vader, en van de Heer Jezus Christus toe.
PHM 1:4 Telkens wanneer ik voor je bid, dank ik mijn God,
PHM 1:5 want ik heb gehoord van je geloof in de Heer Jezus en van je liefdebetoon aan ieder die bij Hem hoort.
PHM 1:6 Ik bid dat ons gemeenschappelijk geloof jou in staat zal stellen te begrijpen welke goede dingen God in je leven doet omwille van Christus.
PHM 1:7 Je liefdebetoon verheugt en bemoedigt mij ten zeerste, want door jou, beste broeder, zijn zij die bij Hem horen innerlijk versterkt.
PHM 1:8 En hoewel ik onder de christenen over voldoende aanzien beschik om je te gebieden het juiste te doen,
PHM 1:9 doe ik liever een beroep op je liefde. Dus vraag ik, Paulus, een oude man die gevangen zit omwille van Christus Jezus, jou om een gunst.
PHM 1:10 Die gunst betreft mijn kind Onesimus. Tijdens mijn gevangenschap ben ik zijn vader geworden.
PHM 1:11 Vroeger was hij weliswaar nutteloos voor jou, maar nu is hij zeer nuttig voor jou en ook voor mij.
PHM 1:12 Hierbij stuur ik hem, mijn hart, naar jou terug,
PHM 1:13 hoewel ik hem liever bij me had gehouden om, namens jou, voor mij te zorgen nu ik voor het evangelie gevangen zit.
PHM 1:14 Ik wil echter niets doen zonder jouw instemming, want zo doe je je goede daad vrijwillig en niet uit dwang.
PHM 1:15 Misschien was hij een tijdlang bij je vandaan opdat je hem voorgoed zou terugkrijgen.
PHM 1:16 Niet als slaaf, maar als iemand die meer is dan een slaaf, een geliefde broeder – vooral voor mij, maar nog meer voor jou, en dat niet alleen in menselijk opzicht maar ook als christen.
PHM 1:17 Dus als je je met mij verbonden weet, verwelkom hem dan zoals je mij zou verwelkomen.
PHM 1:18 En als hij je iets heeft misdaan of je iets schuldig is, verreken het dan met mij.
PHM 1:19 Ik, Paulus, schrijf dit eigenhandig: ik zal je terugbetalen. Ik hoef je echter niet te vertellen dat jij je leven aan mij te danken hebt.
PHM 1:20 Beste broeder, doe mij deze gunst omwille van de Heer en bemoedig mij omwille van Christus.
PHM 1:21 Ik schrijf je in het vertrouwen op je medewerking, want ik weet dat je zelfs meer zal doen dan ik vraag.
PHM 1:22 En nog iets: maak een logeerplek voor me klaar, want ik hoop dat ik dankzij jullie gebeden aan jullie zal worden teruggegeven.
PHM 1:23 Epafras, die samen met mij gevangen zit omwille van Christus Jezus, groet jullie.
PHM 1:24 Ook mijn collega's Markus, Aristarchus, Demas en Lukas groeten jullie.
PHM 1:25 Ik wens jullie de genade van de Heer Jezus Christus toe.
HEB 1:1 In het verleden heeft God op allerlei verschillende manieren tot onze voorouders gesproken via de profeten.
HEB 1:2 Maar nu, aan het einde van de tijd, spreekt Hij tot ons door de Zoon, die door Hem is aangesteld tot uiteindelijke eigenaar van alles wat bestaat. Ook heeft Hij door Hem het heelal gemaakt.
HEB 1:3 De Zoon is de afstraling van Gods luister en de afspiegeling van zijn wezen. Hij onderhoudt alles wat bestaat met zijn krachtig bevel en nadat Hij het mogelijk heeft gemaakt om van onze zonden te worden gereinigd, heeft Hij plaatsgenomen aan de rechterzijde van de allerhoogste Majesteit.
HEB 1:4 De Zoon heeft een hogere positie verkregen dan de engelen, en een naam die de hunne overstijgt.
HEB 1:5 Immers, tegen wie van de engelen heeft God ooit gezegd: “Jij bent mijn Zoon, vandaag heb Ik Je verwekt”, of ook: “Ik zal zijn Vader zijn en Hij zal mijn Zoon zijn”?
HEB 1:6 Bovendien zei God, toen Hij de Eerstgeboren Zoon naar de wereld stuurde: “Hem moeten al Gods engelen aanbidden.”
HEB 1:7 Over de engelen zegt God: “Hij maakt dat zijn engelen zijn als de wind en zijn dienaren als vuurvlammen”,
HEB 1:8 maar over de Zoon zegt Hij: “Uw troon, o God, houdt stand voor eeuwig en altijd” en: “U heerst in alle rechtvaardigheid over uw koninkrijk.
HEB 1:9 U houdt van gerechtigheid en haat wetteloosheid. Daarom, o God, heeft uw God U boven uw metgezellen gesteld en U met vreugde gezalfd als met olie.”
HEB 1:10 Ook zegt God: “In het begin legde U, Heer, de fundering van de aarde; ook de hemelen zijn door U gemaakt.
HEB 1:11 Zij zullen vergaan, maar U blijft bestaan. Als een kledingstuk zullen ze verslijten.
HEB 1:12 Als een mantel zal U hen oprollen, als een kledingstuk zullen ze worden verwisseld; maar U blijft altijd dezelfde en er komt geen einde aan uw bestaan.”
HEB 1:13 Tegen wie van de engelen heeft God ooit gezegd: “Neem plaats aan mijn rechterzijde, totdat Ik je vijanden aan je heb onderworpen.”?
HEB 1:14 Integendeel, alle engelen zijn geesten in dienst van God; ze worden uitgezonden ten behoeve van de mensen die de redding zullen ontvangen.
HEB 2:1 Om die reden moeten we meer aandacht schenken aan de boodschap die we gehoord hebben, opdat we niet uit koers raken.
HEB 2:2 De boodschap die eertijds door engelen werd overgebracht had zoveel gezag dat iedere overtreding en alle ongehoorzaamheid rechtmatig werd bestraft.
HEB 2:3 En als wij zoiets belangrijks als de redding zouden negeren, hoe zouden wij dan ontkomen? Immers, de redding werd aangekondigd door de Heer, is voor ons bevestigd door de mensen die de aankondiging hoorden,
HEB 2:4 en wordt door God bekrachtigd met wonderen, tekenen, allerlei machtige daden en met gaven van de Heilige Geest, die Hij naar eigen believen uitdeelt.
HEB 2:5 God heeft de toekomstige wereld, waarover wij het hier hebben, niet onder het gezag van engelen geplaatst.
HEB 2:6 Integendeel, iemand heeft ergens verklaard: “Wat is de mens dat U aan hem denkt, of het mensenkind, dat U zich om hem bekommert?
HEB 2:7 U heeft hem korte tijd onder de engelen geplaatst, U heeft hem gekroond met luister en eer.
HEB 2:8 Alles heeft U onder zijn gezag gesteld.” Als alles onder zijn gezag is gesteld, is er niets dat niet onder zijn gezag valt. Toch zien we momenteel nog niet dat alles onder zijn gezag is gesteld.
HEB 2:9 Wel zien we dat Jezus, die korte tijd onder de engelen is geplaatst, met luister en eer is gekroond omdat Hij de dood heeft ondergaan. Hij is dus, omdat God genadig is, voor iedereen gestorven.
HEB 2:10 God, voor Wie en dankzij Wie alles bestaat, wil velen als zijn kinderen laten delen in zijn luister. Daarom vond Hij het gepast dat Jezus, die hun redding bewerkstelligde, zijn einddoel zou bereiken door te lijden.
HEB 2:11 Hij die heilig maakt en zij die door Hem heilig gemaakt worden, komen allen voort uit dezelfde Vader. Daarom schaamt Jezus zich niet, hen zijn broeders en zusters te noemen.
HEB 2:12 Hij zegt namelijk: “Ik zal aan mijn broeders en zusters bekendmaken wie U bent; ik zal U lofzingen in de samenkomst.”
HEB 2:13 En ook: “Op Hem stel ik mijn vertrouwen”, en verder: “Hier ben ik met de kinderen die God Mij heeft gegeven.”
HEB 2:14 Omdat deze kinderen mensen van vlees en bloed zijn, is Hij mens geworden zoals zij, om door zijn sterven de heerser over de dood – dat is de duivel – te onttronen.
HEB 2:15 Zo heeft Hij hen bevrijd, die wegens hun angst voor de dood hun leven lang als slaven hadden geleefd.
HEB 2:16 Het is duidelijk dat Hij niet engelen te hulp schiet, maar de afstammelingen van Abraham.
HEB 2:17 Daarom moest Hij in alle opzichten aan zijn broeders en zusters gelijk worden, om als een genadige, trouwe hogepriester in dienst van God vergeving van zonden tot stand te brengen voor het volk.
HEB 2:18 Omdat Hij zelf heeft geleden toen Hij op de proef werd gesteld, is Hij in staat om bij te staan wie ook op de proef gesteld worden.
HEB 3:1 Daarom, aan God toegewijde broeders en zusters, deelgenoten aan de hemelse roeping, bedenk dat Jezus, de apostel en hogepriester van het geloof dat wij belijden,
HEB 3:2 trouw was aan Degene die Hem had aangesteld, zoals ook Mozes trouw dienst heeft gedaan in heel Gods huis.
HEB 3:3 Maar zoals de bouwer van een huis meer eer krijgt dan het huis zelf, zo verdient Jezus meer eer dan Mozes.
HEB 3:4 Ieder huis wordt door iemand gebouwd, maar de bouwer van alles is God.
HEB 3:5 Door trouw zijn taak als dienaar in heel Gods huis te vervullen, getuigde Mozes van hetgeen later verkondigd zou worden.
HEB 3:6 Christus daarentegen is trouw als de Zoon die over het huis is aangesteld. En dat huis zijn wij, als wij tenminste blijmoedig vasthouden aan de verwachting waarop we zo fier zijn.
HEB 3:7 Daarom, zoals de Heilige Geest zegt: “Als jullie vandaag zijn stem horen,
HEB 3:8 wees dan niet eigenzinnig, zoals bij de opstand in de woestijn, toen jullie Mij uitdaagden.
HEB 3:9 Hoewel jullie voorouders mijn daden hadden gezien, daagden ze Mij uit en tergden ze Mij,
HEB 3:10 veertig jaar lang. Daarom werd Ik kwaad op die mensen. Ik zei: ‘Hun hart dwaalt voortdurend af, in plaats van de weg te volgen die Ik wijs.’
HEB 3:11 Ik was zo kwaad dat Ik zwoer dat ze de rust die Ik aanbied nooit zouden ervaren.”
HEB 3:12 Zorg er dus voor, broeders en zusters, dat niemand van jullie zich met een zondig, ongelovig hart afkeert van de God die het leven geeft.
HEB 3:13 Moedig elkaar iedere dag aan, zolang we het nog over “vandaag” kunnen hebben, opdat niemand van jullie zich door zonde laat misleiden en eigenzinnig wordt.
HEB 3:14 Wij mogen delen in alles wat van Christus is, als we tenminste tot het einde stevig vasthouden aan onze aanvankelijke overtuiging.
HEB 3:15 Zoals er is gezegd: “Als jullie vandaag zijn stem horen, wees dan niet eigenzinnig.”
HEB 3:16 Wie waren het die in opstand kwamen hoewel ze Gods stem hadden gehoord? Waren dat niet allen die onder leiding van Mozes uit Egypte waren vertrokken?
HEB 3:17 En op wie was God veertig jaar lang kwaad? Waren dat niet zij die hadden gezondigd en van wie de lijken in de woestijn zijn achtergebleven?
HEB 3:18 En aan wie verklaarde God dat ze de rust die Hij aanbiedt niet zouden ervaren? Waren dat niet zij die ongehoorzaam waren?
HEB 3:19 We zien dus dat ze die rust niet konden ervaren wegens hun ongeloof.
HEB 4:1 De belofte dat we de rust die God aanbiedt mogen ervaren is nog steeds van kracht. Waak er dus over dat niemand van jullie alsnog blijkt tekort te schieten.
HEB 4:2 Want net als zij eertijds, hebben ook wij het goede nieuws gehoord. Het horen van de boodschap heeft hen echter niet gebaat, omdat het horen bij hen niet gepaard ging met geloof.
HEB 4:3 Wij die tot geloof gekomen zijn, hebben die rust wél ervaren. Het is zoals God heeft gezegd: “Ik was zo kwaad dat Ik zwoer dat ze de rust die Ik aanbied nooit zouden ervaren.” En dat terwijl Gods werk al sinds de schepping van de wereld af is.
HEB 4:4 Hij zegt ergens over de zevende dag: “En op de zevende dag vond God rust van al het werk dat Hij gedaan had.”
HEB 4:5 Maar hier lezen we: “Ze zullen de rust die Ik aanbied nooit ervaren.”
HEB 4:6 De mogelijkheid om die rust te ervaren bestaat dus nog, maar zij die aanvankelijk het goede nieuws over de rust hadden gehoord, mochten die niet ervaren.
HEB 4:7 Daarom heeft God opnieuw een dag aangeduid die als “vandaag” geldt. Zoals we hebben gezien zei Hij veel later bij monde van David: “Als jullie vandaag zijn stem horen, wees dan niet eigenzinnig.”
HEB 4:8 Als Jozua hun die rust zou hebben gegeven, dan zou God later niet over een tweede kans hebben gesproken.
HEB 4:9 Er blijft dus een sabbatsrust beschikbaar voor Gods volk.
HEB 4:10 Want wie Gods rust heeft ervaren, mag rust vinden van het werk dat hij heeft gedaan, zoals God rust vond van het werk dat Hij had gedaan.
HEB 4:11 Laten we daarom ons best doen om die rust te ervaren – laat niemand te gronde gaan door het voorbeeld van ongehoorzaamheid te volgen dat de Israëlieten destijds hebben gegeven.
HEB 4:12 Wat God zegt is namelijk levend, krachtig en scherper dan eender welk tweesnijdend zwaard. Het snijdt diep, tot waar zowel ziel en geest als gewrichten en merg elkaar raken, en het kan onze diepste gedachten en motieven ontleden.
HEB 4:13 Niets van wat geschapen is, is voor Hem verborgen; het is allemaal open en bloot zichtbaar voor Hem aan Wie we verantwoording zullen moeten afleggen.
HEB 4:14 Wij hebben een verheven hogepriester, die de hemel is binnengegaan: Jezus, de Zoon van God. Laten we daarom vasthouden aan het geloof dat we belijden.
HEB 4:15 Wij hebben immers geen hogepriester die niet kan meevoelen met onze zwakheden, maar een die in alle opzichten net als wij op de proef is gesteld, echter zonder te zondigen.
HEB 4:16 Laten we daarom vrijmoedig de troon van de genadige God benaderen, opdat we, telkens wanneer we hulp nodig hebben, mededogen en genade mogen ontvangen.
HEB 5:1 Iedere hogepriester wordt uit de mensen gekozen en wordt aangesteld om hen bij God te vertegenwoordigen door geschenken en offers te brengen voor hun zonden.
HEB 5:2 Omdat de hogepriester zelf ook maar een zwak mens is, kan hij begrip opbrengen voor wie uit onwetendheid iets verkeerds heeft gedaan.
HEB 5:3 Daarom moet hij niet enkel offers brengen voor de zonden van het volk, maar ook voor zijn eigen zonden.
HEB 5:4 Niemand eigent zich die waardigheid toe; men wordt er door God voor geroepen, zoals Aäron destijds.
HEB 5:5 Dit geldt ook voor Christus. Hij kende zichzelf niet de eer toe om hogepriester te worden, het was God die tegen Hem zei: “Jij bent mijn Zoon, vandaag heb Ik Je verwekt.”
HEB 5:6 Elders zegt Hij: “Jij bent priester voor altijd, zoals Melchizedek.”
HEB 5:7 Toen Jezus nog op aarde was, bad en smeekte Hij onder luid geroep en onder tranen tot de God die Hem van de dood kon redden. En Hij werd verhoord wegens zijn grote eerbied voor God.
HEB 5:8 Hoewel Hij de Zoon van God was, moest Hij, door te lijden, ervaren wat gehoorzaamheid betekent.
HEB 5:9 En toen Hij zijn einddoel had bereikt, werd Hij de bron van eeuwige redding voor allen die Hem gehoorzamen,
HEB 5:10 omdat Hij door God was uitgeroepen tot hogepriester zoals Melchizedek dat was.
HEB 5:11 Hierover kunnen we veel meer zeggen, maar het is moeilijk uit te leggen omdat jullie zo traag van begrip zijn.
HEB 5:12 Jullie hadden allang leraars moeten zijn, maar in plaats daarvan hebben jullie nood aan iemand die jullie opnieuw de eerste beginselen kan bijbrengen van de dingen die God heeft geopenbaard. Jullie hebben melk nodig in plaats van vast voedsel.
HEB 5:13 Ieder die van melk leeft, heeft nog niet geleerd wat goed en kwaad is; hij is nog een baby.
HEB 5:14 Maar voor volwassenen is er vast voedsel; omdat zij hun inzicht door gebruik hebben geoefend, kennen zij het onderscheid tussen goed en kwaad.
HEB 6:1 Laten we daarom de beginselen van het onderwijs over Christus achter ons laten en ons volop richten op het volwassen-zijn. We gaan dus niet opnieuw het fundament leggen, dat bestaat uit de bekering van het gedrag dat tot de dood leidt, en uit het geloof in God,
HEB 6:2 evenals de leer over de doop, de handoplegging, de verrijzenis van de doden en de eeuwige veroordeling.
HEB 6:3 Laten we dat dus doen, als God het toelaat.
HEB 6:4 Het is namelijk onmogelijk voor iemand wiens ogen zijn geopend en die van het hemelse geschenk heeft geproefd, die deel heeft gekregen aan de Heilige Geest,
HEB 6:5 die van de goedheid van Gods woorden en de kracht van de toekomstige wereld heeft geproefd,
HEB 6:6 en die vervolgens afvallig is geworden, om zijn bekering over te doen. Zo zou je immers de Zoon van God opnieuw kruisigen en schande aandoen.
HEB 6:7 Land waarop dikwijls regen valt en dat voor de landbouwers nuttige gewassen oplevert, wordt door God gezegend.
HEB 6:8 Maar als het doornen en distels voortbrengt, is het waardeloos en loopt het de kans om vervloekt te worden en uiteindelijk te worden verbrand.
HEB 6:9 Beste vrienden, wij spreken wel zo, maar we zijn ervan overtuigd dat jullie iets beters wacht – jullie redding.
HEB 6:10 God is niet onrechtvaardig; Hij zal niet vergeten wat jullie uit liefde voor Hem hebben gedaan door je medechristenen keer op keer bij te staan.
HEB 6:11 Het is ons verlangen dat ieder van jullie tot het einde toe dezelfde ijver aan de dag zal leggen en dat onze verwachting volkomen zal worden verwezenlijkt.
HEB 6:12 Word dus niet passief, maar neem een voorbeeld aan degenen die het beloofde hebben verkregen door te geloven en geduldig te zijn.
HEB 6:13 Toen God zijn belofte aan Abraham deed, kon Hij niet zweren bij iemand die belangrijker was dan Hij. Daarom zwoer Hij bij zichzelf:
HEB 6:14 “Ik zal je met zegeningen overladen en je talloze afstammelingen geven.”
HEB 6:15 En zo, door geduld te hebben, heeft Abraham het beloofde verkregen.
HEB 6:16 Mensen zweren altijd bij iemand die belangrijker is dan henzelf, en ieder menselijk geschil kan worden beslecht door een verklaring met een eed te bekrachtigen.
HEB 6:17 En omdat God wilde dat zij die het beloofde zouden ontvangen er goed van doordrongen zouden zijn dat zijn plan niet zou veranderen, bekrachtigde Hij zijn belofte met een eed.
HEB 6:18 Voor ons die onze toevlucht hebben genomen tot de God die onmogelijk zou liegen, vormen deze onherroepelijke eed en belofte een sterke aansporing om vast te houden aan onze toekomstverwachting.
HEB 6:19 Die is als een anker voor onze ziel; ze ligt vast, is betrouwbaar en geeft toegang tot de ruimte achter het tempelgordijn,
HEB 6:20 waar Jezus, die voor eeuwig een hogepriester als Melchizedek is geworden, vóór ons en ten behoeve van ons is binnengegaan.
HEB 7:1 Het was deze Melchizedek – koning van Salem en priester van God, de Allerhoogste – die Abraham tegemoet ging en zegende toen deze de koningen had verslagen.
HEB 7:2 Abraham gaf hem toen een tiende deel van de buit. Ten eerste betekent de naam Melchizedek: koning die gerechtigheid brengt. Ten tweede is hij koning van Salem; dat wil zeggen: koning die vrede brengt.
HEB 7:3 Zijn vader, moeder of stamboom worden niet vermeld en ook niet zijn geboorte of overlijden. Daarin lijkt hij op de Zoon van God: hij blijft voor altijd priester.
HEB 7:4 Bedenk eens hoe belangrijk hij was: zelfs Abraham, de stamvader van ons volk, gaf hem een tiende deel van zijn buit.
HEB 7:5 De Wet stipuleert dat de afstammelingen van Levi die priester worden, tienden moeten heffen van het volk, dus van hun eigen mensen, hoewel die van Abraham afstammen.
HEB 7:6 Maar deze man die niet van Levi afstamde, hief toch een tiende deel van Abraham, aan wie de beloften waren gedaan, en zegende hem.
HEB 7:7 Zoals niemand ontkent, is het altijd de mindere die door de meerdere wordt gezegend.
HEB 7:8 Gewoonlijk worden tienden geheven door sterfelijke mensen, maar in het geval van Melchizedek wordt verklaard dat hij nog leeft.
HEB 7:9 Men kan zeggen dat Levi, die tienden ontving, zelf ook tienden heeft betaald via Abraham,
HEB 7:10 aangezien hij zich nog in Abrahams lichaam bevond toen Melchizedek Abraham tegemoet ging.
HEB 7:11 Als het Levitische priesterschap, waaronder het volk Israël de Wet had ontvangen, volmaakt geweest zou zijn, dan zou er toch geen nood zijn aan de komst van een andere priester, die is zoals Melchizedek en niet zoals Aäron?
HEB 7:12 Want een wijziging van het priesterschap vereist ook een wijziging van de wetgeving.
HEB 7:13 Die andere priester over Wie het hier gaat, behoorde tot een andere stam. Niemand van die stam heeft ooit dienstgedaan bij het altaar.
HEB 7:14 Het is duidelijk dat onze Heer afstamde van Juda, en over die stam heeft Mozes niets gezegd in verband met priesters.
HEB 7:15 Maar het wordt nog duidelijker wanneer we bedenken dat Hij, de andere priester die gekomen is, op Melchizedek lijkt.
HEB 7:16 Hij is niet priester geworden op basis van een regel die menselijke afstamming vereist, maar door de kracht van zijn onvergankelijk leven.
HEB 7:17 Er wordt namelijk over Hem verklaard: “Jij bent priester voor altijd, zoals Melchizedek.”
HEB 7:18 Er wordt dus een eerder voorschrift afgeschaft omdat het niet doeltreffend of nuttig is –
HEB 7:19 de Wet heeft immers in geen enkel opzicht het volkomene gebracht – en vervangen door de verwachting van iets beters.
HEB 7:20 Dit is trouwens niet gebeurd zonder dat er een eed werd gezworen. Anderen zijn priester geworden zonder dat er sprake was van een eed.
HEB 7:21 Jezus daarentegen werd priester met een eed, toen van Hem werd gezegd: “De Heer heeft gezworen en Hij zal het niet herroepen: Jij bent priester voor altijd.”
HEB 7:22 Daarom staat Jezus garant voor een beter verbond.
HEB 7:23 Er zijn veel Levitische priesters geweest; omdat ze stierven konden zij hun dienst niet voortzetten.
HEB 7:24 Maar omdat Jezus er altijd zal zijn, blijft Hij voor altijd priester.
HEB 7:25 Daarom is Hij volkomen in staat om de mensen te helpen die via Hem God benaderen; Hij is immers altijd in leven om voor hen te pleiten.
HEB 7:26 Hij is het soort hogepriester dat wij nodig hadden: zuiver, schuldloos en onbedorven, anders dan de zondige mensen en verheven tot de hoogste plaats in de hemel.
HEB 7:27 In tegenstelling tot de andere hogepriesters hoeft Hij niet elke dag offers te brengen, eerst voor zijn eigen zonden en vervolgens voor die van het volk. Toen Hij zichzelf offerde, deed Hij dat immers eens en voor altijd.
HEB 7:28 De mensen die op grond van de Wet als hogepriesters zijn aangesteld, zijn zwak, maar de Zoon is aangesteld op grond van de eed die na de Wet kwam, en Hij is de eeuwige, volmaakte hogepriester.
HEB 8:1 Wat we tot nu toe hebben besproken komt hierop neer: we hebben een hogepriester die aan de rechterzijde van de koningstroon in de hemel heeft plaatsgenomen,
HEB 8:2 en die dienstdoet in het heiligdom, de ware tabernakel, de tent die niet door mensen maar door de Heer is opgericht.
HEB 8:3 Iedere hogepriester wordt aangesteld om geschenken en offers te brengen, en ook deze Hogepriester moest iets hebben om te offeren.
HEB 8:4 Als Hij op aarde zou zijn, zou Hij zelfs geen priester zijn, want hier zijn al priesters die offers brengen volgens de voorschriften van de Wet.
HEB 8:5 Zij vereren een kopie, een schaduw van de hemelse werkelijkheid. Daarom is tegen Mozes gezegd, toen hij de tabernakel zou inrichten: “Zorg ervoor dat je alles maakt volgens het voorbeeld dat op de berg aan je is getoond.”
HEB 8:6 In feite heeft Jezus een belangrijker taak gekregen, als bemiddelaar van een beter verbond dat gebaseerd is op betere beloften.
HEB 8:7 Als met het eerste verbond niets mis zou zijn, dan zou er geen reden zijn om naar iets anders te zoeken.
HEB 8:8 Maar God berispt de Israëlieten met de woorden: “Er komt een tijd, zegt de Heer, dat Ik een nieuw verbond sluit met het volk van Israël en met het volk van Juda.
HEB 8:9 Het zal niet zijn zoals het verbond dat Ik met hun voorouders sloot, toen Ik hen bij de hand nam om hen uit Egypte weg te leiden. Zij hebben dat verbond niet nageleefd en daarom heb Ik Me van hen afgekeerd, zegt de Heer.
HEB 8:10 Maar dit is het verbond dat Ik met het volk Israël zal sluiten, zegt de Heer: Ik zal mijn wetten in hun verstand leggen en in hun hart schrijven; Ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn.
HEB 8:11 Niemand zal zijn volksgenoot meer hoeven onderrichten of tegen zijn verwanten hoeven zeggen: ‘Leer de Heer kennen’, want iedereen – van de geringste tot de aanzienlijkste – zal Mij kennen.
HEB 8:12 Ik zal hun wandaden vergeven en niet langer aan hun zonden denken.”
HEB 8:13 Door dit verbond nieuw te noemen, heeft Hij het eerste verouderd verklaard, en wat verouderd is en zijn tijd heeft gehad, zal spoedig verdwijnen.
HEB 9:1 Het eerste verbond bevatte voorschriften voor de rituelen en ook een aards heiligdom.
HEB 9:2 Er werd namelijk een tabernakel ingericht en in de voorste ruimte daarvan stonden de kandelaar en de tafel met het gewijde brood; deze ruimte wordt het Heilige genoemd.
HEB 9:3 Achter het tweede gordijn bevond zich een tweede ruimte; deze wordt het Allerheiligste genoemd.
HEB 9:4 Hier stonden het gouden reukofferaltaar en de Ark van het Verbond. De Ark was volledig met goud overtrokken en bevatte een kruik met manna, de staf van Aäron die gebloeid had en de schrijftabletten met de tekst van het verbond.
HEB 9:5 Boven de ark bevonden zich de cherubs; zij staan symbool voor Gods hemelse pracht. Hun vleugels overschaduwden het deksel van de ark, dat symbool staat voor de verzoening. Maar op deze zaken kunnen we nu niet dieper ingaan.
HEB 9:6 In de aldus ingerichte tabernakel gingen de priesters keer op keer de eerste ruimte binnen om de rituelen uit te voeren.
HEB 9:7 Enkel de hogepriester ging de tweede ruimte binnen; dat gebeurde eenmaal per jaar. Hij nam altijd bloed mee, dat hij offerde voor zichzelf en voor de zonden die het volk had begaan zonder het te beseffen.
HEB 9:8 Hiermee maakt de Heilige Geest duidelijk dat de toegang tot het ware heiligdom nog niet is opengesteld zolang de eerste tabernakel nog dienstdoet.
HEB 9:9 De eerste tabernakel staat symbool voor wat er vandaag gebeurt: er worden allerlei offers gebracht, maar die kunnen het geweten van de persoon die de offers brengt niet volkomen zuiveren.
HEB 9:10 De voorschriften betreffen enkel uiterlijke zaken – voedsel, drank en verschillende rituele wassingen – en ze blijven van kracht tot het tijdstip waarop een nieuw stelsel wordt ingevoerd.
HEB 9:11 Maar nu is Christus verschenen, als hogepriester van het goede dat zou komen. Hij is de betere, volmaakte tabernakel doorgegaan, die niet door mensenhanden is gemaakt en niet tot deze schepping behoort.
HEB 9:12 Hij heeft onze redding bewerkstelligd door eens en voor altijd het heiligdom binnen te gaan – niet met bloed van bokken en jonge stieren maar met zijn eigen bloed.
HEB 9:13 Het bloed van bokken en stieren en de besprenkeling met de as van een jonge koe reinigen wie lichamelijk onrein is.
HEB 9:14 Maar het bloed van Christus – Hij die zich door middel van de eeuwige Geest aan God aanbood als een smetteloos offer – zuivert ons geweten van het gedrag dat tot de dood leidt, zodat we de levende God kunnen dienen.
HEB 9:15 Daarom is Christus de bemiddelaar van een nieuw verbond en mogen zij die geroepen zijn, de beloofde eeuwige erfenis ontvangen. Hij is namelijk gestorven om ons te verlossen van de overtredingen die onder het eerste verbond zijn begaan.
HEB 9:16 Een testament vereist dat de dood van de erflater wordt vastgesteld.
HEB 9:17 Het testament kan pas worden uitgevoerd wanneer de erflater gestorven is; het wordt niet uitgevoerd zolang hij nog in leven is.
HEB 9:18 Daarom is ook het eerste verbond niet ingegaan zonder dat er bloed is gevloeid.
HEB 9:19 Nadat Mozes alle geboden die onder de Wet vallen aan heel het volk had verkondigd, nam hij het bloed van jonge stieren en bokken, samen met water, felrode wol en hyssop, en besprenkelde daarmee zowel de boekrol zelf als heel het volk,
HEB 9:20 terwijl hij zei: “Dit is het bloed van het verbond dat Hij aan jullie oplegt.”
HEB 9:21 Met dat bloed besprenkelde Mozes ook de tabernakel en alle voorwerpen die voor de rituelen werden gebruikt.
HEB 9:22 De Wet stipuleert dat bijna alles met bloed moet worden gereinigd en dat er geen vergeving is zonder dat er bloed wordt vergoten.
HEB 9:23 De kopieën van wat zich in de hemel bevindt moesten dus op deze wijze worden gereinigd, maar voor de hemelse zaken waren betere offers nodig.
HEB 9:24 Het heiligdom dat Christus is binnengegaan was geen door mensen gemaakte kopie van het ware heiligdom, maar de hemel zelf. Daar is Hij namens ons voor God verschenen.
HEB 9:25 Ook hoeft Hij zichzelf niet steeds opnieuw te offeren, zoals de hogepriester die ieder jaar het Allerheiligste binnenging met het bloed van een dier.
HEB 9:26 Anders had Christus sinds het begin van de wereld vele malen moeten lijden. Nee, Hij is eenmalig verschenen, aan het einde van de tijd, om met de zonde komaf te maken door zichzelf te offeren.
HEB 9:27 Het staat vast dat mensen eenmaal moeten sterven en vervolgens het Oordeel moeten ondergaan.
HEB 9:28 En het is even zeker dat Christus, die zichzelf eenmalig heeft geofferd om de zonden van velen op zich te nemen, een tweede maal zal verschijnen; niet om de zonde op zich te nemen maar om de mensen die naar Hem uitkijken te redden.
HEB 10:1 De Wet toont slechts een schaduw van de goede dingen die komen, niet hun ware gedaante. Wie God wil benaderen, kan daarom niet volkomen worden vergeven op basis van de offers die ieder jaar opnieuw worden gebracht.
HEB 10:2 Anders zouden de mensen wel gestopt zijn met die offers; ze zouden dan eens en voor altijd vergeven zijn en zich dus niet meer schuldig voelen over hun zonden.
HEB 10:3 Maar in feite vormen die offers een jaarlijkse herinnering aan hun zonden.
HEB 10:4 Het bloed van stieren en bokken kan geen zonden uitwissen.
HEB 10:5 Daarom zei Christus, toen Hij naar de wereld kwam: “U wilde geen offers en geschenken, maar U heeft Mij een lichaam geschonken.
HEB 10:6 U verheugde zich niet over brand- en schuldoffers.
HEB 10:7 Toen zei Ik: Hier ben Ik; Ik ben gekomen om te doen wat U wil, o God, zoals over Mij in de boekrollen staat.”
HEB 10:8 Eerst zegt Hij: “U wilde geen offers en geschenken; U verheugde zich niet over brand- en reinigingsoffers”, hoewel deze offers worden gebracht in overeenstemming met de Wet.
HEB 10:9 Vervolgens zegt Hij: “Hier ben Ik; Ik ben gekomen om te doen wat U wil.” Hij schaft dus het eerste af om het tweede in te stellen.
HEB 10:10 Overeenkomstig Gods wil zijn wij dus eens en voor altijd zuiver gemaakt doordat Jezus Christus zijn lichaam heeft geofferd.
HEB 10:11 Iedere andere priester staat dag na dag bij het altaar om keer op keer dezelfde offers te brengen, die echter nooit de zonden kunnen uitwissen.
HEB 10:12 Jezus Christus bracht daarentegen één offer voor onze zonden en nam vervolgens plaats aan Gods rechterzijde.
HEB 10:13 Daar wacht Hij totdat zijn vijanden aan Hem onderworpen zijn.
HEB 10:14 Met een enkel offer heeft Hij voor altijd volkomen vergeving voor ons tot stand gebracht die zuiver zijn gemaakt.
HEB 10:15 Ook de Heilige Geest getuigt daarvan, want Hij zegt eerst:
HEB 10:16 “Dit is het verbond dat Ik na die tijd met hen zal sluiten, zegt de Heer: Ik zal mijn wetten in hun verstand leggen en in hun hart schrijven,
HEB 10:17 Ik zal hun wandaden vergeven en niet langer aan hun zonden denken.”
HEB 10:18 En als de zonden zijn vergeven, hoeft er geen offer meer voor worden gebracht.
HEB 10:19 Broeders en zusters, omdat Jezus' bloed vergoten is, mogen we vrijmoedig het Allerheiligste binnengaan.
HEB 10:20 Doordat Hij zijn lichaam offerde, verleende Hij ons toegang tot voorbij het tempelgordijn – tot het nieuwe leven.
HEB 10:21 Hij is hogepriester in Gods huis.
HEB 10:22 Laten we daarom God benaderen met een oprecht hart en in de zekerheid die het geloof ons biedt, met een hart dat – omdat het besprenkeld is – vrij is van zondebesef, en met een lichaam dat met zuiver water is gewassen.
HEB 10:23 Laten we onverminderd trouw blijven aan onze getuigenis over de verwachting waarin wij leven. We weten immers dat Hij die beloofd heeft, trouw is.
HEB 10:24 Laten we ook bedenken hoe we elkaar kunnen aanmoedigen om liefdevolle, goede daden te doen.
HEB 10:25 En laten we niet van onze samenkomsten wegblijven – zoals de gewoonte van sommigen is – maar elkaar nog meer aanmoedigen, vooral nu jullie de Dag van de Heer zien naderen.
HEB 10:26 Want als we bewust blijven zondigen nadat we de waarheid hebben leren kennen, is er geen offer meer waarmee we vergeving van zonden kunnen verkrijgen.
HEB 10:27 Dan kunnen we enkel nog angstig wachten op het Oordeel en op het laaiende vuur dat Gods vijanden zal verteren.
HEB 10:28 Wie de Wet van Mozes afwees, werd zonder pardon omgebracht op basis van de verklaringen van twee of drie getuigen.
HEB 10:29 Maar wie de Zoon van God minacht, wie respectloos omgaat met het bloed van het verbond waardoor zijn schuld is weggenomen, wie de Geest die hem genade heeft verleend beledigt, verdient een veel zwaardere straf.
HEB 10:30 We weten immers Wie het is die heeft gezegd: “Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden”, en ook: “de Heer zal het oordeel over zijn volk vellen.”
HEB 10:31 Het is vreselijk om in de handen te vallen van de God die leeft.
HEB 10:32 Denk terug aan vroeger, toen God jullie de ogen had geopend, toen jullie standhielden ondanks het zware leed dat jullie moesten doorstaan.
HEB 10:33 Soms werden jullie in het openbaar beledigd en mishandeld, soms verleenden jullie bijstand aan wie zo behandeld werd.
HEB 10:34 Jullie leefden mee met wie gevangen zat en jullie aanvaardden blijmoedig dat je bezittingen werden afgenomen, in het besef dat jullie beschikken over een beter, blijvend bezit.
HEB 10:35 Laat je vrijmoedigheid dus niet varen, want die zal volop worden beloond.
HEB 10:36 Jullie hebben volharding nodig om – na te hebben gedaan wat God van je wil – het beloofde te ontvangen.
HEB 10:37 Immers: “Nog heel even, dan komt Hij die zal komen; Hij zal niet lang meer wegblijven.
HEB 10:38 Wie in mijn ogen rechtvaardig is, zal het leven ontvangen door middel van het geloof, maar als iemand afhaakt, ben Ik ontevreden over hem.”
HEB 10:39 Wij behoren niet tot de mensen die afhaken en ten onder gaan, maar tot diegenen die geloven en zo het leven bemachtigen.
HEB 11:1 Geloof is zeker zijn van hetgeen we verwachten, overtuigd zijn van zaken die we niet zien.
HEB 11:2 Het is om hun geloof dat onze voorouders werden geprezen.
HEB 11:3 Door het geloof begrijpen wij dat het heelal is gemaakt doordat God sprak, en dat het zichtbare dus is ontstaan uit het niet-zichtbare.
HEB 11:4 Door zijn geloof bracht Abel een offer aan God dat gepaster was dan dat van Kaïn. Wegens zijn geloof werd hij rechtvaardig verklaard: God aanvaardde wat Abel Hem gaf. En door zijn geloof spreekt Abel nog altijd, hoewel hij dood is.
HEB 11:5 Door zijn geloof werd Henoch weggenomen, zodat hij niet moest sterven. Hij bleek onvindbaar, want God had hem weggenomen. Vooraleer hij werd weggenomen, had God verklaard dat Hij tevreden over hem was.
HEB 11:6 Als wij niet geloven, kan God onmogelijk tevreden over ons zijn, want wie Hem wil benaderen moet geloven dat Hij bestaat en dat Hij beloont wie Hem zoekt.
HEB 11:7 Door zijn geloof bouwde Noach, toen hij werd gewaarschuwd over een gevaar dat nog niet zichtbaar was, uit eerbied voor God de ark waarin zijn gezin gered zou worden. Zo veroordeelde hij de wereld en kreeg hij deel aan de vrijspraak van schuld op grond van het geloof.
HEB 11:8 Door zijn geloof vertrok Abraham, toen hij werd geroepen, gehoorzaam naar een plaats die God hem en zijn erfgenamen zou geven. Hij vertrok zonder te weten waarheen.
HEB 11:9 Door zijn geloof verbleef hij als vreemdeling in het land dat hem beloofd was. Hij woonde in tenten, net als Isaak en Jakob, zijn erfgenamen op wie deze belofte ook van toepassing was.
HEB 11:10 Hij keek namelijk uit naar de stad met fundamenten – de stad waarvan God de architect en de bouwer is.
HEB 11:11 Door haar geloof kon Sara zwanger worden, hoewel ze daar reeds te oud voor was; zij vertrouwde er namelijk op dat God zijn belofte zou waarmaken.
HEB 11:12 Daardoor kreeg één man, die al bijna dood was, zoveel afstammelingen als er sterren aan de hemel staan – een nageslacht zo ontelbaar als het zand op het zeestrand.
HEB 11:13 Al deze mensen zijn vol geloof gestorven; ze hebben niet ontvangen wat hun was beloofd, maar ze zagen het van ver, verwelkomden het, verheugden zich erop en erkenden dat ze vreemdelingen waren die niet op aarde thuishoorden.
HEB 11:14 Door die erkenning maakten ze duidelijk dat ze op zoek waren naar een thuis.
HEB 11:15 Daarmee bedoelden ze niet het land waaruit ze afkomstig waren, want dan hadden ze gewoon kunnen terugkeren als ze heimwee hadden.
HEB 11:16 Nee, ze verlangden naar een betere thuis, in de hemel. Daarom schaamt God zich er niet voor hun God te worden genoemd. Hij heeft zelfs een stad voor hen gebouwd.
HEB 11:17 Door zijn geloof was Abraham bereid Isaak – zijn enige zoon, die God hem had beloofd en die hij van Hem had ontvangen – te offeren toen God hem op de proef stelde.
HEB 11:18 Er was tegen Abraham gezegd: “De afstammelingen van Isaak zullen jouw afstammelingen worden genoemd”.
HEB 11:19 Abraham was ervan overtuigd dat God de doden tot leven kon wekken en hij kreeg Isaak bij wijze van spreken uit de dood terug.
HEB 11:20 Door zijn geloof sprak Isaak zegeningen over Jakob en Esau uit met betrekking tot de toekomst.
HEB 11:21 Door zijn geloof sprak Jakob, toen hij op sterven lag, zegeningen uit over de twee zonen van Jozef en aanbad hij God, steunende op de knop van zijn staf.
HEB 11:22 Door zijn geloof sprak Jozef, tegen het einde van zijn leven, over de uittocht van het volk Israël uit Egypte en gaf hij aan wat er met zijn stoffelijk overschot gedaan moest worden.
HEB 11:23 Door hun geloof konden de ouders van Mozes hem na zijn geboorte drie maanden lang verborgen houden; zij zagen dat hij een bijzonder kind was en waren niet bang voor de bevelen van de farao.
HEB 11:24 Door zijn geloof weigerde Mozes, toen hij volwassen was geworden, door te gaan voor de zoon van Farao's dochter.
HEB 11:25 Hij besloot dat hij liever slecht werd behandeld, samen met Gods volk, dan te genieten van het tijdelijke plezier dat de zonde biedt.
HEB 11:26 Hij beschouwde het lijden van de Messias als waardevoller dan de rijkdom van Egypte, omdat hij uitkeek naar de beloning.
HEB 11:27 Door zijn geloof verliet hij Egypte zonder bang te zijn voor de woede van de farao; hij hield vol, alsof hij Hem had gezien die men niet kan zien.
HEB 11:28 Door zijn geloof stelde hij het Pesach in; hij liet de deurposten met bloed bestrijken opdat de engel die de dood brengt de eerstgeboren kinderen van de Israëlieten zou sparen.
HEB 11:29 Door hun geloof trokken de Israëlieten door de Rode Zee alsof het droog land was, maar toen de Egyptenaren dat ook probeerden verdronken zij.
HEB 11:30 Door het geloof zijn de muren van Jericho ingestort nadat de Israëlieten er zeven dagen lang omheen waren getrokken.
HEB 11:31 Door haar geloof werd Rachab, de prostituee die gastvrijheid had verleend aan de verkenners, gespaard toen haar ongehoorzame stadsgenoten werden omgebracht.
HEB 11:32 Wat zal ik nog meer vertellen? Het ontbreekt mij aan tijd om te vertellen over Gideon, Barak, Simson, Jefta, David, Samuel en de profeten.
HEB 11:33 Zij hebben door hun geloof koninkrijken verslagen, het recht toegepast, en verkregen wat hen beloofd was. Ze hebben leeuwenmuilen toegeklemd,
HEB 11:34 laaiende vuren gedoofd en zijn aan de dood door het zwaard ontsnapt. Hun zwakheid werd kracht, ze werden sterk in de strijd en verjoegen vijandelijke legers.
HEB 11:35 Vrouwen kregen hun doden terug doordat die verrezen. Anderen werden gemarteld en weigerden hun invrijheidstelling, om zo iets beters te bemachtigen, namelijk hun verrijzenis.
HEB 11:36 Weer anderen kregen te maken met vernedering en geseling, zelfs met arrestatie en gevangenschap.
HEB 11:37 Ze werden gestenigd, doormidden gezaagd of met het zwaard omgebracht; ze zwierven rond in schapenvachten en geitenvellen; ze leden gebrek en werden vervolgd en mishandeld.
HEB 11:38 Ze waren te goed voor deze wereld; ze dwaalden rond in woestijnen en in de bergen; ze leefden in grotten en holen onder de grond.
HEB 11:39 Al deze mensen werden wel geprezen om hun geloof, maar hebben niet ontvangen wat hun was beloofd.
HEB 11:40 Omdat God iets beters voor ons had voorzien, konden zij, zonder ons, de vervulling van Gods belofte nog niet meemaken.
HEB 12:1 Zoals we hebben gezien, worden we omringd door een grote menigte getuigen. Laten we ons daarom ontdoen van elke last die ons hindert, meer bepaald de zonde, en vastbesloten de wedren lopen die voor ons ligt.
HEB 12:2 Laten we daarbij onze blik gericht houden op Jezus, de grondlegger en voltooier van ons geloof. Wegens de vreugde die voor Hem lag, verdroeg Hij het kruis, zonder zich om de schande te bekommeren, en nam Hij plaats aan Gods rechterzijde, op de troon.
HEB 12:3 Bedenk hoeveel tegenstand van zondaars Hij heeft verdragen; zo verlies je niet de moed en de wilskracht.
HEB 12:4 In jullie worsteling met de zonde hebben jullie nog niet weerstand geboden tot het uiterste.
HEB 12:5 Zijn jullie vergeten hoe God jullie aanspoort als zijn zonen? “Mijn zoon, neem de terechtwijzing door de Heer niet te licht op, raak niet ontmoedigd wanneer je door Hem wordt vermaand.
HEB 12:6 Want de Heer wijst terecht wie Hij liefheeft; Hij bestraft ieder die Hij als zijn zoon aanvaardt.”
HEB 12:7 Wat jullie moeten doorstaan is bedoeld als terechtwijzing. God behandelt jullie als zonen. En welke zoon wordt niet door zijn vader terechtgewezen?
HEB 12:8 Als jullie niet zouden worden terechtgewezen, dan zouden jullie onwettige kinderen zijn, geen erkende zonen.
HEB 12:9 Bovendien, als we zelfs onze aardse vaders respecteerden toen die ons terechtwezen, dan moeten we ons des te meer schikken naar onze hemelse Vader en zo het leven bemachtigen.
HEB 12:10 Onze aardse vaders hebben ons korte tijd naar best vermogen terechtgewezen, maar Hij doet het voor onze bestwil, opdat wij deel mogen krijgen aan zijn heiligheid.
HEB 12:11 Alle terechtwijzing lijkt op het moment zelf geen vreugde maar verdriet op te leveren, maar naderhand levert het voor wie ervan leert een oogst van vrede en rechtvaardigheid op.
HEB 12:12 Versterk dus je slappe handen en knikkende knieën,
HEB 12:13 en bewandel rechte paden, zodat je niet nog zwakker maar gezonder wordt.
HEB 12:14 Streef naar vrede met alle mensen en naar een zuiver leven; wie dat niet doet, zal immers de Heer niet onder ogen kunnen komen.
HEB 12:15 Zie erop toe dat niemand Gods genade loslaat en uitgroeit van een bittere scheut tot een gifplant die velen kwelt en besmet.
HEB 12:16 Laat dus niemand bij jullie zich bezighouden met seksueel wangedrag of goddeloos gedrag, zoals Esau, die voor een enkele maaltijd zijn eigen erfrecht als oudste zoon verkocht.
HEB 12:17 Zoals jullie weten werd hij later afgewezen, toen hij de zegen probeerde te bemachtigen; hij kon geen manier vinden om het gebeurde ongedaan te maken, hoewel hij er onder tranen naar zocht.
HEB 12:18 Jullie zijn niet genaderd tot iets tastbaars – een berg die in brand staat en in duisternis gehuld is en waar het dondert en stormt.
HEB 12:19 Er schalt geen trompet en er klinkt geen stem zoals destijds, toen zij die het hoorden smeekten om niet langer te worden toegesproken.
HEB 12:20 Zij vonden hetgeen hun werd opgelegd ondraaglijk, want zelfs een dier dat de berg zou aanraken, moest worden gestenigd.
HEB 12:21 Wat zij zagen was zo angstwekkend dat Mozes zei: “Ik sidder van angst”.
HEB 12:22 Nee, jullie zijn genaderd tot de berg Sion, de stad van de God die leven geeft, het hemelse Jeruzalem, een bijeenkomst van ontzaglijk veel engelen,
HEB 12:23 een feestelijk samenzijn van mensen die het eerstgeboorterecht hebben ontvangen, die in de hemel zijn ingeschreven. Jullie zijn genaderd tot God, de rechter van alle mensen, en tot de geesten van hen die met God in het reine zijn en de volmaaktheid hebben bereikt.
HEB 12:24 Jullie zijn genaderd tot Jezus, de bemiddelaar van het nieuwe verbond, en tot het zuiverende bloed dat duidelijker spreekt dan het bloed van Abel.
HEB 12:25 Zie erop toe dat je niet weigert te luisteren naar de God die spreekt. Want als anderen niet zijn ontkomen toen ze weigerden te luisteren naar de God die hen waarschuwde op aarde, dan zullen wij zeker niet ontkomen als wij weigeren te luisteren naar de God die ons waarschuwt vanuit de hemel.
HEB 12:26 Destijds deed zijn stem de aarde beven, maar nu heeft Hij beloofd: “Nog eenmaal zal Ik niet enkel de aarde maar ook de hemel doen beven”.
HEB 12:27 Dit “nog eenmaal” duidt erop dat hetgeen geschapen is door die beving zal vergaan, zodat enkel het onwankelbare overblijft.
HEB 12:28 Laten we, nu we een onwankelbaar koninkrijk ontvangen, onze dankbaarheid tonen door God te aanbidden op een wijze die Hij goedkeurt: met eerbied en ontzag.
HEB 12:29 Immers: onze God “is als een vuur dat alles verteert”.
HEB 13:1 Laten wij, als broeders en zusters, elkaar liefdevol blijven behandelen.
HEB 13:2 Laten we ook gastvrij blijven voor vreemden, want zo hebben sommigen zonder het te beseffen gastvrijheid betoond aan engelen.
HEB 13:3 Bekommer je om de gevangenen alsof je samen met hen gevangen zit, en om wie mishandeld wordt alsof het je eigen lichaam betreft.
HEB 13:4 Laat bij iedereen het huwelijk in ere worden gehouden; deel het bed enkel met je huwelijkspartner, want God zal de mensen die overspelig en ontuchtig zijn veroordelen.
HEB 13:5 Houd je leven vrij van geldzucht; wees tevreden met hetgeen je hebt, want Hij heeft gezegd: “Ik zal je nooit alleen laten, Ik zal je nooit negeren.”
HEB 13:6 Daarom kunnen we vol goede moed zeggen: “De Heer is mijn helper, ik ben niet bang; wat zouden mensen mij kunnen aandoen?”
HEB 13:7 Denk aan jullie voormalige leiders, zij die de boodschap van God aan jullie hebben doorgegeven. Overweeg hoe ze hebben geleefd en hoe ze zijn gestorven en neem een voorbeeld aan hun geloof.
HEB 13:8 Jezus Christus is gisteren en vandaag en voor altijd dezelfde.
HEB 13:9 Laat je niet van de wijs brengen door allerlei vreemde leer. Het is goed voor het hart om te worden gesterkt door genade, maar zij die van voedingsregels hetzelfde verwachtten hebben daar geen baat bij gevonden.
HEB 13:10 Wij hebben een altaar waarvan zij die in de tabernakel dienstdoen niet mogen eten.
HEB 13:11 De kadavers van de dieren waarvan het bloed door de hogepriester het heiligdom werd binnengebracht, werden buiten het kamp verbrand.
HEB 13:12 Ook Jezus is buiten de stadspoort gestorven, om met zijn eigen bloed de schuld van het volk weg te nemen.
HEB 13:13 Laten wij dus het tentenkamp verlaten en ons bij Hem voegen, om te delen in de schande die Hij droeg.
HEB 13:14 Wij hebben hier geen blijvende woonplaats, wij kijken uit naar de toekomstige stad.
HEB 13:15 Laten we dus met Jezus' hulp voortdurend onze dankgebeden aan God offeren – zij zijn de vrucht van lippen die belijden dat we bij Hem horen.
HEB 13:16 En laten we niet nalaten goed te doen en elkaar te helpen, want dat is het soort offer waarover God tevreden is.
HEB 13:17 Heb vertrouwen in je leiders: aanvaard hun gezag. Het is hun taak om over jullie ziel te waken en ze zullen daarvoor verantwoording moeten afleggen. Zorg er dus voor dat ze hun taak met vreugde kunnen uitvoeren en bezorg hun geen verdriet, want bij dat laatste zouden jullie geen baat hebben.
HEB 13:18 Bid voor ons; wij hebben er vertrouwen in dat ons geweten zuiver is, want we proberen ons in alle opzichten goed te gedragen.
HEB 13:19 In het bijzonder spoor ik jullie aan te blijven bidden dat ik spoedig opnieuw bij jullie zal kunnen komen.
HEB 13:20 De God die vrede geeft, heeft de grote schaapherder, onze Heer Jezus, uit de dood teruggebracht door het bloed van het eeuwig verbond.
HEB 13:21 Ik wens jullie toe dat Hij jullie zal voorzien van al het goede dat jullie nodig hebben om te doen wat Hij wil, en dat Hij door middel van Jezus Christus in jullie leven zal doen wat Hem bevalt. Hem komt voor eeuwig en altijd de eer toe. Amen.
HEB 13:22 Broeders en zusters, ik heb jullie in het kort geschreven om jullie aan te moedigen. Neem deze brief ter harte!
HEB 13:23 Hierbij laat ik jullie weten dat onze broeder Timoteüs is vrijgelaten. Als hij spoedig komt, zal ik samen met hem bij jullie op bezoek komen.
HEB 13:24 Groet al jullie leiders. De christenen in Italië groeten jullie.
HEB 13:25 Ik wens jullie allen Gods genade toe.
JAM 1:1 Van: Jakobus, dienaar van God en van de Heer Jezus Christus. Aan: de twaalf stammen in de diaspora. Gegroet!
JAM 1:2 Broeders en zusters, beschouw het als grote vreugde wanneer je allerlei beproevingen doormaakt,
JAM 1:3 want je weet dat de beproeving van je geloof volharding voortbrengt.
JAM 1:4 Zorg ervoor dat die volharding volledig kan doorwerken, opdat je volwassen en volgroeid zal zijn, zonder tekortkomingen.
JAM 1:5 Als het iemand van jullie aan praktische wijsheid ontbreekt, moet hij erom vragen aan God, want God geeft aan iedereen, onvoorwaardelijk en zonder verwijten. Hij zal ook hem die wijsheid geven.
JAM 1:6 Maar hij moet vragen vanuit geloof, zonder te twijfelen, want wie twijfelt is als een golf in de zee: hij wordt heen en weer geslingerd.
JAM 1:7 Wie twijfelt moet niet verwachten dat hij iets van de Heer zal ontvangen,
JAM 1:8 want hij is een wispelturig mens, onstandvastig in alles wat hij doet.
JAM 1:9 Christenen met een geringe sociale status behoren zich gelukkig te prijzen om hun hoge positie,
JAM 1:10 en rijke christenen om hun geringheid – omdat ze zo vergankelijk zijn als veldbloemen.
JAM 1:11 Immers, wanneer de verzengende zon opkomt, verdort het gras en valt de bloem af zodat haar schoonheid vergaat. Zo is het ook met de rijke: hij sterft terwijl hij druk bezig is.
JAM 1:12 Wie volhardt wanneer hij beproevingen ondergaat is gezegend, want wie de proef heeft doorstaan wordt bekroond met het leven dat God heeft beloofd aan de mensen die Hem liefhebben.
JAM 1:13 Laat niemand die in verleiding komt, zeggen dat hij door God in verleiding wordt gebracht. God wordt namelijk niet door het kwaad in verleiding gebracht en Hij brengt zelf ook niemand in verleiding.
JAM 1:14 Iedereen wordt door zijn eigen begerigheid in verleiding gebracht wanneer hij zich laat lokken en bekoren.
JAM 1:15 Wanneer die begerigheid is bevrucht, baart zij zonde, en wanneer de zonde volgroeid is, brengt zij de dood voort.
JAM 1:16 Vergis je niet, mijn geliefde broeders en zusters:
JAM 1:17 iedere goede gave, ieder volmaakt geschenk, komt van boven. Het daalt neer van de Vader van de zon, maan en sterren, bij wie geen zweem van verandering is; Hij blijft altijd dezelfde.
JAM 1:18 Hij heeft ervoor gekozen ons het nieuwe leven te schenken via de verkondiging van de waarheid; daardoor zijn we de eerste oogst in zijn schepping geworden.
JAM 1:19 Jullie moeten weten, mijn geliefde broeders en zusters, dat ieder mens snel bereid moet zijn om te luisteren, maar niet snel moet willen spreken en ook niet snel kwaad moet worden,
JAM 1:20 want menselijke woede leidt niet tot de rechtvaardigheid die God van ons verlangt.
JAM 1:21 Ontdoe je dus van alle vuil en wildgroei aan slechtheid, en ontvang zachtmoedig de boodschap die als een zaadje in jullie is geplant en je leven kan redden.
JAM 1:22 Naar die boodschap moet je niet alleen luisteren, je moet er ook naar leven; anders misleid je jezelf.
JAM 1:23 Want wie de boodschap van God hoort maar niet doet wat Hij zegt, is als iemand die zijn gezicht in een spiegel bekijkt,
JAM 1:24 en die, nadat hij zichzelf zorgvuldig heeft bekeken, weggaat en meteen vergeet hoe hij eruitziet.
JAM 1:25 Wie daarentegen de volmaakte wet, de wet die bevrijdt, voortdurend aandachtig bestudeert – wie geen vergeetachtige luisteraar is, maar het geleerde toepast – zal worden gezegend in hetgeen hij doet.
JAM 1:26 Iemand die vindt dat hij zijn geloof in praktijk brengt maar zijn tong niet in bedwang houdt, bedriegt zichzelf en zijn geloofspraktijk is waardeloos.
JAM 1:27 De geloofspraktijk die door God als zuiver en onberispelijk wordt beschouwd is: wezen en weduwen in nood bijstaan en je niet door de wereld laten bederven.
JAM 2:1 Mijn broeders en zusters, jullie geloof in onze hemelse Heer Jezus Christus staat geen discriminatie toe.
JAM 2:2 Stel dat er iemand naar jullie samenkomst komt die een gouden ring en prachtige kledij draagt, en ook een arme in schamele kleren.
JAM 2:3 Als jullie dan veel aandacht besteden aan de persoon in prachtige kledij, door te zeggen: ‘Gaat u hier zitten, op deze goede plaats’, terwijl jullie tegen de arme zeggen: ‘Ga jij daar staan, of kom aan mijn voeten zitten’,
JAM 2:4 dan discrimineren jullie toch? Dan zijn jullie toch rechters met verkeerde motieven geworden?
JAM 2:5 Luister, mijn geliefde broeders en zusters, heeft God de armen van deze wereld niet uitgekozen om rijk te zijn in het geloof en om deel te krijgen aan het koninkrijk dat Hij heeft beloofd aan wie Hem liefhebben?
JAM 2:6 Maar jullie vernederen de arme. Zijn het niet de rijken die jullie onderdrukken en jullie voor het gerecht slepen?
JAM 2:7 Zijn zij het niet die de verheven naam die jullie dragen belasteren?
JAM 2:8 Als je de wet van Gods koninkrijk naleeft zoals die in de Schriften is vervat – heb je naaste lief zoals je jezelf liefhebt – dan handel je juist.
JAM 2:9 Maar als je discrimineert, zondig je en word je door de Wet als overtreder beschouwd.
JAM 2:10 Immers, wie zich aan de hele Wet houdt maar op één punt struikelt, is volledig schuldig.
JAM 2:11 Hij die zei: “Pleeg geen echtbreuk”, heeft immers ook gezegd: “Pleeg geen moord”. Dus als je bijvoorbeeld geen echtbreuk maar wel moord pleegt, ben je een overtreder van de Wet geworden.
JAM 2:12 Jullie moeten dus spreken en handelen als mensen die worden beoordeeld op grond van de wet die bevrijdt.
JAM 2:13 In het Oordeel zal er namelijk geen mededogen zijn voor wie geen mededogen heeft betoond. Mededogen is echter sterker dan het Oordeel.
JAM 2:14 Wat baat het, mijn broeders en zusters, als iemand gelovig zegt te zijn maar als dat niet blijkt uit zijn daden? Kan zijn geloof hem dan redden?
JAM 2:15 Stel dat een van onze broeders en zusters niet over fatsoenlijke kledij beschikt en gebrek heeft aan voldoende eten.
JAM 2:16 Als een van jullie dan tegen die persoon zegt: ‘Ga in vrede, hou je warm en eet voldoende’, zonder te geven wat die persoon fysiek nodig heeft, dan heeft je advies toch geen nut?
JAM 2:17 Zo is het ook met het geloof: als het op zichzelf staat en er geen daden uit voortkomen, is het dood.
JAM 2:18 Maar als iemand zou zeggen: ‘Jij hebt geloof, ik heb daden’, dan vraag ik: toon mij jouw geloof zonder daden, dan zal ik mijn geloof tonen aan de hand van mijn daden.
JAM 2:19 Je gelooft dat er slechts één God is? Dat is goed, maar de demonen geloven dat ook en zij sidderen!
JAM 2:20 Jij dwaas, wil je dat ik aantoon dat geloof zonder daden nutteloos is?
JAM 2:21 Is onze voorvader Abraham niet van schuld vrijgesproken op grond van zijn daden toen hij zijn zoon Isaak op het altaar zou offeren?
JAM 2:22 Je ziet dus dat zijn geloof gepaard ging met daden en dat zijn daden zijn geloof vervolledigden.
JAM 2:23 Zo ging het volgende Schriftgedeelte in vervulling: “Abraham geloofde God en op grond daarvan werd hij vrijgesproken van schuld”. Hij werd zelfs Gods vriend genoemd.
JAM 2:24 Je ziet dus dat men met God in het reine komt op grond van daden, en niet van geloof alleen.
JAM 2:25 Dat geldt ook voor Rachab, de prostituee. Werd zij niet met God in het reine gebracht op grond van haar daden, toen zij de verkenners verwelkomde en via een andere route wegstuurde?
JAM 2:26 Daarom is geloof zonder daden dood, zoals een lichaam zonder geest dood is.
JAM 3:1 Mijn broeders en zusters, slechts weinigen bij jullie moeten leraar willen worden, want zoals jullie weten worden wij leraars strenger beoordeeld.
JAM 3:2 Wij allen struikelen in vele opzichten. Als iemand in zijn uitspraken niet struikelt, is hij een volmaakt mens, in staat om zijn hele lichaam in toom te houden.
JAM 3:3 Wanneer we paarden een bit in hun mond steken om te zorgen dat ze gehoorzamen, kunnen we hun hele lichaam aansturen.
JAM 3:4 En de schepen, die groot zijn en door harde wind worden aangedreven, worden bestuurd met een klein roer, in de richting die de stuurman bepaalt.
JAM 3:5 Hetzelfde geldt voor de tong: zij is een klein lichaamsdeel, dat tot grote dingen in staat is. Door een klein vuur kan een groot bos afbranden.
JAM 3:6 Ook de tong is een vuur; ze is de wereld vol ongerechtigheid voor onze overige lichaamsdelen. De tong bevuilt het hele lichaam, steekt de levensloop in brand en wordt op haar beurt aangestoken door de hel.
JAM 3:7 De mens kan alle soorten wilde dieren, vogels, reptielen en zeedieren temmen, en doet dat ook.
JAM 3:8 Maar de tong kan door niemand worden getemd; ze is een onberekenbaar kwaad vol dodelijk venijn.
JAM 3:9 Met haar prijzen we de Heer en Vader en met haar verwensen we de mensen, die nog wel gemaakt zijn als Gods evenbeeld.
JAM 3:10 Uit dezelfde mond komen dus zegen en vloek voort. Mijn broeders en zusters, zo hoort het niet.
JAM 3:11 Zoet en brak water komen toch niet uit dezelfde ader van een bron?
JAM 3:12 Mijn broeders en zusters, aan een vijgenboom groeien toch geen olijven, of vijgen aan een druivelaar? En uit een zilte bron komt toch geen zoet water?
JAM 3:13 Wie van jullie is wijs en verstandig? Laat hij dat tonen door middel van zijn goede gedrag, door daden die voortkomen uit wijze zachtmoedigheid.
JAM 3:14 Indien er echter bittere afgunst en geldingsdrang in je hart leeft, geef dan niet hoog op over je wijsheid, want zo spreek je de waarheid tegen.
JAM 3:15 Dat is geen wijsheid die van boven komt; ze is aards, ongeestelijk en demonisch.
JAM 3:16 Want waar afgunst en geldingsdrang zijn, vindt men onrust en allerlei soorten kwaad.
JAM 3:17 Daarentegen is de wijsheid van boven allereerst zuiver, en verder vreedzaam, vriendelijk, redelijk, vol mededogen en goede vruchten, onpartijdig en oprecht.
JAM 3:18 Vredestichters die in vrede zaaien, oogsten gerechtigheid.
JAM 4:1 Vanwaar komen die ruzies en conflicten bij jullie? Zijn ze niet het gevolg van de hartstochten die in jullie binnenste strijd voeren?
JAM 4:2 Jullie willen iets, maar krijgen het niet en daarom plegen jullie moord. Jullie verlangen naar iets, maar kunnen het niet bemachtigen en daarom vechten en ruziën jullie.
JAM 4:3 Jullie vragen aan God, maar ontvangen niet, omdat jullie vragen met de verkeerde bedoelingen – om jullie hartstochten te bevredigen.
JAM 4:4 Jullie zijn ontrouw aan God! Beseffen jullie niet dat vriendschap met de wereld vijandschap tegenover God is? Wie besluit om een vriend van de wereld te zijn, wordt daardoor een vijand van God.
JAM 4:5 Of denken jullie dat er zonder reden in de Schriften staat dat God jaloers waakt over de geest die Hij in ons doet wonen?
JAM 4:6 Toch is de genade die Hij schenkt groter. Daarom staat er: “God keert zich tegen arrogante mensen, maar schenkt genade aan wie bescheiden zijn.”
JAM 4:7 Onderwerp je dus aan God en bied weerstand aan de duivel; dan zal die bij jullie wegvluchten.
JAM 4:8 Nader tot God, dan zal Hij tot jou naderen. Zondaars, was je handen; twijfelaars, reinig je hart.
JAM 4:9 Treur, rouw en ween! Rouw in plaats van te lachen en wees bedroefd in plaats van blij.
JAM 4:10 Onderwerp je aan de Heer, dan zal Hij je een eervolle plaats geven.
JAM 4:11 Broeders en zusters, bekritiseer elkaar niet. Wie zijn geloofsgenoot bekritiseert of over hem oordeelt, bekritiseert Gods wet en oordeelt erover. En als je over de wet oordeelt, leef je haar niet na, maar stel je je op als haar rechter.
JAM 4:12 Er is echter slechts één Wetgever en Rechter en Hij kan zowel redden als vernietigen. Wie ben jij dat je over je naaste oordeelt?
JAM 4:13 Luister, jullie die zeggen: vandaag of morgen gaan we naar die en die stad, we blijven er een jaar, doen er zaken en maken winst.
JAM 4:14 Jullie weten niet wat er morgen zal gebeuren! Wat is jullie leven? Jullie zijn als nevel, die voor korte tijd verschijnt en vervolgens verdwijnt.
JAM 4:15 Jullie zouden beter zeggen: als de Heer het wil en wij nog in leven zijn, zullen we dit of dat doen.
JAM 4:16 Maar nu zijn jullie trots aan het pochen en al dat pochen is slecht.
JAM 4:17 Als iemand weet wat hij zou moeten doen maar het niet doet, dan is dat een zonde.
JAM 5:1 Luister, jullie rijken! Ween en jammer wegens de ellende die je zal overkomen!
JAM 5:2 Jullie rijkdom is verrot, je kledij door de motten aangevreten.
JAM 5:3 Jullie goud en zilver is verroest, en die roest zal tegen je getuigen. Het zal je lichaam verteren als vuur. Jullie hebben schatten verzameld terwijl het einde van de tijd nadert.
JAM 5:4 Het loon dat jullie hebben achtergehouden van de dagloners die jullie velden hebben gemaaid, roept het uit en het geschreeuw van de arbeiders die hebben geoogst, heeft de oren van de Heer van de hemelse legers bereikt.
JAM 5:5 Door op aarde in overdaad en genotzucht te leven, hebben jullie jezelf vetgemest voor de slachttijd.
JAM 5:6 De rechtvaardige die zich niet tegen jullie kan verzetten, is door jullie veroordeeld en omgebracht.
JAM 5:7 Heb dus geduld, broeders en zusters, tot de komst van de Heer. De boer die uitkijkt naar een waardevolle oogst, wacht geduldig totdat de herfst- en voorjaarsregens op het land zijn gevallen.
JAM 5:8 Ook jullie moeten geduldig blijven en moed houden, want de Heer komt spoedig.
JAM 5:9 Klaag niet over elkaar, broeders en zusters, anders zal er over jullie worden geoordeeld. De Rechter staat al voor de deur.
JAM 5:10 Broeders en zusters, neem een voorbeeld aan het geduldige lijden van de profeten die in de naam van de Heer spraken.
JAM 5:11 Zij die hebben volhard, worden als gezegend beschouwd. Jullie hebben gehoord over de volharding van Job en jullie hebben gezien wat de Heer uiteindelijk heeft gedaan. De Heer is vol mededogen en medeleven.
JAM 5:12 Maar bovenal, broeders en zusters, zweer niet bij de hemel, zweer niet bij de aarde en zweer ook niet bij iets anders, maar laat je “ja” ja betekenen en je “nee” nee; anders zal je worden veroordeeld.
JAM 5:13 Heeft iemand bij jullie het moeilijk? Dan moet hij bidden. Is iemand blij? Dan moet hij lofliederen zingen.
JAM 5:14 Is iemand ziek? Dan moet hij de oudsten van de kerkgemeenschap uitnodigen om voor hem te komen bidden en hem met olie te zalven in de naam van de Heer.
JAM 5:15 Dan zal de zieke beter worden dankzij het gelovige gebed en zal de Heer hem genezen. En als hij heeft gezondigd, zal het hem worden vergeven.
JAM 5:16 Beken daarom jullie zonden aan elkaar en bid voor elkaar, opdat je geneest. Het gebed van een rechtvaardig mens is namelijk doeltreffend en kan veel bereiken.
JAM 5:17 Elia was een gewoon mens zoals wij, en toen hij vurig bad dat het niet zou regenen, regende het drie jaar en zes maanden lang niet in het land.
JAM 5:18 En toen hij opnieuw bad, begon het hard te regenen en leverde het land gewassen op.
JAM 5:19 Mijn broeders en zusters, als bij jullie iemand van de waarheid afdwaalt en door een ander wordt teruggeleid,
JAM 5:20 dan mogen jullie weten dat wie een afgedwaalde zondaar van het verkeerde pad terugleidt, die persoon van de dood redt en veel zonden uitwist.
1PE 1:1 Van: Petrus, apostel van Jezus Christus. Aan: de vreemdelingen in de diaspora in Pontus, Galatië, Kappadocië, Asia en Bitynië.
1PE 1:2 Jullie zijn uitverkoren overeenkomstig de voorkennis van God de Vader, en heilig gemaakt door de Geest, om gehoorzaam te zijn aan Jezus Christus en te worden gezuiverd door zijn bloed. Ik wens jullie een overvloed aan genade en vrede toe.
1PE 1:3 Ik prijs de God en Vader van onze Heer Jezus Christus. In zijn grote mededogen deed Hij ons opnieuw geboren worden, zodat we dankzij Jezus Christus' verrijzenis uit de dood levende hoop hebben:
1PE 1:4 wij verwachten een erfenis die niet kan vergaan, bederven of verwelken en die in de hemel voor jullie wordt bewaard.
1PE 1:5 Het is Gods kracht die jullie nu door middel van je geloof beschermt, totdat de redding komt. En die is al gereed om aan het einde van de tijd te worden geopenbaard.
1PE 1:6 Verheug je daar uitbundig over, zelfs als jullie nu nog door allerlei beproevingen worden bedroefd.
1PE 1:7 Dan zal de zuiverheid van jullie geloof lof, glorie en eer opleveren wanneer Jezus Christus verschijnt. Dat geloof is trouwens veel waardevoller dan vergankelijk goud dat met vuur op zijn zuiverheid wordt getest.
1PE 1:8 Jullie houden van Hem, zonder Hem te hebben gezien. En zonder Hem nu te zien, geloven jullie in Hem en zijn jullie vol onbeschrijflijke, hemelse vreugde,
1PE 1:9 omdat jullie het eindresultaat van jullie geloof ontvangen: de redding van je ziel.
1PE 1:10 Wat die redding betreft: hiernaar hebben de profeten, die profeteerden over de genade die voor jullie bestemd was, gezocht en gespeurd.
1PE 1:11 Zij wilden weten naar welke tijd en omstandigheden de Geest van Christus die in hen leefde, verwees toen Hij Christus' lijden en de daaropvolgende hemelse pracht voorspelde.
1PE 1:12 Hun werd duidelijk gemaakt dat zij met die boodschap, waarin zelfs de engelen graag meer inzicht willen hebben, niet zichzelf maar jullie dienden. Maar nu is die boodschap aan jullie verkondigd, en zij die jullie het evangelie hebben gebracht, deden dat onder leiding van de Heilige Geest die vanuit de hemel is gezonden.
1PE 1:13 Zorg dus dat je innerlijk voorbereid bent: wees alert en vestig je hoop volledig op de genade die je zal worden geschonken bij de terugkomst van Jezus Christus.
1PE 1:14 Geef niet toe aan je vroegere begerigheid, van toen je nog onwetend was, maar wees, als gehoorzame kinderen,
1PE 1:15 heilig in alles wat jullie doen, net zoals Hij die jullie geroepen heeft heilig is.
1PE 1:16 Er staat immers in de Schriften: “Wees heilig, want Ik ben heilig”.
1PE 1:17 En als je Degene die alle mensen onpartijdig op grond van hun gedrag beoordeelt, als Vader aanspreekt, leid dan je leven als vreemdeling op aarde vol ontzag voor Hem.
1PE 1:18 Doe dat in het besef dat je niet met vergankelijke dingen als zilver of goud bent vrijgekocht uit de zinloze manier van leven die door je voorouders was overgeleverd,
1PE 1:19 maar met het kostbare bloed van Christus – Hij stierf als een smetteloos lam zonder gebrek.
1PE 1:20 Dat was reeds beslist voordat de wereld werd geschapen, maar is pas nu, aan het einde van de tijd, geopenbaard omwille van jullie
1PE 1:21 die dankzij Hem in God geloven. En jullie geloof en verwachting zijn op God gevestigd, omdat Hij Christus uit de dood heeft doen verrijzen en Hem grote eer heeft geschonken.
1PE 1:22 Nu jullie, door je gehoorzaamheid aan de waarheid, jullie ziel hebben gereinigd en oprecht om elkaar geven, moeten jullie elkaar liefdevol behandelen, met een zuiver hart en vol ijver.
1PE 1:23 Jullie zijn immers opnieuw geboren. Niet uit sterfelijke ouders, maar uit een onvergankelijke oorsprong, namelijk het levende en blijvende woord van God.
1PE 1:24 Immers, “alle mensen zijn als gras, en al hun luister als een veldbloem. Het gras verdort en de bloem valt af,
1PE 1:25 maar het woord van de Heer houdt voor eeuwig stand.” En dat woord is het evangelie dat aan jullie is verkondigd.
1PE 2:1 Ontdoe jezelf daarom van alle kwaad – van alle bedrog, hypocrisie, afgunst en laster.
1PE 2:2 Hunker als pasgeboren baby's naar pure geestelijke melk, zodat jullie daardoor kunnen doorgroeien naar de eeuwige redding.
1PE 2:3 Jullie hebben immers ervaren dat de Heer goed is.
1PE 2:4 Voeg je bij Hem, de Levende Steen die door mensen werd afgekeurd maar voor God kostbaar en uitverkoren is.
1PE 2:5 Dan worden jullie zelf ook als levende stenen gebruikt voor de bouw van een geestelijke tempel, waar heilige priesters geestelijke offers brengen die door God worden aanvaard dankzij Jezus Christus.
1PE 2:6 Er staat immers in de Schriften: “Zie, ik leg in Sion een speciaal uitgekozen, kostbare hoeksteen, en wie daarop vertrouwt zal niet beschaamd worden.”
1PE 2:7 Voor jullie, gelovigen, is Hij kostbaar. Maar voor de ongelovigen geldt: “De steen die de bouwers hebben afgekeurd, is de hoeksteen geworden”,
1PE 2:8 en: “een steen waarover men struikelt en een rotsblok waaraan men zich stoot”. Omdat zij ongehoorzaam zijn aan het evangelie, struikelen ze; dat is hun bestemming.
1PE 2:9 Jullie daarentegen zijn een groep uitverkorenen, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk dat Gods eigendom is geworden om de prachtige daden te verkondigen van Hem die jullie uit de duisternis naar zijn wonderbaarlijke licht heeft geroepen.
1PE 2:10 Vroeger waren jullie geen volk, nu zijn jullie Gods volk; vroeger was er geen mededogen voor jullie, nu hebben jullie mededogen ontvangen.
1PE 2:11 Beste vrienden, ik roep jullie op, als vreemdelingen die hier niet thuishoren, om niet toe te geven aan zondige verlangens die jullie ziel belagen.
1PE 2:12 Gedraag je te midden van de niet-christenen zo goed dat ze, hoewel zij jullie als boosdoeners bestempelen, je goede gedrag opmerken en God zullen verheerlijken op de dag dat Hij komt.
1PE 2:13 Aanvaard omwille van de Heer het gezag van alle menselijke autoriteiten: de keizer als de hoogste gezaghebber,
1PE 2:14 en de gouverneurs als mensen die door hem zijn afgevaardigd om boosdoeners te straffen en te prijzen wie zich goed gedraagt.
1PE 2:15 God wil namelijk dat jullie door je goede gedrag het dwaze gepraat van onwetende mensen doen verstommen.
1PE 2:16 Leef als vrije mensen, maar gebruik je vrijheid niet als dekmantel voor slecht gedrag. Jullie zijn immers dienaren van God.
1PE 2:17 Behandel iedereen met respect, betoon liefde aan je geloofsgenoten, heb ontzag voor God en respecteer de keizer.
1PE 2:18 Huisslaven, aanvaard het gezag van je meester, niet enkel als hij goed en vriendelijk is, maar ook als hij wreed is.
1PE 2:19 Want wie onverdiend lijden kan verdragen doordat zijn aandacht op God gevestigd is, is gezegend.
1PE 2:20 Het is toch niet prijzenswaardig als je straf moet verdragen omdat je hebt gezondigd? Maar als je je goed gedraagt en verdraagt dat je daarvoor lijdt, zal God je zegenen.
1PE 2:21 Daarvoor zijn jullie namelijk geroepen: Christus gaf jullie het voorbeeld door voor jullie te lijden, zodat je in zijn voetsporen kan treden.
1PE 2:22 Hij heeft nooit gezondigd en niemand heeft Hem ooit iets leugenachtigs horen zeggen.
1PE 2:23 Toen Hij werd bespot, schold Hij niet terug en toen Hij leed, dreigde Hij niet, maar vertrouwde Hij zichzelf toe aan Degene die rechtvaardig oordeelt.
1PE 2:24 Aan het kruis droeg Hij onze zonden in zijn lichaam, opdat wij dood zouden zijn voor de zonde en levend voor de gerechtigheid. Door zijn striemen zijn jullie genezen.
1PE 2:25 Want jullie waren als verdwaalde schapen, maar nu zijn jullie teruggekeerd naar de Herder en Beschermer van je ziel.
1PE 3:1 Vrouwen, voor jullie geldt: aanvaard het gezag van je echtgenoot. Dan zullen die echtgenoten die ongehoorzaam zijn aan het evangelie, door het gedrag van hun vrouw kunnen worden gewonnen, zonder woorden,
1PE 3:2 doordat ze je eerbiedige, zuivere gedrag opmerken.
1PE 3:3 Het moeten geen uiterlijkheden zoals haarvlechten, gouden juwelen en mooie kleren zijn die je mooi maken,
1PE 3:4 maar de persoon die je diep vanbinnen bent; de onvergankelijke schoonheid van een zachtmoedige, kalme geest, die kostbaar is in Gods ogen.
1PE 3:5 Want zo maakten vroeger ook de heilige vrouwen, die hun hoop op God hadden gevestigd, zich aantrekkelijk: zij erkenden het gezag van hun echtgenoot.
1PE 3:6 Sara, bijvoorbeeld, was gehoorzaam aan Abraham en noemde hem haar heer. Jullie zijn haar dochters als jullie je goed gedragen en je geen angst laat aanjagen.
1PE 3:7 En voor de mannen geldt: ga verstandig met je vrouw om; zij is van het broze geslacht. Behandel haar eervol, als iemand die net als jij deel heeft gekregen aan dat genadige geschenk: het leven. Dan zal niets je gebeden in de weg staan.
1PE 3:8 Tot slot geldt voor jullie allen: wees eensgezind, leef met elkaar mee, ga liefdevol met elkaar om, wees medelevend en bescheiden.
1PE 3:9 Vergeld geen kwaad met kwaad en geen laster met laster. Integendeel, zegen de ander, want daartoe zijn jullie geroepen en zo zullen jullie zegen ontvangen.
1PE 3:10 Immers: “Wie van het leven wenst te genieten en goede tijden wil meemaken, moet geen slechte dingen zeggen en geen leugens vertellen.
1PE 3:11 Hij dient zich van het kwaad af te keren en zich goed te gedragen; hij moet volop de vrede nastreven.
1PE 3:12 Want de Heer waakt over de rechtvaardige mensen en luistert naar hun gebed, maar Hij keert zich tegen hen die kwaad doen.”
1PE 3:13 En wie zou jou kwaad doen als je je inspant om je goed te gedragen?
1PE 3:14 Maar zelfs als je moet lijden omdat je een oprecht leven leidt, ben je gezegend. Wees dus niet bang voor hun dreigen en maak je niet ongerust,
1PE 3:15 maar erken in je hart dat Christus de heilige Heer is en wees altijd bereid om je te verantwoorden aan iedereen die jou om uitleg vraagt over de hoop die in je leeft.
1PE 3:16 Doe dat op een zachtmoedige, respectvolle manier en met een goed geweten, zodat, wanneer er over je wordt kwaadgesproken, de mensen die je goede gedrag in Christus bekritiseren worden beschaamd.
1PE 3:17 Het is namelijk beter om te lijden als gevolg van goed gedrag, als God dat wil, dan als gevolg van slecht gedrag.
1PE 3:18 Immers, ook Christus heeft geleden. Hij stierf eens en voor altijd voor onze zonden; de Rechtvaardige stierf voor de onrechtvaardigen. Hij deed dat om jullie naar God toe te leiden. Hij werd gedood op natuurlijke wijze en weer tot leven gebracht op bovennatuurlijke wijze.
1PE 3:19 En in het bovennatuurlijke ging Hij naar de geesten die gevangenzaten, en maakte dit aan hen bekend.
1PE 3:20 Zij waren ongehoorzaam geweest in de tijd van Noach, toen God geduldig afwachtte terwijl de ark werd gebouwd. Daarin werden slechts weinig mensen – acht in totaal – van het water gered.
1PE 3:21 En nu worden jullie gered door de doop, waarnaar die gebeurtenis vooruitwijst. Niet doordat het vuil van je lichaam wordt verwijderd, maar doordat je God smeekt om een goed geweten op grond van de verrijzenis van Jezus Christus.
1PE 3:22 Hij is naar de hemel gegaan en bevindt zich aan Gods rechterzijde, waar engelen en bovennatuurlijke machten en krachten onder zijn gezag zijn gesteld.
1PE 4:1 Christus heeft lichamelijk geleden en jullie moeten bereid zijn om hetzelfde te doen, want als je lichamelijk hebt geleden, heb je met de zonde afgerekend.
1PE 4:2 Dan besteed je de rest van je aardse leven niet meer aan menselijke verlangens, maar aan Gods wil.
1PE 4:3 Jullie hebben al genoeg tijd besteed aan het opgaan in dingen die de niet-christenen graag doen: losbandigheid, wellust, dronkenschap, wilde feesten, braspartijen en verwerpelijke afgoderij.
1PE 4:4 Het verbaast hen dat jullie niet aan deze buitensporigheden meedoen en ze belasteren jullie.
1PE 4:5 Maar ze zullen verantwoording moeten afleggen aan Degene die klaarstaat om over de levenden en de doden te oordelen.
1PE 4:6 Daarom is het evangelie verkondigd, zelfs aan mensen die inmiddels gestorven zijn, opdat hun lichaam menselijk gezien wel veroordeeld zou zijn, maar hun geest voor God zou leven.
1PE 4:7 Het einde van alle dingen is bijna aangebroken. Wees daarom gefocust en alert, zodat je kan bidden.
1PE 4:8 In de eerste plaats moeten jullie elkaar voortdurend met veel liefde behandelen, want de liefde wist vele zonden uit.
1PE 4:9 Wees gastvrij voor elkaar, zonder klagen.
1PE 4:10 Dien elkaar, elk met de gave die je hebt gekregen, als goede beheerders van Gods genade in haar vele vormen.
1PE 4:11 Wanneer iemand spreekt, moet hij dat doen als iemand die de boodschap van God predikt. Wanneer iemand dient, moet hij dat doen vanuit de kracht die God geeft. Dan wordt in al die zaken God verheerlijkt, dankzij Jezus Christus. Hem komt voor eeuwig en altijd de eer en macht toe. Amen.
1PE 4:12 Beste vrienden, wees niet verbaasd over de brandende beproeving die jullie ondergaan, alsof het vreemd is wat jullie overkomt.
1PE 4:13 Verheug je echter in de mate waarin je deelt in het lijden van Christus; dan zal je juichen van vreugde wanneer zijn hemelse pracht wordt geopenbaard.
1PE 4:14 Als je wordt bespot omdat je Christus' naam draagt, ben je gezegend, want de luisterrijke Geest, Gods Geest, rust op je.
1PE 4:15 Zorg dat niemand van jullie lijdt als moordenaar, dief, boosdoener, of bemoeial.
1PE 4:16 Wie daarentegen lijdt als christen, hoeft zich niet te schamen, maar dient God te verheerlijken omdat hij zichzelf een christen mag noemen.
1PE 4:17 De tijd van het oordeel is aangebroken, allereerst voor de mensen die bij God horen. En als het bij ons begint, wat zal dan de afloop zijn voor wie ongehoorzaam aan Gods evangelie is?
1PE 4:18 En als de rechtvaardige met moeite wordt gered, wat zal er dan gebeuren met de goddeloze en de zondaar?
1PE 4:19 Zij die lijden omdat God dat wil, moeten dus hun leven aan God, de trouwe Schepper, toevertrouwen en zich goed gedragen.
1PE 5:1 De oudsten onder jullie spoor ik aan, als jullie mede-oudste, als getuige van Christus' lijden en ook als mede-ontvanger van de hemelse pracht die binnenkort geopenbaard zal worden:
1PE 5:2 hoed Gods kudde, waarover jullie zijn aangesteld. Niet uit dwang, maar uit bereidwilligheid tegenover God. Niet uit winstbejag, maar uit ijver.
1PE 5:3 Ook niet om je gezag te laten gelden over mensen die je zijn toevertrouwd, maar als voorbeeld voor de kudde.
1PE 5:4 Dan zal je, wanneer de Opperherder verschijnt, luister ontvangen – een erekrans die niet verwelkt.
1PE 5:5 Voor de jongeren geldt: aanvaard het gezag van de oudsten. En voor iedereen: wees bescheiden ten opzichte van elkaar, want God keert zich tegen de arrogante mensen, maar schenkt genade aan wie bescheiden zijn.
1PE 5:6 Stel jezelf nederig onder Gods grote gezag; dan zal Hij jou uiteindelijk een eervolle plaats geven.
1PE 5:7 Geef al je zorgen volledig aan Hem over, want Hij geeft om jullie.
1PE 5:8 Wees alert en waakzaam. Jullie tegenstander, de duivel, is als een brullende leeuw die rondsluipt op zoek naar iemand om te verslinden.
1PE 5:9 Bied weerstand, wees sterk in je geloof en weet dat jullie geloofsgenoten in de hele wereld hetzelfde soort lijden ondergaan.
1PE 5:10 Dan zullen jullie, nadat je korte tijd hebt geleden, worden hersteld en stabiel, krachtig en standvastig worden gemaakt door de God van alle genade, die jullie via Christus heeft geroepen om in zijn eeuwige hemelse pracht te leven.
1PE 5:11 Hem komt voor eeuwig de macht toe. Amen.
1PE 5:12 Met de hulp van Silvanus, die ik als een trouwe broeder beschouw, heb ik jullie deze korte brief geschreven, om jullie aan te sporen en om jullie ervan te verzekeren dat dit Gods ware genade betreft. Hou je er dus aan.
1PE 5:13 Jullie krijgen de groeten van jullie mede-uitverkorene in Babylon en van mijn zoon Markus.
1PE 5:14 Begroet elkaar met een kus die Gods liefde weerspiegelt. Aan ieder van jullie die bij Christus hoort, wens ik vrede toe.
2PE 1:1 Van: Simeon Petrus, dienaar en apostel van Jezus Christus. Aan: de mensen die een even kostbaar geloof hebben ontvangen als wij, dankzij de rechtvaardigheid van onze God en redder Jezus Christus.
2PE 1:2 Ik wens jullie toe dat jullie een overvloed aan genade en vrede mogen ervaren doordat jullie God en onze Heer Jezus kennen.
2PE 1:3 Doordat wij God kennen, die ons heeft geroepen om deel te krijgen aan zijn hemelse pracht en zijn goedheid, heeft zijn goddelijke kracht ons alles geschonken wat we nodig hebben om in eerbied voor Hem te leven.
2PE 1:4 De kostbare zegeningen die Hij had beloofd, heeft Hij geschonken opdat jullie daardoor deel zouden krijgen aan de goddelijke natuur, en zouden ontkomen aan het verderf in de wereld dat uit slechte verlangens voortvloeit.
2PE 1:5 Daarom moeten jullie je uiterste best moeten doen om je geloof aan te vullen met deugdzaamheid, je deugdzaamheid met kennis,
2PE 1:6 je kennis met zelfbeheersing, je zelfbeheersing met volharding, je volharding met eerbied voor God,
2PE 1:7 je eerbied voor God met liefdebetoon aan je geloofsgenoten, en je liefdebetoon aan geloofsgenoten met liefdebetoon aan iedereen.
2PE 1:8 Wanneer jullie die zaken in groeiende mate bezitten, zal het kennen van onze Heer Jezus Christus voor jullie niet zonder resultaat of vrucht zijn.
2PE 1:9 Maar wie ze niet bezit, is blind en kortzichtig; hij is vergeten dat hij van zijn vroegere zonden is gereinigd.
2PE 1:10 Broeders en zusters, doe dus je uiterste best om je roeping en uitverkiezing waar te maken. Als jullie dat doen, zal je nooit struikelen,
2PE 1:11 maar staat je een hartelijk welkom te wachten in het eeuwig koninkrijk van onze Heer en redder Jezus Christus.
2PE 1:12 Hieraan wil ik jullie voortdurend herinneren, hoewel jullie het al weten. De waarheid die jullie is gebracht, is goed tot jullie doorgedrongen.
2PE 1:13 Toch denk ik dat het goed is om jullie geheugen te blijven opfrissen zolang ik nog in dit aardse lichaam verblijf.
2PE 1:14 Ik weet dat ik mijn aardse lichaam binnenkort zal verlaten, want onze Heer Jezus Christus heeft me dat duidelijk gemaakt.
2PE 1:15 En ik zal mijn uiterste best doen om ervoor te zorgen dat jullie je deze dingen ook na mijn heengaan voortdurend zullen herinneren.
2PE 1:16 Wij waren namelijk geen slim bedachte mythes aan het volgen toen wij jullie vertelden over de machtige komst van onze Heer Jezus Christus: wij zijn ooggetuigen van zijn majesteit.
2PE 1:17 Hij ontving eer en glorie van God de Vader toen de stem van de verheven Heer klonk: “Dit is mijn dierbare Zoon; Ik verheug Mij over Hem.”
2PE 1:18 Die stem uit de hemel hebben wij zelf gehoord toen we met Hem op de heilige berg waren.
2PE 1:19 Daarom zijn wij extra zeker van de betrouwbaarheid van de woorden van de profeten, en jullie doen er goed aan daarop te letten, als op een lamp die licht geeft in een donkere ruimte – in jullie hart – totdat het dag wordt en de morgenster opgaat.
2PE 1:20 Jullie moeten bovenal weten dat geen enkele profetie in de Schriften is ontstaan uit menselijk inzicht.
2PE 1:21 Profetie is nooit voortgekomen uit menselijk initiatief: als mensen namens God spraken, gebeurde dat onder de leiding van de Heilige Geest.
2PE 2:1 Zoals er bij de Israëlieten valse profeten zijn geweest, zo zullen er ook bij jullie dwaalleraars zijn, die schadelijke dwaalleer binnensmokkelen. Ze nemen zelfs afstand van de Meester die hen heeft vrijgekocht en halen zo hun spoedige ondergang over zich.
2PE 2:2 Veel mensen zullen hun losbandig gedrag overnemen en daardoor de ware weg een slechte reputatie bezorgen.
2PE 2:3 In hun hebzucht zullen ze jullie met verzinsels uitbuiten, maar hun veroordeling laat niet lang meer op zich wachten en hun ondergang is nabij.
2PE 2:4 God spaarde engelen die gezondigd hadden niet, maar wierp hen in de hel, waar ze in diepe duisternis gevangen blijven tot het Oordeel.
2PE 2:5 Ook spaarde Hij de oude wereld niet, toen Hij de zondvloed over een wereld vol goddelozen bracht. Maar Hij beschermde Noach, die de gerechtigheid aankondigde, en zeven anderen met hem.
2PE 2:6 Hij veroordeelde de steden Sodom en Gomorra door ze in de as te leggen, ter illustratie van wat er gaat gebeuren met mensen die goddeloos leven.
2PE 2:7 En Hij redde Lot, een oprechte man die leed onder het losbandig gedrag van wettelozen.
2PE 2:8 Want toen die oprechte man in hun midden woonde, werd zijn rechtschapen gemoed dag in dag uit gekweld door het zien en horen van hun zondige gedrag.
2PE 2:9 De Heer weet dus echt wel hoe Hij diegenen die ontzag voor Hem hebben uit moeilijkheden kan redden terwijl Hij de ongelovigen blijft bestraffen tot aan de Oordeelsdag.
2PE 2:10 Dit geldt vooral voor hen die aan de onreine verlangens van hun zondige natuur toegeven en het gezag verachten. Ze zijn overmoedig, arrogant en belasteren onbevreesd de bovennatuurlijke machten.
2PE 2:11 Daarentegen gebruiken engelen, die sterker en machtiger zijn dan zij, geen lasterlijke taal wanneer zij hen bij de Heer in beschuldiging stellen.
2PE 2:12 Maar deze mensen belasteren wat ze niet begrijpen. Ze zijn als dieren zonder verstand, van nature bestemd om te worden gevangen en verdelgd. Ze zullen aan hun eigen slechtheid bezwijken.
2PE 2:13 Hun onrecht zal hun betaald worden gezet. Ze genieten ervan om zich op klaarlichte dag te laten gaan en tot hun schande volledig in hun braspartijen op te gaan bij jullie gemeenschappelijke maaltijden.
2PE 2:14 Ze zondigen onophoudelijk, met hun overspelige ogen die onstabiele mensen verleiden. Hun harten zijn geoefend in de hebzucht, die vervloekten!
2PE 2:15 Ze hebben de rechte weg verlaten en zijn verdwaald geraakt, in navolging van Bileam, de zoon van Beor, die ervan genoot zich te laten betalen om kwaad te doen.
2PE 2:16 Hij werd echter voor zijn overtreding terechtgewezen door een lastdier dat niet kon praten, maar dat de waanzin van de profeet beteugelde door met een menselijke stem te spreken.
2PE 2:17 Bronnen zonder water zijn ze, nevel die door de storm wordt voortgedreven. Voor hen wordt de donkerste duisternis gereedgehouden.
2PE 2:18 Met hoogdravende, holle woorden en losbandige zondige verlangens verleiden zij mensen die zich nog maar pas hebben losgemaakt van diegenen die verkeerd leven.
2PE 2:19 Zij beloven hun vrijheid, maar zelf zijn ze slaven van het verderf, want “de mens is slaaf van hetgeen hem overmeestert”.
2PE 2:20 Als zij aan de vervuiling door de wereld zijn ontkomen doordat ze de Heer en redder, Jezus Christus, hebben leren kennen, maar er toch opnieuw in verstrikt raken en erdoor worden overmeesterd, dan zijn ze uiteindelijk slechter af dan vroeger.
2PE 2:21 Het zou beter voor hen zijn geweest als ze de weg van rechtvaardigheid nooit hadden leren kennen. Maar ze kennen deze wel en hebben zich afgekeerd van het heilige gebod dat aan hen was doorgegeven.
2PE 2:22 Op hen is de spreuk “Een hond keert terug naar zijn braaksel en een gewassen zeug wentelt zich in de modder” van toepassing.
2PE 3:1 Beste vrienden, dit is al de tweede brief die ik aan jullie schrijf om jullie geheugen op te frissen en jullie aan te sporen om zuiver te denken.
2PE 3:2 Denk terug aan de woorden die in het verleden door de heilige profeten zijn gesproken en aan het gebod van onze Heer en redder dat jullie van de apostelen hebben ontvangen.
2PE 3:3 Jullie moeten bovenal weten dat er tegen het einde van de tijd spotters zullen komen, die hun eigen verlangens zullen volgen en die spottend zullen vragen:
2PE 3:4 ‘Waar is Gods beloofde komst? Want sinds het overlijden van onze voorouders blijft alles zoals het vanaf het begin van de schepping is geweest.’
2PE 3:5 Zij houden er bewust geen rekening mee dat het heelal lang geleden is ontstaan doordat God het bevel gaf, en de aarde werd gevormd vanuit het water en te midden van het water.
2PE 3:6 Het was ook door water – door de zondvloed – dat de toenmalige wereld werd vernietigd.
2PE 3:7 En door hetzelfde bevel van God worden het huidige heelal en de huidige aarde bewaard, om te worden verbrand op de Oordeelsdag. Ook de goddelozen zullen dan worden vernietigd.
2PE 3:8 Met één ding moeten jullie goed rekening houden, beste vrienden: één dag is voor de Heer als duizend jaar en duizend jaar als één dag.
2PE 3:9 De Heer treuzelt niet met wat Hij heeft beloofd, al vinden sommigen dat Hij treuzelt. Integendeel, Hij heeft geduld met jullie: Hij wil niet dat er iemand verloren gaat, maar dat alle mensen tot inkeer komen.
2PE 3:10 De Dag van de Heer zal komen als een dief. Dan zal het heelal met veel lawaai vergaan en zullen de elementen brandend uiteenvallen. De aarde en alles wat daar gebeurt zullen worden onthuld.
2PE 3:11 Omdat alles op die manier zal te gronde gaan, moeten jullie je zuiver en vol eerbied voor God gedragen.
2PE 3:12 Kijk uit naar de Dag van God – waarop het heelal door brand wordt verwoest en de elementen door hitte worden verteerd – en breng de komst ervan dichterbij.
2PE 3:13 Op grond van Gods belofte kijken wij uit naar een nieuw heelal met een nieuwe aarde, waar gerechtigheid zal wonen.
2PE 3:14 Beste vrienden, aangezien jullie hiernaar uitkijken, moeten jullie je uiterste best doen om dan smetteloos en onberispelijk te worden aangetroffen, in vrede met Hem.
2PE 3:15 Bedenk dat het geduld van onze Heer mensen in staat stelt om gered te worden, zoals onze geliefde broeder Paulus ook al aan jullie schreef met de wijsheid die hem is gegeven,
2PE 3:16 en zoals hij schrijft in al zijn brieven over dit onderwerp. Sommige zaken in die brieven zijn moeilijk te begrijpen en worden door onkundige en onstandvastige mensen verdraaid. Ze doen dat trouwens ook met de overige Schriften en het zal tot hun eigen ondergang leiden.
2PE 3:17 Beste vrienden, omdat jullie dit al weten, moeten jullie waakzaam zijn en je niet laten meeslepen op het dwaalspoor van wetteloze mensen. Laat je niet van je stuk brengen,
2PE 3:18 maar laat de genade en kennis van onze Heer en redder Jezus Christus in je groeien. Hem komt alle eer toe, nu en tot in eeuwigheid. Amen.
1JO 1:1 Het Woord dat leven geeft, bestaat reeds vanaf het begin. Wij hebben dat Woord gehoord en met eigen ogen gezien; we hebben het bekeken en met onze eigen handen aangeraakt.
1JO 1:2 Dat leven is geopenbaard; wij hebben het gezien en wij getuigen daarvan. Wij verkondigen jullie het eeuwig leven, dat bij de Vader was en aan ons is geopenbaard.
1JO 1:3 Wij verkondigen wat wij gezien en gehoord hebben ook aan jullie, opdat jullie met ons verbonden zullen zijn. En wij zijn verbonden met de Vader en met zijn Zoon Jezus Christus.
1JO 1:4 Wij schrijven deze brief opdat onze vreugde compleet zal zijn.
1JO 1:5 Dit is de boodschap die wij van Hem hebben gehoord en aan jullie verkondigen: God is licht, en er is in Hem in het geheel geen duisternis.
1JO 1:6 Als wij zeggen dat we met Hem verbonden zijn terwijl we in het duister leven, dan liegen we en leven we niet volgens de waarheid.
1JO 1:7 Maar als we in het licht leven, zoals Hij zelf in het licht is, dan zijn we met elkaar verbonden en reinigt het bloed van Jezus, zijn Zoon, ons van alle zonden.
1JO 1:8 Als we zeggen dat we zonder zonde zijn, misleiden we onszelf en woont de waarheid niet in ons.
1JO 1:9 Maar als we onze zonden bekennen aan Degene die trouw en rechtvaardig is, zal Hij onze zonden vergeven en ons reinigen van al ons kwaad.
1JO 1:10 Maar als we zeggen dat we nooit gezondigd hebben, maken we Hem uit voor leugenaar en woont hetgeen Hij heeft gezegd niet in ons.
1JO 2:1 Mijn lieve kinderen, ik schrijf jullie deze brief opdat jullie niet zondigen. Als iemand echter toch zondigt, dan hebben we Iemand die voorspraak voor ons doet bij de Vader: Jezus Christus, de Rechtvaardige.
1JO 2:2 Hij is bovendien het zoenoffer voor onze zonden, en niet enkel voor de onze maar ook voor die van de hele wereld.
1JO 2:3 Dat we Hem kennen blijkt uit het feit dat we ons aan zijn geboden houden.
1JO 2:4 Wie zegt dat hij Hem kent, maar zich niet aan zijn geboden houdt, is een leugenaar en de waarheid woont niet in hem.
1JO 2:5 Als iemand zich daarentegen houdt aan hetgeen God zegt, is hij werkelijk volgroeid in zijn liefde voor God. Daaruit blijkt dat we bij Hem horen.
1JO 2:6 Wie zegt dat hij met Christus verbonden is, behoort te leven zoals Christus heeft geleefd.
1JO 2:7 Beste vrienden, wat ik jullie schrijf is geen nieuw gebod, maar een oud gebod waarover jullie al vanaf het begin beschikken. Het oude gebod is de boodschap die jullie hebben gehoord.
1JO 2:8 Tegelijkertijd is hetgeen ik jullie schrijf een nieuw gebod, waarvan de realisatie zichtbaar is in Hem en in jullie, want de duisternis is aan het verdwijnen en het ware licht schijnt reeds.
1JO 2:9 Wie zegt dat hij zich in het licht bevindt maar zijn broeder of zuster hatelijk behandelt, bevindt zich nog altijd in de duisternis.
1JO 2:10 Als iemand liefdevol met zijn broeder of zuster omgaat, leeft hij in het licht en is er voor hem geen aanleiding om te struikelen.
1JO 2:11 Maar wie zijn broeder of zuster hatelijk behandelt, bevindt zich in de duisternis. Hij wandelt in de duisternis zonder te weten waar hij naartoe gaat, want door de duisternis kan hij niet zien.
1JO 2:12 Lieve kinderen, ik schrijf jullie dat jullie zonden zijn vergeven dankzij Jezus.
1JO 2:13 Ouderen, aan jullie schrijf ik dat jullie Hem kennen, die al vanaf het begin bestaat. Jongeren, aan jullie schrijf ik dat jullie de duivel hebben overwonnen.
1JO 2:14 Kinderen, aan jullie schrijf ik dat jullie de Vader kennen. Ouderen, aan jullie schrijf ik dat jullie Hem kennen, die al vanaf het begin bestaat. Jongeren, aan jullie schrijf ik dat jullie sterk zijn: de boodschap van God woont in jullie en jullie hebben de duivel overwonnen.
1JO 2:15 Heb de wereld en hetgeen zich in de wereld bevindt niet lief. Als iemand de wereld liefheeft, heeft hij de Vader niet lief.
1JO 2:16 Want alles wat zich in de wereld bevindt – de zaken waarnaar de zondige natuur verlangt, de dingen waarnaar ogen begeerlijk kijken en een arrogante levensstijl – komt niet van de Vader, maar van de wereld.
1JO 2:17 De wereld en alles wat zij bevat waarnaar mensen verlangen, zullen verdwijnen. Maar wie doet wat God wil, leeft voor eeuwig.
1JO 2:18 Kinderen, het laatste uur is aangebroken. Zoals jullie hebben gehoord, moet de antichrist komen. En nu zijn er al veel antichristen verschenen; daaruit blijkt dat het laatste uur is aangebroken.
1JO 2:19 Die mensen komen uit ons midden, maar ze horen niet bij ons. Als ze wel bij ons zouden horen, dan zouden ze bij ons gebleven zijn, maar hieruit blijkt dat ze geen van allen bij ons horen.
1JO 2:20 Jullie daarentegen zijn door de Heilige gezalfd en jullie kennen de waarheid.
1JO 2:21 Ik schrijf jullie dus niet omdat jullie de waarheid niet zouden kennen, want jullie kennen die wél, en uit de waarheid komt geen enkele leugen voort.
1JO 2:22 Wie is dus de leugenaar? Hij die ontkent dat Jezus de Messias is; dat is de antichrist, degene die zowel de Vader als de Zoon verloochent.
1JO 2:23 Niemand die de Zoon verloochent, hoort bij de Vader, maar wie de Zoon erkent, hoort bij de Vader.
1JO 2:24 Daarom moeten jullie je houden aan hetgeen jullie vanaf het begin hebben gehoord. En als jullie je houden aan hetgeen jullie vanaf het begin hebben gehoord, dan blijven jullie met de Zoon en de Vader verbonden.
1JO 2:25 En dit is wat Hij ons heeft beloofd: het eeuwig leven.
1JO 2:26 Ik schrijf jullie deze brief over de mensen die jullie proberen te misleiden.
1JO 2:27 Het is toch niet nodig dat iemand jullie onderwijst? Immers, de Heilige Geest is als een zalving die jullie van Christus hebben ontvangen; Hij rust op jullie en onderwijst jullie over alles. Wat Hij jullie leert is de waarheid en geen leugen. Blijf dus met Christus verbonden, in overeenstemming met dat onderwijs.
1JO 2:28 Kortom, lieve kinderen, blijf met Hem verbonden. Dan zullen wij vol vertrouwen zijn wanneer Hij verschijnt, en ons niet tegenover Hem schamen wanneer Hij komt.
1JO 2:29 Zoals jullie weten, is Hij rechtvaardig; erken dan ook dat ieder die rechtvaardig handelt, van God het nieuwe leven heeft gekregen.
1JO 3:1 Kijk eens wat een liefde de Vader ons heeft geschonken! Wij worden Gods kinderen genoemd, en dat zijn wij ook. De reden dat de wereld ons niet als zodanig erkent is dat ze Hem niet kent.
1JO 3:2 Beste vrienden, nu zijn wij Gods kinderen en wat wij later zullen zijn is nog niet duidelijk. Maar we weten dat wanneer Hij verschijnt, we zullen zijn als Hem, omdat we Hem zullen zien zoals Hij is.
1JO 3:3 En ieder die zijn verschijning verwacht, maakt zich rein, net zoals Christus rein is.
1JO 3:4 Ieder die zondigt, overtreedt Gods wetten, want zondigen is Gods wet overtreden.
1JO 3:5 Maar zoals jullie weten, is Christus verschenen om zonden weg te nemen en zelf heeft Hij ook nooit gezondigd.
1JO 3:6 Ieder die met Christus verbonden blijft, behoort dus niet te zondigen. Ieder die wel blijft zondigen, heeft Hem nooit gezien en kent Hem niet.
1JO 3:7 Lieve kinderen, laat niemand jullie misleiden. Wie rechtvaardig leeft, is rechtvaardig, net zoals de Zoon rechtvaardig is.
1JO 3:8 En wie een zondig leven leidt, hoort bij de duivel, want de duivel zondigt al vanaf het begin. Het is om de daden van de duivel te vernietigen dat de Zoon van God is verschenen.
1JO 3:9 Wie van God het nieuwe leven heeft gekregen, stopt met zondigen, want het leven dat God schenkt, is in hem gezaaid. Hij kan niet blijven zondigen, want hij heeft van God het nieuwe leven gekregen.
1JO 3:10 Hieraan is te zien wie de kinderen van God zijn en wie de kinderen van de duivel: wie niet rechtvaardig leeft en niet liefdevol omgaat met zijn broeders en zusters, hoort niet bij God.
1JO 3:11 Dit is wat jullie vanaf het begin hebben horen verkondigen: we moeten liefdevol met elkaar omgaan.
1JO 3:12 Wees dus niet zoals Kaïn. Hij hoorde bij de duivel en vermoordde zijn broer. En waarom vermoordde hij hem? Omdat zijn gedrag slecht was en dat van zijn broer goed.
1JO 3:13 Broeders en zusters, wees niet verbaasd als de wereld jullie hatelijk behandelt.
1JO 3:14 Aan onze liefdevolle omgang met elkaar, als broeders en zusters, is te zien dat wij van de dood naar het leven zijn overgegaan. Wie echter niet liefdevol met andere christenen omgaat, bevindt zich nog altijd in het domein van de dood.
1JO 3:15 Ieder die zijn broeder of zuster hatelijk behandelt, is een moordenaar. En zoals jullie weten beschikt een moordenaar niet over het eeuwig leven.
1JO 3:16 Wat liefde is, weten we doordat Hij zijn leven voor ons heeft gegeven. En wij behoren ons leven voor onze broeders en zusters te geven.
1JO 3:17 Als iemand die zelf voldoende heeft om van te leven, ziet dat zijn broeder of zuster gebrek lijdt, en als hij dan weigert om mededogen te hebben, hoe kan hij dan zijn liefde voor God behouden?
1JO 3:18 Lieve kinderen, laten wij elkaar niet liefhebben door middel van woorden of mooie praatjes, maar met daden die de echtheid van onze liefde bewijzen.
1JO 3:19 Dan zullen we weten dat we bij de waarheid horen, zodat we met een gerust geweten voor God kunnen staan,
1JO 3:20 zelfs als ons geweten ons veroordeelt. Want God is machtiger dan ons geweten en Hij weet alles.
1JO 3:21 Beste vrienden, als ons geweten ons niet veroordeelt, mogen we God vrijmoedig benaderen.
1JO 3:22 Dan ontvangen we wat we van Hem vragen, omdat we ons aan zijn geboden houden en doen wat Hem bevalt.
1JO 3:23 En dit is zijn gebod: wij moeten ons vertrouwen stellen op zijn Zoon Jezus Christus en liefdevol met elkaar omgaan, zoals Hij ons heeft bevolen.
1JO 3:24 Wie zich aan zijn geboden houdt, blijft met Hem verbonden; dan zal Hij in hem wonen. Dat Hij in ons woont blijkt uit het feit dat Hij ons de Geest heeft geschonken.
1JO 4:1 Beste vrienden, geloof niet iedereen die geestelijk beweert te zijn, maar controleer of iemand zich door Gods Geest laat leiden. Er zijn namelijk veel valse profeten op uitgegaan, de wereld in.
1JO 4:2 Hieruit blijkt iemand zich door Gods Geest laat leiden: iedereen die erkent dat Jezus Christus als mens is gekomen, laat zich leiden door Gods Geest.
1JO 4:3 En iedereen die Jezus niet erkent, laat zich leiden door een geest die niet van God komt, maar van de antichrist. Jullie hadden al gehoord dat die zou komen en hij is nu reeds in de wereld actief.
1JO 4:4 Jullie horen bij God, lieve kinderen, en jullie hebben die valse profeten overwonnen, omdat Hij die in jullie woont machtiger is dan hij die in de wereld actief is.
1JO 4:5 Die valse profeten horen bij de wereld en zeggen wat de wereld zegt; daarom luistert de wereld naar hen.
1JO 4:6 Wij horen bij God en wie God kent luistert naar ons, maar wie niet bij God hoort luistert niet naar ons. Daaruit blijkt of iemand wordt geleid door de Geest van de waarheid of door een misleidende geest.
1JO 4:7 Beste vrienden, laten we liefdevol met elkaar omgaan, want de liefde komt uit God voort en iedereen die liefdevol met anderen omgaat, heeft van God het nieuwe leven gekregen en kent God.
1JO 4:8 Maar wie niet liefdevol met anderen omgaat, kent God niet, want God is liefde.
1JO 4:9 Gods liefde voor ons is zichtbaar geworden doordat God zijn enige Zoon naar de wereld heeft gezonden, opdat wij dankzij Hem zouden leven.
1JO 4:10 Dit is wat liefde is: niet dat wij God liefhadden, maar dat Hij ons liefhad en zijn Zoon heeft gezonden als zoenoffer voor onze zonden.
1JO 4:11 Beste vrienden, aangezien God ons zo liefhad, behoren wij ook liefdevol met elkaar om te gaan.
1JO 4:12 Niemand heeft ooit God gezien. Als wij liefdevol met elkaar omgaan, woont God in ons en is onze liefde voor God volgroeid.
1JO 4:13 Dat wij met Hem verbonden zijn en dat Hij in ons woont, blijkt uit het feit dat Hij ons zijn Geest heeft geschonken.
1JO 4:14 Wij hebben gezien – en we getuigen ervan – dat de Vader de Zoon heeft gezonden om de wereld te redden.
1JO 4:15 Als iemand belijdt dat Jezus de Zoon van God is, is hij met God verbonden en woont God in hem.
1JO 4:16 Wij hebben de liefde leren kennen die God voor ons heeft, en we vertrouwen erop. God is liefde en wie liefdevol met anderen omgaat, is met God verbonden en God woont in hem.
1JO 4:17 Zo raakt onze onderlinge liefde volgroeid, zodat we de Oordeelsdag vol vertrouwen kunnen tegemoetzien omdat we, hoewel we nog in deze wereld zijn, zijn zoals Christus.
1JO 4:18 Angst maakt geen deel uit van de liefde. Integendeel, de volgroeide liefde verdrijft de angst, want angst veronderstelt straf en als iemand bang is, is zijn liefde nog niet volgroeid.
1JO 4:19 Wij hebben lief omdat Hij ons eerst liefhad.
1JO 4:20 Als iemand zegt dat hij God liefheeft terwijl hij zijn broeder of zuster hatelijk behandelt, is hij een leugenaar. Immers, als hij zijn broeder of zuster die hij kan zien, niet liefheeft, dan kan hij de God die hij niet heeft gezien, ook niet liefhebben.
1JO 4:21 En dit is dan ook het gebod dat Hij ons heeft gegeven: wie God liefheeft, moet ook zijn broeders en zusters liefdevol behandelen.
1JO 5:1 Wie gelooft dat Jezus de Messias is, heeft van God het nieuwe leven gekregen en wie de Vader liefheeft, heeft ook zijn kinderen lief.
1JO 5:2 Dat we Gods kinderen liefhebben, blijkt uit het feit dat we God liefhebben en zijn geboden naleven.
1JO 5:3 Want liefde voor God betekent dat we ons aan zijn geboden houden. En zijn geboden zijn niet te zwaar.
1JO 5:4 Ieder die van God het nieuwe leven heeft gekregen, overwint de wereld. En we overwinnen de wereld door ons geloof.
1JO 5:5 Wie is het die de wereld overwint? Enkel hij die gelooft dat Jezus de Zoon van God is.
1JO 5:6 Jezus Christus is Degene die is gekomen doorheen water en bloed. Niet alleen door water, maar door water en bloed. En de Geest getuigt daarvan, want Hij is de waarheid.
1JO 5:7 Er zijn dus drie getuigen:
1JO 5:8 de Geest, het water en het bloed. En hun getuigenissen stemmen overeen.
1JO 5:9 Als je de getuigenis van mensen aanvaardt, dan moet je beseffen dat Gods getuigenis nog krachtiger is, en Gods getuigenis betreft zijn Zoon.
1JO 5:10 Wie in de Zoon van God gelooft, heeft deze getuigenis aanvaard. Wie echter niet gelooft, maakt God uit voor leugenaar, doordat hij de getuigenis die God over zijn Zoon heeft gegeven niet gelooft.
1JO 5:11 Gods getuigenis houdt in dat God ons het eeuwig leven heeft geschonken en dat leven is beschikbaar via zijn Zoon.
1JO 5:12 Wie de Zoon heeft, heeft het leven, maar wie de Zoon van God niet heeft, heeft het leven niet.
1JO 5:13 Ik schrijf deze brief aan jullie die je vertrouwen op de Zoon van God hebben gesteld, opdat jullie weten dat jullie het eeuwig leven hebben.
1JO 5:14 Wij mogen God vrijmoedig benaderen, want als wij Hem om iets vragen dat met zijn wil overeenstemt, zal Hij naar ons luisteren.
1JO 5:15 En omdat we weten dat Hij naar ons luistert, wat we ook vragen, mogen we er zeker van zijn dat we zullen ontvangen wat we van Hem hebben gevraagd.
1JO 5:16 Als iemand ziet dat zijn broeder of zuster een zonde begaat die niet tot de dood leidt, moet hij bidden; dan zal die persoon het leven behouden. Er bestaat ook zonde die tot de dood leidt; ik zeg niet dat je dan ook moet bidden.
1JO 5:17 Iedere onrechtmatige daad is zonde en er is zonde die niet tot de dood leidt.
1JO 5:18 Wij weten dat wie van God het nieuwe leven heeft gekregen, niet zondigt. Immers, wie van God het nieuwe leven heeft gekregen, wordt beschermd, zodat de duivel geen vat op hem heeft.
1JO 5:19 We weten dat wij bij God horen en dat de hele wereld in de macht van de duivel is.
1JO 5:20 Ook weten we dat de Zoon van God is gekomen om ons inzicht te geven, opdat wij de ware God zouden kennen. Wij zijn dus met de ware God verbonden, doordat we met zijn Zoon Jezus Christus verbonden zijn – en Hij is de ware God en het eeuwig leven.
1JO 5:21 Lieve kinderen, wees op je hoede voor de afgoden.
2JO 1:1 Van: de oudste. Aan: de uitverkoren vrouw en haar kinderen. Ik heb jullie werkelijk lief – en niet alleen ik, maar ook iedereen die de waarheid kent
2JO 1:2 – doordat de waarheid in ons woont en voor altijd bij ons zal zijn.
2JO 1:3 Ik bid dat wij genade, mededogen en vrede mogen ontvangen van God, de Vader, en van Jezus Christus, de Zoon van de Vader, zodat we kunnen leven in overeenstemming met de waarheid en vol liefde.
2JO 1:4 Ik was bijzonder verheugd om te ontdekken dat sommige van je kinderen zich door de waarheid laten leiden, in overeenstemming met het gebod dat wij van de Vader hebben ontvangen.
2JO 1:5 En nu vraag ik jou, lieve vrouw, dat we liefdevol met elkaar omgaan. Het is geen nieuw gebod dat ik schrijf, we hebben dit vanaf het begin gehad.
2JO 1:6 Liefde is: leven overeenkomstig Gods geboden. Dit is het gebod dat jullie vanaf het begin hebben gehoord; dit is hoe jullie moeten leven.
2JO 1:7 Er zijn namelijk veel bedriegers op uitgegaan, de wereld in, die ontkennen dat Jezus Christus, toen Hij naar de wereld kwam, een menselijk lichaam had. Zij zijn als de bedrieger en de antichrist.
2JO 1:8 Wees op je hoede; zorg dat jullie de vruchten van onze arbeid niet verliezen, maar dat jullie de volle beloning ontvangen.
2JO 1:9 Als iemand zaken toevoegt in plaats van zich te houden aan de leer van Christus, dan hoort hij niet bij God. Wie zich wel aan zijn leer houdt, hoort zowel bij de Vader als bij de Zoon.
2JO 1:10 Als iemand die deze leer niet brengt naar jullie toe komt, verwelkom hem dan niet in je huis. Je mag hem zelfs niet als een broeder begroeten,
2JO 1:11 want wie zo iemand als een broeder begroet, wordt medeplichtig aan diens slechte daden.
2JO 1:12 Er is veel dat ik jullie wil schrijven, maar ik wil dat niet doen met inkt op papyrus. Ik hoop naar jullie toe te komen en persoonlijk met jullie te spreken; dan zal onze vreugde compleet zijn.
2JO 1:13 De kinderen van je uitverkoren zuster groeten jullie.
3JO 1:1 Van: de oudste. Aan: Gajus, mijn goede vriend, die mij oprecht dierbaar is.
3JO 1:2 Beste vriend, ik wens je toe dat je het in alle opzichten goed mag stellen en dat het met je lichamelijke gezondheid even goed mag gaan als met je ziel.
3JO 1:3 Ik was zeer verheugd toen er geloofsgenoten waren aangekomen die van je oprechtheid getuigden – hoe je volgens de waarheid leeft.
3JO 1:4 Niets verheugt mij meer dan te horen dat mijn kinderen volgens de waarheid leven.
3JO 1:5 Beste vriend, je bent trouw in alles wat je voor je geloofsgenoten doet, zelfs wanneer je hen niet kent.
3JO 1:6 Zij hebben aan de kerkgemeenschap getuigd van je liefdebetoon. Je zou er goed aan doen hen voor hun verdere reis toe te rusten en zo God te eren.
3JO 1:7 Zij zijn er namelijk op uitgegaan om Christus te verkondigen en ze ontvangen geen ondersteuning van niet-christenen.
3JO 1:8 Dergelijke mensen moeten we ondersteunen, want zo werken we mee aan het uitdragen van de waarheid.
3JO 1:9 Ik heb een brief aan de kerkgemeenschap geschreven, maar Diotrefes, die bij hen de eerste plaats wil innemen, weigert ons gezag te erkennen.
3JO 1:10 Wanneer ik kom, zal ik dus op zijn gedrag wijzen: hij verspreidt kwaadaardige praatjes over ons. En alsof dat niet genoeg is, weigert hij het gezag van zijn geloofsgenoten te erkennen. En wanneer iemand dat wel wil doen, weerhoudt hij die persoon daarvan en zet hij hem uit de kerkgemeenschap.
3JO 1:11 Beste vriend, volg niet het slechte, maar het goede na. Wie zich goed gedraagt, hoort bij God en wie zich slecht gedraagt, kent God niet.
3JO 1:12 Wat Demetrius betreft: iedereen spreekt lovend over hem en hun lof wordt door de feiten bevestigd. Wij voegen daar onze lovende getuigenis aan toe en zoals jullie weten is onze getuigenis betrouwbaar.
3JO 1:13 Ik heb veel aan je te schrijven, maar ik wil dat niet doen met inkt en een pen.
3JO 1:14 Ik hoop je binnenkort te zien en dan zullen we elkaar persoonlijk spreken.
3JO 1:15 Ik wens je vrede toe. De vrienden groeten je. Groet elk van de vrienden persoonlijk.
JUD 1:1 Van: Judas, dienaar van Jezus Christus en broer van Jakobus. Aan: de mensen die geroepen zijn om de liefde van God de Vader te ontvangen en door Jezus Christus te worden beschermd.
JUD 1:2 Ik wens jullie veel mededogen, vrede en liefde toe.
JUD 1:3 Beste vrienden, hoewel ik mij ijverig aan het voorbereiden was om jullie te schrijven over de redding die wij met elkaar gemeen hebben, zie ik mij nu genoodzaakt om jullie in deze brief op te roepen je volop in te zetten voor het geloof dat eens en voor altijd is doorgegeven aan de mensen die bij God horen.
JUD 1:4 Er zijn namelijk bepaalde mensen bij jullie binnengeslopen, van wie het vonnis reeds lang geleden is geveld. Het zijn goddelozen, die de genade van onze God misbruiken als voorwendsel voor losbandigheid en die onze enige Meester en Heer, Jezus Christus, verloochenen.
JUD 1:5 Daarom wil ik jullie eraan herinneren – hoewel jullie dit alles reeds weten – dat de Heer die eerst het volk uit het land Egypte had verlost, vervolgens de ongelovigen onder hen heeft gedood.
JUD 1:6 En de engelen die hun hemelse positie opgaven en hun woonplaats verlieten, houdt Hij in de duisternis in eeuwige boeien gevangen tot de Grote Oordeelsdag.
JUD 1:7 Hetzelfde geldt voor Sodom, Gomorra en de omliggende steden, die seksueel wangedrag pleegden en zich overgaven aan onnatuurlijke seksuele verlangens. Zij dienen nu als voorbeeld doordat ze met eeuwig vuur worden bestraft.
JUD 1:8 De dromers over wie ik het heb, doen als zij: ze verontreinigen hun eigen lichaam, verwerpen het gezag en belasteren de bovennatuurlijke machten.
JUD 1:9 De aartsengel Michaël daarentegen durfde geen beledigend oordeel uit te spreken toen hij onenigheid en ruzie met de duivel had over het lichaam van Mozes. Hij zei: “Moge de Heer je terechtwijzen.”
JUD 1:10 Maar deze mensen belasteren wat ze niet begrijpen. Ze zijn als dieren zonder verstand en wat ze van nature wél begrijpen wordt hun ondergang.
JUD 1:11 Wee hun, want ze zijn de weg van Kaïn opgegaan, geven zich omwille van het gewin over aan het bedrog van Bileam en komen om in de opstand van Korach.
JUD 1:12 Ze zijn een schandvlek op jullie gemeenschappelijke maaltijden: wanneer ze samen met jullie eten, bedienen ze zichzelf schaamteloos. Ze zijn regenloze wolken die door de wind worden voortgedreven, bomen die in de herfst geen vrucht dragen, ontworteld en helemaal dood.
JUD 1:13 Woeste zeegolven zijn ze, die hun eigen schande opschuimen, afgedwaalde sterren voor wie de donkerste duisternis voor eeuwig wordt gereedgehouden.
JUD 1:14 Henoch, die tot de zevende generatie na Adam behoorde, profeteerde over hen: “Kijk, de Heer komt met zijn duizenden heilige engelen,
JUD 1:15 om over alle mensen recht te spreken en hen allen te veroordelen voor de goddeloze daden die ze in hun goddeloosheid hebben gepleegd, en voor alle opstandige woorden die de goddeloze zondaars tegen Hem hebben gesproken.”
JUD 1:16 Mopperaars en klagers zijn ze, die hun eigen passies volgen, hoog opgeven over zichzelf, en anderen naar de mond praten om daar zelf beter van te worden.
JUD 1:17 Maar jullie, beste vrienden, denk aan de voorspellingen van de apostelen van onze Heer Jezus Christus.
JUD 1:18 Ze zeiden dat er tegen het einde van de tijd spotters zullen zijn die hun eigen goddeloze passies volgen.
JUD 1:19 Het zijn die spotters die verdeeldheid zaaien, hun instincten volgen en de Geest niet hebben.
JUD 1:20 Maar jullie, beste vrienden, moeten jezelf opbouwen in je zeer heilige geloof, bidden onder leiding van de Heilige Geest,
JUD 1:21 en vasthouden aan Gods liefde, vol verwachting van het mededogen van onze Heer Jezus Christus, die jullie het eeuwig leven zal schenken.
JUD 1:22 Heb mededogen met diegenen die twijfelen.
JUD 1:23 Red anderen door hen uit het vuur te trekken. Bij nog anderen moet jullie mededogen gepaard gaan met omzichtigheid: jullie moeten zelfs een afkeer hebben van hun kledij die ze met hun zondige lichaam hebben verontreinigd.
JUD 1:24 God kan jullie voor struikelen behoeden en ervoor zorgen dat jullie smetteloos en met grote blijdschap in zijn luisterrijke aanwezigheid komen te staan.
JUD 1:25 Aan Hem, de enige God, onze redder, komt de eer, majesteit, kracht en macht toe, door Jezus Christus onze Heer, en dat vooraleer de tijd begon, nu, en voor altijd. Amen.
REV 1:1 Dit is de openbaring van Jezus Christus, door God aan Hem toevertrouwd opdat Hij zijn dienaren zou tonen wat spoedig moet gebeuren. Jezus Christus maakte deze openbaring aan zijn dienaar Johannes bekend door een engel naar hem toe te sturen.
REV 1:2 En ik, Johannes, getuig van alles wat ik heb gezien – het is de boodschap van God en Jezus' getuigenis.
REV 1:3 Je bent gezegend als je deze profetische woorden voorleest en je bent gezegend als je ze hoort en in acht neemt, want het moment dat deze dingen gaan gebeuren, is bijna aangebroken.
REV 1:4 Van: Johannes. Aan: de zeven kerkgemeenschappen in Asia. Ik wens jullie de genade en vrede toe van Hem die is, die was en die komt, en van de zeven geesten voor zijn troon,
REV 1:5 en van Jezus Christus. Hij is de betrouwbare getuige, die stierf en als eerste het nieuwe leven binnenging, de heerser over de koningen op aarde. Hij heeft ons lief en door zijn dood heeft Hij ons van onze zonden verlost.
REV 1:6 Ook heeft Hij ons gemaakt tot koningen en priesters voor zijn God en Vader. Hem komt voor eeuwig de glorie en de macht toe. Amen.
REV 1:7 Let op, Hij komt met de wolken. Dan zal iedereen Hem zien, zelfs zij die Hem doorstoken hadden. Alle volken op aarde zullen om Hem rouwen. Ja, amen.
REV 1:8 “Ik ben de alfa en de omega”, zegt God, de Heer, Hij die is, die was en die komt, de Almachtige.
REV 1:9 Ik, Johannes, ben jullie broeder en, door onze verbondenheid met Jezus, deelgenoot in de verdrukking, in Gods koninkrijk en in de volharding. Ik was op het eiland Patmos omdat ik de boodschap van God had verkondigd en van Jezus had getuigd.
REV 1:10 Op de dag van de Heer werd ik door de Geest gegrepen. Ik hoorde achter me een stem, die zo luid was als een trompet.
REV 1:11 De stem zei: “Schrijf hetgeen je ziet in een boek en stuur dat naar de zeven kerkgemeenschappen: naar Efeze, Smyrna, Pergamum, Tyatira, Sardes, Filadelfia en Laodicea.”
REV 1:12 Ik draaide me om, om te zien waar de stem die me toesprak vandaan kwam. Toen ik me had omgedraaid, zag ik zeven gouden kandelaars.
REV 1:13 Midden tussen de kandelaars zag ik Iemand die eruitzag als een mensenzoon. Hij was gekleed in een lang gewaad, met een brede gouden band om zijn borst.
REV 1:14 Zijn haar was zo wit als witte wol, als sneeuw, en zijn ogen vlamden als vuur.
REV 1:15 Zijn voeten glansden als brons dat in de oven gezuiverd is en zijn stem klonk als het bulderen van veel water.
REV 1:16 In zijn rechterhand hield Hij zeven sterren en uit zijn mond kwam een scherp, tweesnijdend zwaard. Zijn gezicht schitterde als de zon wanneer die schijnt in haar volle sterkte.
REV 1:17 Toen ik Hem zag, viel ik als dood aan zijn voeten neer. Hij legde zijn rechterhand op mij en zei: “Wees niet bang, Ik ben de eerste en de laatste.
REV 1:18 Ik ben de levende: Ik ben dood geweest, maar kijk, Ik leef voor eeuwig en altijd. Ik heb de sleutels van de dood en het dodenrijk.
REV 1:19 Schrijf op wat je ziet: wat er nu is en wat binnenkort zal gebeuren.
REV 1:20 De zeven sterren in mijn rechterhand die je hebt gezien en de zeven gouden kandelaars hebben de volgende betekenis: de zeven sterren zijn de engelen van de zeven kerkgemeenschappen, en de zeven kandelaars zijn die zeven kerkgemeenschappen.
REV 2:1 Schrijf aan de engel van de kerkgemeenschap in Efeze: Hij die de zeven sterren in zijn rechterhand houdt en tussen de zeven gouden kandelaars wandelt, zegt:
REV 2:2 ‘Ik heb weet van jouw gedrag: je werkt hard, houdt vol en kan slechte mensen niet verdragen. Je hebt de mensen die zichzelf apostel noemen maar het niet zijn, getest en vastgesteld dat ze liegen.
REV 2:3 Je houdt vol en je hebt om mijnentwil veel verdragen, zonder op te geven.
REV 2:4 Maar wat Ik je kwalijk neem is dat je Mij niet meer liefhebt zoals voorheen.
REV 2:5 Bedenk hoe diep je bent gevallen! Kom tot inkeer en gedraag je weer zoals vroeger. Want als je niet tot inkeer komt, zal Ik naar je toe komen en je kandelaar verwijderen.
REV 2:6 Maar het pleit in je voordeel dat je net als Ik de Nikolaïeten haat.
REV 2:7 Als je oren hebt, luister dan naar hetgeen de Geest tegen de kerkgemeenschappen zegt. Wie overwint, zal Ik laten eten van de levensboom die zich in Gods paradijs bevindt.’
REV 2:8 Schrijf aan de engel van de kerkgemeenschap in Smyrna: Hij die de eerste en de laatste is, die dood is geweest en weer leeft, zegt:
REV 2:9 ‘Ik heb weet van jouw lijden en je armoede – hoewel je rijk bent. Ik weet ook hoe je wordt belasterd door de mensen die ten onrechte beweren dat ze joods zijn, maar die in feite Satan vereren.
REV 2:10 Wees niet bang voor het lijden dat je staat te wachten. Let op, de duivel staat op het punt sommigen van jullie gevangen te laten zetten om jullie op de proef te stellen. Jullie zullen tien dagen lang lijden ondergaan. Wees trouw tot de dood en Ik zal je bekronen met het leven.
REV 2:11 Als je oren hebt, luister dan naar hetgeen de Geest tegen de kerkgemeenschappen zegt. Wie overwint, zal geen schade ondervinden van de tweede dood.’
REV 2:12 Schrijf aan de engel van de kerkgemeenschap in Pergamum: Hij die het scherpe, tweesnijdende zwaard heeft, zegt:
REV 2:13 ‘Ik weet waar jij woont – daar waar Satans troon staat. Toch hou je mijn naam in ere: je hebt je geloof in Mij niet verloochend, zelfs niet toen mijn trouwe getuige Antipas werd omgebracht, bij jullie in de woonplaats van Satan.
REV 2:14 Maar wat Ik je kwalijk neem is dat er mensen bij jou zijn die zich houden aan de leer van Bileam. Hij leerde Balak hoe hij het volk Israël kon laten struikelen, zodat ze zouden eten van voedsel dat aan de afgoden gewijd was, en ontucht zouden plegen.
REV 2:15 Zo is het ook bij jou: sommigen volgen de leer van de Nikolaïeten.
REV 2:16 Kom tot inkeer; anders kom Ik spoedig naar je toe om hen te bestrijden met het zwaard uit mijn mond.
REV 2:17 Als je oren hebt, luister dan naar hetgeen de Geest tegen de kerkgemeenschappen zegt. Wie overwint, zal Ik het verborgen manna geven. Ook zal Ik hem een wit steentje geven en op dat steentje zal een nieuwe naam staan, die niemand kent behalve de persoon die hem krijgt.’
REV 2:18 Schrijf aan de engel van de kerkgemeenschap in Tyatira: Hij die ogen heeft als een vuurvlam en voeten als gezuiverd en gepoetst brons, zegt:
REV 2:19 ‘Ik heb weet van jouw gedrag: van je liefde, trouw, dienstbetoon en volharding. Je doet zelfs meer dan vroeger.
REV 2:20 Maar wat Ik je kwalijk neem is dat je Izebel haar gang laat gaan. Die vrouw beweert dat ze een profetes is, maar ze misleidt mijn dienaren en leert hun ontucht te plegen en aan afgoden gewijd voedsel te eten.
REV 2:21 Ik heb haar de tijd gegund om tot inkeer te komen, maar ze weigert zich van haar ontucht af te keren.
REV 2:22 Let op, Ik zal haar ziek maken en degenen die ontucht met haar plegen zal Ik zwaar doen lijden, tenzij ze zich afkeren van het wangedrag dat ze van haar hebben geleerd.
REV 2:23 Ik zal haar volgelingen een harde dood doen sterven. Dan zullen alle kerkgemeenschappen weten dat Ik het ben die gedachten en harten doorgrondt. En Ik zal elk van jullie loon naar werken geven.
REV 2:24 Maar tegen de rest in Tyatira, degenen die deze leer niet aanhangen en de zogenaamde diepe dingen van Satan niet willen kennen, zeg Ik: “Ik leg jullie geen extra last op;
REV 2:25 wel moeten jullie vasthouden wat je hebt, totdat Ik kom.”
REV 2:26 Wie overwint, wie tot het einde doet wat Ik hem opdraag, zal Ik macht over de volken geven.
REV 2:27 Hij zal over hen heersen met een ijzeren scepter, en ze zullen worden stukgeslagen als potten van de pottenbakker.
REV 2:28 En zoals Ik van mijn Vader de macht heb gekregen, zal die persoon van Mij de morgenster krijgen.
REV 2:29 Als je oren hebt, luister dan naar hetgeen de Geest tegen de kerkgemeenschappen zegt.’
REV 3:1 Schrijf aan de engel van de kerkgemeenschap in Sardes: Hij die de zeven geesten van God en de zeven sterren heeft, zegt: ‘Ik heb weet van jouw gedrag. Je hebt de reputatie dat je leeft, maar in feite ben je dood.
REV 3:2 Wees waakzaam en versterk hetgeen bij jou nog leeft, zodat het niet sterft, want Ik heb gemerkt dat je gedrag tekortschiet in Gods ogen.
REV 3:3 Denk terug aan hetgeen je hebt ontvangen en gehoord, hou je eraan en kom tot inkeer. Want als je niet waakzaam bent, zal Ik komen, onverwacht als een dief, en je zal niet weten op welk tijdstip Ik naar je toe kom.
REV 3:4 Toch heb je enkele mensen in Sardes die hun kledij niet hebben vuilgemaakt en zij zullen, gekleed in het wit, leven waar Ik ben, omdat zij dat verdienen.
REV 3:5 Wie overwint, zal net als zij in het wit gekleed worden. Ik zal zijn naam niet uit het boek van het leven schrappen en Ik zal tegenover mijn Vader en zijn engelen verklaren dat hij bij Mij hoort.
REV 3:6 Als je oren hebt, luister dan naar hetgeen de Geest tegen de kerkgemeenschappen zegt.’
REV 3:7 Schrijf aan de engel van de kerkgemeenschap in Filadelfia: Hij die heilig en betrouwbaar is en die de sleutel van David heeft – wat Hij opent kan niemand sluiten en wat Hij sluit kan niemand openen – zegt:
REV 3:8 ‘Ik heb weet van jouw gedrag. Let op, Ik heb een deur voor je geopend die niemand kan sluiten. Ik weet dat je slechts weinig macht hebt, maar je hebt je aan mijn woorden gehouden en je hebt Mij niet verloochend.
REV 3:9 Ik zal de mensen die Satan vereren – zij beweren ten onrechte dat ze joods zijn, maar ze liegen – dwingen om naar je toe te komen om zich aan je voeten neer te werpen in het besef dat Ik je liefheb.
REV 3:10 Omdat je hebt volgehouden, zoals Ik je had opgedragen, zal Ik je beschermen in de tijd van beproeving die de hele wereld binnenkort moet doorstaan.
REV 3:11 Ik kom spoedig. Hou vast wat je hebt; dan zal niemand je kroon wegnemen.
REV 3:12 Wie overwint, zal Ik maken tot een pilaar in de tempel van mijn God; hij zal daar altijd blijven staan. Bovendien zal Ik de naam van mijn God op hem schrijven, én de naam van de stad van mijn God – het nieuwe Jeruzalem dat uit de hemel komt, bij mijn God vandaan – én ook mijn eigen nieuwe naam.
REV 3:13 Als je oren hebt, luister dan naar hetgeen de Geest tegen de kerkgemeenschappen zegt.’
REV 3:14 Schrijf aan de engel van de kerkgemeenschap in Laodicea: Hij die Amen heet, de trouwe en betrouwbare getuige, de oorsprong van alles wat God heeft geschapen, zegt:
REV 3:15 ‘Ik heb weet van jouw gedrag. Je bent niet heet of koud. Ik zou willen dat je heet of koud bent.
REV 3:16 Maar omdat je lauw bent, en niet heet of koud, zal Ik je uitspuwen.
REV 3:17 Je beweert dat je rijk bent en aan niets gebrek hebt, maar je beseft niet dat je miserabel, beklagenswaardig, arm, blind en naakt bent.
REV 3:18 Daarom raad Ik je aan, goud van Mij te kopen dat met vuur gezuiverd is, zodat je rijk zal zijn; ook witte kleren om je mee te kleden, zodat je je niet voor je naaktheid hoeft te schamen, en oogzalf om je ogen te verzorgen, zodat je zal kunnen zien.
REV 3:19 Ik vermaan en corrigeer de mensen van wie Ik houd. Toon dus je ijver en kom tot inkeer.
REV 3:20 Let op, Ik sta voor de deur en Ik klop aan. Als iemand mijn stem hoort en de deur opent, zal Ik bij hem binnenkomen en dan zullen we samen eten.
REV 3:21 Wie overwint, zal naast Mij op mijn troon mogen zitten, net zoals Ik heb overwonnen en naast mijn Vader op zijn troon heb plaatsgenomen.
REV 3:22 Als je oren hebt, luister dan naar hetgeen de Geest tegen de kerkgemeenschappen zegt.’”
REV 4:1 Daarna zag ik in de hemel een open deur. De stem die ik eerder had gehoord, die als een trompet had geklonken toen Hij mij toesprak, zei tegen mij: “Kom naar hierboven, dan zal Ik je tonen wat hierna moet gebeuren.”
REV 4:2 Ik raakte onmiddellijk door de Geest overmand en zag in de hemel een troon staan, waarop Iemand zat.
REV 4:3 Hij die daar zat, schitterde als een jaspissteen, als sardius. En rondom de troon zag ik een regenboog die straalde als een smaragd.
REV 4:4 Rondom de troon stonden nog 24 tronen; daarop zaten 24 oudsten. Zij waren gekleed in witte gewaden en hadden elk een gouden kroon op het hoofd.
REV 4:5 Uit de troon kwamen bliksemschichten en donderslagen. Voor de troon stonden zeven brandende fakkels; dat zijn de zeven geesten die bij God horen.
REV 4:6 Voor de troon bevond zich ook iets dat leek op een zee van glas, zo helder als kristal. Rondom de troon, aan alle vier zijden, stonden vier wezens, die zowel voor- als achteraan vol ogen zaten.
REV 4:7 Het eerste wezen leek op een leeuw, het tweede wezen op een jonge stier, het derde wezen had een gezicht als dat van een mens en het vierde wezen leek op een vliegende adelaar.
REV 4:8 De vier wezens hadden elk zes vleugels, die zowel boven- als onderaan vol ogen zaten. De wezens zingen onophoudelijk, dag en nacht: “Heilig, heilig, heilig is de Heer, God, de Almachtige, Hij die was en die is en die komt.”
REV 4:9 Telkens wanneer de wezens lof, eer en dank toezingen aan Degene die op de troon zit, die voor eeuwig en altijd leeft,
REV 4:10 laten de 24 oudsten zich neervallen voor Degene die op de troon zit. Dan aanbidden ze Degene die voor eeuwig en altijd leeft en leggen ze hun kroon voor de troon neer. Daarbij zingen ze:
REV 4:11 “U, Heer, onze God, bent het waard om glorie, eer en macht te ontvangen, want U heeft alles geschapen, en de schepping bestaat omdat U dat wil.”
REV 5:1 Toen zag ik in de rechterhand van Degene die op de troon zit een boekrol, die aan beide zijden beschreven was en met zeven zegels was verzegeld.
REV 5:2 Ook zag ik een machtige engel, die luid riep: “Wie is waardig genoeg om de zegels te verbreken en het boek te openen?”
REV 5:3 Er was niemand in de hemel, op aarde of onder de aarde die in staat was de boekrol te openen en in te zien.
REV 5:4 Ik begon heftig te wenen omdat er niemand waardig genoeg werd geacht om de boekrol te openen en in te zien.
REV 5:5 Toen zei een van de oudsten tegen mij: “Stop met wenen, want de leeuw van de stam Juda, de afstammeling van David, heeft gezegevierd en mag de boekrol met de zeven zegels openen.”
REV 5:6 Toen zag ik op de troon, midden tussen de vier wezens en de oudsten, een lam staan. Het zag eruit alsof het geslacht was. Het had zeven hoorns en zeven ogen; dat zijn de zeven geesten die bij God horen en die naar de hele aarde waren uitgezonden.
REV 5:7 Het lam begaf zich naar Hem die op de troon zit, om de boekrol uit diens rechterhand te ontvangen.
REV 5:8 Zodra het lam de boekrol had ontvangen, lieten de vier wezens en de vierentwintig oudsten zich voor Hem neervallen. Elk van hen had een harp en ook een gouden schaal vol wierook; dat zijn de gebeden van de mensen die bij God horen.
REV 5:9 Ze zongen dit nieuwe lied: “U bent waardig om de boekrol te ontvangen en zijn zegels te verbreken, want U bent geslacht en met uw bloed heeft U mensen voor God vrijgekocht uit alle stammen, taalgroepen, volken en naties.
REV 5:10 U heeft hen gemaakt tot koningen en priesters voor God en zij zullen regeren op aarde.”
REV 5:11 Terwijl ik toekeek, hoorde ik de stemmen van vele engelen, die zich rondom de troon, de wezens en de oudsten bevonden. Het waren er miljoenen.
REV 5:12 Ze zongen luid: “Het lam dat geslacht is, is het waard om de macht, de rijkdom, de wijsheid, de kracht, de eer, de glorie en de zegen te ontvangen!”
REV 5:13 Toen hoorde ik alles wat in de hemel en op aarde en onder de aarde en in de zee leeft – kortom: de hele schepping – zingen: “Aan Hem die op de troon zit en aan het lam komen de zegen, de eer, de glorie en de heerschappij toe, voor eeuwig en altijd.”
REV 5:14 De vier wezens zeiden “amen”, en de oudsten lieten zich in aanbidding neervallen.
REV 6:1 Toen zag ik dat het lam een van de zeven zegels verbrak. Ik hoorde een van de vier wezens roepen, met een stem die klonk als de donder: “Kom”.
REV 6:2 Toen zag ik een wit paard tevoorschijn komen. De ruiter had een boog bij zich. Er werd hem een kroon gegeven en hij reed weg om keer op keer te zegevieren.
REV 6:3 Toen het lam het tweede zegel verbrak, hoorde ik het tweede wezen roepen: “Kom!”
REV 6:4 Er kwam een tweede paard tevoorschijn; dit was vuurrood. Aan de ruiter werd de macht gegeven om de vrede uit de wereld weg te nemen, zodat de mensen elkaar zouden doden. Ook werd hem een groot zwaard gegeven.
REV 6:5 Toen het lam het derde zegel verbrak, hoorde ik het derde wezen roepen: “Kom!” Ik zag een zwart paard tevoorschijn komen. De ruiter had een weegschaal in zijn hand.
REV 6:6 Ik hoorde iets dat als een stem klonk; tussen de vier wezens vandaan riep deze: “Een liter tarwe voor een dagloon en drie liter gerst voor een dagloon, maar breng geen schade toe aan de olijfolie en de wijn.”
REV 6:7 Toen het lam het vierde zegel verbrak, hoorde ik het vierde wezen roepen: “Kom!”
REV 6:8 Toen zag ik een vaalgroen paard. De naam van de ruiter was Dood; het dodenrijk volgde hem en hij ontving de macht om een kwart van de mensen op aarde te doden door middel van het zwaard, hongersnood, ziekten en wilde dieren.
REV 6:9 Toen het lam het vijfde zegel verbrak, zag ik onderaan het altaar de zielen van de mensen die waren omgebracht omdat ze trouw hadden getuigd van de boodschap van God.
REV 6:10 Ze riepen luid: “O heilige en waarachtige Majesteit, hoelang nog voordat U uw oordeel over de bewoners van de aarde uitspreekt en hen straft voor het vergieten van ons bloed?”
REV 6:11 Toen werd aan elk van hen een wit gewaad gegeven. Ook werd hun verteld dat ze nog even geduld moesten hebben totdat het aantal geloofsgenoten bereikt zou zijn die net als zij gedood zouden worden omdat ze God dienen.
REV 6:12 Toen zag ik dat het lam het zesde zegel verbrak. Er vond een zware aardbeving plaats; ook werd de zon zwart als rouwkledij, en de volle maan werd bloedrood.
REV 6:13 De sterren vielen op aarde, als onrijpe vijgen die door een harde wind van de vijgenboom worden gerukt.
REV 6:14 De lucht rolde op als een boekrol die wordt dichtgerold; alle bergen en eilanden werden van hun plaats geschud.
REV 6:15 De koningen op aarde, de machthebbers, de generaals, de rijken, de machtigen en alle slaven en vrije mensen verborgen zich in grotten en tussen de rotsen in de bergen.
REV 6:16 Ze vroegen aan de bergen en de rotsen: “Val op ons en verberg ons, uit het zicht van Degene die op de troon zit en weg van de toorn van het lam.
REV 6:17 Want de verschrikkelijke dag van hun toorn is aangebroken. Wie zal kunnen standhouden?”
REV 7:1 Daarna zag ik vier engelen staan aan de vier uithoeken van de aarde. Ze hielden de vier winden van de aarde tegen, zodat er geen wind zou waaien – niet op het land, niet op zee, zelfs niet over de bomen.
REV 7:2 Toen zag ik nog een engel. Hij steeg op vanuit het oosten. Hij had het zegel van de levende God bij zich en riep luid naar de vier engelen die de macht hadden gekregen om het land en de zee schade toe te brengen:
REV 7:3 “Breng geen schade toe aan het land, de zee of zelfs de bomen, voordat we Gods zegel hebben aangebracht op het voorhoofd van zijn dienaren.”
REV 7:4 Ik hoorde hoeveel mensen het zegel hadden ontvangen: 144.000 mensen uit alle stammen van de Israëlieten hadden het zegel ontvangen.
REV 7:5 12.000 mensen van de stam Juda, 12.000 van de stam Ruben, 12.000 van de stam Gad,
REV 7:6 12.000 van de stam Aser, 12.000 van de stam Naftali, 12.000 van de stam Manasse,
REV 7:7 12.000 van de stam Simeon, 12.000 van de stam Levi, 12.000 van de stam Issachar,
REV 7:8 12.000 van de stam Zebulon, 12.000 van de stam Jozef en 12.000 van de stam Benjamin hadden het zegel ontvangen.
REV 7:9 Daarna zag ik een menigte die zo groot was dat niemand de mensen kon tellen. Ze kwamen uit alle volken, stammen, naties en taalgroepen en stonden voor de troon en voor het lam. Ze droegen witte gewaden en hielden palmtakken in hun hand.
REV 7:10 Ze riepen luid: “De redding komt van onze God, die op de troon zit, en van het lam.”
REV 7:11 Alle engelen stonden rondom de troon, met de oudsten en de vier wezens. Ze lieten zich voorover voor de troon neervallen om God te aanbidden.
REV 7:12 Ze zongen: “Amen. De zegen, glorie, wijsheid, dank, eer, macht en kracht komen toe aan onze God, voor eeuwig en altijd. Amen.”
REV 7:13 Toen vroeg een van de oudsten aan mij: “Wie zijn die mensen in witte gewaden en waar komen ze vandaan?”
REV 7:14 Ik antwoordde: “Meneer, u weet dat.” Hij zei tegen me: “Dat zijn zij die de grote verdrukking hebben doorstaan. Zij hebben hun gewaden wit gewassen met het bloed van het lam.
REV 7:15 Daarom staan ze voor Gods troon en vereren ze Hem dag en nacht in zijn tempel. En Hij die op de troon zit zal hen beschermen met zijn aanwezigheid.
REV 7:16 Ze zullen nooit meer honger of dorst hebben en de zon of de hitte zal hen nooit meer verzengen.
REV 7:17 Het lam op de troon in het midden zal hen hoeden en hen leiden naar de bronnen met het water dat leven geeft. En God zal alle tranen uit hun ogen wissen.”
REV 8:1 Toen het lam het zevende zegel verbrak, werd het een half uur lang stil in de hemel.
REV 8:2 Toen zag ik de zeven engelen die voor God staan; ze ontvingen alle zeven een trompet.
REV 8:3 Toen kwam er nog een engel. Hij ging bij het altaar staan met een gouden wierookschaal in zijn hand. Hij ontving veel wierook om die, samen met de gebeden van allen die bij God horen, aan God te offeren op het gouden altaar voor de troon.
REV 8:4 Vanuit de wierookschaal in de hand van de engel steeg rook van de wierook op naar God, samen met de gebeden van de mensen die bij God horen.
REV 8:5 Toen nam de engel de wierookschaal, vulde deze met de brandende kooltjes op het altaar en leegde de schaal over de aarde. Het begon te donderen en te bliksemen en er was een aardbeving.
REV 8:6 De zeven engelen met de zeven trompetten maakten zich klaar om erop te blazen.
REV 8:7 De eerste engel blies op zijn trompet en er kwam hagel en vuur vermengd met bloed tevoorschijn. Het werd op de aarde geworpen en een derde deel van de aardbodem brandde af; ook een derde deel van de bomen brandde af en ook al het groene gras brandde af.
REV 8:8 Toen blies de tweede engel op zijn trompet; nu werd er iets dat leek op een grote, in brand staande berg, in de zee geworpen. Een derde deel van de zee veranderde in bloed,
REV 8:9 een derde deel van alles wat in de zee leefde ging dood en een derde deel van de schepen verging.
REV 8:10 Toen blies de derde engel op zijn trompet; nu viel er een grote ster uit de lucht. De ster brandde als een fakkel en viel op een derde deel van de rivieren en waterbronnen.
REV 8:11 De naam van de ster is Alsem. Een derde deel van alle water veranderde in alsem en veel mensen stierven doordat het water bitter was geworden.
REV 8:12 Toen blies de vierde engel op zijn trompet en een derde deel van de zon, een derde deel van de maan en een derde deel van de sterren werd getroffen, zodat dat deel verduisterd raakte. Tijdens een derde deel van de dag was er dus geen licht en tijdens een derde deel van de nacht ook niet.
REV 8:13 Toen zag ik een adelaar hoog in de lucht vliegen. Ik hoorde hem luid roepen: “Wee, wee, wee de bewoners van de aarde, wegens het trompetgeschal van de overige drie engelen dat binnenkort zal klinken.”
REV 9:1 Toen blies de vijfde engel op zijn trompet. Ik zag een ster die uit de hemel op aarde was gevallen. Hem werd de sleutel voor de opening naar de oneindig diepe afgrond gegeven.
REV 9:2 Hij opende de oneindig diepe afgrond en er steeg rook uit op, zoals rook uit een grote oven. Door die rook uit de afgrond raakte de zon verduisterd, zodat het donker werd.
REV 9:3 Toen kwamen er sprinkhanen uit de rook; zij ontvingen dezelfde macht als schorpioenen hebben op de aarde.
REV 9:4 Ze kregen de opdracht geen schade toe te brengen aan de planten op de aarde en ook niet aan struiken of bomen, enkel aan de mensen die niet Gods zegel op hun voorhoofd hadden.
REV 9:5 Ze mochten hen niet doden, maar hen enkel pijnigen, vijf maanden lang. De pijn was als de pijn die iemand heeft wanneer hij door een schorpioen wordt gestoken.
REV 9:6 Dan zullen de mensen de dood zoeken, maar hem niet vinden. Ze zullen verlangen naar de dood, maar de dood zal hen ontvluchten.
REV 9:7 De sprinkhanen leken op paarden die voor de strijd zijn toegerust. Op hun kop droegen ze iets dat op een gouden kroon leek en hun koppen leken op mensenhoofden.
REV 9:8 Ze hadden haar als vrouwenhaar en hun tanden leken op leeuwentanden.
REV 9:9 Ze hadden pantsers die op ijzeren pantsers leken en hun vleugels maakten een geluid dat klonk als het gedreun van veel paarden met gevechtswagens die zich naar het slagveld spoeden.
REV 9:10 Ze hadden een staart met een angel, zoals schorpioenen, en met die staart kunnen ze de mensen vijf maanden lang pijnigen.
REV 9:11 De engel van de afgrond is koning over hen. Zijn naam is Vernietiger – Abaddon in het Aramees en Apollyon in het Grieks.
REV 9:12 Het eerste aangekondigde onheil is voorbij, hierna volgen er nog twee.
REV 9:13 Toen blies de zesde engel op zijn trompet en vanuit de vier hoeken van het gouden altaar dat voor God staat, hoorde ik een stem.
REV 9:14 Deze zei tegen de zesde engel met een trompet: “Laat de vier engelen los, die worden vastgehouden bij de grote rivier de Eufraat.”
REV 9:15 De vier engelen, die waren gereedgehouden voor dat tijdstip op die dag in die maand in dat jaar, werden losgelaten om een derde deel van de mensheid te doden.
REV 9:16 Ik hoorde het aantal soldaten te paard; het bedroeg tweehonderd miljoen.
REV 9:17 De paarden en ruiters in mijn visioen zagen er als volgt uit: ze droegen vuurrode, donkerblauwe en zwavelgele pantsers. De koppen van de paarden leken op leeuwenkoppen en er kwam vuur, rook en zwaveldamp uit hun bek.
REV 9:18 Een derde deel van de mensheid werd gedood door het vuur, de rook en de zwaveldamp die uit hun bek kwamen – door deze drie plagen.
REV 9:19 De kracht van de paarden ligt in hun bek en in hun staart. Die staarten lijken op slangen; ze hebben koppen waarmee ze de mensen aanvallen.
REV 9:20 Maar de overige mensen – zij die niet door deze plagen waren gedood – bekeerden zich niet van hun zelfgemaakte goden; ze stopten niet met het aanbidden van demonen en van gouden, zilveren, bronzen, stenen en houten afgoden die niet kunnen zien, horen of bewegen.
REV 9:21 Ook bekeerden ze zich niet van hun moorden, noch van hun magie, noch van hun ontucht, noch van hun diefstal.
REV 10:1 Toen zag ik een andere machtige engel uit de hemel komen. Hij was gehuld in een wolk en had een regenboog boven zijn hoofd. Zijn gezicht straalde als de zon en zijn benen leken op zuilen van vuur.
REV 10:2 Hij had een kleine geopende boekrol in zijn hand en zette zijn rechtervoet op de zee en zijn linkervoet op het land.
REV 10:3 Toen riep hij zo luid als een brullende leeuw. Nadat hij had geroepen, klonk zevenmaal de stem van de donder.
REV 10:4 Nadat de zeven donderslagen hadden gesproken, wilde ik beginnen schrijven, maar ik hoorde een stem uit de hemel, die zei: “Hou hetgeen de zeven donderslagen hebben gezegd geheim; schrijf het niet op.”
REV 10:5 Toen hief de engel die ik op de zee en het land zag staan zijn rechterhand naar de hemel.
REV 10:6 Hij zwoer bij Degene die voor eeuwig en altijd leeft – die de hemel met alles wat daarin is, de aarde en alles wat daarop is, en de zee en alles wat daarin is, geschapen heeft – dat er geen uitstel meer zou zijn.
REV 10:7 Gods geheime plan zal worden uitgevoerd zodra de zevende engel op de zevende trompet blaast, zoals God aan zijn dienaren, de profeten, heeft aangekondigd.
REV 10:8 Toen sprak de stem uit de hemel die ik eerder had gehoord, opnieuw. Hij zei tegen mij: “Ga naar de engel die op de zee en op het land staat en neem de kleine geopende boekrol die hij in zijn hand houdt.”
REV 10:9 Ik ging naar de engel toe en vroeg hem mij de kleine boekrol te geven. Hij zei tegen mij: “Neem hem aan en eet hem op. Hij zal je maag bitter maken, maar in je mond zo zoet zijn als honing.”
REV 10:10 Ik nam de kleine boekrol uit de hand van de engel en at hem op. In mijn mond smaakte hij zo zoet als honing, maar toen ik hem had opgegeten werd mijn maag bitter.
REV 10:11 Toen werd tegen mij gezegd: “Je moet opnieuw profeteren over vele volken, naties, taalgroepen en koningen.”
REV 11:1 Toen werd mij een rietstengel gegeven om als meetstok te gebruiken. Iemand zei: “Ga Gods tempel meten, en ook het altaar en de mensen in de tempel die God aanbidden.
REV 11:2 Maar sla het plein buiten de tempel over. Dat mag je niet meten, want het is aan de volken prijsgegeven. Zij zullen de heilige stad 42 maanden lang vertrappelen.
REV 11:3 Ik zal mijn twee getuigen aanstellen en zij zullen 1260 dagen lang profeteren, gekleed in een rouwgewaad.”
REV 11:4 Zij zijn de twee olijfbomen en de twee kandelaars die voor de Heer van de aarde staan.
REV 11:5 Als iemand hun kwaad wil doen, zal er vuur uit hun mond komen, dat hun vijanden verteert. Dus als iemand hun kwaad wil doen, moet die persoon op die wijze worden gedood.
REV 11:6 Zij hebben de macht om de wolkenhemel af te sluiten, zodat er geen regen zal vallen zolang ze profeteren. Ook hebben ze de macht om water in bloed te veranderen en de aarde met allerlei plagen te straffen wanneer ze dat willen.
REV 11:7 En wanneer ze hun taak als getuige hebben voltooid, zal het beest dat uit de afgrond opstijgt, strijd tegen hen voeren, over hen zegevieren en hen doden.
REV 11:8 Hun dode lichaam zal op straat liggen in de grote stad met de symbolische namen Sodom en Egypte, de stad waar ook hun Heer werd gekruisigd.
REV 11:9 Drieënhalve dag lang zullen mensen uit de volken, stammen, taalgroepen en naties naar hun dode lichamen kijken en niet toelaten dat die worden begraven.
REV 11:10 De bewoners van de aarde zullen zich over de dood van de twee profeten verheugen; ze zullen feestvieren en elkaar geschenken toesturen, want de twee profeten waren een kwelling voor de bewoners van de aarde.
REV 11:11 Maar na afloop van die drieënhalve dag kwam de levensadem die God geeft, in hen terug. Ze gingen op hun voeten staan en de mensen die naar hen keken werden verschrikkelijk bang.
REV 11:12 Toen hoorden de twee profeten een luide stem uit de hemel, die tegen hen zei: “Kom hierheen.” Ze gingen in een wolk naar de hemel en hun vijanden keken hen na.
REV 11:13 Op dat moment was er een zware aardbeving, waardoor een tiende deel van de stad instortte. Zevenduizend mensen kwamen bij de aardbeving om. De overlevenden waren zo bang dat ze de God van de hemel eer bewezen.
REV 11:14 Het tweede aangekondigde onheil is voorbij; het derde volgt spoedig.
REV 11:15 Toen blies de zevende engel op zijn trompet en er klonken luide stemmen in de hemel. Ze riepen: “Het koningschap over de wereld van onze Heer en van zijn Messias is aangebroken. Hun koningschap zal voor eeuwig en altijd duren.”
REV 11:16 De 24 oudsten die voor God op tronen zitten, lieten zich in aanbidding voor God neervallen.
REV 11:17 Ze zongen: “Wij danken U, Heer, God, Almachtige, die is en die was, dat U uw grote macht heeft opgenomen en aan uw koningschap begonnen bent.
REV 11:18 De volken waren woedend, maar nu is uw toorn gekomen. Het is tijd voor uw oordeel over de doden. Het is tijd om uw dienaren, de profeten – en ook alle mensen die bij U horen en ontzag voor U hebben, zowel de gewone als de hooggeplaatste – hun beloning te geven en om te vernietigen wie anderen heeft vernietigd.”
REV 11:19 Toen ging Gods tempel in de hemel open, zodat de Ark van het Verbond die in Gods tempel stond, zichtbaar werd. Het begon te bliksemen, te donderen en te hagelen en er was een aardbeving.
REV 12:1 Toen verscheen in de lucht een wonderlijk teken: een vrouw, gehuld in de zon, met de maan onder haar voeten en een kroon van twaalf sterren op haar hoofd.
REV 12:2 Ze was zwanger en ze schreeuwde het uit wegens de weeën en de pijn van het baren.
REV 12:3 Toen verscheen in de lucht nog een wonderlijk teken: een grote vuurrode draak met zeven koppen en tien hoorns. Op elk van zijn zeven koppen droeg hij een diadeem.
REV 12:4 Met zijn staart veegde hij een derde deel van de sterren uit de lucht en gooide die op de aarde. De draak ging voor de vrouw staan die zou baren, om het kind dat zij baarde te verslinden zodra het geboren zou zijn.
REV 12:5 Maar toen ze het kind had gebaard – een zoon, die over alle volken zal heersen met een ijzeren scepter – werd het kind weggenomen naar God en zijn troon.
REV 12:6 De vrouw vluchtte naar de wildernis, waar God een plaats voor haar had gereedgemaakt waar zij 1260 dagen lang verzorgd zou worden.
REV 12:7 Toen brak er oorlog uit in de hemel, een strijd van Michaël en zijn engelen tegen de draak. De draak en zijn engelen vochten terug,
REV 12:8 maar ze konden niet tegen Michaël en zijn engelen op en werden uit de hemel verdreven.
REV 12:9 Toen werd de grote draak – de slang van weleer, die de duivel en de satan wordt genoemd en die de hele wereld misleidt – op de aarde geworpen. Ook zijn engelen werden op de aarde geworpen.
REV 12:10 Toen hoorde ik een luide stem in de hemel, die riep: “Nu zijn de redding, de macht en het koningschap van onze God en de heerschappij van zijn Messias gekomen, want de aanklager van onze broeders en zusters, die hen dag en nacht aanklaagt bij God, is verslagen.
REV 12:11 Zij hebben hem overwonnen door het bloed van het lam en door hun getuigenis. Ze waren niet aan hun leven verknocht, maar waren bereid te sterven.
REV 12:12 Verheug je daarom, hemel en jullie die daar wonen! Maar wee de aarde en de zee, want de duivel komt naar jullie toe; hij is ziedend van woede en weet dat hij niet veel tijd meer heeft.”
REV 12:13 Zodra de draak zag dat hij op de aarde was geworpen, achtervolgde hij de vrouw die een zoon had gekregen.
REV 12:14 Maar er werden twee grote adelaarsvleugels aan de vrouw gegeven, om naar de wildernis te vluchten, naar de plaats waar zij drieënhalf jaar lang verzorgd zou worden, buiten het bereik van de slang.
REV 12:15 Toen spuwde de slang een stroom water uit, zo groot als een rivier, achter de vrouw aan, om haar weg te spoelen.
REV 12:16 Maar de aarde kwam de vrouw te hulp door haar mond te openen en de rivier die uit de bek van de draak stroomde op te slokken.
REV 12:17 De draak werd woedend op de vrouw en vertrok om strijd te voeren tegen haar andere afstammelingen; dat zijn zij die zich aan Gods geboden houden en trouw zijn aan Jezus' getuigenis.
REV 12:18 Toen ging de draak op het strand bij de zee staan.
REV 13:1 Toen zag ik een beest uit de zee komen. Het had tien hoorns en zeven koppen. Op zijn tien hoorns droeg het tien diademen en op zijn koppen stonden godslasterlijke namen.
REV 13:2 Het beest dat ik zag, leek op een luipaard met poten als die van een beer en een bek als die van een leeuw. De draak gaf hem zijn macht, zijn troon en veel gezag.
REV 13:3 Een van zijn koppen zag eruit alsof het dodelijk gewond was geweest en was genezen. De hele aarde bewonderde het beest en ging erachteraan.
REV 13:4 De mensen aanbaden de draak, omdat hij het beest macht had gegeven. Ook aanbaden ze het beest, met de woorden: “Wie kan zich met het beest vergelijken en wie kan ertegen op?”
REV 13:5 Het beest ontving een bek waarmee het hooghartige en godslasterlijke uitspraken deed en het kreeg de macht om dat te doen, 42 maanden lang.
REV 13:6 Het beest begon lasterlijk tegen God te spreken; het beledigde God, de hemel waar Hij woont en allen die daar bij Hem zijn.
REV 13:7 Ook mocht het strijd voeren tegen de mensen die bij God horen en over hen zegevieren. Het kreeg de macht over alle stammen en volken en taalgroepen en naties.
REV 13:8 Alle bewoners van de aarde zullen het beest aanbidden, ieder van wie de naam niet sinds de schepping van de wereld is opgetekend in het boek van het leven, dat in het bezit van het geslachte lam is.
REV 13:9 Als je oren hebt, luister dan.
REV 13:10 Wie bestemd is voor gevangenschap, zal worden gevangengenomen. Wie bestemd is om met het zwaard te worden omgebracht, zal met het zwaard worden omgebracht. Om dit aan te kunnen, hebben de mensen die bij God horen volharding en geloof nodig.
REV 13:11 Toen zag ik uit de aarde een ander beest komen. Het had twee hoorns, als een lam, maar het sprak als een draak.
REV 13:12 Het oefende in het bijzijn van het eerste beest al diens gezag uit en dwong de aarde en haar bewoners om het eerste beest, waarvan de dodelijke wond genezen was, te aanbidden.
REV 13:13 Ook deed het grote wonderlijke tekenen; het deed zelfs in het bijzijn van de mensen vuur uit de hemel naar de aarde komen.
REV 13:14 En met de wonderlijke tekenen die het mocht doen in het bijzijn van het eerste beest, misleidde het de bewoners van de aarde. Het droeg de bewoners van de aarde op, een beeld te maken van het beest dat neergestoken was geweest en toch in leven was gebleven.
REV 13:15 Ook mocht het tweede beest het beeld van het eerste beest leven inblazen – zodat ook dat beeld kon spreken – en mocht het de mensen ombrengen die dat beeld niet aanbaden.
REV 13:16 Verder liet het bij alle mensen – zowel de gewone als de hooggeplaatste, zowel de rijke als de arme, zowel de vrije als de onvrije – een merkteken op de rechterhand of het voorhoofd aanbrengen.
REV 13:17 Enkel wie het merkteken met de naam van het beest of het getal van zijn naam draagt, zal dan kunnen kopen of verkopen.
REV 13:18 Om dit te verstaan is wijsheid nodig. Wie verstandig is, kan het getal van het beest ontcijferen. Het is namelijk het getal van een mens en zijn getal is 666.
REV 14:1 Daarna zag ik het lam op de berg Sion staan, met 144.000 mensen die zijn naam en de naam van zijn Vader op hun voorhoofd hadden staan.
REV 14:2 Ik hoorde een geluid uit de hemel, dat klonk als het geluid van veel stromend water, als luide donderslagen. Het geluid dat ik hoorde klonk als dat van harpisten die op hun harp spelen.
REV 14:3 Voor de troon en voor de vier wezens en de oudsten stonden de 144.000 – zij die van op de aarde waren vrijgekocht. Ze zongen een nieuw lied, dat niemand kon leren behalve zij.
REV 14:4 Zij zijn het die zich niet met vrouwen hebben verontreinigd; ze zijn maagdelijk gebleven. Zij zijn het die het lam volgen, overal waar het heengaat. Zij zijn het die uit de mensheid zijn vrijgekocht om als de eerste opbrengst aan God en het lam te worden aangeboden.
REV 14:5 Ze waren nooit op een leugen betrapt; ze waren onberispelijk.
REV 14:6 Toen zag ik hoog in de lucht nog een engel vliegen. Hij had een eeuwig evangelie, dat hij moest verkondigen aan de bewoners van de aarde, aan alle volken, stammen, taalgroepen en naties.
REV 14:7 Hij riep luid: “Heb ontzag voor God en geef Hem eer, want het tijdstip van zijn Oordeel is aangebroken. Aanbid Hem die de hemel en de aarde, de zee en de waterbronnen heeft gemaakt.”
REV 14:8 Daarna kwam er nog een engel, een tweede. Hij riep luid: “De grote stad Babylon is gevallen! Gevallen is zij die alle volken had laten drinken van de wijn van haar ontucht, de wijn die Gods straf teweegbrengt.”
REV 14:9 Daarna kwam er een derde engel. Hij riep luid: “Wie het beest en het beeld ervan aanbidt en een merkteken op zijn voorhoofd of zijn hand aanvaardt,
REV 14:10 zal ook drinken van de wijn van Gods toorn; deze zal onverdund in de beker van Gods toorn worden geschonken. Hij zal met brandende zwavel worden gepijnigd in het bijzijn van de heilige engelen en van het lam.
REV 14:11 Uit het vuur dat hem pijnigt zal voor eeuwig en altijd rook opstijgen. Zij die het beest en het beeld ervan aanbidden en zij die het merkteken van zijn naam op hun voorhoofd aanvaarden, zullen geen rust krijgen, niet overdag en niet 's nachts.”
REV 14:12 De mensen die bij God horen – zij die zich aan Gods geboden houden en Jezus trouw blijven – zullen dan volharding nodig hebben.
REV 14:13 Toen hoorde ik een stem uit de hemel, die zei: “Schrijf op: Gezegend zijn zij die vanaf nu sterven als mensen die bij God horen. Jazeker, zegt de Geest, zij vinden rust van hun zwoegen en worden beloond voor hetgeen ze hebben gedaan.”
REV 14:14 Daarna zag ik een witte wolk. Op die wolk zat Iemand die op een mensenzoon leek. Hij had een gouden kroon op zijn hoofd en een scherpe sikkel in zijn hand.
REV 14:15 Toen kwam er opnieuw een engel uit de tempel. Hij riep luid naar de Mensenzoon op de wolk: “Neem uw sikkel ter hand en oogst, want het moment om te oogsten is aangebroken; de oogst op aarde is rijp.”
REV 14:16 Toen maaide de Mensenzoon op de wolk met zijn sikkel over de aarde om daar te oogsten.
REV 14:17 Toen kwam uit de tempel in de hemel nog een engel. Ook hij had een scherpe sikkel.
REV 14:18 Bij het altaar vandaan kwam weer een engel; deze had macht over het vuur. Hij riep luid naar de engel met de scherpe sikkel: “Neem je scherpe sikkel ter hand om de trossen van de druivelaar op aarde te snijden, want zijn druiven zijn rijp.”
REV 14:19 Toen maaide die engel met zijn scherpe sikkel over de aarde; hij oogstte van de druivelaar op aarde en gooide de oogst in de grote wijnpers van Gods toorn.
REV 14:20 De druiven werden geperst buiten de stad en er kwam een grote stroom bloed uit de wijnpers, zo hoog als het bit van een paard en bijna driehonderd kilometer lang.
REV 15:1 Toen zag ik in de hemel opnieuw een wonderlijk teken. Het was groot en indrukwekkend: zeven engelen met zeven plagen. Dat zijn de laatste plagen, want zij vormen het sluitstuk van Gods toorn.
REV 15:2 Toen zag ik iets dat leek op een zee van glas vermengd met vuur. Zij die over het beest, zijn beeld en het getal dat zijn naam weergeeft hadden gezegevierd, stonden bij de glazen zee, met harpen die God hun had gegeven.
REV 15:3 Ze zongen het lied van Mozes, Gods dienaar, en van het lam: “Groot en indrukwekkend zijn uw daden, Heer, God, Almachtige. Alles wat U doet is rechtvaardig en eerlijk, Koning van de volken.
REV 15:4 Wie zou geen ontzag voor U hebben, Heer, en U niet verheerlijken? Want alleen U bent heilig. Alle volken zullen komen om U te aanbidden, want uw rechtvaardige daden zijn onthuld.”
REV 15:5 Daarna zag ik in de hemel de tempel opengaan – dat is de tabernakel van het verbond met God.
REV 15:6 De zeven engelen met de zeven plagen kwamen uit de tempel naar buiten. Ze waren gekleed in prachtig linnen en droegen een gouden band om hun borst.
REV 15:7 Een van de vier wezens gaf de zeven engelen zeven gouden schalen, gevuld met de toorn van God, die voor eeuwig en altijd leeft.
REV 15:8 De tempel vulde zich met de rook die uit Gods luister en macht voortkwam. Niemand kon de tempel binnengaan voordat het einde van de zeven plagen van de zeven engelen was bereikt.
REV 16:1 Toen hoorde ik een luide stem, die vanuit de tempel de zeven engelen toeriep: “Ga de zeven schalen van Gods toorn leeggieten over de aarde.”
REV 16:2 Toen ging de eerste engel zijn schaal over de aarde leeggieten. De mensen die het merkteken van het beest droegen en zijn beeld aanbaden, kregen pijnlijke kwaadaardige zweren.
REV 16:3 Toen goot de tweede engel zijn schaal leeg over de zee. Het water werd als het bloed van een dode en alles wat in de zee leefde stierf.
REV 16:4 Toen goot de derde engel zijn schaal leeg over de rivieren en waterbronnen. Ook die veranderden in bloed.
REV 16:5 Ik hoorde de engel voor de rivieren zeggen: “U bent rechtvaardig, Heilige, die is en die was, want U heeft deze oordelen voltrokken.
REV 16:6 Zij die het bloed van de profeten en allen die bij U horen hebben vergoten, worden nu gedwongen om bloed te drinken; dat is wat ze verdienen.”
REV 16:7 Toen hoorde ik het altaar zeggen: “Ja, Heer, God, Almachtige, uw oordelen zijn eerlijk en rechtvaardig.”
REV 16:8 Toen goot de vierde engel zijn schaal leeg over de zon, waardoor deze de macht kreeg om de mensen met vuur te verschroeien.
REV 16:9 De grote hitte verschroeide de mensen en zij beledigden God. Hij heeft macht over deze plagen, maar zij weigerden zich te bekeren en Hem eer te bewijzen.
REV 16:10 Toen goot de vijfde engel zijn schaal leeg over de troon van het beest. Zijn rijk raakte verduisterd en de mensen beten op hun tong van de pijn.
REV 16:11 Ze lasterden de God van de hemel wegens hun pijn en hun zweren, maar ze bekeerden zich niet van hun wangedrag.
REV 16:12 Toen goot de zesde engel zijn schaal leeg over de grote rivier, de Eufraat. Deze viel droog, waardoor een weg ontstond voor de koningen uit het oosten.
REV 16:13 Toen zag ik uit de bek van de draak, de bek van het beest en de mond van de valse profeet drie onreine geesten komen; ze zagen eruit als kikkers.
REV 16:14 Dit zijn de demonische geesten die wonderlijke tekenen doen. Zij gaan naar de koningen van de hele wereld, om hen te verzamelen voor de strijd die zal plaatsvinden op de grote Dag van God, de Almachtige.
REV 16:15 “Let op, Ik kom als een dief. Wie wakker en gekleed blijft, is gezegend; hij zal niet naakt rondlopen en zich niet hoeven te schamen.”
REV 16:16 Ze verzamelden zich op de plaats die in het Aramees Armageddon heet.
REV 16:17 Toen goot de zevende engel zijn schaal leeg over de lucht. Er kwam een luide stem van de troon in de tempel, die riep: “Het is gebeurd.”
REV 16:18 Het begon te bliksemen en te donderen en er was een zware aardbeving, zo zwaar als er nog nooit is geweest sinds de mensheid zich op aarde bevindt.
REV 16:19 De grote stad viel in drie delen uiteen en de steden van de volken stortten in. God was de grote stad Babylon niet vergeten; Hij gaf haar de beker met de wijn van zijn hevige toorn.
REV 16:20 Alle eilanden verdwenen en er waren geen bergen meer te vinden.
REV 16:21 Vanuit de lucht vielen grote, loodzware hagelstenen op de mensen en die lasterden God wegens de plaag van de hagel. Die plaag was namelijk verschrikkelijk zwaar.
REV 17:1 Toen kwam een van de zeven engelen die de zeven schalen hadden naar mij toe. Hij zei: “Kom, ik zal je de voltrekking tonen van het oordeel over de grote hoer die aan de vele rivieren zit.
REV 17:2 De koningen op aarde hebben ontucht met haar gepleegd en de bewoners van de aarde hebben zich aan de wijn van haar ontucht bedronken.”
REV 17:3 In het visioen dat de Geest mij gaf, werd ik door deze engel meegenomen naar de wildernis. Daar zag ik een vrouw zitten op een felrood beest dat volledig bedekt was met godslasterlijke namen; het had zeven koppen en tien hoorns.
REV 17:4 De vrouw droeg paarse en felrode kleren en sieraden van goud, edelstenen en parels. In haar hand hield ze een gouden beker, die gevuld was met de gruwelijke vunzigheid van haar ontucht.
REV 17:5 Op haar voorhoofd stond een naam met een geheime betekenis: de grote stad Babylon, moeder van de hoeren en van de gruwelen van de aarde.
REV 17:6 Ik zag dat de vrouw dronken was van het bloed van de mensen die bij God horen, het bloed van de mensen die van Jezus hadden getuigd. Ik was verwonderd en verbijsterd om haar te zien.
REV 17:7 De engel vroeg mij: “Waarom ben je zo verbijsterd? Laat me jou het geheim verklaren van de vrouw en van het beest waarop zij zit, dat met de zeven koppen en de tien hoorns.
REV 17:8 Het beest dat je zag, was er en is er nu niet; het zal binnenkort uit de afgrond komen en ten onder gaan. De bewoners van de aarde, zij van wie de naam niet al vanaf de schepping van de wereld in het boek van het leven staat, zullen zich verbazen wanneer ze het beest zien dat er was, dat er nu niet is en dat zal terugkomen.
REV 17:9 Om dit te verstaan is wijsheid en verstand nodig. De zeven koppen zijn de zeven heuvels waarop de vrouw zit. Ze zijn ook zeven koningen.
REV 17:10 Vijf van hen zijn gestorven, een is nu koning, en de zevende is er nog niet. Maar wanneer hij komt, zal hij slechts kort blijven.
REV 17:11 Het beest dat er was en er nu niet is, is de achtste koning – hoewel hij een van de zeven is. Ook hij zal ten onder gaan.
REV 17:12 De tien hoorns die je hebt gezien, zijn tien koningen. Zij regeren nog niet, maar zullen de macht krijgen om een uur lang samen met het beest te regeren.
REV 17:13 Ze zijn volkomen gelijkgezind en dragen hun macht en gezag aan het beest over.
REV 17:14 Ze zullen zich tegen het lam keren en het lam – de Heer boven alle heren en de Koning boven alle koningen – zal hen overwinnen. En zij die geroepen, uitverkoren en trouw zijn, zullen bij Hem zijn.”
REV 17:15 Hij vervolgde: “De rivieren die je hebt gezien, waarbij de hoer zit, zijn volken en menigten, naties en taalgroepen.
REV 17:16 De tien hoorns die je hebt gezien en het beest zullen de hoer haten en haar al haar bezittingen en kleren afnemen. Ze zullen haar verslinden en verbranden.
REV 17:17 God heeft hun namelijk een plan ingegeven dat van Hem komt: ze zullen overeenkomen om hun koningschap aan het beest over te dragen totdat hetgeen God gezegd heeft, in vervulling is gegaan.
REV 17:18 En de vrouw die je hebt gezien is de grote stad, die heerst over de koningen op aarde.”
REV 18:1 Daarna zag ik een andere engel uit de hemel komen. Hij was zeer machtig en door zijn luister werd de hele aarde verlicht.
REV 18:2 Hij riep luid en krachtig: “Gevallen, gevallen is de grote stad Babylon! Ze is een verblijfplaats van demonen geworden, een hol voor iedere onreine geest, een nest voor iedere onreine vogel en een hol voor ieder onrein en afschuwwekkend dier.
REV 18:3 Alle volken hebben van haar mateloze ontucht gedronken zoals men wijn drinkt, de koningen op aarde hebben ontucht met haar gepleegd en de handelaars op aarde hebben zich verrijkt aan haar enorme losbandigheid.”
REV 18:4 Toen hoorde ik een andere stem uit de hemel zeggen: “Mijn volk, trek uit haar weg en neem geen deel aan haar zonden; dan ontkomen jullie aan de plagen die haar zullen treffen.
REV 18:5 Want haar zonden liggen hemelhoog opgestapeld en God is haar misdrijven niet vergeten.
REV 18:6 Zet haar betaald wat ze anderen heeft aangedaan. Geef haar het dubbele van wat zij heeft misdaan. Laat haar het dubbele drinken uit de beker die zij voor anderen had bereid.
REV 18:7 Laat haar pijn en verdriet even groot zijn als haar eigendunk en decadentie. Ze maakt zichzelf wijs: ‘Ik zit hier als een koningin, ik ben geen weduwe, ik zal nooit hoeven rouwen.’
REV 18:8 Daarom zullen alle plagen haar op één dag treffen: dood, rouw en honger; ook zal ze in vlammen opgaan, want de Heer, de God die zijn oordeel over haar voltrekt, is machtig.
REV 18:9 De koningen op aarde die ontucht met haar pleegden en in haar decadentie deelden, zullen om haar wenen en treuren wanneer ze de rook van de brandende stad zien.
REV 18:10 Uit angst voor de pijn die zij dan lijdt, zullen ze op een afstand staan roepen: ‘Wee, wee, de grote stad Babylon, de sterke stad, want het oordeel over jou is in een uur voltrokken.’
REV 18:11 De handelaars op aarde zullen over haar jammeren en rouwen, omdat niemand hun koopwaar meer koopt:
REV 18:12 goederen van goud en zilver, edelstenen en parels; fijn linnen en paarse, zijden en felrode stoffen; allerlei soorten citrushout; allerlei voorwerpen van ivoor en van kostbaar hout, brons, ijzer en marmer;
REV 18:13 kaneel, amoom, balsem, mirre en wierook; wijn, olijfolie, fijn meel en tarwe; runderen, schapen, paarden en wagens; slaven en krijgsgevangenen.
REV 18:14 ‘Weg is het rijpe fruit waarnaar je hart uitging, verdwenen zijn al je prachtige kostbaarheden; ze zullen nooit meer bestaan.’
REV 18:15 Uit afschuw voor de pijn die zij dan lijdt, zullen de handelaars die zich aan haar hadden verrijkt, jammerend en rouwend op een afstand staan.
REV 18:16 Ze zullen roepen: ‘Wee, wee, de grote stad, die in fijn linnen en in paarse en rode stoffen was gekleed en die sieraden van goud, edelstenen en parels droeg.
REV 18:17 Al die rijkdom is in één uur tijd te gronde gegaan.’” Alle kapiteins en zeelui, scheepsvolk en reders stonden op een afstand
REV 18:18 naar de rook van de brandende stad te kijken en schreeuwden het uit: “Welke stad was zo prachtig als zij?”
REV 18:19 Ze strooiden stof op hun hoofd en riepen al jammerend en rouwend: “Wee, wee, de grote stad, waar alle reders zich aan haar weelde hebben verrijkt, want in één uur tijd is ze verwoest.
REV 18:20 Verheug je over haar, hemel en allen die bij God horen, apostelen en profeten, want Hij heeft jullie recht verschaft door zijn oordeel over haar te voltrekken.”
REV 18:21 Toen nam een machtige engel een steen ter grootte van een molensteen, gooide die in de zee en zei: “Zo zal de grote stad Babylon worden weggeslingerd; ze zal niet meer bestaan.
REV 18:22 De muziek van harpisten en muzikanten, van fluitisten en trompettisten zal niet meer in jou worden gehoord, er zal geen enkele ambachtsman meer in jou worden gevonden en het geluid van een molen zal in jou niet meer worden gehoord.
REV 18:23 Het licht van lampen zal in jou niet meer branden en de stem van bruid en bruidegom zal niet meer in jou worden gehoord, want je handelaars waren de machtigste mannen op aarde en alle volken werden door jouw magie misleid.
REV 18:24 In deze stad was het bloed vergoten van profeten, van mensen die bij God horen, en van allen die op aarde zijn omgebracht.”
REV 19:1 Daarna hoorde ik iets dat klonk als een luide stem van een grote menigte die riep: “Halleluja! De redding, luister en macht zijn van onze God.
REV 19:2 Zijn oordelen zijn eerlijk en rechtvaardig. Hij heeft zijn oordeel voltrokken over de grote hoer die met haar ontucht de aarde te gronde richtte; Hij heeft haar gestraft voor het vergieten van het bloed van zijn dienaren.”
REV 19:3 En verder: “Halleluja, haar rook stijgt op voor eeuwig en altijd.”
REV 19:4 De vierentwintig oudsten en de vier wezens lieten zich voor God, die op de troon zit, neervallen om Hem te aanbidden met de woorden: “Amen, halleluja.”
REV 19:5 Vanaf de troon klonk een stem, die zei: “Prijs onze God, al zijn dienaren en jullie die ontzag voor Hem hebben, zowel de gewone mensen als de hooggeplaatsten.”
REV 19:6 Toen hoorde ik iets dat klonk als een luide stem van een grote menigte, als het geraas van vele rivieren, als het gebulder van zware donderslagen. De stem riep: “Halleluja, want de Heer, onze God, de Almachtige regeert.
REV 19:7 Laten we ons verheugen en Hem eer bewijzen, want het huwelijksfeest van het lam is aangebroken en zijn bruid heeft zich gereedgemaakt.
REV 19:8 Zij mag zich kleden in stralend wit linnen.” Het linnen staat symbool voor het rechtvaardige gedrag van de mensen die bij God horen.
REV 19:9 Toen zei de engel tegen mij: “Schrijf op: zij die voor het huwelijksfeest van het lam zijn uitgenodigd, zijn gezegend.” Hij vervolgde: “Deze woorden zijn waar; het zijn Gods woorden.”
REV 19:10 Ik liet me in aanbidding aan zijn voeten neervallen, maar hij zei: “Doe dat niet; ik ben slechts een dienaar van God, net als jij en je broeders en zusters die over de getuigenis van Jezus beschikken. Je moet God aanbidden.” De getuigenis van Jezus is wat de Geest de profeten ingeeft.
REV 19:11 Toen zag ik dat de hemel was opengegaan. Daar stond een wit paard. De ruiter heet “Trouw en betrouwbaar”; zijn oordeel en zijn strijd zijn rechtvaardig.
REV 19:12 Zijn ogen vlammen als vuur en op zijn hoofd draagt Hij veel diademen, waarin namen gegraveerd zijn die niemand kent behalve Hij.
REV 19:13 Hij is gehuld in een in bloed gedrenkt gewaad en zijn naam luidt “Gods Woord”.
REV 19:14 De hemelse legers volgden Hem op witte paarden en gekleed in smetteloos wit, fijn linnen.
REV 19:15 Uit zijn mond komt een scherp zwaard waarmee Hij de volken overwint; Hij zal over hen heersen met een ijzeren scepter en hen pletten in de druivenpers van de hevige toorn van de almachtige God.
REV 19:16 Op zijn gewaad, ter hoogte van zijn dij, staat de naam “Koning boven alle koningen en Heer boven alle heren”.
REV 19:17 Toen zag ik een engel op de zon staan. Hij riep luid naar alle vogels die hoog in de lucht vlogen: “Kom, verzamel je voor het grote feestmaal van God.
REV 19:18 Dan zullen jullie het vlees eten van koningen, het vlees van generaals, het vlees van machthebbers, het vlees van paarden en ruiters, het vlees van alle mensen, zowel de vrije als de onvrije, zowel de gewone als de hooggeplaatste.”
REV 19:19 Toen zag ik het beest en de koningen op aarde met hun legers; zij verzamelden zich om strijd te voeren tegen de ruiter op het paard en tegen zijn leger.
REV 19:20 Het beest werd gevangengenomen, samen met de valse profeet die in zijn bijzijn de wonderlijke tekenen had verricht, waarmee hij de mensen had misleid die het merkteken van het beest hadden aanvaard en die zijn beeld aanbaden. De twee werden levend in de vuurpoel van brandende zwavel geworpen.
REV 19:21 De anderen werden omgebracht met het zwaard dat uit de mond van de ruiter kwam, en alle vogels vraten zich vol.
REV 20:1 Toen zag ik een engel uit de hemel komen met de sleutel voor de afgrond en een zware keten in zijn hand.
REV 20:2 Hij greep de draak, de slang van weleer – hij is de duivel en de satan – en ketende hem voor duizend jaar.
REV 20:3 Hij wierp hem in de afgrond. Toen sloot en verzegelde hij die boven hem, zodat de draak de volken niet meer zou kunnen misleiden zolang de duizend jaar niet voorbij waren. Daarna moet hij korte tijd worden vrijgelaten.
REV 20:4 Toen zag ik tronen; wie daarop zou zitten zou de macht krijgen om te oordelen. Ook zag ik de zielen van de mensen die waren onthoofd omwille van de getuigenis van Jezus en de boodschap van God; zij hadden het beest en zijn beeld niet aanbeden en het merkteken niet op hun voorhoofd of hun hand gekregen. Zij kwamen tot leven en regeerden duizend jaar lang met Christus.
REV 20:5 Dit is de eerste verrijzenis. De overige doden kwamen niet tot leven zolang de duizend jaar niet voorbij waren.
REV 20:6 Zij die aan de eerste verrijzenis mogen deelnemen, zijn gezegend en horen bij God. Over hen heeft de tweede dood geen macht; zij zullen priesters voor God en voor Christus zijn, en ze zullen duizend jaar lang samen met Hem regeren.
REV 20:7 Na afloop van die duizend jaar zal Satan uit zijn gevangenschap worden vrijgelaten.
REV 20:8 Hij zal eropuit gaan om de volken te misleiden die in de vier uithoeken van de aarde wonen – Gog en Magog – en hen verzamelen voor de strijd. Hun aantal is als dat van de zandkorrels op een strand.
REV 20:9 Ze marcheerden over de breedte van de aarde en omsingelden het kamp van de mensen die bij God horen en de door God geliefde stad. Toen kwam er vuur uit de hemel, dat de aanvallers verteerde.
REV 20:10 Hij die hen had misleid, de duivel, werd in de poel van brandende zwavel geworpen, bij het beest en de valse profeet. Daar zullen ze dag en nacht worden gepijnigd, voor eeuwig en altijd.
REV 20:11 Toen zag ik een grote witte troon en Hij die daarop zit. De aarde en de hemel vluchtten bij Hem vandaan; zij verdwenen.
REV 20:12 Toen zag ik alle doden voor de troon staan – zowel de gewone mensen als de hooggeplaatsten – en de boeken werden geopend. Er werd ook een ander boek geopend, namelijk het boek van het leven. Over de doden werd het oordeel geveld dat overeenkwam met hun gedrag zoals dat in de boeken genoteerd stond.
REV 20:13 Toen stond de zee de doden af die zij bevatte. Ook de dood en het dodenrijk stonden de doden af die zij bevatten en over iedere dode werd het oordeel geveld dat overeenkwam met zijn gedrag.
REV 20:14 Toen werden de dood en het dodenrijk in de vuurpoel geworpen. Dit is de tweede dood, de vuurpoel.
REV 20:15 Wie niet in het boek van het leven vermeld stond, werd in de vuurpoel geworpen.
REV 21:1 Toen zag ik een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. De eerste hemel en de eerste aarde bestonden niet meer; ook was er geen zee meer.
REV 21:2 Ik zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, uit de hemel komen, bij God vandaan; ze was gereed en mooi gemaakt als een bruid voor haar man.
REV 21:3 Ik hoorde een luide stem, die vanaf de troon riep: “Dit is Gods woning bij de mensen. Hij zal bij hen wonen. Zij zullen zijn volk zijn en Hij, hun God, zal bij hen zijn.
REV 21:4 Hij zal alle tranen uit hun ogen wissen; er zal geen dood meer zijn, noch rouw, noch geween, noch pijn. Het oude is voorbij.”
REV 21:5 Hij die op de troon zit, zei: “Let op, Ik maak alles nieuw.” Toen zei Hij: “Schrijf deze woorden op; ze zijn betrouwbaar en waar.”
REV 21:6 Daarna zei Hij tegen mij: “Het is voltooid. Ik ben de alfa en de omega, het begin en het einde. Wie dorst heeft, zal Ik vrijelijk laten drinken uit de bronnen met het water dat leven geeft.
REV 21:7 Wie overwint, zal deze zaken ontvangen; Ik zal zijn God zijn en hij zal mijn kind zijn.
REV 21:8 Maar wie laf en trouweloos zijn, wie zich bezighouden met gruwelijkheden, moord, seksueel wangedrag, magie en verering van afgoden, en alle leugenaars, wacht de poel van brandende zwavel; dat is de tweede dood.”
REV 21:9 Een van de zeven engelen met de zeven schalen die met de zeven laatste plagen gevuld waren, kwam naar me toe. Hij zei tegen mij: “Kom, dan zal ik je de bruid tonen, de vrouw van het lam.”
REV 21:10 In het visioen dat de Geest mij gaf, nam de engel mij mee naar een grote, hoge berg. Daar toonde hij mij de heilige stad Jeruzalem, die uit de hemel kwam, bij God vandaan.
REV 21:11 Ze was vol van Gods hemelse pracht; ze schitterde als een edelsteen, als een kristalheldere steen van jaspis.
REV 21:12 Ze had een bijzonder hoge muur met twaalf poorten, die door twaalf engelen werden bewaakt. Op de poorten stonden namen; het waren de namen van de twaalf stammen van Israël.
REV 21:13 Er waren drie poorten aan de oostzijde, drie poorten aan de noordzijde, drie poorten aan de zuidzijde en drie poorten aan de westzijde.
REV 21:14 De fundering van de stadsmuur bestond uit twaalf grote stenen, waarop de namen van de twaalf apostelen van het lam stonden.
REV 21:15 De engel die met me sprak had een gouden meetstok om de stad en haar poorten en haar muur op te meten.
REV 21:16 De stad is vierkant van vorm: de lengte is gelijk aan de breedte. Met de meetstok mat hij de stad: 12.000 stadiën lang, breed en hoog.
REV 21:17 Ook mat hij de stadsmuur: 144 el in menselijke maten, die ook door de engel werden gebruikt.
REV 21:18 De muur is van jaspis; de stad is van zuiver goud en schittert als helder glas.
REV 21:19 De stenen die de fundering van de stadsmuur vormen, waren versierd met allerlei edelstenen: de eerste steen met jaspis, de tweede met saffier, de derde met chalcedon, de vierde met smaragd,
REV 21:20 de vijfde met onyx, de zesde met sardius, de zevende met chrysoliet, de achtste met beryl, de negende met topaas, de tiende met chrysopraas, de elfde met zirkoon, de twaalfde met amethist.
REV 21:21 De twaalf poorten waren twaalf parels; elke poort was gemaakt van een enkele parel. De grote straat door de stad is van zuiver goud en doorschijnend als glas.
REV 21:22 Een tempel zag ik er niet, want de Heer, God, de Almachtige, is haar tempel, samen met het lam.
REV 21:23 De stad heeft het licht van de zon en de maan niet nodig, want ze wordt verlicht door Gods hemelse pracht en het lam is haar lamp.
REV 21:24 De volken zullen leven in haar licht en de koningen op aarde zullen hun eerbewijzen naar haar toebrengen.
REV 21:25 Haar poorten zullen overdag altijd open staan en nacht wordt het er niet.
REV 21:26 De schatten en eerbewijzen van de volken zullen naar haar worden toegebracht.
REV 21:27 Niets dat onrein is en niemand die gruwelijke en bedrieglijke dingen doet, mag er naar binnen; enkel zij van wie de namen staan in het boek van het leven dat in het bezit van het lam is.
REV 22:1 Toen toonde de engel mij de rivier met het water dat leven geeft. Deze rivier is helder als kristal en ontspringt aan de troon van God en het lam.
REV 22:2 Ze stroomt midden door de straat van de stad. Aan weerszijden van de rivier staat de levensboom; deze draagt twaalf maal per jaar vrucht – elke maand – en de bladeren ervan bieden genezing voor de volken.
REV 22:3 Er zal niets meer zijn waarop Gods vloek rust. De troon van God en het lam zal daar zijn en Gods dienaren zullen Hem vereren.
REV 22:4 Zij zullen zijn gezicht zien en zijn naam zal op hun voorhoofd staan.
REV 22:5 Er zal geen nacht meer zijn en er zal geen nood meer zijn aan het schijnsel van een lamp of het licht van de zon, want de Heer, God, zal hen verlichten en ze zullen voor eeuwig en altijd regeren.
REV 22:6 Toen zei de engel tegen mij: “Deze woorden zijn betrouwbaar en waar.” De Heer, de God wiens Geest door de profeten spreekt, heeft zijn engel gezonden om zijn dienaren te tonen wat spoedig moet gebeuren.
REV 22:7 “Let op, Ik kom spoedig. Wie zich houdt aan de woorden van dit profetische boek, is gezegend.”
REV 22:8 Ik, Johannes, ben het die deze zaken heeft gehoord en gezien. Nadat ik ze had gehoord en gezien, liet ik me in aanbidding neervallen aan de voeten van de engel die me deze zaken had getoond.
REV 22:9 Maar hij zei tegen mij: “Doe dat niet; ik ben slechts een dienaar van God, net als jij en je broeders en zusters, de profeten. Ik ben net als zij die zich aan de woorden in dit boek houden. Je moet God aanbidden.”
REV 22:10 Toen zei Hij tegen mij: “Hou de profetische woorden van dit boek niet geheim, want het moment is bijna aangebroken.
REV 22:11 Laat de onrechtvaardige nog meer onrecht doen, en wie doet wat onrein is, nog meer onrein worden. Maar laat de rechtvaardige nog meer goeds doen en wie een zuiver leven leidt, een zuiver leven blijven leiden.”
REV 22:12 “Let op, Ik kom spoedig en breng voor iedereen de beloning mee die hij met zijn daden heeft verdiend.
REV 22:13 Ik ben de alfa en de omega, de eerste en de laatste, het begin en het einde.
REV 22:14 Zij die hun kleren hebben gewassen zijn gezegend, want zij krijgen toegang tot de levensboom en zij mogen door de poorten de stad binnengaan.
REV 22:15 Buiten zijn de honden, zij die magie bedrijven, die seksueel wangedrag plegen, die anderen vermoorden, die afgoden dienen – allen die de leugen liefhebben en leugenachtig leven.
REV 22:16 Ik, Jezus, heb mijn engel gestuurd om ervoor te zorgen dat deze boodschap aan de kerkgemeenschappen zou worden doorgegeven. Ik ben de beloofde afstammeling van David, de stralende morgenster.”
REV 22:17 De Geest en de bruid zeggen: “Kom.” Laat wie het hoort, zeggen: “Kom.” Laat wie dorst heeft, komen en laat wie dat wil, vrijelijk drinken van het water dat leven geeft.
REV 22:18 Ik verklaar aan iedereen die de profetische woorden van dit boek hoort: als iemand er iets aan toevoegt, zal God hem straffen met de plagen die in dit boek staan beschreven.
REV 22:19 En als iemand iets verwijdert uit de profetische woorden van dit boek, zal God hem het recht ontnemen om van de levensboom te eten en in de heilige stad te wonen.
REV 22:20 Hij die dit alles verklaart, zegt: “Ja, Ik kom spoedig.” Amen. Kom, Heer Jezus!
REV 22:21 Ik wens jullie allen de genade van de Heer Jezus toe.
