﻿Psalmen.
2.
Waarom razen de volken, Bluffen de naties, 
Komen de koningen der aarde bijeen, Spannen de vorsten samen tegen Jahweh en zijn Gezalfde: 
“Laat ons hun ketens verbreken, Ons van hun boeien ontslaan!” 
Die in de hemelen woont, lacht hen uit, Jahweh bespot ze; 
Dan dreigt Hij ze toornig, Doet ze rillen voor zijn gramschap: 
“Ik zelf stel Mij een koning aan, Op Sion, mijn heilige berg!” 
Nu wil Ik Jahweh’s beslissing verkonden; Hij heeft Mij gezegd: Gij zijt mijn Zoon; Ik heb U heden verwekt. 
Vraag Mij: dan geef Ik U de volkeren tot erfdeel, En de grenzen der aarde tot uw bezit; 
Gij moogt ze vermorzelen met ijzeren knots, En stuk slaan als een aarden pot. 
Koningen, bedenkt het dus wel; Weest gewaarschuwd, wereldregeerders! 
Dient Jahweh in vreze; Beeft, en kust Hem de voeten! 
Anders ontsteekt Hij in toorn, en loopt gij uw verderf tegemoet, Want licht kan zijn gramschap ontvlammen. Gelukkig, wie tot Hem zijn toevlucht neemt! 
