﻿Psalmen.
112.
Halleluja! Heil den man, die Jahweh vreest, En zijn geboden van harte bemint: 
Zijn kroost zal machtig op aarde zijn, Het geslacht der vromen zal worden gezegend. 
Welvaart en rijkdom bewonen zijn huis, En zijn gerechtigheid houdt in eeuwigheid stand; 
De vromen gaat een licht in de duisternis op, Hem, die genadig, barmhartig en rechtvaardig zal zijn. 
Heil den man, die weggeeft en leent, En zijn zaken beheert volgens recht; 
Want in eeuwigheid zal de rechtvaardige niet wankelen, En hij blijft in de herinnering voor eeuwig. 
Voor kwade geruchten is hij niet bang; Zijn hart blijft rotsvast op Jahweh vertrouwen, 
Onverstoorbaar, onbevreesd, Totdat hij op zijn vijanden neerziet. 
Milddadig deelt hij aan de armen uit: Zijn gerechtigheid houdt in eeuwigheid stand, En zijn hoorn verheft zich in ere. 
De boze ziet het vol afgunst, En knarsetandend gaat hij te gronde: Nooit wordt de wens der bozen vervuld! 
